Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 06.11.2020
WF 801-15-19/023455
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Régime de la marge bénéficiaire – Droit à déduction
Dispositions légales
Article 45, § 1er, et 58, § 4, du Code de la TVA
Synthèse
1) Les faits et les antécédents de procédure
Lors d’un contrôle opéré chez les demanderesses, différentes infractions ont été constatées. Suite à ces infractions, un relevé de régularisation a été adressé aux demanderesses. Elles ont marqué leur accord sur un certain nombre d’infractions reprises dans le relevé de régularisation. Elles ont toutefois souligné leur désaccord concernant les infractions relatives au régime de la marge bénéficiaire et au régime du droit à déduction. Malgré une négociation complémentaire, aucun accord n’a pu être conclu. Par après, l’administration a dressé un procès-verbal consignant ces deux infractions. Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été décernée, visée et rendue exécutoire. Par après, les demanderesses ont déposé une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance.
2) Le jugement rendu par le tribunal de première instance
* Le régime de la marge bénéficiaire
Le tribunal juge que le régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire ne viole ni le principe d’égalité ni le principe de la neutralité fiscale contrairement à ce que soutiennent les demanderesses.
Le régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire appliqué aux livraisons de biens d'occasion, tel que prévu à l’article 58, § 4, du Code de la TVA, est en fait destiné à empêcher une double imposition et une distorsion de concurrence au sein des échanges intracommunautaires. L'objectif poursuivi est de respecter le principe de neutralité de la TVA.
Les assujettis choisissent librement d’appliquer le régime de la marge bénéficiaire « pour chaque période de déclaration » ou « par livraison ». La méthode « par livraison » est une méthode administrative simplifiée en comparaison de la méthode « pour chaque période de déclaration ».
Toutefois, la méthode "par livraison" peut, dans certaines circonstances, être plus désavantageuse que la méthode «pour chaque période de déclaration ». Cet inconvénient est justifié par le fait que le système "par livraison" permet d'éviter les lourdes obligations administratives imposées à des fins de contrôle. Par conséquent, les demanderesses ne peuvent pas invoquer une inégalité de traitement puisqu'elles ont volontairement opté pour le système « par livraison ».
* Droit à déduction
Les demanderesses ont conclu un contrat de service avec un fournisseur, qui est une personne morale. Les factures qu'elles recevaient à cet égard étaient établies au nom d'une personne physique dont le numéro de TVA avait été annulé depuis déjà un certain temps. Le tribunal est donc d'avis que la demanderesse n'a pas fait preuve de la prudence nécessaire et aurait dû chercher à obtenir des informations sur son fournisseur. Sur cette base, le tribunal juge que le droit à déduction concernant les factures en question a été rejeté à juste titre.
* L’amende
Le tribunal est d’avis que l'amende infligée a été correctement calculée et infligée conformément aux dispositions légales. En outre, le tribunal estime également que l'amende est proportionnelle à l'infraction et qu'il n'y a pas lieu d'accorder un sursis à l'exécution.
Les parties adverses ont acquiescé au jugement.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer 12
EINDVONNIS op tegenspraak van vrijdag 6 november 2020
Rol: 19/572/A
In de zaak van:
S. nv, (KBO: 0892....), met maatschappelijke zetel te ..., A.F. bvba, (KBO: 0636....), met maatschappelijke zetel te ..., in hun hoedanigheid van leden van de btw-eenheid BTWE F., gevestigd te ...en als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE 0899.... eisende partijen, ter zitting vertegenwoordigd door ..., advocaat te ....
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, (KMO : 0308.357.159) algemene administratie van de fiscaliteit, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door het Centrum Grote Ondernemingen Gespecialiseerde Controles en Beheer, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3351. verwerende partij,
I. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd.en nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van:
- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 27 maart 2019;
- de laatste(1) besluiten van partijen en de door hen neergelegde stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De zaak werd op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2020 behandeld en daarna in beraad genomen.
