Report de la taxe, Rectification spontanée, report de paiement · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 2019/AR/979 3 février 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Report de la taxe, Rectification spontanée, report de paiementReport de la taxe - Rectification spontanée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/report-taxe-rectification-spontanee-paiement-cour-appel-gand-2026-02-03-f26a

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Numéro de rôle
2019/AR/979
Date
3 février 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

187 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel Gand du 03.02.2026 (2019/AR/979)

WF 5364210201

Résumé

Non fourni

Texte intégral

Uniquement disponible dans la langue de l’arrêt.

Corps de la décision

Hof van beroep Gent

Arrest

Vijfde kamer

03 februari 2026

2019/AR/979

In de zaak van:

cie1, ON ...,

met zetel te ... ..., ...,

appellante,

hebbende als raadsman mr. CROMMEN Mark, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei

215

tegen

BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON ...,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-rekenplichtige Team Invordering rechtspersonen Gent, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 101,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BRICOUT Tine, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A en mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 24 mei 2019 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 20 maart 2019 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 16/4411/A, waarvan uit het stuk 38 van de appellante blijkt dat het op verzoek van de geïntimeerde op 9 mei 2019 aan de appellante werd betekend.

De zaak werd op de zitting van 22 september 2020 uitgesteld in afwachting van een uitspraak door het Hof van Cassatie. Op verzoek van de partijen werd de zaak in 2024 opnieuw geactiveerd. De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 januari 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van het ontwikkelen van residentiële bouwprojecten.

Met een bericht van 1 augustus 2013 heeft de geïntimeerde met toepassing van artikel 84ter WBTW aan de appellante laten weten dat de verjaringstermijn voor de btw van drie naar zeven jaar zou worden uitgebreid wegens de vermoedens van belastingontduiking die hij in hoofde van de appellante had voor de periode van 2006 tot 2013.

Op 12 september 2013 heeft de geïntimeerde bij de appellante een btw-controle uitgevoerd.

De controleagent was van oordeel dat de appellante verschillende inbreuken heeft gepleegd op de btw-wetgeving. Het ging enerzijds om het niet aangeven van omzet door verkeerde overdracht van de boekhouding naar de aangiften (factuur 2011112 uitgereikt aan cie2 op 10 februari 2011) en anderzijds om het onterecht toepassen van de aftrekregeling aan de hand van niet regelmatige facturen (facturen uitgereikt door de leverancier cie3 in de periode 2007 - 2011).

Voor die overtredingen heeft de controleagent op 1 april 2014 een proces-verbaal opgesteld. Daarin werden de volgende bedragen als door de appellante verschuldigd verklaard voor de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2011:

203.886,00 euro aan btw;

- (317.770,00 + 9.000,00 =) 326.770,00 euro aan administratieve geldboeten; te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf 21 januari 2012, de kosten, en de reeds verlopen interesten ten bedrage van 3.439,12 euro (wegens het verkeerd overbrengen van de omzet naar de respectievelijke btw-aangiften).

Verder werd compensatie verleend voor 45.000,00 euro btw die door de appellante (naderhand, maar te laat) betaald werd op de uitgaande factuur 2011112 van 10 februari 2011 aan cie2.

Op 2 juni 2014 werd in dat verband een dwangbevel uitgevaardigd met RCIV-nummer

500/1193/72317 dat op 13 juni 2014 met een aangetekende zending ter kennis werd gebracht

van de appellante. Daarin verklaarde de geïntimeerde de volgende bedragen verschuldigd:

-158.886,00 euro aan btw (na compensatie, zie hoger);

- 326.770,00 euro aan proportionele geldboeten;

- 3.439,12 euro verlopen interest;

- nalatigheidsinterest, desgevallend moratoire interesten en de kosten.

Met een verzoekschrift van 25 november 2016 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, waarmee ze de hoger vermelde aanspraken van de geïntimeerde integraal betwistte.

In het vonnis van 20 maart 2019 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg

Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de vordering ontvankelijk en in beperkte mate gegrond.

