Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première Instance de Louvain dd. 15.12.2006, Cause 03/627/A
Le Courrier Fiscal 2007/416
Présomption légale.
Taux de la taxe.
Moyens de preuve.
Résumé
En application de l'article 64, § 3 CTVA, seul le taux le plus élevé peut être appliqué lorsque des biens sont vendus sans qu'une facture ne soit émise.
Un restaurateur est en droit d'utiliser un double taux de TVA s'il est en mesure d'établir que les biens pouvaient bénéficier d'un taux de TVA différent (c'est-à-dire d'établir que les plats préparés qu'il a vendus ont été retirés dans son restaurant).
On doit considérer que cette preuve n'est apportée que pour les plats préparés pour lesquels une facture a été émise.
Par ailleurs, pour l'application de la présomption prévue à l'article 64, § 3 CTVA, il n'est pas obligatoire que l'Administration remette en cause le caractère probant de la comptabilité de l'assujetti. Une comptabilité régulière ne suffit en effet pas en soi pour renverser la présomption prévue à l'article 64, § 3 CTVA.
Texte intégral
Corps de la décision
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN.
AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK.
twaalfde kamer.
zitting: 15 december 2006.
eindvonnis
Rol nr.: 03/ 627/ A
N. nv, met maatschappelijke zetel te 3..., ingeschreven in het HR te Leuven onder het nummer ..., en met ondernemingsnummer ...;
- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester B. S., advocaat te ...
tegen:
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, Sector van de BTW;
- verweerster, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. loco meester de N.,advocaat te ...
I.PROCEDURE.
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 22 september 2006 in beraad werd genomen.
De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
De rechtbank nam onder meer kennis van:
-de dagvaarding op 4 maart 2003 betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder S. T., in vervanging van gerechtsdeurwaarder J. G..
-De conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;
-De overige stukken van het rechtsplegingsdossier;
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 22 september 2006.
II.FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING.
Eiseres is als btw-belastingsplichtige geregistreerd voor de exploitatie van een tavernerestaurant.
Zij baat deze uit onder de benaming '...'.
Op 28 november 2002 stelde de btw-administratie van Tienen een proces-verbaal op met betrekking tot de belastbare periode van 1 januari 1998 tot 30 september 2001, na een controle bij eiseres op 10 juli 2002.
In dat proces-verbaal werd onder meer uiteengezet dat en waarom de btw-administratie (hierna verweerster) van oordeel was dat de boekhouding van eiseres voor de betreffende periode niet bewijskrachtig is en de omzet zoals weergegeven in de btw-aangiften met betrekking tot de toepassing van het btw-tarief van 6% niet geheel kon worden aangenomen.
Met betrekking tot de toepassing van artikel 64§3 btw-wb stelt verweerster dat:
-de vordering van bedragen die werden aangegeven in het vierde kwartaal van 1998 verjaard is in in toepassing van artikel 80-81 btw-wb.
-voor de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 2001 er door eiseres een omzet werd aangegeven in haar kwartaalaangiften van 9.132.205 BEF (thans 226.381,14 euro) tegen een btw-tarief van 6%.
-er verkoopsfacturen werden opgesteld tegen het btw-tarief van 6% met omschrijving van de prestatie als 'levering van schotels' voor een bedrag van 369.022 BEF (thans 9.147,81 euro).
-op het bedrag van 8.763.183 BEF als maatstaf van heffing (=9.132.205-369.022) (thans 217.233,63 euro) btw verschuldigd is tegen het btw-tarief van 21%.
Er worden in het proces verbaal tot slot ook nog inbreuken vastgesteld op artikel 12§1 2° en artikel 19 §1 van het btw-wb voor bedrag van respectievelijk 100.800 BEF (thans 2.498,77 euro) en 17.962 BEF (thans 445,27 euro).
In vermeld proces-verbaal worden volgende bedragen verschuldigd verklaard:
-35.529,07 euro btw
-3.550 euro proportionele geldboete
-de wettelijke intrest vanaf 21 oktober 2001
Bij gebreke aan vrijwillige betaling werd ten nadele van eiseres voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 28 oktober 2002, een dwangbevel uitgevaardigd op 5 december 2002 door het btw-ontvangkantoor te Tienen. Op 6 december 2002 werd dit dwangbevel uitvoerbaar verklaard en op 9 december 2002 aangezegd per aangetekende brief aan eiseres.
In haar dagvaarding van 4 maart 2003 tekende eiseres verzet aan tegen het dwangbevel en vordert de vernietiging van het dwangbevel.
III. BEOORDELING.
1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
2.Artikel 64§1 van het btw-wb bepaalt dat "hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen geacht wordt behoudens tegenbewijs de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt."
Artikel 64§2 btw-wb bepaalt dat "hij die diensten verricht geacht wordt behoudens tegenbewijs dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt."
