Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 19.10.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 19-10-2010
BELASTINGEN
Nr. 2008/AR/746
in de zaak van :
Y. L., wonende te …, …,
Appellant niet verschijnend - arrest op tegenspraak gewezen-bij toepassing van art.747, § 2 Ger.W.,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging van de Administratie van de Invordering, sector BTW, in de persoon van de e.a. InspecteurRekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Het verzet van de appellant tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door N. C., e.a. inspecteur a.i. van het BTWontvangkantoor te Brugge op 17.10.2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door V. T., e.a. Inspecteur van de BTW Brugge 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, te Brugge op 3.11.2005, werd bij vonnis van 4.2.2008 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, toelaatbaar doch ongegrond verklaard, en de appellant werd veroordeeld tot de kosten.
In het vermelde dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant: een bedrag van 10.932,11 EUR aan BTW + een geldboete krachtens de artikelen 70, § 1 en 70, § 1bis BTW-wetboek van 1.090,00 EUR, de intrest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.7.2003, rekening houdend met de reeds toegekende intresten, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving/betekening van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.
Op 14.3.2008 heeft de appellant ter griffie van het Hof van Beroep te Gent een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd, gericht tegen het vermelde vonnis.
Ten openbare terechtzitting van 21.9.2010, datum waarop de zaak voor behandeling werd vastgesteld in toepassing van artikel 750 Ger.W. is de appellant niet verschenen noch iemand voor hem. De geïntimeerde heeft op die terechtzitting bij monde van haar raadsman arrest op tegenspraak gevorderd.
2. De geïntimeerde voert aan dat het verzoekschrift hoger beroep geen melding maakt van :
• de rechter in hoger beroep (artikel 1057, 5° Ger.W.),
• de plaats waar de gedaagde in hoger beroep akte moet laten nemen van zijn verklaring van verschijning (artikel 1057, 6° Ger.W.),
• de plaats, de dag en het uur van verschijning (artikel 1057, 8° Ger.W.).
Er moet worden vastgesteld dat, ondanks de vermelde gebreken, het neergelegde verzoekschrift het doel heeft bereikt dat de wet beoogt.
Het verzoekschrift hoger beroep is gericht aan de griffie van het Hof van Beroep te Gent en er werd kennis gegeven van deze neerlegging door een griffier bij het Hof van Beroep te Gent. De raadsman van de geïntimeerde is schriftelijk verschenen dan wel heeft hij zijn tussenkomst gemeld per brief van 7.4.2008, toegekomen op de griffie van het Hof van Beroep te Gent op 9.4.2008, datum waarop de geïntimeerde ook zijn eerste conclusie reeds heeft neergelegd. Bij beschikking van 17.6.2008 van de Voorzitter van de 5e kamer van het Hof van Beroep te Gent werden conclusietermijnen bepaald en werd de rechtsdag voor behandeling van de zaak vastgesteld.
Zo de geïntimeerde terecht opmerkt dat hij uit het verzoekschrift hoger beroep niet kon afleiden wanneer de zaak zou ingeleid worden, voor welke kamer van het Hof van Beroep te Gent, en waar hij akte moest laten nemen van zijn verklaring van verschijning, werd nochtans met de verschijning van de geïntimeerde rekening gehouden en werd de zaak toebedeeld aan de bevoegde kamer van het Hof van Beroep te Gent, heeft de geïntimeerde zijn conclusies normaal kunnen neerleggen, zijn ze in het rechtsplegingsdossier beland, en heeft de geïntimeerde aan de debatten kunnen deelnemen; dit alles zonder enig aanwijsbaar nadeel voor de geïntimeerde.
Het hoger beroep dient ontvankelijk te worden verklaard.
3. De geïntimeerde heeft de door de appellant uitgevoerde aftrek van BTW voor een bedrag van 441.000 BEF (10.932,10 EUR) verworpen, dit naar aanleiding van een BTW-controle over de periode 1.1.2000 tot 30.6.2003, aangevangen bij de appellant op 23.10.2003. Dit bedrag bestaat uit (zie het proces-verbaal d.d. 13.6.2005, stuk 1 van de geïntimeerde) :
• 315.000 BEF (7.808,65 EUR) BTW door de appellant afgetrokken in de BTW-aangifte van het vierde kwartaal 2000;
• 126.000 BEF (3.123,46 EUR) BTW door de appellant afgetrokken voor 42.000 BEF (1.041,15 EUR) in het tweede kwartaal 2000 en voor 84.000 BEF (2.082,31 EUR) in-derde kwartaal van 2001.
Het bedrag van 315.000 BEF (7.808,65 EUR) BTW zou volgens de appellant aftrekbare BTW geweest zijn op een aankoopfactuur van commissies van de BVBA B.-D. (waarvan de appellant te dien tijde zaakvoerder was) van het jaar 1999. Uit het proces-verbaal blijkt dat de appellant evenwel geen factuur kon voorleggen en evenmin een bewijs van betaling van de factuur. Enig contract met betrekking tot de volgens de appellant gefactureerde prestaties en evenmin een gedetailleerde omschrijving van deze prestaties konden worden voorgelegd.
