Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 25.06.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT – 11e KAMER HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE AR 99/661/A
de NV G. S., …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, gekend als BTW-belastingsplichtige onder nummer BE …;
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …;
DE BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Hasselt 1 te Hasselt; wiens burelen voorheen gevestigd waren te 3500 Hasselt, Twee Torenwijk T14, Torenplein - 11e verdiep, thans 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;
DE BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12;
verweerster,
vertegenwoordigd door Mr. V. S. loco Mr. P. S., advocaat te …, …;
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 29.03.1999, inhoudende een vordering tot terugbetaling van de opgelegde en reeds betaalde BTW-boete;
- de conclusies en stukken van partijen.
FEITEN EN VOORGAANDEN
De NV G. S. is ingevolge de door haar uitgeoefende activiteit van groothandel in parfums en cosmetica (o.m. kappersartikelen en benodigdheden) geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Op 07.03.1995 en 23.06.1995 hebben H. J. en J. K., respectievelijk controleur en verificateur verbonden aan het controlekantoor van de opsporings- en documentatiediensten van de Administratie van de BTW te Hasselt, bij eiseres een BTW-controle doorgevoerd over de periode van 01.01.1994 tot en met 31.12.1994.
Bij nazicht van de voorgelegde boeken en stukken en van de verstrekte inlichtingen stelden de controleambtenaren van de Administratie van de BTW te Hasselt onder meer het volgende vast :
- eiseres heeft vestigingen te Hasselt, Maasmechelen, Brussel, Luik en Namen;
- een groot deel van de uitgaande facturatie gebeurde op naam van "leerlingen Hasselt'”, "leerlingen Maasmechelen”, ''leerlingen Brussel'', "leerlingen Luik'', "leerlingen Namen", zonder vermelding van de juiste identiteit van de afnemer, zoals voorgeschreven door art. 5, § 1, 3° van het KB nr. 1 van 29.12.1992;
- op bovenvermelde rekeningen werden de volgende omzetten geboekt :
- leerlingen Hasselt : 17.498.423 fr. (thans 433.774,58 euro)
- leerlingen Maasmechelen : 6,089.947 fr. (thans; 150.965,84 euro)
- leerlingen Brussel : 7.613.895 fr. (thans 188.743,53 euro)
- leerlingen Luik : 5.126.347 fr. (thans 127.078,82 euro)·
- leerlingen Namen : 14.397.596 fr. (thans 356,907,08 euro)
Het totaal van de rekeningen ''leerlingen" bedroeg 50.726.208 fr. (thans 1.257.469,85 euro); dit is 27 % van de totaal aangegeven omzet van 1994. Het bedrag BTW is 10.398.872 fr. (thans 257.781,30 euro).
De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een procesverbaal van 12.02.1996 en leidde tot het opleggen van een geldboete, berekend aan 200 %, ten bedrage van 20,797.744 fr. (thans 515.562,61 euro) op grond van art. 70, § 2 van het BTW-Wetboek wegens het ontbreken van of onjuistheden in de vermeldingen die moesten worden aangebracht op de facturen.
Bij beslissing van 07.07.1997 van de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW te Hasselt werd de boete verminderd tot 10 %, zijnde 1.039.000 fr. (thans 25.756,14 euro).
Eiseres heeft vanaf september 1997 de opgelegde ,boete betaald door middel van maandelijkse afkortingen ten bedrage van 65.000 fr. (thans 1.611,31 euro). De betalingen gebeurden onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis.
Bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 29.03.1999 stelde eiseres fiscaal verhaal in bij deze rechtbank. Zij vordert de terugbetaling van de opgelegde en reeds betaalde BTW-boete ten bedrage van 1.039.000 fr. (thans 25.756,14 euro), verhoogd met de intresten sedert de dagvaarding.