Artikel 64 §3 van het btw-wb bepaalt " wanneer iemand als bedoeld in de §§1 of 2 handelingen verricht met betrekking tot goederen of diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, dan worden die handelingen behoudens tegenbewijs geacht voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of de diensten waarvoor het hoogste tarief geldt."
De tarieven van btw worden bepaald in het K.B. nr. 20 houdende de vaststelling van de tarieven van de btw en de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.
Voor alle niet-vermelde goederen en diensten geldt het btw-tarief van 21 %.
Voor goederen en diensten vermeld in bijlage A bij het K.B. geldt het btw-tarief van 6%
In toepassing van bijlage A, rubrieken, II,III,IV,V,VI,VII en X, is het leveren van vlees, groeten, fruit, plantaardige producten en andere voedingsmiddelen, onderworpen aan een btw-tarief van 6%, terwijl voor de levering van 'spijs en drank' met consumptie ter plaatse een btw-tarief van 21% van toepassing is.
3. Vermits de btw-administratie in bepaalde omstandigheden niet of slechts met grote moeite de verschuldigheid van BTW kan aantonen, zijn er in het btw-wb een aantal wettelijke vermoedens opgenomen die de bewijslast terzake omkeren. (zie Vandebergh, H., 'De bewijsplicht van de fiscus inzake btw en de omkering ervan door het instellen van wettelijke vermoedens', TFR, colloqium 2001).
In toepassing van deze vermoedens wordt de btw geacht verschuldigd te zijn zodra de toestand zich voordoet die door het wettelijke vermoeden wordt beoogd. Het volstaat dus voor de controlerende administratie om de door de wet bedoelde omstandigheden aan te tonen. Het is aan de btw-plichtige toegestaan om het tegenbewijs te leveren.
In casu wordt door geen van partijen betwist dat eiseres btw-handelingen stelt die betrekking hebben op diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn: eiseres serveert gerechten die ter plaatse kunnen geconsumeerd worden óf die kunnen meegenomen worden.
In toepassing van artikel 64§3 btw-wb, worden deze handelingen geacht voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of diensten waarvoor het hoogste tarief geldt, en dit behoudens tegenbewijs.
Dit hoogste tarief dient alleen toegepast te worden wanneer er goederen verkocht zijn zonder factuur ( zie Gedr. St. Kamer, B.Z. ,1968, Verslag, nr. 88/15, 157).
4.Het vermoeden, voorzien in artikel 64§3 btw-wb, dient weerlegd te worden door eiseres. Zij kan dit doen met alle middelen van recht, met uitzondering van de eed.
Eiseres draagt derhalve de bewijslast met betrekking tot hoeveel schotels met gerechten er afgehaald zijn. Zodra zij hierin slaagt, kan er een uitsplitsing van de omzet gebeuren naargelang het toepasselijke btw-tarief van 6 of 21% dat kan worden toegepast.
Zij dient dit bewijs niet meer te leveren voor afhaalschotels waarvoor een factuur werd opgesteld. Verweerster heeft hiervoor immers de toepassing van het btw-tarief van 6% aanvaard. (zie proces-verbaal van 28 november 2002 blz.6).
5.Eiseres probeert het tegenbewijs als volgt te leveren:
-zij betwist de bewijswaarde van het proces-verbaal van 28 november 2002.
-zij betwist dat haar boekhouding niet bewijskrachtig is.
-zij verwijst naar de aanvaarding van het verlaagd btw-tarief van 6% m.b.t. verkoopsfacturen met de omschrijving van 'levering van schotels'.
-zij brengt een aantal bewijsstukken bij als bewijs van het tegendeel.
6.In het proces-verbaal van 28 november 2002 staat omtrent de toepassing van artikel 64§3 btw-wb onder meer het volgende te lezen: (blz.4 van het proces-verbaal).
"....Er dient opgemerkt te worden dat de boekhouding niet bewijskrachtig is en dit om de
volgende reden: tijdens een bezoek door mevrouw Denis en mevrouw Jans op 24 maart 1999 om 14uur werd vastgesteld dat het dagboek van ontvangsten slechts was bijgewerkt tot 21 maart 1999. Tijdens een bezoek van dezelfde opsporingsagenten op 10 november 1998 werd vastgesteld dat er een kasregister Sharp type ERA A650 werd aangewend en dat er geen datum op de rapporten voorkomt en dat de Z totalen van 7,8,en 9 november niet konden
voorgelegd worden. Deze opsporingsagenten hebben op 1 februari 2002 een procesverbaal van vaststelling opgemaakt voor de volgende vaststellingen gedaan op 3 januari 2002 om 9 uur 30 en op 7 januari 2002 om 15 uur: de dagontvangsten waren slechts bijgehouden tot 1 januari 2002 en de reservatielijst van het nieuwjaarsdiner werd niet bewaard. De belastingplichtige liep daarvoor een boete op van 250 euro dewelke hij op 2 maart 2002 (datum van uitwerking) betaalde. Uit deze vaststellingen blijkt dat bijwerkt.".
