Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, service · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 13 novembre 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, serviceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-cour-appel-anvers-2000-11-13-f841

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
13 novembre 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

50 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 13.11.2000

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting, houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER recht doend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Zitting van: 13 november 2000

Inzake : 1999/AR/1936

DE BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de ontvanger van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4;

appellant,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 18.12.1989

vertegenwoordigd door Mr. J. P. loco Mr. M. V. H., advocaat te …, …;

tegen :

NV S. B., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. W. H., advocaat te …, …;

1. De antecedenten en de vorderingen

1.1. NV S. B. stelt, sedert 1971, personenwagens ter beschikking van haar personeel tegen een prijs van … BEF per maand. Zij verklaart dit te doen om hiermee aan merkbekendheid te winnen.

De partijen zijn het erover eens dat deze ter beschikking stelling moet worden beschouwd als het verlenen van genotsrechten op goederen en derhalve krachtens de art. 10 en 18, § 1, 4° BTW-Wetboek onderworpen is aan de BTW. NV S. B. rekende dan ook telkens de BTW aan op … BEF. '

1.2. Naar aanleiding van een controle van de directe belastingen rees betwisting over deze overeenkomsten. Akkoordverklaringen werden opgesteld waarbij (1) het bedrag van … BEF per maand en per auto werd geïndexeerd en (2) het verschil tussen het door indexatie bekomen bedrag en het basisbedrag van … BEF in hoofde van NV S. B. werd ingeschreven als «verworpen uitgaven» onder de rubriek «liberaliteiten».

De Belgische Staat, administratie van de BTW, kwalificeerde dit verschil als een voordeel van alle aard dat door NV S. B. aan haar werknemers was verstrekt en vestigde bij dwangbevel d.d. 21.01.1987 op dit verschil de BTW, vermeerderd met een boete van 200 %.

1.3. Op 25.02.1987 heeft NV S. B. de Belgische Staat gedagvaard teneinde het dwangbevel te horen vernietigen en haar van de gevestigde belasting te horen ontslaan. Zij deed gelden dat de enige tegenprestatie die zij voor de, ter beschikking stelling ontving, de betaling van … BEF per maand was zodat op dit bedrag de BTW diende bepaald (art. 26 BTW-Wetboek) en dat er geen andere dan een geldelijke tegenprestatie werd geleverd. De arbeidsprestaties waren volgens haar geen vergoeding voor de ter beschikking stelling van de auto's, zodat er geen aanleiding was om toepassing te maken van art. 32 BTW-Wetboek. In dit opzicht beriep zij zich op de kwalificatie «liberaliteit» in de akkoordverklaringen.

In het bestreden vonnis d.d. 18.12.1989 heeft de eerste rechter de vordering van NV S. B. gegrond verklaard.

1.4. De Belgische Staat heeft op 29.03.1990 hoger beroep ingesteld. Bij gebrek van initiatief van de partijen werd de zaak ambtshalve op 02.12.1994 van de algemene rol weggelaten en, op verzoek van NV S. B., op 02.07.1999 heringeschreven.

De Belgische Staat besluit tot de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering. NV S. B. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. Beoordeling

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden, zo in feite als in rechte, in de hieraan voorafgaande procedurestukken uiteengezet. Het hof verwijst ernaar.

2.1. De partijen zijn het erover eens dat de ter beschikking stelling van de auto's een BTW belastbare handeling is. Zij zijn het echter oneens over de maatstaf.

Krachtens art. 26 BTW-Wetboek wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverlener als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt. Art. 32 hetzelfde wetboek bepaalt dat, indien de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat, die prestatie op haar normale waarde wordt gerekend.

2.2. Er bestaat geen betwisting over dat de werknemers geen andere geldsom dienden te betalen dan de som van … BEF per maand (vermeerderd met de BTW daarop). Er kan dus in beginsel enkel BTW op een hoger bedrag verschuldigd zijn, indien bewezen wordt dat de werknemers ook nog een andere, niet uit een geldsom bestaande, tegenprestatie dienden te leveren.

