Preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 20 janvier 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-tribunal-ieper-2010-01-20-2af0

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
20 janvier 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

105 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Ypres du 20.01.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET GERECHTELIJK ARRONDISSEMENT IEPER, ZESDE BURGERLIJKE KAMER, MET DRIE RECHTERS, ZETELENDE IN GRAAD VAN BEROEP, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS GEWEZEN :

in de zaak van :

Mevrouw A. D., wonende te …, …, …, …;

appellante,

met als raadsman Meester V. F., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, BELASTINGEN EN INVORDERING, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van e.a. Inspecteur van het 2de BTW-controlekantoor te 8900 IEPER, Arsenaalstraat 4A en van de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4;

geïntimeerde,

met als raadsman Meester W. F., advocaat te …, …;

De artikelen van de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank hoorde de partijen in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 18.11.2009. De debatten werden gesloten en de zaak werd op die datum in beraad genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de stukken werden ingezien. in het bijzonder het voor eensluidend verklaard afschrift van het op 16.10.2008 door de Vrederechter te Kanton leper II - Poperinge, op tegenspraak gewezen eindvonnis in de zaak gekend onder het AR nummer 08/A/26.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15.01.2009 werd hoger beroep aangetekend tegen het voormelde vonnis door D. A..

Er ligt geen exploot van betekening van het bestreden vonnis voor. De partijen betwisten de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm en derhalve ontvankelijk.

A. Feitelijke uiteenzetting en de procedurele voorgaanden

D. A. (hierna : de appellante) verkreeg op 18.07.2001 een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning op een perceel bouwgrond gelegen te …, ….

De appellante werd eigenares van het perceel bouwgrond bij akte verleden voor de notaris d. G. op 10.09.2001. In deze akte wordt de appellante aangeduid als verkrijgster, doch werd er tevens opgenomen dat zij dit aanvaard in eigen naam of in naam en voor rekening van een vennootschap in oprichting (zie stuk 12 van de appellante).

De appellante kreeg door de Belgische Staat, FOD Financiën en Invordering (hierna : de geïntimeerde) het aangifteformulier met verzoek datum ingebruikname of verhuring en kostprijs van de nieuwe gebouwen in te vullen (stuk 2 van de geïntimeerde) toegestuurd. Op 29.04.2004 richtte de appellante een schrijven aan de geïntimeerde waarin ze meedeelde dat het onroerend goed werd in gebruik genomen op 4.01.2004, doch dat de bouw nog onafgewerkt is en dat zij de kostprijs op die dag begroot op 94.200,00 euro en dat het totaal wellicht 102.000,00 euro zal bedragen (stuk 3 van de geïntimeerde).

Per schrijven d.d. 19.05.2005 werd het kadastraal inkomen van het betreffende onroerend goed betekend aan de appellante (stuk 4 van de geïntimeerde). Dit schrijven werd teruggestuurd om reden dat de geïntimeerde vertrokken was op het adres "…, …". De geïntimeerde meent dat de betekening niettemin geldig was.

De appellante voldeed niet aan de bepaling voorzien in artikel 64, § 4, laatste lid W.BTW om binnen de 3 maanden vanaf de betekening van het K.l. bij de bevoegde BTW-controle een aangifte in te dienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de BTW in rekening wordt gebracht, zodat een ambtenaar van de geïntimeerde zich ter plaatse van de bouw begaf om zich van de actuele toestand te vergewissen. De appellante en diens echtgenoot waren aanwezig.

Op 14.07.2006 werd een bouwaangifte ingediend samen met het bouwplan en de facturen (stuk 5 van de geïntimeerde).

Volgens de correctieopgave stelde de BTW-administratie de normale oprichtingsprijs van het desbetreffend onroerend goed vast op 161.000,00 euro. Van dit bedrag werden de in de bouwaangifte voor aftrek in aanmerking te nemen bedragen afgetrokken zodat de te belasten onvoldoende heffing 61.220,57 euro betrof (stuk 7 van de geïntimeerde). Op 15.12.2006 werd de bijkomende BTW-heffing van 12.856,32 euro en een geldboete van 3.210,00 euro gevorderd per aangetekend schrijven (stuk 8 van de geïntimeerde). Er kon geen minnelijke regeling getroffen worden.

Per aangetekend schrijven d.d. 02.03.2007 deelde de geïntimeerde aan de appellante mee dat de administratie bij toepassing van artikel 59, § 2 W.BTW. de deskundige schatting vordert (stuk 9 van de geïntimeerde).

