Tarief, werken onroerende staat, omvorming versus nieuwbouw, travail immobilier · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 10 mai 2022

Rechercher
Texte en néerlandais

Tarief, werken onroerende staat, omvorming versus nieuwbouw, travail immobilierBelasting over de toegevoegde waarde – tarief – werken onroerende staat – omvorming versus nieuwbouw

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tarief-werken-onroerende-staat-omvorming-tribunal-bruges-2022-05-10-c903

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
10 mai 2022

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

87 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 10.05.2022

WF 714-15-20/019619

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée - Taux - Travaux immobiliers – Immeuble transformé ou immeuble neuf

Dispositions légales

Article 37 Code de la TVA

Arrêté royal n° 20, tableau A, rubriques XXXI et XXXVIII

Résumé

1. Les faits et les antécédents de procédure

Les maîtres d’ouvrage ont effectué des travaux immobiliers dans deux habitations.

Après un contrôle, l'administration a estimé que les travaux concernaient la construction d'un nouveau bâtiment, de sorte que le taux réduit de TVA avait été appliqué à tort.

Les maîtres d’ouvrage ont soutenu qu'il ne s'agissait pas d'un immeuble neuf mais de la transformation et de la modification d'un bien de nature immobilière et ils ont déposé une requête auprès du tribunal.

2. Le jugement

Le tribunal rappelle l’existence des commentaires administratifs sur les notions de transformation et de modification (notamment la circulaire 6/1986 et la revue-TVA n° 110). Selon une jurisprudence constante du Conseil d'État et de la Cour de cassation, de telles circulaires interprétatives n'ont pas de caractère contraignant.

Toutefois, le juge ne peut ignorer une telle interprétation administrative du texte légal s'il veut assurer l'égalité de traitement entre tous les sujets de droit qui se trouvent dans les mêmes circonstances.

La distinction entre les travaux d'agrandissement, qui peuvent être qualifiés de transformation, et les travaux d'agrandissement, qui contribuent à l’érection d'un nouveau bâtiment, est une question de fait à apprécier au cas par cas (Q.R.,Ch. Repr.,S.O. 1992-1993, n° 70, 6703 – Question n° 585 GEHLEN, revue-TVA n° 107, 104, n° 3).

Sur la base des documents et des pièces présentées, il ressort que des modifications importantes ont été apportées aux maisons originelles au niveau de leurs murs portants et au niveau de leur structure.

Selon le tribunal, la partie ancienne n'est pas significative par rapport à la partie nouvellement construite dont l’aménagement intérieur entièrement nouveau est fonctionnellement beaucoup plus important. En outre, il ressort que la structure de la maison a été considérablement modifiée. Les murs portants du bâtiment sont majoritairement neufs et les travaux réalisés ne reposent pas de manière significative sur les anciens murs portants et plus généralement sur la structure des habitations originelles à rénover.

Ces travaux d'agrandissement sont tels que la partie ancienne du bâtiment est devenue seulement un élément accessoire.

Il est donc clair que les travaux précités ne constituent pas la transformation d'une habitation mais, au contraire, la construction d'une nouvelle habitation. Par conséquent, le taux réduit n'est pas applicable aux travaux réalisés.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 10/05/2022

Rol: 21/803/A

In de zaak :

L. P. (RRN: 780...54), wonende te ...,

eisende partij,

voor wie optreedt meester A. A.-S., advocaat te … (ref.: …),

tegen:

de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van:

De adviseur (ontvanger) van de FOD FINANCIËN, Algemene Administratie van de Inning en Invordering, Team Invordering Natuurlijke Personen KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

De adviseur-generaal (centrumdirecteur) van de FOD FINANCIËN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Administratie KMO KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt de heer X, attaché (ref.:...).

1. RECHTSPLEGING.

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift de dato 30.03.2021.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 12.04.2022.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. De bouwheren L.-B. hebben aan de woningen in de … onroerende werken verricht.

In 2018 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de controlerende ambtenaar op 8.08.2019 een proces-verbaal opgemaakt waarin de begane overtredingen werden geacteerd.

