Services de restauration et de catering · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 5 décembre 2022

Rechercher
Texte en néerlandais

Services de restauration et de catering

https://juriel.be/fr/jurisprudence/services-restauration-catering-restaurant-entreprise-tribunal-anvers-2022-12-05-0910

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
5 décembre 2022

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

100 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers, division Anvers du 05.12.2022

WF 707-15-20/067403

[Favorable à l'administration]

Taxe sur la valeur ajoutée - Services de restauration et de catering- Restaurant d'entreprise

Taxe sur la valeur ajoutée - Base d’imposition – Base minimale d’imposition - Valeur normale

Dispositions légales

Articles 18, § 1er, 2ème alinéa, 11°, 26, 32 et 33, § 2, du Code de la TVA

Article 6, paragraphe 1er du règlement d’exécution (UE) n 282/2011 du Conseil du 15 mars 2011 portant mesures d’exécution de la directive 2006/112/CE relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée (refonte)

Résumé

1. Les faits et les antécédents de procédure

La demanderesse est identifiée à la TVA pour l’exercice d’une activité de club de football et de restauration destinée à un nombre restreint de personnes.

Lors d’un contrôle, l'administration a constaté que la demanderesse fournissait des services de restauration soumis à la TVA aux joueurs, au staff et aux membres de l’encadrement pour lesquels une somme forfaitaire était déduite de leurs salaires. En revanche, la demanderesse soutenait que les repas diététiques fournis aux sportifs devaient être considérés comme un investissement important du club car ils amélioraient la qualité de la condition physique des joueurs. Les directives diététiques strictes doivent être respectées et les joueurs, le personnel et les entraîneurs n'ont pas la liberté de choix de leurs repas. Par conséquent, il n'y aurait pas d'activité économique distincte et les repas constitueraient un pur coût pour l'entreprise.

2. Le jugement

Se référant à l'article 18, §1er, deuxième alinéa, 11°, du Code de la TVA et à l'article 6, paragraphe 1er du règlement d'exécution, le tribunal affirme que les entreprises qui disposent d'une cantine où des repas sont fournis aux membres du personnel effectuent des prestations soumises à la TVA si ces prestations sont fournies à titre onéreux.

Le tribunal relève également que la demanderesse ne produit aucun document à cet égard démontrant que les joueurs, le staff et les membres de l’encadrement de l’équipe première ne disposent d'aucune liberté de choix en matière de repas et que les directives diététiques spécifiques sont effectivement respectées dans la préparation des repas afin d'améliorer les performances des joueurs. En outre, il ressort de la retenue d'une contribution forfaitaire que la fourniture de ces repas est effectivement considérée comme un avantage personnel.

Selon le tribunal, il s'agit dès lors de services de restauration imposables.

En outre, selon le tribunal, l'administration a fait un usage correct du coût réel de la nourriture pour calculer la base imposable, étant donné que pour les membres du personnel, la base d’imposition est la valeur normale lorsque la contribution réelle perçue est inférieure à cette valeur normale.

Remarque

La demanderesse a interjeté appel du jugement.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank

Vonnis van 05/12/2022

Rol: 21/3725/A

Inzake:

K. B.-W. NV thans de nv K. B. V. A.

met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 069...91

eisende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. F. V. G. loco Mr. V. F. te ...,

TEGEN:

BELGISCHE STAAT

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel,

handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Antwerpen-Expertise 1, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 2, en van de Adviseur-ontvanger van het Team Invordering Natuurlijke Personen Antwerpen 4, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 1, KBO 0308.357.159,

verwerende partij

- vertegenwoordigd door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor

de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gelet op de stukken in het dossier van de rechtspleging waaronder:

Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 augustus 2021;

de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 11 augustus 2022;

de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 30 september 2022;

de stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld in de Nederlandse taal ter terechtzitting van 7 november 2022.

1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de btw-schuld in hoofde van eiseres zoals opgenomen in het innings-en invorderingsregister op 5 oktober 2020 onder het schuldnummer 500...52.

Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE069...91 voor de activiteit van voetbalclub en eetgelegenheden met beperkte bediening.

Op 8 mei 2020 werd een fiscale controle aangevangen bij eiseres inzake de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de btw m.b.t. de periode van 1 oktober 2019 t.e.m. 31 maart 2020.

Naar aanleiding van deze controle werd vastgesteld dat eiseres ingrediënten aankocht die door de kok/cateraar werden aangewend voor de bereiding van maaltijden die ter plaatse op de club werden genuttigd door spelers, staf en begeleiders van de eerste ploeg die daarbij gebruik maakten van de aanwezige voorzieningen, borden en bestek. Er werd tevens vastgesteld dat een forfaitair bedrag werd ingehouden op het loon van de verbruikers van de maaltijden. Volgens de belastingadministratie vervulde eiseres bij dit alles een organiserende en coördinerende rol zodat de verrichte diensten, bestaande uit het verschaffen van spijzen en dranken voor het verbruik ter plaatse, dienden te worden aangemerkt als een restaurantdienst die aan btw onderworpen is. Volgens de belastingadministratie had eiseres aldus inbreuken gepleegd inzake het verschaffen van spijzen en dranken in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het gebruik ter plaatse aan een zaakvoerder, bestuurder of personeelslid onder bezwarende titel.