Bij schrijven d.d. 09.07.2007 werd de geïntimeerde verzocht alle verdere correspondentie te richten aan haar raadsman Mr. F. V. E. (stuk 10 van de geïntimeerde).

Op 29.08.2007 richtte de geïntimeerde een verzoekschrift aan de Vrederechter Kanton leper II-Poperinge ten einde een deskundige schatting te bevelen (stuk 11 van de geïntimeerde).

Bij vonnis van 25.09.2007 van de voornoemde Vrederechter werd het verzoek ontvankelijk en gegrond verklaard en werd De heer P. Q. aangesteld als deskundige (stuk 12 van de geïntimeerde).

Dit vonnis werd per schrijven dd. 5.12.2007 overeenkomstig artikel 7 van het KB nr. 15 van 3.06.1970 betekend aan de raadsman van de appellante en aan de appellante op het adres van het onroerend goed (stuk 13 van de geïntimeerde).

Per schrijven d.d. 7.01.2008 liet de raadsman van de appellante weten aan de deskundige dat hij verzet zal aantekenen tegen het voornoemd vonnis, dat zijn cliënte in het buitenland verblijft tot 15.05.2008 en dat volgens hem de deskundige zal verwittigd worden door de geïntimeerde dat de zaak voorlopig niet kan plaatsvinden (stuk 14 van de geïntimeerde).

De appellante tekende bij dagvaarding van 7.01.2008 verzet aan tegen voornoemd vonnis d.d.25.09.2007.

Bij vonnis op tegenspraak van 16.10.2008 van de Vrederechter leper II-Poperinge werd het verzet laattijdig verklaard.

Het is tegen dit vonnis dat de appellante thans in beroep is.

B. De vordering

De appellante vraagt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende, voor recht te zeggen dat de initiële vordering uitgaande van de geïntimeerde nietig is, zoniet onontvankelijk, subsidiair ongegrond en het verzet van de appellante gegrond te verklaren. Zij vraagt tenslotte de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten. De kosten worden begroot.

De geïntimeerde vraagt het hoger beroep van de appellante ontvankelijk. doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen met betrekking tot de keuze van de woonplaats en de appellante te veroordelen tot de kosten van het geding. De kosten worden begroot.

C. De bestreden beslissing

C.1. De Vrederechter Kanton leper 11 - Poperinge heeft, betreffende huidige partijen. in zijn op tegenspraak gewezen eindvonnis van 16.10.2008 geoordeeld dat het verzet van de appellante laattijdig was.

C.2. De Vrederechter kanton leper 11 - Poperinge kwam tot deze eindbeslissing samengevat op volgende gronden :

- de verzetsakte dateert van 7.01.2008;

- de appellante heeft woonstkeuze gedaan bij haar raadsman;

- aangezien de betekening plaats had op 5.12.2007 en de verzetsakte dateert van 7.01.2008 is het verzet laattijdig.

D. De bespreking en de beoordeling

D.1. Het verzet

De appellante meent dat de eerste rechter ten onrechte besloot dat zij woonstkeuze deed bij haar raadsman, dat de betekening rechtsgeldig was, dat de eerste rechter ten onrechte besloot dat het verzet laattijdig was en dat in ieder geval de Vrederechter geen kennis had kunnen nemen van de relevante stukken dienaangaande. De eerste rechter had de debatten dienen te heropenen ten einde de partijen toe te laten daaromtrent te concluderen. In concreto wijst de appellante op het feit dat de betekening van het vonnis per brief d.d. 05.12.2007 werd gedaan op 06.12.2007, namelijk de datum waarop de enveloppe werd afgestempeld, zodat de termijn van verzet liep van 7.12.2007 tot en met 7.01.2008, zodat het verzet betekend op 7.01.2008 tijdig was.

De geïntimeerde bevestigt haar standpunt dat de appellante woonstkeuze deed op het adres van haar raadsman en dat de betekening van het vonnis rechtsgeldig gebeurde. De geïntimeerde deelt echter niet het standpunt van de eerste rechter wat betreft de laattijdigheid van het verzet.

Uit het stuk 15 van de appellante blijkt inderdaad dat de verzending van de betekening pas plaatsgreep op 06.12.2007 zodat de verzetstermijn liep tot zondag 06.01.2008. De eerstvolgende werkdag was maandag 07.01.2008 zodat het verzet van de appellante tijdig was.