(1) Zie artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek en Cass. 6 februari 2015, C.13.0612.N; Cass. 8 maart 2013, C.11.0477.N; Cass., 29 maart 2011, C.11.0472.N; http://jure.juridat.just.fgov.be. Voor eisers betreft dit de conclusie zoals neergelegd op 12 mei 2020. Voor verweerder betreft dit de syntheseconclusie zoals neergelegd op 2 juli 2020.
ll. Feiten
Eisers zijn leden van de btw-eenheid BTWE F. die op 1 juli 2008 werd geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw-nummer 0899.....
In de loop van 2018 maakte de btw-eenheid het voorwerp uit van een btw-controle met betrekking tot de jaren 2015 en 2016.
Op 5 juli 2018 verstuurde verweerder naar aanleiding van deze controle een correctieopgave aan de btw-eenheid met de vraag deze ondertekend te willen terugzenden.
Op 23 juli 2018 verklaarde de btw-eenheid zich akkoord met de punten I, Il en III en niet akkoord met de punten IV, V, VI (gedeeltelijk) van hetgeen in de correctieopgave werd opgenomen.
Over de punten waarover geen akkoord werd bereikt, vond op 24 september 2018 tussen partijen een overleg plaats.
Bij gebrek aan een akkoord omtrent de betwiste punten werden de vastgestelde overtredingen opgenomen in een proces-verbaal van 8 november 2018. De overtredingen waarover thans betwisting bestaat, betreffen:
Inbreuk op de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge (artikel 58 § 4 btw-wetboek
Inbreuk op de aftrekregeling (artikel 45 btw-wetboek)
Aangezien betaling uitbleef werd lastens de leden van de btw-eenheid op 27 november 2018 een dwangbevel uitgevaardigd door ..., Adviseur Invordering-Ontvanger, dat op 28 november 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door ..., adviseur.
Tegen dit dwangbevel legden eisers op 27 maart 2019 een fiscaal verzoekschrift neer.
III. Vorderingen
1 Eisers verzoeken:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; En bijgevolg:
- in voorkomend geval, de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie:
"Schendt België de richtlijn 2006/112 inzake 8TW meer bepaald de artikelen 312 tot 325, door te bepalen dat negatieve winstmarges geen recht geven op terugbetaling van BTW bij toepassing van het bijzonder stelsel van BTW over de winstmarge?
Schendt de Belgische Staat het gelijkheidsbeginsel door, afhankelijk van de wijze van berekening van het saldo van aankopen en verkopen per aangiftetijdvak (per levering van een auto of per totaal per tijdvak), de terugbetaling van negatieve saldi al dan niet toe te staan?
Schendt de Belgische Staat het neutraliteitsbeginsel inzake BTW door, bij toepassing van het bijzonder stelsel van BTW over de winstmarge, geen terugbetaling te verlenen van BTW op negatieve winstmarges?"
- het dwangbevel van 27 november 2018 (nr. 500/.../77209) te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen vermeld in het proces-verbaal van 8 november 2018 ten titel van Btw, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn, minstens de opgelegde BTW-boete kwijt te schelden, en het invorderingsorder dienvolgens aan te passen;
- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eisers van alle bedragen ten titel van Btw, geldboeten en interesten, die reeds door eisers werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schulden, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (ad 6.000 €} en de bijdrage in het Begrotingsfonds (20 € x 2).11
2 Verweerder verzoekt de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
Hij verzoekt de vordering van eisers tot vernietiging van het bestreden dwangbevel, hun vordering tot teruggaaf van de betaalde btw en in ondergeschikte orde de vermindering of kwijtschelding van de opgelegde boeten af te wijzen.
Hij verzoekt eisers te veroordelen tot de kosten van het geding.
IV. Beoordeling
1 Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd en de vordering is ontvankelijk. De rechtbank ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.
2 De rechtbank stelde ter zitting vast dat in de conclusies van eisers als één van de eisende partijen Immo L. nv werd vermeld hoewel deze niet werd opgenomen als eisende partij in het fiscaal verzoekschrift.
De raadsman van eisers lichtte ter zitting toe dat dit vermoedelijk op een materiële vergissing berustte. Hij stelde dat deze vennootschap in het verleden lid was van de btw-eenheid doch thans niet meer.
De rechtbank houdt hier dan ook geen rekening mee.
3 Eisers halen aan dat de administratieve berekening van de verschuldigde btw over de winstmarge strijdig is met het neutraliteitsbeginsel.