Vermindert de administratieve proportionele geldboete van 326.770,00 euro naar 163.385,00

euro.

Vernietigt de administratieve geldboete van 9.000,00 euro.

Beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaald;

Veroordeelt de eiseres tot het dragen van 65 procent en de verweerder tot het dragen van 35

procent van de gerechtskosten, vastgesteld als volgt:

- Aan de kant van de eiseres:

o rechtsplegingsvergoeding: 12.000,00 euro

o rolrechten: 300,00 euro

- Aan de kant van de eiseres:

o rechtsplegingsvergoeding: 12.000,00 euro

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.

3. De vorderingen van de partiien

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren; Het incidenteel beroep van de fiscale Administratie ongegrond te verklaren;

Dienvolgens het bestreden vonnis van de 6e Kamer in de Rechtbank van eerste aanleg Gent, afdeling Gent, uitgesproken op 20 maart 2019, in de rechtszaak gekend onder het rolnummer 16/4411/A, te hervormen in de mate dat de vordering van concluante (destijds eiseres) niet werd toegekend;

En dienvolgens, opnieuw rechtdoende, en doende wat de Eerste Rechter had moeten doen,

- het dwangbevel van 2 juni 2014, met referte RCIV 500/1193/72317 uitgevaardigd door mevrouw B.P., Ontvanger van het btw-ontvangkantoor BTW Gent 1 (thans Team Invordering Gent 1), geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 juni 2014 door de heer J.E., adviseur e.a. inspecteur, te vernietigen en van onwaarde te verklaren, in de mate dat daarin meer gevorderd wordt dan interesten voor een bedrag van 3.439,12 Euro;

het proces-verbaal van 1 april 2014, opgesteld door de heer E.K., fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, AABBI, 5de Inspectie Gent (thans 2de Inspectie Gent) te vernietigen en van onwaarde te verklaren, in de mate dat daarin meer gevorderd wordt dan interesten voor een bedrag van 3.439,12 Euro;

voor recht te zeggen dat concluante de van haar middels voornoemd dwangbevel en proces-verbaal gevorderde bedragen (behoudens de afzonderlijk berekende interesten t.b.v. 3.439,12 Euro) niet verschuldigd is, minstens de opgelegde geldboeten substantieel te verminderen, dan wel uitstel te verlenen van de invordering ervan, en de fiscale Administratie te veroordelen om alle door concluante betaalde of van haar ingehouden bedragen terug te betalen, meer de interesten;

in ondergeschikte orde, vraagt concluante Uw Hof om alvorens verder recht te doen, volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 70, §ibis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het het de burgerlijke rechtbanken en hoven niet mogelijk maakt de in die bepaling bedoelde geldboete te verminderen tot onder het wettelijk bepaalde bedrag wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, terwijl de overtreder die om reden van dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank verschijnt, teneinde de stafsancties opgelegd te krijgen waarin de artikelen 73 en volgende van hetzelfde Wetboek voorzien, de toepassing kan genieten van artikel 85 van het Strafwetboek?"

in ieder geval de fiscale Administratie te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger. W., t.b.v. 8.400,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en 10.988,37 Euro voor de procedure voor Uw hof (desgevallend te indexeren) en de door concluante verschuldigde rolrechten voor de inleiding van het geschil t.b.v. 300,00 euro, alsook de Bijdrage tweedelijnsbijstand t.b.v. 20,00 Euro betaald bij neerlegging van de beroepsakte.