Het verzet was tijdig en regelmatig en was derhalve ontvankelijk.

Het hoger beroep van de appellante is op dat punt gegrond.

D.2. De woonstkeuze

De betekening van het verstekvonnis werd door de geïntimeerde gedaan aan de raadsman van de appellante en aan de appellante zelf we ze het op het adres van het kwestieuze onroerend goed.

De geïntimeerde stelt dat zij rechtsgeldig het verstekvonnis heeft betekend aan de raadsman van de appellante gelet op de woonstkeuze die zij deed per schrijven van 09.07.2007.

In het schrijven van de appellante d.d. 09.07.2007 staat "Mijnheer inspecteur, Gelieve alle verdere correspondentie betreffende de deskundige schatting van mijn bouwdossier over te maken aan mijn advocaat Meester F. V. E. te … (handtekening). Geschreven in het Nederlands gedicteerd door M. V. E.".

De appellante ontkent voornoemd schrijven niet, doch stelt dat dit geen woonstkeuze uitmaakt voor procedurele handelingen en wijst verder op het herhaalde verzoek van de geïntimeerde om een volmacht te laten ondertekenen door de appellante ten einde de raadsman van de appellante aan te duiden als volmachtdrager.

Een keuze van woonplaats kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. Het bestaan van een stilzwijgende woonstkeuze wordt op onaantastbare wijze door de feitenrechter beoordeeld (Cass. 28.05.1985, Arr. Cass. 1985-86, 1341) .

De vraag van de geïntimeerde om haar een volmacht, getekend door de appellante en haar raadsman, te bezorgen is niet hetzelfde als de woonstkeuze. De volmacht die de geïntimeerde klaarblijkelijk graag had ontvangen is merkelijk uitgebreider dan de woonstkeuze (zie bijlage bij stuk 13 van de geïntimeerde).

In casu is duidelijk dat de appellante vrijwillig ervoor heeft geopteerd om bereikt te worden inzake de schatting van het kwestieuze onroerend goed via haar raadsman (stuk 10 van de geïntimeerde). De mogelijkheid van de woonstkeuze heeft niet enkel het voordeel van tijds- en geldwinst, doch beoogt vooral een bijkomende zekerheid te geven aan de woonstplaatskiezende tot bescherming van haar rechten (men denke o.m. aan de taal-, juridische- en bereikbaarheidsproblemen).

In een schrijven d.d. 11.07.2007 van de geïntimeerde aan de raadsman van de appellante verwittigde zij dat wegens gebrek aan minnelijke regeling de deskundige schatting zou dienen verder gezet te worden voor de rechtbank. Volgens dit schrijven zou ook de echtgenoot van de appellante de geïntimeerde hebben verzocht alle verdere correspondentie omtrent het bouwdossier en de deskundige schatting over te maken op het adres van de raadsman. De raadsman, noch de appellante hebben dit schrijven betwist.

Het verzoekschrift, overeenkomstig artikel 5 van het KB nummer 5 van 03.06.1970, van de geïntimeerde werd tevens betekend op 29.08.2007 aan de raadsman van de appellante (stuk 6 van de appellante). Noch de raadsman van de appellante, noch de appellante hebben daarop gereageerd. De appellante liet verstek gaan wat uiteraard haar recht is. In de verzetsprocedure voor de eerste rechter werd echter op geen enkel ogenblik door de appellante betwist dat zij woonstkeuze uitoefende op het adres van haar raadsman, noch dat de betekening van het verzoekschrift aan haar raadsman niet rechtsgeldig zou zijn gebeurd.

Overeenkomstig artikel 40, lid 4 Ger. W. was de geïntimeerde ten gevolge de woonstkeuze gedaan door de appellante ertoe gehouden het vonnis op dat adres te betekenen.

De betekening aan het adres van de raadsman van de appellante gebeurde rechtsgeldig. In ieder geval werd het normdoel bereikt, zodat een eventuele nietigheid zou zijn gedekt door artikel 867 Ger. W.

Het hoger beroep van de geïntimeerde is op dat punt ongegrond.