Aangezien de aangehaalde vaststellingen werden verricht door andere ambtenaren en deze niet zelf werden waargenomen door de verbaliserende ambtenaar, bezit dit onderdeel van het proces-verbaal niet de bewijswaarde tot het bewijs van het tegendeel in toepassing van artikel 59§1 btw-wb.(zie H. Vandebergh, in "De geschillenprocedure inzake btw, De Boeck&Larcier, 2005, p. 26).
De overige feitelijke vaststellingen in het proces-verbaal van 28 november 2002 bevatten deze bijzondere bewijswaarde wel.
De loutere betwisting van de bewijswaarde van het proces-verbaal van 28 november 2002 levert echter geen tegenbewijs op in de zin van artikel 64§3 btw-wb.
7.Eiseres voert daarenboven aan dat haar boekhouding regelmatig werd gevoerd om te bewijzen dat de uitsplitsing volgens het toepasselijke btw-tarief door haar correct werd uitgevoerd.
De uitvoerige betwisting tussen partijen omtrent de regelmatigheid van de boekhouding is ter zake irrelevant. Een verwerping van de boekhouding van eiseres is geen voorwaarde om toepassing te maken van artikel 64§3 btw-wb. Ook al zou de boekhouding van eiseres regelmatig zijn gevoerd, dan nog weerlegt dit het vermoeden niet dat voorzien is in artikel 64§3 btw-wb..
8.Ook het feit dat verweerster het verlaagde btw-tarief van 6% heeft aanvaard met betrekking tot verkoopsfacturen met de omschrijving van 'levering van schotels', levert dergelijk tegenbewijs niet. De toepassing van het hoogste tarief geldt immers enkel wanneer er goederen zijn verkocht zonder factuur.(zie supra onder 4.)
9.Tot slot brengt eiseres verklaringen van klanten, facturen met betrekking tot aangekochte verpakkingen, plannen en foto's bij om het vermoeden in de zin van artikel 64§3 btw-wb te weerleggen (stukken 2,3,4, 5 en 6 van eiseres).
Het feit dàt er gerechten werden afgehaald, wordt ter zake niet betwist. Eiseres bewijst aan de hand van verklaringen van klanten en facturen met betrekking tot aangekochte verpakkingen echter niet hoeveel schotels met gerechten er in de betrokken periode zijn afgehaald.
De plannen en foto's van nabijgelegen bedrijven duiden daarbij hoogstens op de aanwezigheid van potentiële klanten, zonder meer.
Een losbladig register dat naderhand wordt ingebonden, met als benaming 'document waarop de verkopen van de goederen die worden afgehaald genoteerd worden' kan bezwaarlijk aanvaard worden als tegenbewijs met betrekking tot de uitsplitsing volgens het voorgehouden toepasselijke verlaagde btw-tarief van 6%. De loutere éénzijdige vermelding op deze losbladige registers zonder enig verantwoordingsstuk is niet controleerbaar waardoor deze slechts de waarde hebben van een éénzijdige bewering.
10.Eiseres slaagt er derhalve niet in te bewijzen hoeveel schotels met gerechten er zijn afgehaald om een uitsplitsing van haar omzet naargelang het toepasselijke btw-tarief te verantwoorden. Zij slaagt er dus niet in het vermoeden voorzien in artikel 64§3 btw-wb te weerleggen.
Dit onderdeel van haar vordering is dan ook ongegrond.
11.De rechtbank stelt vast dat de eiseres geen betwisting heeft gevoerd omtrent de weerhouden inbreuken in het proces-verbaal van 28 oktober 2002 op artikel 12§1 2° en 19§1 van het btw-wb, ondanks het feit dat de eiseres de volledige vernietiging vraagt van het dwangbevel.
De inbreuken zijn derhalve bewezen door vaststellingen in het vermelde proces-verbaal.
Dit onderdeel van haar vordering is dus ook ongegrond.
12.De rechtbank stelt tot slot vast dat de berekening van de maatstaf van heffing van de verschuldigde btw, van de opgelegde geldboete en van de verschuldigde nalatigheidinterest niet door eiseres wordt betwist.
Dispositif
III. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg,
De vordering is ontvankelijk maar ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de N.V. N. tot de kosten van het geding en stelt deze als volgt vast:
-voor eiseres: 163,69 euro dagvaardingskosten + 364,41 euro rechtsplegingsvergoeding
-voor verweerster: 364,41 euro rechtsplegingsvergoeding
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 15 december 2006, waar zetelden:
- de heer L. W., rechter;
- mevrouw G. D., griffier.
G. D. L. W..
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.