ONTVANKELIJKHEID
Er worden door verweerster geen middelen van onontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
TEN GRONDE
1. Standpunt van partijen
In essentie is eiseres van oordeel dat :
- Zij niet diende te factureren aan leerlingen derhalve kan er geen boete worden opgelegd wegens het niet vermelden van alle voorgeschreven vermeldingen op de facturen wanneer zij toch facturen zou uitreiken;
- zelfs indien zij moest facturen, er nog geen boete kon worden opgelegd aangezien art. 70, § 2, tweede lid, in fine van het BTW-Wetboek bepaalt dat de in het eerste lid van dit artikel voorziene geldboetes voor overtreding van de facturatieplicht niet verschuldigd zijn wanneer de leverancier geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van zijn medecontractant (koper);
- de Administratie niet bewijst dat de voorwaarden voor het opleggen van een boete aanwezig zijn;
- de Administratie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden;
- de boete overeenkomstig art. 70 van het BTW-Wetboek het karakter heeft van een straf en derhalve kwijtgescholden, minstens herleid kan worden door de rechter nu de rechter kan oordelen over de wettelijkheid en de opportuniteit van de opgelegde boete, die in casu onredelijk en niet evenredig met de overtreding is;
- de boete overeenkomstig art. 70 van het BTW-Wetboek het gelijkheidsbeginsel schendt en de rechtbank dienaangaande een nieuwe prejudiciële vraag dient te stellen aan het Arbitragehof.
Verweerder van zijn kant voert aan dat :
- om de verschuldigdheid van de BTW aan te tonen verweerder beroep doet op art. 59, § 1 van het BTW-Wetboek;
- de probleemstelling in onderhavig geding niet het feit betreft of er al dan geen ontheffing van facturatieplicht mogelijk was voor eiseres, doch het feit dat eiseres daadwerkelijk facturen heeft uitgereikt zonder inachtname van de terzake geldende voorschriften en bepalingen, waardoor er inbreuken op de BTW-wetgeving werden gepleegd;
- art. 70, § 2, tweede lid, in fine van het BTW-Wetboek niet kan, worden weerhouden nu eiseres duidelijk wist dat haar kopers of klanten niet de hoedanigheid van particulier hadden, vermist de aankopen "leerlingen” 27 % bedroegen van de totale omzet, rekening houdend met het feit dat de activiteit van eiseres als groothandelaar in parfums en cosmetica er hoofdzakelijk op gericht is te leveren aan detailhandelaars;
- art. 70, § 2, tweede lid van het BTW-Wetboek, dat onder meer stelt dat de geldboete niet verschuldigd zou zijn wanneer het louter toevallige overtredingen betreft, niet van toepassing is nu de veelvuldige herhalingen van belangrijke onregelmatigheden wijst op een systematische handelswijze die goede trouw in hoofde van eiseres uitsluit;
- het vertrouwensbeginsel niet is geschonden nu de Administratie bij het opleggen van de boete niet retroactief heeft gehandeld;
- art. 6 E.V.R.M. in de huidige stand van de feiten niet tot gevolg heeft dat er een onverenigbaarheid bestaat tussen een (internrechtelijke) administratieve sanctie en een (internrechtelijke) strafrechtelijke sanctie;
- er geen schending van art. 10 en 11 van de G. W. is nu alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden, gelijk worden behandeld;
2. Beoordeling
2.1. Inbreuk op de wettelijke verplichtingen
De materiële vaststellingen die zijn, geschied door H. J. en J. K., respectievelijk controleur en verificateur verbonden aan het controlekantoor van de opsporings- en documentatiediensten van de Administratie van de BTW te Hasselt, hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 12.02.1996 de in artikel 59, § 1 in fine van het BTWWetboek bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Uit dit proces-verbaal blijken de volgende materiële vaststellingen :
- eiseres heeft vestigingen te Hasselt, Maasmechelen, Brussel, Luik en Namen;
- een groot deel van de uitgaande facturatie gebeurde op naam van "leerlingen Hasselt", "leerlingen Maasmechelen”, “leerlingen Brussel", "leerlingen Luik", "leerlingen Namen", zonder vermelding van de juiste identiteit van de afnemer, zoals voorgeschreven door art. 5, § 1, 3° van het KB nr. 1 van 29.12,1992;
- op bovenvermelde rekeningen werden de volgende omzetten geboekt :
- leerlingen Hasselt : 17.498.423 fr. (thans 433.774,58 euro)
- leerlingen Maasmechelen : 6.089.947 fr. (thans 150,965,84 euro) ·
- leerlingen Brussel : 7.613.895 fr. (thans 188.743,53 euro)
- leerlingen Luik : 5.126.347 fr. (thans 127.078,·82 euro)
- leerlingen Namen : 14.397.596. fr, (thans 356;907,0S··'<euro)
Het totaal van de rekeningen ''leerlingen" bedroeg 50.726.208 fr. (thans 1.257.469,85 euro); dit is 27 % van de totaal aangegeven omzet van 1994. Het bedrag BTW is 10.398.872 fr. (thans 257.781,30 euro).