4 De 'winstmargeregeling' is een bijzondere regeling die in essentie tot doel heeft te vermijden dat er op een goed dat voordien al door een eindverbruiker (die geen btw-aftrek kon doen} werd gebruikt, maar toch opnieuw verkocht wordt, bij een volgende verkoop aan een eindverbruiker via een btw-belastingplichtige, btw op btw zou worden gerekend. De achterliggende reden voor het invoeren van de winstmargeregeling is het vermijden dat tweemaal btw wordt geheven.
5 In de artikelen 311 tot 332 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wordt, in afwijking van het beginsel van de belastingheffing per levering, voorzien in een bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten waarbij de belasting kan worden geheven over de winstmarge.
Volgens artikel 315 van de Richtlijn is de maatstaf van heffing in dat geval de winstmarge van de belastingplichtige wederverkoper, verminderd met het bedrag van de btw die voor de winstmarge zelf geldt. De winstmarge van de belastingplichtige wederverkoper is gelijk aan het verschil tussen de door de belastingplichtige wederverkoper voor het goed gevraagde verkoopprijs en de aankoopprijs.
Artikel 318, lid 1, van de Richtlijn bepaalt dat teneinde de inning van de belasting te vereenvoudigen, de lidstaten voor bepaalde handelingen of voor bepaalde categorieën belastingplichtige wederverkopers kunnen bepalen dat de maatstaf van heffing voor leveringen van goederen die onderworpen zijn aan de winstmargeregeling, wordt vastgesteld voor ieder belastingtijdvak uit hoofde waarvan de belastingplichtige wederverkoper de in artikel 250 bedoelde btw-aangifte moet indienen. In dat geval is de maatstaf van heffing voor goederenleveringen waarop hetzelfde btw-tarief van toepassing is, de totale winstmarge van de belastingplichtige wederverkoper, verminderd met het bedrag van de btw op diezelfde winstmarge.
De totale winstmarge is gelijk aan het verschil tussen de volgende twee bedragen:
a} het totale bedrag van de goederenleveringen die onderworpen zijn aan de winstmargeregeling en die gedurende het belastingtijdvak door de belastingplichtige wederverkoper verricht zijn, dit wil zeggen de som van de verkoopprijzen;
b) het totale bedrag van de in artikel 314 bedoelde goederenaankopen die gedurende het belastingtijdvak door de belastingplichtige wederverkoper zijn verricht, dit wil zeggen de som van de aankoopprijzen.
Volgens artikel 318, lid 3, van de Richtlijn dienen de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat de in lid 1 bedoelde belastingplichtigen ongerechtvaardigde voordelen genieten of ongerechtvaardigde schade lijden.
6 In uitvoering van de Richtlijn voorziet artikel 58, § 4, btw-wetboek in een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door belastingplichtige wederverkopers op door hen verrichte leveringen van onder meer gebruikte goederen.
Volgens artikel 58, § 4, 11°, van hetzelfde wetboek doet, indien de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge een negatieve marge tot resultaat heeft, zulks geen recht op terugbetaling van de belasting ontstaan.
7 De totale winstmarge (dus de maatstaf van heffing voor de' berekening van de verschuldigde btw} wordt in principe vastgesteld per btw-aangiftetijdvak (art. 3 KB nr. 53}. Is er voor een bepaald aangiftetijdvak een 'negatieve' marge (bv. wegens verkopen met verlies}, dan komt de regeling er de facto op neer dat deze negatieve marge kan worden gecompenseerd met een 'positieve' marge van een volgend aangiftetijdvak binnen hetzelfde jaar (indien de totale winstmarge m.b.t. het laatste aangiftetijdvak van dat jaar negatief is, doet dit evenwel geen recht op overdracht van die marge naar een volgend jaar ontstaan).