3.2. De vordering van de.Leïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, in al haar onderdelen;

Het incidenteel beroep van geïntimeerde [...] ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Te zeggen voor recht dat er geen aanleiding bestaat om het Grondwettelijk Hof omtrent de door appellante geformuleerde prejudiciële vraag te vatten,

Dienvolgens het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, dd. 20 maart 2019, gekend onder het rolnummer 16/4411/A, te hervormen in de mate

- Dat de eerste rechter besliste om de administratieve geldboete van 200% wegens fraude voor de ten onrechte afgetrokken btw op de facturen van de cie3 te verminderen naar 100%,

- Dat de eerste rechter besliste om de proportionele, verminderde boete t.b.v. 9.000,00

euro volledig kwijt te schelden,

Voor het overige het vonnis dd. 20 maart 2019 te bevestigen;

In hoofdorde: te zeggen voor recht dat de bedragen aan btw, boeten en interesten zoals opgenomen in het dwangbevel van 2 juni 2014, annex proces-verbaal van 1 april 2014 (referte RCIV 500.1193.72317) terecht zijn gevorderd en door appellante verschuldigd zijn; Ondergeschikt: indien Uw hof zou oordelen dat het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken niet bewezen is, de boete van 200% van de verschuldigde btw te verminderen tot 10% van de verschuldigde btw, overeenkomstig tabel U bij het KB nr. 41

Tot slot: appellante in hoofdberoep/geïntimeerde in incidenteel beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 8.400,00 EUR voor de procedure in eerste aanleg en 10.988,37 EUR voor de procedure voor Uw Hof, en tot de rolrechten verschuldigd door appellante voor de inleiding van het geschil.

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Wat betreft de verwerpingvan het recht op aftrek van de btw met betrekkingtot de facturen uitgereikt [met verlegging van de heffingl door cie3

De betwisting heeft betrekking op een reeks facturen die in de periode van 2007 tot 2011 door cie3 werden uitgereikt aan de appellante met verlegging van de heffing 'wegens aannemingswerk in onroerende staat'. De appellante heeft de btw voor die facturen 'formeel' correct verwerkt in haar btw-aangiften, meer bepaald door de btw enerzijds als te betalen btw en anderzijds als aftrekbare btw aan te geven.

De geïntimeerde heeft geoordeeld dat de toegepaste aftrek van btw niet kon worden toegepast om een dubbele reden: (1) wegens onregelmatigheid van de ontvangen facturen en (2) wegens gebrek aan bewijs van het (werkelijk) bestaan van de prestaties ('werk in onroerende staat') waar die facturen van uitgaan.

Daarnaast werd een geldboete voor 200% opgelegd die niet werd verminderd om reden dat de geïntimeerde de onderliggende handelingen als fraude beschouwt.

Samengevat is die vordering op de volgende stellingnamen gesteund:

Wat de onregelmatigheid van de facturen betreft, zouden de volgende verplichte vermeldingen ontbreken:

- de datum van het belastbaar feit of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

- de gegevens nodig om de handeling te determineren en om het tarief vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;

- de vermelding van de tarieven van de belasting en het totaalbedrag van de te betalen of te herziene belasting.

Waar op alle facturen paiement comptant vermeld staat, en dat zou betekenen dat alle facturen contant betaald werd, stelt de geïntimeerde dat dit onwaarschijnlijk is voor het soort werken en voor de sector.

Ook acht de geïntimeerde het onwaarschijnlijk dat geen bestelbonnen, opdrachten, meetstaten, offertes, noch contracten zouden bestaan, terwijl er nochtans geen van deze documenten konden worden voorgelegd.

De geïntimeerde beroept zich ook op de verklaring van de heer J.V. (afgevaardigd bestuurder van cie3) van 26 september 2012, afgelegd aan de Sociale Inspectie die als volgt genoteerd werd (waarin hij het bewijs leest dat cie3 geen werken in onroerende staat presteerde voor de appellante):

Ik hou toezicht op de werken, ik werk als coördinator, ik controleer het werk van de onderaannemers en dit specifiek op het gebied van de ruwbouwwerken. Ik doe ook de voorbereiding van de plannen, ik doe ook de contacten met de architecten, de opvolging van leveringen, onderhandelingen met de ingenieurs over eventuele andere en minder dure voorstellen.

Mijn vennootschap heeft geen personeel in dienst, enkel mijn twee zonen en ikzelf oefenen activiteiten uit in de firma. Wij voeren geen handenarbeid uit, het is echt gewoon het organiseren van het werk.

