Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 12.04.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d. d. 12.04.2002
AR 00/1568/A
Inzake :
BVBA A., met maatschappelijke zetel te …, …, vertegenwoordigd ter zitting door mr. D. loco mr. S., advocaat te …, …;
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, AOIF, in persoon van de heer gewestelijk directeur der BTW te Mechelen, wiens burelen zijn gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Heergracht 2;
2. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Leuven, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3000 Leuven. Strijdersstraat 63 bus 90;
3. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën. in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
verweerders,
hebbende als raadsman mr. D. B., advocaat te …, …;
De rechtbank spreekt vonnis uit in deze zaak die op de zitting van 8 februari 2002 werd behandeld en op tegenspraak in beraad werd genomen.
Gelet op de artikelen 2-9-3-t-36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Gezien het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 25 juli 2000 ertoe strekkende de beslissing van de gewestelijke directeur van de BTW te Mechelen van 27 april 2000 met nr. M-BTW/… te horen hervormen.
Gelet op de neergelegde conclusies en stukken.
Gehoord de advocaten van partijen.
I. DE FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING
1. Eiseres heeft de hoedanigheid van belastingplichtige voor de toepassing van de BTW. Zij dient maandelijks een BTW-aangifte in te dienen.
De aangiften voor de maanden juli, augustus en september 1999 werden niet tijdig ingediend.
Voor deze maanden werd de rekening-courant op nul gezet en een bijzondere rekening geopend. De aangiften werden ingediend op 2 december 1999, hetzij met een vertraging van respectievelijk 3 maanden, 2 maanden en 1 maand.
Uit de aangifte blijkt dat eiseres een BTW verschuldigd was van 12.164.739 BEF voor de maand juli, 6.438.344 BEF voor de maand augustus en 7.099.801 BEF voor de maand september.
Bij aangetekend schrijven van 13 december 1999 stuurde de administratie de bijzonder rekening op naar eiseres. Volgens deze afrekening moest eiseres betalen (bedragen in BEF) :
BTW 25.741.924
boete wegens laattijdige aangifte :
juli : 6.000
augustus : 4.000
september : 2.000
intresten : 452.688
boete wegens laattijdige betaling : 2.586.000
2. Het bedrag van 25.741.921 BEF werd op 26 november 1999 betaald.
3. Bij schrijven van 13 maart 2000, gericht aan de gewestelijke directie Mechelen, verzocht eiseres om kwijtschelding van de nalatigheidsintresten en de geldboete van 2.586.000 BEF.
Bij schrijven van 27 april 2000 weigerde de gewestelijke directie deze kwijtschelding.
ll. BEOORDELING
4. Art. 84bis BTW-Wetboek bepaalt dat de bevoegde gewestelijk directeur in bijzondere gevallen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling mag verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan.
Uit de bewoordingen van art. 84bis BTW-Wetboek blijkt dat de belastingplichtige geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsinteresten te betalen. Het behoort dan ook niet aan de rechterlijke macht zich in de plaats van de directeur te stellen en de opportuniteit van de beslissing van de directeur te beoordelen. De rechtbank kan wel nagaan of de beslissing van de directeur in overeenstemming met de wet (in materiële zin) genomen werd. De rechtbank kan dan ook, indien de beslissing van de directeur niet in overeenstemming met de wet genomen werd enkel deze beslissing vernietigen, maar kan zelf de gevraagde vrijstelling niet toestaan. (Voor een analoge toepassing zie Cass., 17 april 2000, J.T.T. 2000, 341.)
5. De aangevochten beslissing is onder meer als volgt gemotiveerd :
"Als reden voor de laattijdige indiening door de vennootschap wordt de ziekte van de zaakvoerder aangehaald.
De BVBA is echter een rechtspersoon zodat ziekte van wie dan ook in principe geen beletsel kan zijn om de aangiften in te dienen. Bovendien is gebleken dat de boekhouding van de vennootschap wordt verzorgd door het accountantskantoor de BVBA F..