D.3. Ten gronde

Artikel 64, § 4 van het BTW-Wetboek, bevat een vermoeden luidens hetwelk, behoudens tegenbewijs, ieder pas opgericht gebouw wordt geacht te zijn geleverd door een belastingplichtige ter uitvoering van één of verschillende diensten betreffende werk in onroerende staat. Met het oog op de controle van die normale bouwwaarde (artikelen 36 en 64, § 4 W.BTW) heeft de administratie ten behoeve van haar ambtenaren eenvormige richtlijnen uitgewerkt. Verder verplicht artikel 64, § 4, tweede lid van het BTW-Wetboek, iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw om de facturen betreffende de bouw alsmede de plans en de bestekken van dat gebouw te bewaren en ze voor te leggen op elk verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaren. Ter uitvoering van die wetsbepaling nodigt de administratie iedere eigenaar van dergelijk gebouw uit om de voormelde stukken te voegen bij de aangifte (formulier 1063) die hij moet indienen binnen de drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen (art. 64, § 4,derde alinea W.BTW).

De verplichtingen vervat in art. 64, § 4 W.BTW zijn niet van toepassing op werken in onroerende staat met betrekking tot het oprichten van een gebouw waarbij de bouwheer een BTW-belastingplichtige is die het totaalbedrag van de bij de uitvoering van die werken geheven BTW in aftrek mag brengen (BTW-Commentaren 64/109).

De appellante betwist niet dat zij in persoon eigenaar was van het onroerend goed (bouwgrond en opgericht gebouw). Doch zij wijst erop dat zij de bouwgrond bij notariële akte d.d. 10.09.2001 kocht voor een vennootschap in oprichting overeenkomstig artikel 60 W. Venn. en dat het kwestieus onroerend goed werd ingebracht in deze vennootschap bij notariële akte van 23.12.2006.

Het artikel 60 W. Venn. bepaalt dat tenzij anders is overeengekomen. zijn zij die in naam van een vennootschap in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbintenis hebben aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk, behalve wanneer de vennootschap binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis het in artikel 68 bedoelde uittreksel heeft neergelegd en zij bovendien die verbintenis binnen twee maanden na voormelde neerlegging heeft overgenomen. In dit laatste geval, wordt de verbintenis geacht van het begin af door de vennootschap te zijn aangegaan.

Hoewel de voornoemde notariële koopakte verwijst naar het artikel 60 W. Venn. (stuk 12 van de appellante), wijst de authentieke akte van de inbreng van het kwestieuze onroerend goed d.d. 23.12.2006 (stuk 16 van de geïntimeerde) naar de toepasselijke wettelijke bepalingen van Engels recht (Companies·Act 1985) waarvan de notaris vaststelt dat geen termijn beperkingen zijn verbonden aan de overname van de verbintenis aangegaan in naam van de vennootschap in oprichting.

Overeenkomstig artikel 110 W.IPR worden rechtspersonen inderdaad beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied zich vanaf de oprichting hun voornaamste vestiging bevindt, in casu is het Engels recht toepasselijk.

Nochtans grijpt de inbreng van het kwestieus onroerend goed in de vennootschap S. and N. L. en de overname door deze vennootschap van de verbintenissen aangegaan door de appellante in de akte van aankoop d.d. 10.09.2001 plaats voor een Belgische notaris in een Belgische akte die geboekt wordt in het registratiekantoor te ….

In principe kan de overname van een verbintenis door de nieuwe vennootschap vormvrij gebeuren, zonder dat er een verplichting bestaat om de wederpartij op de hoogte te brengen.

Overeenkomstig artikel 74, 1° W. Venn. worden de akten die bepalingen wijzigen waarvoor dit wetboek de bekendmaking voorschrijft neergelegd en bekendgemaakt. De bekendmaking geschiedt in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, binnen vijftien dagen na de neerlegging overeenkomstig artikel 74 W. Venn..

De inbreng, in casu de inbreng van een onroerend goed (zoals het zelf door de appellanten wordt genoemd - zie conclusie d.d. 29.05.2009 pagina 6) betreft een wijziging van de statuten zodat deze dient bekend gemaakt te worden overeenkomstig artikel 70, 7° en 75 W. Venn.. Overeenkomstig artikel 76 kunnen de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven, aan derden niet worden tegengeworpen dan vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevoren kennis van droegen.

De geïntimeerde meent dat de retroactiviteitsclausule niet tegenstelbaar is aan de BTW-administratie en dat zij derhalve, bij de vestiging van de belasting, hier geen rekening mee dient te houden. Zij meent dat de retroactiviteit niet overeenstemt met de werkelijkheid.