De administratie staat toe dat belastingplichtige-wederverkopers die moeilijkheden ondervinden om de maatstaf van heffing per aangiftetijdvak vast te stellen (wegens de aard van hun economische activiteit of de organisatie van hun boekhouding), de maatstaf berekenen per levering, voor ieder goed afzonderlijk beschouwd (aanschrijving nr. 1 en nr: 2 van 2 januari 1995). In situaties waarin de belastingplichtige wederverkoper opteerde voor een individualisering van de verkopen van tweedehandse vervoermiddelen, en de maatstaf van heffing per levering berekende, zullen negatieve maatstaven van heffing evenwel niet overgedragen kunnen worden naar een volgende aangifteperiode. Er zal dan - en dat is juist «het bijzondere van deze bijzondere regeling» - geen btw verschuldigd kunnen zijn over de «gerealiseerde» winstmarge (die immers «negatief» is omdat de aankoopprijs welke betaald werd door de belastingplichtige wederverkoper aan de verkoper groter of hoger is dan de uiteindelijke verkoopprijs). Door deze «bijzondere regeling» toe te passen en enkel en alleen maar «verschuldigde btw» te laten berekenen over de «winstmarge» wil men 1de betrokken belastingplichtige wederverkoper behoeden voor elke «ongerechtvaardigde schade» die hij zal lijden ingevolge een wederverkoop met een negatieve winstmarge. Anderzijds zal geen enkele belastingplichtige wederverkoper gerechtigd zijn zich een ongerechtvaardigd voordeel toe te eigenen. Het gevaar bestaat inderdaad dat men in de situatie komt waarin de belastingplichtige wederverkoper er alle belang bij heeft de prijs van zijn aankoop bij particulieren of andere in artikel 314 van Richtlijn 2006/112/EG beoogde personen kunstmatig te verhogen teneinde de belastbare marge te verminderen en daar. na te pogen «teruggaaf» te bekomen en/of geen «verschuldigde belasting op de winstmarge» te betalen. (2)
(2) Hof Gent 10 november 2015 Rol nr 2014/AR/3249, taxwin
8 Uit de hogergemelde bepalingen van de btw-Richtlijn, het btw-Wetboek en het btw KB nr. 53 leidt de rechtbank af dat de margeregeling het mogelijk maakt om de maatstaf van de heffing te berekenen per levering of per belastingtijdvak of kwartaal, en dat, indien· de winstmarge wordt bepaald per levering en die levering een negatieve marge oplevert, deze negatieve marge niet kan worden overgedragen naar een andere levering met een positieve marge. Dit werd reeds bevestigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 10 oktober 2014 (3)
(3) Cass. (le k.) AR F.13.0026.N, 10 oktober 2014 (Belgische Staat / Auto Elektro Peeters bvba) Arr.Cass. 2014, afl. 10, 2157, concl. THIJS, D.; FJF 2015 (samenvatting), afl. 8, 264 en http://www.monkey.be/ (4 november 2015);
Fiscoloog 2014 (samenvatting CB), afl. 1405, 15 en http://www.fiscoloog.be/ (13 november 2014);
http://www.cass.be (2 november 2014), concl. THIJS, D.; Pas. 2014, afl. 10, 2158; TFR 2015 (samenvatting), afl. 482, 498 en http://tfrnet.larcier.be/ (17 augustus 2015); Hof Gent 10 november 2015 Rol nr 2014/AR/3249, taxwin
De rechtbank ziet dan ook geen reden om hieromtrent een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Hoewel de partijen de werkwijze waarbij de 'afrekening per levering' een 'toegeving vanwege de administratie' noemen, blijkt dat die werkwijze volgens Richtlijn
2006/112/EG 'de regel' is, terwijl de werkwijze 'per aangiftetijdvak' de uitzondering is (toegestaan om de inning van de belasting gemakkelijker te maken).
9 De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere winstmargeregeling geen schending van het gelijkheidsbeginsel en/of het neutraliteitsbeginsel inhoudt.
De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse goederen, zoals bedoeld bij artikel 58 § 4 btw-wetboek heeft de bedoeling dubbele belasting en concurrentieverstoring in het intracommunautaire verkeer te voorkomen. Het nagestreefde doel is het beginsel van de neutraliteit van de btw in acht te nemen.