Afhankelijk van het uit te voeren werk, is er altijd iemand aanwezig op de werf, ofwel ik, ofwel één van mijn zonen. Het is dus ook mogelijk dat we er alle drie aanwezig zijn. Momenteel heb ik drie projecten lopen voor M. T.D.W., ik reken gewoon de tijd aan die aan projecten besteed wordt.

Ik heb regelmatig overleg met de architect, de ingenieurs, de leveranciers. In geval van problemen, kunnen de onderaannemers bij mij terecht, ik kan de bouwplannen nakijken en dan een praktische oplossing voorstellen.

Ik kan zeggen hoeveel personen nodig zijn voor de uitvoering van een bepaald werk en deel dit dan mee aan T.D.W..

Ik doe de bestelling van het materiaal dat gebruikt wordt op de werven , ik weet hoeveel er nodig is, het is wel T.D.W. die me zegt waar ik het moet bestellen want de facturatie gebeurt aan cie1.

Ik heb geen aannemingsovereenkomst met cie1, er is nog nooit een contract opgemaakt voor de uitvoering van de werken, er is ook geen contract of overeenkomst met één van de onderaannemers, zoals HIZ of AMF.

De facturen die worden opgemaakt zijn algemeen maar ik hou zelf een overzicht bij van het aantal aangerekende uren.

Ik overhandig u eveneens een kopie van de uitgaande facturatie van cie3 voor 2011 en 2012

Verder voert de geïntimeerde aan dat op basis van de historiek leveranciers voor de jaren 2008 en 2009 en de individuele rekeningen werd vastgesteld dat er betalingen werden verricht voorafgaandelijk aan de facturatie en dat er voorschotten werden gefactureerd. Hij stelt dat die praktijk in strijd is met de btw-voorschriften.

De appellante gaat op diverse vlakken niet akkoord met de stelling van de geïntimeerde en formuleert in die zin, in onderscheiden orde, haar middelen.

4.1.1. Over de aftrek van btw — schending van artikel 45 WBTW — schending van het neutraliteitsbeginsel

Het hof moet de appellante hier bijtreden.

Naast het feit dat hij inroept dat bepaalde vermeldingen zouden ontbreken waardoor de facturen 'onregelmatig' zouden zijn, betwist de geïntimeerde, zoals vermeld, dat er sprake zou zijn van werken in onroerende staat op grond van de hoger vermelde verklaring van de heer J.V., afgevaardigd bestuurder van cie3, afgelegd in het kader van een sociaal strafdossier, meer bepaald omdat hij verklaarde geen personeel in dienst te hebben, behalve hijzelf en zijn twee zonen en dat zij geen handenarbeid uitvoeren. De appellante roept met reden in dat zij niet gebonden is door die verklaring die niet haarzelf betreft, noch een onderzoek naar haar situatie en die als zodanig voor rekening van de heer J.V. is, waarvoor hij zijn redenen kan hebben gehad, niet in het minst zijn eigen belang en het belang van cie3 in het kader van de ruwbouw van diverse werven van de appellante (werven te Nijvel, Braine-le-Château (Kasteelbrakel), Taintignies, Aalst en Gent).

Anders dan waar de geïntimeerde van uitgaat, toont de appellante aan dat cie3 wel degelijk een bedrijf is dat werken in onroerende staat uitvoert én dat het ook dergelijke werken zijn die op de betreffende werven van de appellante door die vennootschap zijn uitgevoerd (ruwbouw op werven in Nijvel, Braine-le-Château (Kasteelbrakel), Taintignies, Aalst en Gent). Dat blijkt uit het geheel van feiten zoals blijkt uit de volgende stukken:

de facturen die melding maken van werken in onroerende staat (stuk 20 app.)