De appellante werpt op dat de vennootschap S. and N. L. eigenaar is van het kwestieus onroerend goed zodat zij de verkeerde persoon is die werd gedagvaard.

De rechtbank meent nochtans dat de retroactieve wijze waarop de appellante meent dat de vennootschap S. and N. L. eigenaar is geworden van het kwestieus onroerend goed niet tegenstelbaar is aan de BTW-administratie omdat de appellante geen bewijs levert dat de retroactiviteit overeenstemt met de werkelijkheid in het bijzonder dat de appellante handelde voor de vennootschap in oprichting bij het afsluiten van de koopovereenkomst d.d. 10.09.2001. De rechtbank wijst daartoe op :

- het feit dat de appellante het kwestieuze onroerend goed kocht in eigen naam of in naam van een vennootschap in oprichting. De notariële koopakte bevat geen enkele concreet gegeven over de "vennootschap in oprichting". De administratie diende er derhalve geenszins van uit te gaan dat het onroerend goed sowieso zou worden overgenomen door een vennootschap;

- het feit dat de aankoop van het kwestieus onroerend goed plaatsgreep op 10.09.2001, terwijl de inbreng pas plaatsgreep op 23.12.2006. zijnde meer dan 5 jaar na de aankoop hetgeen een abnormale vertraging inhoudt zeker nu de vennootschap S. and N. L. werd opgericht op 6.11.2002 (zie stuk 11 van de appellante en stuk 16 van de geïntimeerde);

- het feit dat de inbreng van het onroerend goed in de vennootschap S. and N. L. plaatsgreep enkele dagen nadat de geïntimeerde aan de appellante het bedrag van de verschuldigde BTW alsook de verschuldigde boete liet betekenen;

- het feit dat de appellante niet verwijst naar een publicatie bekend van de akte van inbreng van het onroerend goed in de vennootschap S. and N. L. en er evenmin sprake is van een revisoraal verslag;

- het feit dat de appellante niet aantoont dat de overname een normale verrichting is die kadert in het maatschappelijk doel van de vennootschap, of zelfs niet dat de oprichting niet is ingegeven door economische drijfveer, maar enkel voor de mogelijkheid om daardoor de appellante aan haar verplichting te doen onttrekken;

- het feit dat slechts twee van de vier voorgelegde facturen nopens de oprichting van het onroerend goed gericht zijn aan de vennootschap S. and N. L. (in oprichting);

- het feit dat de appellante op geen enkel ogenblik duidelijk maakte aan de geïntimeerde dat niet zij. doch haar vennootschap eigenaar zou worden/is van het kwestieus onroerend goed zelfs niet nadat zij op de hoogte was gesteld van de vordering tot aanstelling van een deskundige schatting;

- de onbetaald gebleven onroerende voorheffing 2007 en 2008 in hoofde van de vennootschap (stuk 21 van de geïntimeerde).

Het hoger beroep van de appellante is op dat punt ongegrond.

Gelet op bovenstaande dient het vonnis van de Vrederechter leper II-Poperinge d.d. 25.09.2007 met aanstelling van de deskundige bevestigd te worden.

Gelet op de bevestiging van een onderzoeksmaatregel, wordt de zaak opnieuw verwezen naar de eerste rechter.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN

DE RCHTBANK, in graad van beroep en op tegenspraak,

gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

Verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk en gegrond in de mate dat het verzet niet laattijdig was en derhalve ontvankelijk.

Hervormt in die zin het vonnis van de Vrederechter leper II-Poperinge d.d. 16.10.2008.

Verklaart het hoger beroep ongegrond wat betreft het geschilpunt zoals behandeld onder D.2.

Bevestigt de onderzoeksmaatregel zoals bevolen in het vonnis van de Vrederechter leper II-Poperinge d.d. 25.09.2007.

Verwijst de zaak overeenkomstig artikel 1068 tweede lid Ger. W. terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling.

Veroordeelt de appellante tot betaling van de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep. De kosten in hoger beroep betreffen een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 euro.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, zesde burgerlijke kamer met drie rechters, zetelend in hoger beroep, van woensdag 20 januari 2010.

Aanwezig :

mevrouw S. G., rechter die de zitting voorzit

mevrouw K. D., rechter

mevrouw V. H., rechter

mevrouw J. F., griffier.

J. F. V. H. K. D. S. G.

Textes cités

2
CTVA art. 642 occurrences
AR no 15 art. 71 occurrence

Décisions similaires

8