Eisers die vrijwillig voor de werkwijze 'per levering' kozen, kunnen zich niet beroepen op een ongelijke behandeling. Zij kiezen immers voor een administratief vereenvoudigde werkwijze en zijn dus als belastingplichtige wat de winstmargeregeling betreft niet vergelijkbaar met de belastingplichtige die de werkwijze 'per aangiftetijdvak' volgt. Eisers hebben vrijwillig gekozen voor een stelsel dat in bepaalde omstandigheden inderdaad nadeliger kan zijn dan het stelsel 'per aangiftetijdvak', maar dat nadeel brengt een verschillende behandeling mee dat onmiskenbaar op een relevante manier verantwoord is, precies omdat zij op die manier ontsnappen aan omslachtige administratieve verplichtingen, ingesteld om redenen van controle.
10 Als tweede middel halen eisers aan dat de administratie ten onrechte de aftrek van voorbelasting op de facturen van Global Automotive verworpen heeft.
Ze wijzen op het "substance over form"-principe bij de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting hetgeen bevestigd werd door het Hof van Justitie.
11 Verweerder stelt dat het niet louter omwille van de formele gebreken is dat _het uitgeoefende recht op aftrek in vraag werd gesteld. Hij. stelt dat het duidelijk is dat._ de leverancier doelbewust fraude heeft gepleegd door gebruik te maken van een niet-actief btw-nummer en de aangerekende btw niet heeft doorgestort. Hij stelt dat eisers niet de nodige voorzichtigheid aan de dag hebben gelegd bij de beoordeling van de handelingen met de SA GAM.
12 Artikel 45 § 1 btw-wetboek bepaalt:
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengén de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1 ° belaste handelingen;
2° handelingen·vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in casu terecht van oordeel is dat de aftrek van voorbelasting op de facturen van Global Automotive diende verworpen te worden.
De rechtbank volgt verweerder waar deze van oordeel is dat gezien de omvang van het contract, het gebruik van een Luxemburgse vennootschap, de onvolkomenheden in de facturatie, de aard van de afgenomen diensten en de 9mschrijvingen in het contract, eisers in gebreke blijven de rechtmatigheid van het door hen uitgeoefende recht op aftrek te bewijzen. De dienstenovereenkomst werd gesloten met GAM sa, een vennootschap naar Luxemburgs recht, terwijl de facturen werden opgesteld door O.C. als natuurlijk persoon met vermelding van een btw-nummer dat geschrapt was sedert 1 juli 2014. Rekening houdende hiermee en met de overige elementen in het dossier hadden eisers informatie moeten inwinnen om zich te vergewissen van de betrouwbaarheid van hun contractspartij. Eisers hadden moeten weten dat hun leverancier doelbewust fraude pleegde.
De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt niet wordt tegengesproken door: de rechtspraak van het Hof van Justitie.
13 Als derde middel halen eisers aan dat de proportionele geldboete niet verschuldigd is of minstens moet worden kwijtgescholden dan wel met uitstel dient te worden verleend.
14 Zoals hoger reeds gemeld is er wel degelijk sprake van een inbreuk op de voorschriften inzake btw betreffende margeregeling en de aftrekregeling door eisers.
Evenmin volgt de rechtbank eisers waar deze stellen dat er in casu sprake zou zijn van 'een principiële betwisting. Het betrof de loutere toepassing van de winstmargeregeling dan wel het recht op aftrek.
15 De betwiste geldboete werd opgelegd op grond van artikel 70, §1 van het btw- Wetboek.
Artikel 70, §1 van het btw-Wetboek bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding verder bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. De verminderde boeten zoals bepaald door de Koning moeten altijd door de administratie worden toegestaan wanneer de toepassingsvoorwaarden ervan vervuld zijn.
Voor wat betreft de geldboeten beoogd door artikel 70, §1 van het btw-Wetboek is dit het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 (tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde).
De opgelegde fiscale geldboete werd bijgevolg correct, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen, begroot.