Bij gebreke aan een minnelijk akkoord werd op 24 augustus 2020 een proces-verbaal m.b.t. voormelde inbreuken opgesteld ten laste van eiseres waarin volgende bedragen werden

gevorderd (stuk 4 AD):

als btw: 11.012,07 euro;

als proportionele boete overeenkomstig artikel 70, §1 WBTW: 2.200,00 euro;

te vermeerderen met de verschuldigde nalatigheidsinteresten.

Voor de in het proces-verbaal als verschuldigd opgenomen bedragen werd een inschrijving gedaan in het innings-en invorderingsregister op 5 oktober 2020 onder het nummer 500...52 dat op 9 oktober 2020 uitvoerbaar werd verklaard. Eiseres werd hiervan op 9 oktober 2020 in kennis gesteld (stuk 5 AD).

Op 25 november 2020 diende de raadsman van eiseres een willig beroep in (stuk 6 AD). Bij administratieve beslissing van 20 mei 2021 werd het beroep afgewezen (stuk 7 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 augustus 2021 stelde eiseres een vordering in rechte in. Afschrift van de beslissing is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

2. Vorderingen van partijen

Eiseres verzoekt de rechtbank:

- het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens te zeggen voor recht dat de beslissing d.d. 20 mei 2021 die oordeelt dat de bedragen die het voorwerp uitmaken van het invorderingsorder met rciv-nummer 500...52 terecht werden ingevorderd, ongegrond is en te zeggen voor recht dat de beslissing en het invorderingsorder geen enkel gevolg mogen hebben; de terugbetaling te bevelen van de in uitvoering van hoger genoemde beslissing en invorderingsorder met rciv-nummer 500...52 betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten vanaf datum van betaling of inhouding/beslag tot datum van terugbetaling;

verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding en tot de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.540,00 euro. Ter terechtzitting vordert eiseres de sedert 1 november 2022 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder verzoekt de rechtbank het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de vordering van eiseres af te wijzen, eiseres te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal tot regularisatie of in voorkomend geval, de Belgische Staat niet te veroordelen tot de teruggave van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal tot regularisatie.

3.Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Betreffende de aangevoerde schending van de artikelen 18, §1 en 26 WBTW

De huidige betwisting betreft de vraag of de sportmaaltijden die eiseres aanbiedt aan haar spelers, staf en begeleiders van de eerste ploeg kwalificeert als een voor eiseres belastbare btw-handeling.

4.1.1. Betreffende de door eiseres verrichte diensten

Volgens de belastingadministratie blijkt uit de diverse vaststellingen n.a.v. de gevoerde controle dat de door eiseres verrichte diensten, bestaande uit het verschaffen van spijzen en dranken voor het verbruik ter plaatse aan de spelers, staf en begeleiders van de eerste ploeg, als een afzonderlijke economische activiteit dient te worden beschouwd, zijnde deze van restauranthouder. Op het vlak van de btw-wetgeving wordt de houder van een zogenaamd "bedrijfsrestaurant" op een gelijke wijze behandeld als andere restauranthouders. De btw op de gemaakte uitgaven is voor 100 % aftrekbaar en op de verstrekte maaltijden dient krachtens de wettelijke bepalingen btw te worden aangerekend.

Eiseres voert aan dat de sportmaaltijden die worden verschaft als een belangrijke clubinvestering in de kwaliteit van de spelers dienen te worden beschouwd. Alles is er immers op gericht om deze zo goed mogelijk te laten presteren teneinde hun eigen waarde en hun waarde voor de club alsook de waarde van de club zelf te laten stijgen. De maaltijden worden verder bereid volgens strikte dieetrichtlijnen in functie van de wedstrijdplanning. De speler heeft niet de vrije keuze in wat hij eet, wat volgens eiseres een belangrijk verschil uitmaakt met een restaurantdienstverlening waar de restaurantbezoeker de volledige vrije keuze heeft omtrent wat hij gaat eten. Eiseres verwijst ter zake naar rechtspraak van het Hof van Justitie waarbij het Hof heeft erkend dat in bijzondere omstandigheden, wegens de behoeften van de onderneming, het nodig kan zijn dat de werkgever zelf voor maaltijden zorgt. Het persoonlijk voordeel is dan bijkomstig t.a.v. de behoeften van de onderneming (HvJ 11 december 2008, C-371/07, D. en A. Z.). Eiseres meent dan ook dat gelet op het ontbreken van de keuzevrijheid omtrent wat men gaat eten, het gegeven dat geen reclame wordt gemaakt, dat de maaltijden uitsluitend verplicht worden opgelegd aan de gesloten groep van spelers en omringende staf en het gegeven dat de ontvangen vergoedingen de gemaakte kosten niet dekken, er geen sprake is van enige afzonderlijke economische activiteit bestaande uit het aanbieden van spijzen en dranken voor het verbruik ter plaatse.