details van de uitgevoerde werken en gepresteerde uren (met gedetailleerde tijdsregistraties) uitgaande van cie3 (stuk 21 app.), met bijgaande betalingsbewijzen voor elk van de facturen (stuk 33 app. — wat weerlegt dat het om 'contante betalingen' gaat); in dat verband verduidelijkt de appellante in conclusie op overtuigende wijze dat het verschil voor het bedrag van 19.207,90 euro niet toelaat te twijfelen aan de waarachtigheid en overeenstemming van die details en de facturen, gelet op het feit dat de appellante een betwisting voerde over de uitgevoerde werken (stuk 37 app.). Dat de werkstaten met uurregistratie pas na de controle konden worden voorgelegd, met name omdat de appellante ze bij cie3 moest opvragen, laat niet toe aan de waarachtigheid van die staten te twijfelen; er kan niet worden aangenomen dat dit alles 'pour les besoins de la cause' (begrijp: 'om hier als bewijs te kunnen dienen') gereconstrueerd werd; op dergelijke grote werven is het gebruikelijk om de werken en de vooruitgang ervan te registreren;

foto's genomen tijdens de werkzaamheden door cie3 voor de werken in onroerende staat op de betreffende facturen, samen met kopieën van de identiteitskaarten van de heren J.V., V. en L.J. (die de werken voor cie3 uitvoerden) wat toelaat de personen op de foto's te linken aan cie3 (stuk 24 app.);

drie verklaringen van architecten/ingenieurs (de heer Y.H.D.; de heer D.V.I.; de heer T.B.), die betrokken zijn bij diverse werven van de appellante waarop cie3 werken in onroerende staat heeft uitgevoerd (stuk 25 app); terecht laat de appellante gelden dat de heer Y.H.D. nergens vermeldt dat cie3 werken heeft uitgevoerd op de werven die hier het voorwerp van de facturen zijn; dat belet niet dat de heer Y.H.D. kan getuigen van het feit dat hij op andere werven heeft vastgesteld dat er door cie3 werken in onroerende staat werden uitgevoerd (ijzer vlechten, beton gieten, muren metsen, kranen bedienen, enz.); het zou onwaarschijnlijk zijn dat diezelfde aannemer op de werven waarvoor de betrokken facturen werden uitgereikt, geen dergelijke werken zou hebben uitgevoerd, terwijl hij dat wel op zijn facturen vermeldt; dat die verklaring niet betrouwbaar zou zijn, is niet aangetoond.

Terecht laat de appellante gelden dat zij pas in de huidige procedure vernam dat, in reactie op de voorlegging van die verklaringen door de appellante, door de geïntimeerde een vraag om inlichtingen werd verstuurd naar de architecten, maar zij nu wel moet vaststellen dat de geïntimeerde die vragen niet heeft voorgelegd, laat staan de antwoorden erop. Dat de betreffende architecten iets anders zouden geantwoord hebben aan de geïntimeerde, is alvast niet bewezen; de appellante kan in haar voordeel inroepen dat het feit dat de antwoorden niet worden voorgelegd laat vermoeden dat ze niet in haar nadeel waren.

Uit het geheel van de bovenstaande stukken moet verder worden afgeleid dat cie3 wel degelijk op de betreffende werven werk in onroerende staat heeft uitgevoerd (zoals op de facturen vermeld). Daar waar de geïntimeerde in wezen niet betwist dat de facturen voor werkelijke prestaties zijn uitgevoerd (maar betwist dat die prestaties 'werken in onroerende staat waren), is er geen reden om daaraan te twijfelen. De voorgelegde details komen, zoals vermeld, getrouw over en in overeenstemming met de gefactureerde bedragen; waar de architecten bevestigen dat door cie3 werken in onroerende staat (door architect Y.H.D. meer in detail verduidelijkt) werden uitgevoerd, en de uurstaten duidelijk de aanwezigheid van meerdere personen tegelijk weergeven, kan niet worden aangenomen dat het slechts om toezicht en/of coördinatie zou hebben gegaan. Dat doet besluiten dat de werken die gefactureerd werden, deze zijn zoals vermeld in de details, zijnde werken in onroerende staat.