Door eiseres worden de materiële vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 12.02.1996 niet betwist, zodat de juistheid en de waarachtigheid ervan dienen aanvaard te worden.
He( staat derhalve vast dat eiseres facturen heeft uitgereikt aan de zogenaamde ''leerlingen", zonder enige vermelding van naam en adres van de kopers,
Art. 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW bepaalt onder meer :
"De in artikel 1 bedoelde factuur en het in artikel 2 bedoeld stuk dienen te vermelden :
…
3° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50 bedoeld BTW-identificatienummer van de medecontractant of, wanneer het in artikel 39 bis, ,eerste lid, 4° van het Wetboek bedoelde leveringen betreft, de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het BTW-identificatienummer dat in de Lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend, evenals de nauwkeurige vermelding van het adres van de inrichting ter bestemming waarvan de goederen worden overgebracht;”
Uit de vaststellingen van de controle-ambtenaren en uit de ter zitting overgelegde stukken blijkt dat eiseres facturen heeft uitgereikt met betrekking tot de door haar gedane leveringen van goederen zonder inachtname van de ter zake geldende wettelijke voorschriften en bepalingen, meer bepaald werd de naam en het adres van·de koper niet vermeld op de facturen,
De rechtbank merkt op dat de bewering van eiseres dat zij niet diende te factureren bij de verkoop aan leerlingen ter zake niet dienend is nu de grondslag van het probleem niet is gelegen in het feit of eiseres al dan niet kon genieten van een ontheffing van de facturatieplicht, maar wel in het feit dat eiseres heeft gefactureerd zonder de wettelijke vermeldingen op te nemen in haar facturen.
De wetgeving is dienaangaande duidelijk: zo men factureert dienen de facturen te voldoen aan de wettelijke opgelegde formaliteiten en voorwaarden.
Eiseres heeft de wettelijke voorschriften inzake de vermeldingen op de uit te reiken facturen duidelijk overtreden.
2.2. Het vertrouwensbeginsel
Eiseres voert aan dat de Administratie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Zij wijst erop dat zij in het verleden verscheidene keren controle heeft gekregen van de Administratie van de BTW en dat er naar aanleiding van die controles nooit enige opmerking is geformuleerd in verband met de wijze waarop eiseres factureerde.
Eiseres legt dienaangaande de volgende stukken over :
- een kopie van een correctieopgave naar aanleiding van een BTW-controle met betrekking tot de periode 01.01.1990 tot 31.12.1993;
- een kopie van een brief van 22.12.1992 van de Administratie van de BTW te Hasselt met in bijlage een correctieopgave met betrekking tot de periode 01.01.1990 tot 31.07.1994.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid in en ze zijn ook bindend voor het bestuur van financiën. Dit recht op rechtszekerheid houdt in dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. De Administratie moet bijgevolg de gewettigde verwachting die zij bij de belastingplichtige heeft gewekt inlossen.
In voorliggend dossier is de rechtbank echter van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Uit de overgelegde stukken blijkt immers niet dat de Administratie een houding heeft aangenomen die door eiseres enkel kon of mocht worden aanzien als een vaste gedrags- of beleidsregel waarop zij ten allen tijde kon voortgaan.