De prestaties die vallen onder 'restaurant-en cateringdiensten' zijn diensten als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 110 WBTW, onderworpen aan btw.

Artikel 6, lid 1 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen tot uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde bepaalt het volgende:

"Onder restaurant- en cateringdiensten wordt verstaan het verstrekken van bereide of onbereide spijzen of dranken dan wel beide, voor menselijke consumptie, in combinatie met voldoende bijkomende diensten ten behoeve van de onmiddellijke consumptie van die spijzen of dranken. Het verstrekken van spijzen of dranken dan wel beide is niet meer dan een onderdeel van het geheel waarin het dienstenaspect de overhand heeft. Restaurantdiensten zijn dergelijke diensten verstrekt in de ruimten van de dienstverrichter en cateringdiensten zijn dergelijke diensten verstrekt elders dan in de ruimten van de dienstverrichter."

Ondernemingen die beschikken over een kantine waar maaltijden verstrekt worden aan de personeelsleden (veelal tegen verminderde prijzen) verrichten diensten in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° WBTW die aan de btw zijn onderworpen indien deze prestaties worden verricht onder bezwarende titel, d.i. hetzij omdat de personeelsleden een prijs betalen voor die prestaties, hetzij omdat de bezoldiging van deze personeelsleden wordt verminderd met de waarde van de verstrekte maaltijd.

Eiseres meent dat zij niet onder de voormelde bepalingen valt en stelt dat het verschaffen van spijzen en dranken aan haar spelers en begeleidende staf van de eerste ploeg dient beschouwd te worden als een loutere investering in haar spelers en zodoende als een zuivere kost voor de onderneming.

De rechtbank dient evenwel vast te stellen dat eiseres ter zake geen enkel stuk bijbrengt waaruit blijkt dat de spelers, staf en begeleiders van de eerste ploeg geen enkele keuzevrijheid hebben wat de maaltijden betreft en dat bij de bereiding van de maaltijden effectief specifieke dieetrichtlijnen worden gevolgd om de prestaties van de spelers te verbeteren. Verder blijkt uit het gegeven dat voor het verstrekken van de maaltijden en dranken een forfaitaire bijdrage van 90,00 euro wordt ingehouden op het loon van de verbruikers dat het verschaffen van deze maaltijden wel degelijk als een persoonlijk voordeel wordt beschouwd.

Eiseres toont naar het oordeel van de rechtbank niet aan dat het verstrekken van de maaltijden en dranken enkel de bedrijfsdoeleinden dient en dat het persoonlijk voordeel van de verbruikers slechts bijkomstig zou zijn.

De belastingadministratie heeft de verrichte diensten dan ook terecht aangemerkt als prestaties die vallen onder 'restaurant- en cateringdiensten' zoals bedoeld in artikel 18, §1, tweede lid, 11° WBTW.

4.1.2. Betreffende de maatstaf van heffing

De maatstaf van heffing is op grond van artikel 26 WBTW alles wat de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet krijgen van degene aan wie de dienst wordt verstrekt.

Wanneer de door de personeelsleden betaalde bijdrage voor het privégebruik/voordeel lager is dan de normale waarde, zoals in casu het geval is, wordt in toepassing van de artikelen 32 en 33, §2 WBTW de werkelijke waarde van de verschafte maaltijden en dranken als basis voor de maatstaf van heffing weerhouden, zijnde de kostprijs van de verschafte maaltijden en dranken.

De belastingadministratie heeft dan ook terecht de lood-colt' als basis voor de berekening van de maatstaf van heffing weerhouden.

4.2. Betreffende de opgelegde boete

Eiseres verzoekt in ondergeschikte orde vast te stellen dat gelet op het principiële karakter van de betwisting het opleggen van de boete met uitstel gerechtvaardigd zou zijn indien de fiscale wet in die mogelijkheid zou voorzien en de boete niet op te leggen bij gebrek aan een wettelijke regeling daaromtrent. Eiseres verzoekt verder in toepassing van artikel 6 EVRM de boete kwijt te schelden, minstens drastisch te verminderen gelet op de principiële betwisting.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat onderhavige betwisting geen principiële betwisting betreft gelet op de duidelijke wettelijke bepalingen ter zake en gelet op het gegeven dat de kwalificatie van de verrichte diensten een feitelijke beoordeling vergt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat de opgelegde boete van 20% in toepassing van artikel 70, §1 WBTW en tabel G, eerste afdeling, rubriek V van de bijlage bij het KB nr. 41 in redelijke verhouding met de door eiseres gepleegde inbreuken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de boete te herleiden, laat staan kwijt te schelden.

De rechtbank dient verder ook vast te stellen dat er, behoudens het vermeende principiële karakter van de betwisting, door eiseres geen concrete omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank een boete met uitstel zou kunnen overwegen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien. Het verzoek van eiseres is ter zake dan ook niet (afdoende) onderbouwd.

De vordering van eiseres is op dit punt eveneens ongegrond.

5. Kosten van het geding

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op vijf december tweeduizend tweeëntwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

...

Textes cités

7

Décisions similaires

8