Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour de Bruxelles du 15.01.2004
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2000/AR/601
INZAKE VAN :
De heer J. B., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV R., uitgesproken door de rechtbank van koophandel van Brussel op 9 april 2002, met kabinet gevestigd te …, …,
appellant,
vertegenwoordigd door Meester H. loco B., advocaat (…, …)
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mter B. loco H., advocaat, (…, …)
R. 2004/260 EINDARREST - Ontvankelijk ongegrond
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
De Processtukken
Een verzoekschrift tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 01.03.2000.
Het hoger beroep is gericht tegen een vonnis op tegenspraak geveld door de 24ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel waarvan geen akte van betekening wordt neergelegd.
Hel hoger beroep is ontvankelijk.
De Belgische Staat betwist de voortzetting van het geding door de curator noch in feite noch in rechte.
Het voorwerp van het geschil
Appellant herhaalt de vordering die hij voor de eerste heeft gesteld.
De eerste rechter heeft deze vordering, die erop gericht was dwangbevel te horen vernietigen waarin betaling werd gevorderd van een bedrag van … BF BTW en … BF boete meer intresten en kosten uitgevaardigd door geïntimeerde op 02 mei 1996 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Zaventem op 07 mei 1996 en betekend op 20 mei 1996, gesteund op het procesverbaal opgesteld door R. P. verificateur-accountant opgesteld op 26.04.1996, ontvankelijk doch ongegrond verklaard.
De feiten
Appelante baatte een snackbar uit.
Op 14 juli 1994 voerde geïntimeerde een controle uit bij appellante over de periode van 17 juli 1991 tot 31.12.1993 en stelde verscheidene inbreuken op de BTW reglementering vast op basis waarvan zij op 03 november 1994 een naheffingsopgave heeft opgestuurd.
Appellante heeft zich niet akkoord verklaard met deze omzetberekening en de voordelen in natura waarop deze naheffing was berekend.
Op 25 augustus 1995 werd een gewijzigde correctieopgave opgesteld onder de vorm van een ontwerp proces-verbaal waarin gedeeltelijk rekening werd gehouden met de opmerkingen.
Op 26 april 1996 werd het definitief proces-verbaal opgesteld.
De discussie
In het beroepsverzoekschrift, enig procedurestuk waar het hof van beroep rekening kan mee houden vermits appellante geen conclusies heeft neergelegd binnen de, overeenkomstig artikel 747, § 2 Gerechtelijk Wetboek door de beschikking geveld op 12 juni 2001 vastgelegde termijnen, verwijt appellante de eerste rechter artikel 59, § 1 BTW te hebben geschonden omdat hij niet alleen de het wettelijk vermoeden "juris tantum" heeft gehecht aan de vaststellingen van de BTW ambtenaar maar ook aan de gevolgen die deze ambtenaar uit deze vaststellingen heeft afgeleid.
De BTW ambtenaar is overgegaan tot een forfaitaire omzetberekening die volgens appellante niet van aard is om de omzet zoals die blijkt uit de boekhouding, waarvan zij voorhoudt dat ze bewijskrachtig is, te ontkrachten.
Samen met de eerste rechter stelt het hof van beroep vast dat de boekhouding op het ogenblik van de controle onvolledig was of minstens niet volledig werd voorgelegd. De controleambtenaar heeft zo ondermeer vastgesteld dat de boekhoudkundige stukken waaruit de dagontvangsten en de omzet moeten blijken niet volledig zijn.
De eerste rechter heeft om oordeelkundige motieven, die het hof van beroep bijtreedt, vastgesteld dat de boekhouding geen geheel vormt van bewijskrachtige stukken dat toelaat de juistheid van de aangegeven omzet te controleren.
Daarop heeft hij de artikels 59 en 64 van het BTW-wetboek toegepast, ervan uitgaande dat overeenkomstig het wettelijk vermoeden, de door de BTW-plichtige aangekochte goederen bestemd zijn voor doorverkoop binnen de handelsactiviteit waarop BTW verschuldigd is.
Gelet op de gebrekkige boekhouding diende de omzet forfaitair te worden bepaald. Daarbij heeft de controle ambtenaar uit de feiten waarover hij beschikte oordeelkundig de vermoedelijke omzet afgeleid. Dat hij deze gedeeltelijk heeft aangepast na opmerkingen van de belastingplichtige wijst er geenszins op dat zijn gevolgtrekking niet redelijk verantwoord zou zijn. Het feit dat hij bij de uiteindelijk door hem bepaalde omzet ook rekening gehouden heeft met de opmerkingen van de belastingplichtige wijst er daarentegen op dat hij rekening heeft gehouden met al de gegevens waarover hij kon beschikken alvorens de vermoedelijke omzet te bepalen, inclusief de opmerkingen van de belastingplichtige, die toelaten de gevolgtrekkingen die uit de feiten kunnen worden afgeleid te verfijnen.
De belastingplichtige die in deze omstandigheden voorhoudt kortingen te hebben toegestaan dient deze kortingen aan te tonen aan de hand van bewijskrachtige bescheiden.
In tegenstelling tot wat appelante voorhoudt, heeft de eerste rechter het verzet niet afgewezen ervan uitgaande dat de gevolgtrekkingen van de taxatie-ambtenaar het bewijs leverden tot het tegendeel maar heeft hij vastgesteld dat de taxatie-ambtenaar wel diende over te gaan tot een forfaitaire omzetberekening op grond van het vermoeden dat de aangekochte goederen werden gebruikt voor handelingen die aan de BTW onderworpen zijn omdat hij geconfronteerd werd met een boekhouding die zowel formeel als inhoudelijk onvolkomen was en niet toelaat de juistheid van de aangegeven omzet te bepalen.
Het tegenbewijs kan niet geleverd worden aan de hand van dezelfde onvolkomen boekhouding. De door de appellante neergelegde stukken, die overigens identiek zijn aan deze die voor de eerste rechter werden neergelegd, leveren dit tegenbewijs evenmin.
Voor het overige verwijst het hof van beroep naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die niet tegenstrijdig zijn met de motieven van dit arrest.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt appellant tot de kosten, begroot in graad van hoger beroep op € … voor appellant en op € … voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 15.01.2004.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
- K. V. H., voorzitter,
- B. V., raadsheer,
- B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,
- C. D. N., griffier.
C. D. N. B. d. C. B. V. K. V. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.