16 De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 btw Wetboek te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en ·van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels. in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Bij arrest van 17 januari 2019 oordeelde het Hof van Cassatie dat rechtbanken onbevoegd zijn om btw-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de minister van Financiën. (4) Het regentsbesluit van 18 maart 1831 maakt immers uitdrukkelijk de minister bevoegd. Wie niet akkoord gaat met de beslissing van de minister, kan zich nadien uiteraard wel tot de rechter wenden. Maar de btw-plichtige moet wel eerst via de minister gepasseerd zijn. Artikel 6 EVRM (recht op toegang tot de rechter) doet daar niets aan af, voegt het Hof er nog aan toe. (5)
(4) Cass. (1e k.) AR F.16.0130.F,17 januari 2019 {Etat beige / Louis Dermine),FJF 2019 (samenvatting),afl. 4,151 en http://www.monkey.be/ {20 mei 2019); http://www.cass.be (31 januari 2019}; JT 2019, afl. 6793, 81,2 en http://jt.larcier.be/ {4 december 1019), noot KONING, F.; JLMB 2019, afl. 26, 1217 en http://jlmbi.larcier.be/ (22 juli 2019), noot MOINEAU,P.; RGCF 2019, afl. 3, 250
(5) DESTERBECK, F., Administratieve boeten inzake btw: Geen kwijtschelding door rechter, alleen door fiscus, Fisc.Act. 2019,afl. 8,4-5 en http://www.monkey.be/ {1 maart 2019)
Aangezien er in voorliggend geval door eisers geen verzoekschrift werd neergelegd in het kader van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831, beschikt de rechtbank niet over de mogelijkheid om een boete te verminderen of af te schaffen, in dezelfde mate waarin de minister van Financiën of zijn afgevaardigde deze bevoegdheid toekomt op grond van het regentsbesluit van 18 maart 1831.
17 Het Grondwettelijk Hof besliste dat de regeling van de evenredige btw-boeten (met penaal karakter) van artikel 70 § 1 btw-Wetboek discriminerend is, in zoverre zij het de rechter niet mogelijk maakt de geldboete te laten gepaard gaan met uitstel, daar waar bij dergelijk uitstel krachtens de wet wel kan verlenen voor gewone strafrechtelijke sancties (6) (zie ook Grondwettelijk Hof 6 november 2008, Fisc. nr. 1137 en Grondwettelijk Hof 21 februari 2013, Fisc. nr. 1330).
(6) Het uitstel van de tenuitvoerlegging van een straf is geregeld in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel !!n de probatie. Er mag worden aangenomen dat deze wet niet van toepassing is op situaties waarin fiscale administratieve geldboeten met een strafrechtelijk karakter opgelegd zijn. Het komt bijgevolg aan de wetgever toe te bepalen onder welke voorwaarden een uitstel kan worden verleend, alsook de voorwaarden en de rechtspleging volgens welke dat uitstel kan worden ingetrokken. Een dergelijke wet is echter tot op heden niet voorhanden.
Dit betekent niet dat de regeling van de evenredige btw-boeten (met penaal karakter) van artikel 70 § 1 btw-Wetboek, in afwachting van een optreden van de wetgever niet meer zou kunnen worden toegepast, althans mits wordt vastgesteld dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtredingen en dat er geen reden zou geweest zijn om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (zie ook Grondwettelijk Hof 21 februari 2013, Fisc. nr. 1351). Een rechter die een evenredige btw-boete oplegt zonder vast te stellen dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien, schendt het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel (zie ook Cass. 20 juni 2013, F.J.F 2014, 916).
18 De rechtbank is van oordeel dat er in casu geen redenen voorhanden zijn om uitstel van de tenuitvoerlegging te verlenen, indien de wet in die maatregel had voorzien. Er worden door eisers geen omstandigheden aangehaald die de rechtbank hiertoe doen besluiten.
19 Eisers worden in het ongelijk gesteld. Ze worden dan ook veroordeeld tot de gedingkosten.
Dispositif
V. Uitspraak
De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering van de nv S. en de bvba A.F. in hun hoedanigheid van leden van de btw-eenheid F. is ontvankelijk maar ongegrond.
De nv S. en de bvba A.F. in hun hoedanigheid van leden van de btw- eenheid F. worden veroordeeld tot de kosten van het geding. In hoofde van de nv S. en de bvba A.F. dienen deze niet vastgesteld te worden aangezien ze te hunnen laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze vastgesteld op 0,00
{nul) euro.
Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op·vrijdag 6 november 2020.
Waar zitting namen: Katrien LEYSEN, rechter Karina VANEMPTEN, griffier
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.