Als zodanig heeft dat als gevolg dat voor die facturen terecht verlegging van de heffing van de btw werd toegepast zodat de btw op de betreffende werken door de appellante mag worden afgetrokken.

Wanneer een factuur zelf geen details bevat, kan dat ondervangen worden door te verwijzen naar een bijgevoegd detail. Hoewel op de factuur enkel verwezen wordt naar de plaats van de werf, blijkt dat de werken opgevolgd werden door architecten en dat er redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de prestaties werden bijgehouden. Waar de details en de facturen overeenkomen, moet worden aangenomen dat, ook zonder uitdrukkelijke verwijzing, de gefactureerde bedragen slaan op de werken in de voorgelegde detailstaten. Dat geen btw-tarief wordt vermeld, houdt verband met het feit dat er, gelet op de uitdrukkelijk toegepaste verlegging van de heffing, geen btw-bedrag moest worden aangerekend, noch vermeld. Artikel 20, §3 KB nr. 1, zoals hier van toepassing luidt als volgt: De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in § 2 vermeldt op de facturen die hij voor die handelingen uitreikt, noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting maar brengt er de vermelding op aan "Belasting te voldoen door de medecontractant, koninklijk besluit nr. 1, art. 20 "of elke andere gelijkwaardige vermelding. De facturen verwijzen uitdrukkelijk naar artikel 20 van het KB nr. 1; in dat geval moest het tarief niet vermeld staan, evenmin als het bedrag van de btw. Er is in dat verband geen onregelmatigheid.

In zoverre de facturen onregelmatigheden bevatten, verhinderen ze hier niet de vaststelling dat de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek van de btw vervuld zijn (vgl. Cass. 29 januari 2019, rolnr. F.19.0009.N, waarin verwezen wordt naar de essentie van de standpunten van het Hof van Justitie waarop de appellante zich beroept; dat is in wezen dat de gegevens niet mogen beletten dat er afdoende controle (op het recht op aftrek) mogelijk is - zaak C-90/02, Bockemühl, arrest van 1 april 2004 en zaak C-590/13 Idexx Laboratories Italia srl, van 11 december 2014).

Dat er betalingen gebeurden voorafgaand aan de facturatie (hoewel dat invloed heeft op de (datum van de) opeisbaarheid van de btw) en met voorschotten werd gewerkt, ontneemt het recht op aftrek van de btw niet.

De geïntimeerde heeft dus ten onrechte het recht op aftrek van btw in dat verband geweigerd.

Het bestreden dwangbevel is onterecht wat de volgende bedragen betreft:

- 158.886,00 euro btw;

- 317.770,00 euro boete;

- de interest op die bedragen.

Het principaal hoger beroep is wat dat betreft gegrond.

Het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde dat betrekking heeft op de vermindering

van de boete door de eerste rechter (van 200% naar 100%) is in die omstandigheden zonder

voorwerp en als zodanig ongegrond.

4.1.2. De subsidiaire middelen

De vijf overige, subsidiair door de appellante ontwikkelde middelen kunnen niet tot een grotere ontheffing doen besluiten en moeten om die reden niet worden ontmoet.

4.2. Wat betreft het opleggen van een geldboete wegens het niet jgeheeD aangeven van

de btw verschuldigd op de factuur 2011112 uitgereikt aan cie2

Het is onbetwist dat de verkoopfactuur met nummer 2011112 van 10 februari 2011, ten bedrage van 795.000,00 euro, btw (45.000,00 euro) inclusief, uitgereikt door de appellante aan cie2, door de appellante niet werd aangegeven in de btw-aangifte van februari 2011.

De appellante zette dat recht, eerst gedeeltelijk in haar aangifte van september 2011 en voor het saldo in haar aangifte van december 2011.

De geïntimeerde heeft wegens de niet-aangifte (laattijdige aangifte) een boete van 9.000,00 euro (5%) opgelegd met toepassing van artikel 70, §1, W.BTW en art. 1 van K.B. nr. 41 en tabel G, eerste afdeling, rubriek V).