2.3. Aangaande de opgelegde geldboete
Nu de uitgereikte facturen niet de nodige vermeldingen m.b.t. de identificatie van de kopers bevatten zoals daar zijn naam en adres van de afnemers. heeft de Administratie terecht in toepassing van artikel 70, § 2 van het BTW-Wetboek een geldboete opgelegd.
Ten onrechte stelt eiseres dat zelfs indien zij diende te facturen aan de leerlingen, er nog geen boete kon worden opgeleid aangezien art. 70, § 2, tweede lid, in fine van het BTW-Wetboek bepaalt dat de in het eerste lid van dit artikel voorziene geldboetes voor overtreding van de facturatieplicht niet verschuldigd zijn wanneer de leverancier geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van zijn medecontractant (koper);
Art. 70, § 2, tweede lid, in fine van het BTW-Wetboek stelt :
"Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de nietbelastingplichtigheid van de medecontractant.”
Krachtens art. 70 § 2, tweede lid in fine van het BTW-Wetboek is de geldboete niet verschuldigd door degene die aantoont dat :
- de onregelmatigheid te zijnen opzichte als "louter toevallig'' kan worden aangemerkt
- of wanneer de leverancier of dienstverrichter “geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant”.
Eiseres levert dit bewijs niet.
Uit de materiële vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 12.02.1996 blijkt dat het totaal van de rekeningen "leerlingen" 50.726.208 fr. (thans 1.257.469,85 euro) bedroeg; dit is 27 % van de totaal aangegeven omzet van 1994.
De rechtbank is dan ook de mening toegedaan dat rekening houdend met het feit dat de activiteit van eiseres als groothandel in parfums en cosmetica erop gericht is te leveren aan de detailhandelaars en rekening houdend met het percentage van het omzetcijfer dat werd geboekt door de verkoop aan “leerlingen”, er bezwaarlijk nog gewag kan gemaakt worden van “louter toevallige overtredingen”
De veelvuldige herhalingen van onregelmatigheden bij de facturatie aan “leerlingen” wijst inderdaad om een systematische handelswijze die goede trouw in hoofde van eiseres uitsluit.
Eiseres bewijst tevens niet in concreto dat zij geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractanten.
Verder merkt eiseres ten onrechte op dat de Administratie, vooraleer zij een geldboete kan opleggen, dient aan te tonen dat eiseres aan belastingplichtigen heeft verkocht. De Administratie heeft aangetoond dat eiseres inbreuken heeft begaan op wettelijke bepalingen en ingevolge hiervan een geldboete verschuldigd is. Het behoort aan eiseres aan te tonen dat de geldboete niet verschuldigd is ingevolge art. 70, § 2, tweede lid in fine van het BTW-Wetboek, hetgeen zij evenwel nalaat.
Eiseres vordert dat de opgelegde boete wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd.
Aan eiseres werd een geldboete opgelegd van 200 %, te weten 20.790.000 fr. (thans 515.370,64 euro), bedrag dat door de Gewestelijke Directeur werd herleid tot 1.039.000 fr. (thans 25,756,14 euro).
Ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 24.02.1999 moet worden aangenomen dat de rechter met volle rechtsmacht kan oordelen over de door de Administratie opgelegde BTW-boete en dat art. 70 van het BTW-Wetboek deze interpretatie ook toelaat (R.W., 1998-99, 1346).
Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak.
De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen uitermate ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. De begane overtredingen getuigen van het ontbreken van elke goede trouw in hoofde van eiseres. De argumenten die eiseres aanhaalt als verzachtende omstandigheden kunnen niet aangemerkt worden om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de opgelegde boete gerechtvaardigd is.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten, begroot ze als volgt :
- in hoofde van eiseres op:
- € 119,88 zijnde dagvaardingskosten,
- € 327,22 zijnde rechtsplegingsvergoeding,
in hoofde van verweerster op :
€ 327,22 zijnde rechtsplegingsvergoeding,
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 25 september 2002, alwaar aanwezig waren :
Mevr. E. S.,·rechter, waarnemend voorzitter;
Mevr .A. C., rechter;
Mevr. M. C., rechter;
Dhr. R. J., adjunct-griffier.
R. J. M. C. A. C. E. S.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.