[ ]
De intresten zijn op grond van artikel 91, § 1 van het BTW-wetboek verschuldigd. Zij maken de vergoeding uit wegens een onafgedane schuld en worden derhalve niet vrijgesteld.
Inmiddels werden uw betalingen vanuit de rekening-courant overgeboekt naar de bijzondere rekening met dezelfde valutadatum als de oorspronkelijke betalingen.
Verder blijkt uit het dossier dat in het verleden, buiten de voornoemde periode, de vennootschap ook niet stipt de verschuldigde BTW betaalde, zodat er interesten werden aangerekend.
[...]
Door later te betalen, heeft de vennootschap langere tijd de beschikking gehad over de gelden die eigenlijk reeds aan de Schatkist toebehoorden."
6. Het wordt niet betwist dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing is.
Dit betekent dat de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. Met de uitdrukking "afdoende" wordt bedoeld dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen. (Cass. 3 februari 2000, A.J.T. 2000-01, 284).
De beslissing motiveert dat de ziekte van de zaakvoerder alleen, voor een vennootschap waarvan de boekhouding verzorgd wordt door een boekhoudkantoor, geen reden is om kwijtschelding van intresten te verlenen en dat er een wettelijke grondslag aanwezig is om de intresten op te vorderen (art. 91, § 1 BTW-wetboek).
Aldus is de beslissing afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als juridische overwegingen om de kwijtschelding van de intresten te verwerpen worde vermeld en volstaan om te beslissing te dragen.
7. Bij de toepassing van de boete wegens laattijdige betaling dient rekening gehouden te worden met het evenredigheidsbeginsel. De straf dient in verhouding te staan met de ernst van de inbreuk.
In casu heeft eiseres, nog voor verweerster de bijzondere rekening had opgestuurd, de achterstallige BTW betaald. De betalingstermijn werd slechts licht overschreden. De betaling voor de maand juli diende vóór 20 augustus te geschieden. De betalingstermijn werd hier met iets meer dan drie maanden overschreden. Voor de belastingen van de andere maanden werd de betalingstermijn respectievelijk met iets meer dan twee en één maand overschreden. Wegens de laattijdige betaling zijn reeds intresten verschuldigd en in principe dekken deze intresten de schade door de BELGISCHE STAAT geleden wegens de vertraging in de betaling (art. 1153 B.W.).
Een boete van 2.586.000 BEF, gecumuleerd met intresten, is voor een dergelijke overschrijding van de betalingstermijn overdreven, zelfs als men er rekening mee houdt dat deze boete tot doel heeft de belangen van de schatkist te vrijwaren en de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn verplichting tot betaling stipt na te komen.
8. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken, en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang (Cass., 24 januari 2002, www.cas.be ).
De rechtbank is van oordeel dat de aan eiseres opgelegde boete wegens laattijdige betaling een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM. De sanctie is onevenredig met de ernst van de gepleegde inbreuk. Een boete van 12.500,00 euro is aangepast aan de ernst van de gepleegde inbreuk.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg.
Verklaart de: vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Vernietigt de beslissing van 27 april 2000 van de directie BTW Mechelen met referte … in de mate dat uitspraak gedaan werd over het verzoek van eiseres om kwijtschelding te bekomen van de opgelegde boete wegens laattijdige betaling.
Verklaart het verzoek in de hierna bepaalde mate gegrond.
Stelt de boete verschuldigd wegens laattijdige betaling van de BTW vast op 12.500,00 euro.
Wijst het overige van de vordering als ongegrond af.
Veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot terugbetaling van het eventueel te veel betaalde, vermeerderd met de wettelijke verwijlintresten.
Veroordeelt DE BELGISCHE STAAT tot de kosten, begroot op 327,23 euro rechtsplegingsvergoeding voor BVBA A. en op 327,23 euro rechtsplegingsvergoeding voor de BELGISCHE STAAT.
Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zitting houdende op vrijdag 12 april 2002, waar zetelden :
de heer L. W., alleenzetelend rechter, en
mevrouw D. D. C., adjunct-griffier.
D. D. C. L. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.