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd een bedrag gevorderd van 22.230,15 EUR BTW en 2.220,00 EUR geldboete.

Op 7.04.2020 werd een bezwaarschrift ingediend.

Bij beslissing van 8.10.2020 werd dit bezwaarschrift afgewezen. Op 30.3.2021 diende eiser hiertegen een verzoekschrift in.

2.2. Eiser vraagt dat:

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Het proces-verbaal van 8.08.2019, het innings- en invorderingbericht van 16.12.2019 en de administratieve beslissing van 8.10.2020 nietig worden verklaard.

- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interesten.

- Uiterst ondergeschikt, de boete wordt kwijtgescholden of verminderd.

- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage pro-deo fonds.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. Eiser stelt dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6%.

3.2.2. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat , onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW- tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A. (vanaf 1.07.2011 nieuw ingevoegde rubriek XXXVIII in tabel A van de bijlage van het KB nr. 20 van 20.07.1970).

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende : "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt: 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het K.B. nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende: "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".

3.2.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

3.2.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, B.T.W.-Rev., nr. 10 7, 106, nr. 3).

3.2.5. De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eisers is het wezenlijke gebleven. Eiser wil gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden draagt hij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken (voorgelegde plannen en foto's) blijkt dat grote aanpassingen zijn doorgevoerd aan de oorspronkelijke woning zowel op vlak van steun als op vlak van structuur. Het plaatsen van ongeveer 50 lengtemeters aan stalen poutrellen wijst op een drastische ingreep in de steun van de oorspronkelijke woning. Daarnaast zijn ook bepaalde steunpunten vernieuwd of versterkt met nieuw metselwerk zonder dat daarbij gebruik werd gemaakt van poutrellen (steunpunt links achteraan en links vooraan). Rekening houdende met voormelde vaststellingen over het gelijkvloers en het feit dat de verdieping bijna volledig rust op nieuwe draagmuren, is het duidelijk dat de uitgevoerde renovatiewerken niet op een relevante wijze steunen op de oorspronkelijke draagstructuur van de woning.

Verder blijkt dat op het gelijkvloers achteraan een draagmuur werd verwijderd waardoor verbinding werd gemaakt met de nieuwe woonuitbreiding. Op de oorspronkelijke perceelsgrens werd ook een scheidingsmuur grotendeels afgebroken. Dit alles resulteerde in een mooie open oppervlakte tussen de keuken , de nieuwe zitruimte en de eetruimte. De aangebouwde nieuwe eetruimte achteraan de woning vormt samen met de nieuwe technische ruimte ontegensprekelijk een uitbreiding van de woning.

Op de verdieping is het oorspronkelijk hellend zadeldak weggenomen en zijn nieuwe dragende buitenmuren opgetrokken bovenop de buitenmuren van het gelijkvloers. Ook binnenmuren zijn verwijderd en heropgericht teneinde de indeling op de verdieping te wijzigen. In casu moet de verdieping dan ook als nieuw worden beschouwd.

Het oude gedeelte is bijgevolg niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte met volledig nieuwe binnenindeling dat functioneel aanzienlijk belangrijker is. Verder blijkt dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd. De dragende muren van het gebouw zijn overwegend nieuw en de uitgevoerde werken steunen niet op een relevante wijze op de oude dragende muren en meer algemeen, op de structuur van het te renoveren gebouw.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. De kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

3.2.6. Tenslotte werd de kwestieuze boete reeds tot een minimum herleid. Bij de bepaling van de hoogte van de aangerekende boete werd reeds rekening gehouden met het feit dat het om onregelmatigheden ging te wijten aan onwetendheid, vergissingen of nalatigheden waarbij aan de goede trouw van de belastingplichtige niet wordt getwijfeld.

De opgelegde boete staat niet in wanverhouding tot de gepleegde onregelmatigheden en is derhalve naar recht verantwoord. De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter. Er is geen reden om uitstel te verlenen.

De opgelegde boete wordt dan ook behouden.

3.2.7. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op DINSDAG TIEN MEI TWEEDUIZEND TWEEËNTWINTIG

Textes cités

1
CTVA art. 372 occurrences

Décisions similaires

8