De appellante beroept zich op een 'spontane rechtzetting' zoals bedoeld in artikel 3 van het KB nr. 41 waarvan de tekst als volgt luidt:

Volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet vóór enige tussenkomst van een fiscale administratie.

Het woord 'spontaan' betekent "uit een opwelling voortkomend, niet uitgelokt of door een andere teweeggebracht" (van Dale, Groot Woordenboek van de Nederlandse taal, 15de, herziene editie, Utrecht/Antwerpen 2015, lemma spontaan, 1, pp. 3677-3678).

Dat betekent dat een spontante rechtzetting enkel deze is die niet door een ander is uitgelokt.

De geïntimeerde stelt dat de rechtzetting ingegeven was doordat hij ondertussen een controle uitvoerde.

Op 20 april 2011 werd de appellante inderdaad per aangetekende brief verwittigd van het voornemen van de administratie om een controle uit te voeren voor de boekjaren 2008 tot en met 2010.

Die controle vond plaats op 12 mei 2011.

Dat er een verband zou zijn tussen de controle in mei 2011 en de rechtzetting in september en december 2011 kan niet zo maar worden aangenomen. Dat de appellante zich bewust moest zijn van de onregelmatigheid in februari 2011 toen ze in april 2011 ervan ingelicht was dat er een btw-controle zou worden gehouden, is een eenzijdige veronderstelling van de geïntimeerde die niet geobjectiveerd is en waarvoor geen vermoeden kan worden aangenomen. De controle had betrekking op andere jaren. Uit niets blijkt dat tijdens die controle op enige manier onderzoek werd gedaan naar de btw van 2011, laat staan dat toen enige opmerking zou zijn gemaakt over het onvolledige aangeven van btw op een factuur van februari 2011.

De geïntimeerde heeft nooit ingeroepen dat er sprake was van kwade trouw.

De appellante kan zich beroepen op artikel 3 van het KB nr. 41 en heeft als zodanig recht op de kwijtschelding, zoals de eerste rechter besliste.

Het incidenteel hoger beroep is ook op dat punt ongegrond.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht voor het hoger beroep is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2. Wat de rechtsplegingsvergoedingbetreft

De vordering is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (20/03/2019 voor de eerste aanleg en vandaag voor het hoger beroep). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 8.400,00 euro voor de eerste aanleg en gelijk aan 10.988,37 euro voor het hoger beroep. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is die bedragen aan de appellante als rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

· het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn beide ontvankelijk;

het principaal hoger beroep is gegrond;

het incidenteel hoger beroep is ongegrond;

het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de

appellante ontvankelijk verklaart;

· het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellante als volgt gegrond;

- het bestreden dwangbevel van 2 juni 2014 met als referentie RCIV-nummer 500/1193/72317 RCIV is ongegrond en blijft zonder enig gevolg wat betreft de volgende bedragen:

- 158.886,00 euro btw;

- (317.770,00 + 9.000,00 =) 326.770,00 euro boete; - de interest op die bedragen;

- het hof zegt voor recht dat het betreffende dwangbevel wat die bedragen betreft geen gevolg kan hebben en slechts in de mate na aftrek van die bedragen invorderbaar is;

de geïntimeerde wordt bevolen om de herberekening van de nog verschuldigde bedragen te maken rekening houdend met wat voorafgaat;

- de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van wat eventueel al teveel zou zijn betaald, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;

· Het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de

beide instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante:

· rolrecht eerste aanleg: 300,00 EUR

· rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 8.400,00 EUR

· rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 10.988,37 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, recht doende in

fiscale zaken, samengesteld uit:

Dries Vandeputte, kamervoorzitter,

Frederieke Cornpernolle, raadsheer, die mede over de zaak heeft beraadslaagd en in de onmogelijkheid

verkeert het arrest te ondertekenen (art. 785 Ger.W.)

Sylvie Van Herreweghe, raadsheer

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van

3 februari 2026, bijgestaan door Jenny Dammekens, griffier.

Textes cités

7

Décisions similaires

8