Dit bewijs ligt niet voor :

• Het verschil tussen het geïndexeerde bedrag van … BEF per maand en het door de werknemers betaalde bedrag van …BEF per maand werd in hoofde van de werknemers niet belast als een voordeel van alle aard. Nochtans had dit het geval behoren te zijn indien de ter beschikking stelling van een auto de opbrengst vertegenwoordigde van door hen geleverde arbeid (art. 26, 2° WIB 1964; art. 31, 2° WIB 1992).

• De aftrek van de door NV S. B. gedane uitgaven i.v.m. deze voertuigen werd haar geweigerd tot beloop van het bedrag waarop de Belgische Staat thans de BTW vordert omdat zij, tot beloop daarvan, als een liberaliteit werden aangemerkt. Dit houdt in dat de fiscus van oordeel was dat, tot beloop van het verworpen bedrag, deze uitgaven niet waren gemaakt. met het oogmerk beroepsinkomsten te verwerven ofte behouden, hetzij er aan de BTW onderworpen handelingen mee te verrichten.

Deze beide elementen spreken tegen dat door de werknemers aan wie een auto te beschikking werd gesteld een andere tegenprestatie leverden dan de betaling.

Ook de feitelijke elementen wijzen niet op een andere tegenprestatie dan de betaling van … BEF per maand : het staat buiten betwisting dat, toen NV S. B. in 1971 met deze werkwijze startte, de som van … BEF per maand de volledige tegenprestatie vormde die voor de werknemers diende geleverd. Welnu, het feit dat dit bedrag nooit werd aangepast, laat niet toe te besluiten dat, op zeker ogenblik, de werknemers bereid zouden zijn geworden om, naast de betaling van … BEF, ook nog arbeidsprestaties te leveren ter vergoeding van dit gebruik. Deze hypothese, die dan zou inhouden dat de werknemers. bijv. de handhaving van de aanrekening van … BEF zouden hebben verkozen boven een loonsopslag, is hoogst onwaarschijnlijk en alleszins onbewezen.

2.3. De Belgische Staat beroept zich hierop dat, hoe dan ook, de ter beschikking stelling van een auto in de feiten een voordeel van alle aard is dat de werknemer uit hoofde of naar aanleiding van zijn tewerkstelling bekomt.

Enerzijds gaat de Belgische Staat er aan voorbij dat deze ter beschikking stelling niet tot doel had te vermijden dat de werknemers uitgaven zouden doen die zij toch noodzakelijk dienden te doen (wat het voorwerp is van het in art. 26, 2° WIB (1964) - art. 31, 2° WIB (1992) bedoelde begrip «voordeel van alle aard»), maar om louter publicitaire doeleinden geschiedde, anderzijds blijft de vaststelling dat er nooit een taxatie als voordeel van alle aard plaatsvond in hoofde van de werknemers. De grondslag tot het bepalen van een hogere maatstaf dan de betaalde som van … BEF ontbreekt.

2.4. Noch de bewering dat de som van … BEF per maand niet langer zou hebben overeengestemd met de normale waarde van het gebruik, noch de bewering dat de som van … BEF niet meer overeenstemde met de kosten die voor NV S. B. aan de ter beschikking stelling verbonden waren, volstaat opdat de BTW. zou verschuldigd zijn op een hoger bedrag dan de tegenprestatie die de verstrekker van de dienst ontvangt. De maatstaf van de BTW is immers de tegenprestatie en ook de prestatie, waarvan art. 32 BTW-Wetboek voorziet dat ze op haar normale waarde moet worden bepaald, is niet de levering of gepresteerde dienst, maar wel de tegenprestatie die daarvoor door de dienstverschaffer of leverancier wordt bekomen. Het bestaan ervan is, behoudens de betaling van de geldsom, niet aangetoond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doend op tegenspraak;

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst de Belgische Staat in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van NV S. B. op … BEF (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting, van dertien november tweeduizend.

waar aanwezig waren :

de heren E. H., Raadsheer, wnd. Voorzitter

J. E., Raadsheer

P. B., Raadsheer

Mevrouw G. V., Griffier.

G. V. P. B. J. E. E. H.

Textes cités

4
CTVA art. 323 occurrences
CTVA art. 262 occurrences
CTVA art. 101 occurrence
CTVA art. 181 occurrence

Décisions similaires

8