Het bedrag van 126.000 BEF (3.123,46 EUR) BTW zou volgens de appellant aftrekbare BTW zijn voor 4 facturen van de BVBA B. D. van telkens 150.000 BEF (3.718,40 EUR) en 31.500 BEF (780,86 EUR) BTW. Uit het vermeld proces-verbaal blijkt dat ter gelegenheid van de controle geen bewijs van betaling van deze facturen kon voorgelegd worden, en evenmin een contract dan wel een omschrijving betreffende de beweerde prestaties. In het proces-verbaal wordt er ook melding van gemaakt dat de BVBA B.-D. de verschuldigde BTW ingevolge deze facturatie niet heeft doorgestort.
In acht genomen deze omstandigheden heeft de geïntimeerde terecht de door de appellant uitgevoerde BTW-aftrek verworpen, gezien geen enkel bewijs geleverd werd van de werkelijkheid van de voorgehouden dienstprestaties. Er was dan ook geen bewijs dat de appellant diensten had ontvangen, dat hierop BTW verschuldigd is geweest en er derhalve recht op aftrek is ontstaan.
Nog steeds worden geen stavingstukken in andere zin door de appellant voorgelegd. Dit niet kunnen voorleggen van de nodige stukken wijt de appellant aan het feit dat zijn toenmalige echtgenote (van wie hij ondertussen uit de echt gescheiden is) hun woning zou hebben leeggehaald en de stukken/boekhouding zou hebben meegenomen, dat hij dan wel stukken terugkreeg via gerechtelijke procedure maar niet alles zou teruggekregen hebben (waaronder de stukken van de BVBA B. D. waarvan hij geen zaakvoerder meer was sedert eind 2000 volgens opgave door de appellant). De appellant verwijst de geïntimeerde voor boekhoudkundige zaken naar de boekhouders. De boekhouding zou volgens de appellant eerst bij de boekhouders zijn geweest, dan door zijn ex-echtgenote meegenomen, in handen geweest zijn van de boekhouder J. S., om dan te zijn afgegeven aan de raadsman van zijn ex-echtgenote. Hij stelt dat hij de belangrijke stukken nooit ontvangen heeft, maar dat hij wel een mededeling heeft gekregen dat hij ontheven is van de BVBA B. D. voor elke vordering tegen hen.
De stelling van de appellant dat hij niet in de mogelijkheid verkeert om enig bewijsstuk voor te brengen wordt door hem niet eens waarschijnlijk gemaakt.
Tal van gegevens wijzen reeds op anomalieën, die niet van aard zijn de stelling van de appellant met betrekking tot de BTW-aftrek geloofwaardig te maken.
De beweerde factuur met een BTW van 315.000 BEF (7.808,65 EUR) zou (aan een BTW-tarief van 21 %) dan met een bedrag van niet minder dan 1.500.000 BEF (37.184,03 EUR) aan commissies overeenstemmen, en de appellant die toentertijd zaakvoerder was van de BVBA B. D. verschaft nog steeds geen aanvaardbare uitleg over de prestaties voorwerp van deze facturen.
Er liggen twee facturen van 10.4.2000 voor, met hetzelfde factuurnummer (stukken 7 en 8 van de geïntimeerde), maar de ene is voor een bedrag van 150.000 BEF (3.718,40 EUR) excl. BTW en de andere voor een bedrag van 200.000 BEF (4.957,87 EUR) excl. BTW.
De BTW ten bedrage van 126.000 BEF (3.123,46 EUR) werd ook door de BVBA B. D. niet doorgestort (zie hoger).
Het behoort hoe dan ook aan de appellant, en niet aan de administratie, om de nodige stavingstukken met betrekking tot de door hem uitgevoerde BTWaftrek voor te brengen (zie o.m. de artikelen 3, § 1, 1° KB nr. 3 err. 61, § 1, eerste alinea BTW-wetboek). Dat dit voor hem onmogelijk zou geweest zijn acht het Hof niet aangetoond. Het is niet aan te nemen dat geen spoor zou terug te vinden zijn van enige betaling, overeenkomst, factuur, bestelling, enig document ook met betrekking tot de prestaties waarvoor BTW wordt afgetrokken, bijvoorbeeld ook niet in de eigen boekhouding van de appellant (die hij volgens vermelding in conclusie voor de eerste rechter neergelegd op 5.11.2007, p. 2, cijfer 6-8, stelt te hebben terugbekomen), of bij derden (bvb. een bank).
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis;
Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, en begroot deze in hun geheel als volgt :
• aan de zijde van de appellant : op 0,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen en .uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op NEGENTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN TIEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.