Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 28.05.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE AR nr. 01/405/A
MR. B. T.-H., advocaat te …, …, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van NV A. H., met maatschappelijke zetel voorheen gevestigd te …, …, en thans te …, …,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. W., advocaat te …, …;
tegen :
ADMINISTRATIE DER BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de heer Rekenplichtige van het Eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
DE BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, …;
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak dat neergelegd werd ter griffie van deze rechtbank op 26.02.2001, met aangehecht een afschrift van het exploot van betekening-hevel van 19.02.2001 van het dwangbevel van 08.02.2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen op 14.02.2001;
- de conclusies en stukken van eiser q.q.;
- de conclusies, aanvullende besluiten en stukken van verweerder;
Feiten en voorgaanden
De NV A. H. was ingevolge de door haar uitgeoefende activiteit van handel in computeronderdelen, café-uitbating en schoonheidssalon geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en onderworpen BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
De NV A. H. maakte gebruik van de hierna volgende commerciële benamingen : S. voor haar activiteiten van schoonheidssalon, ’t B. voor haar activiteit van café-uitbater, D. voor haar activiteit van handel in computeronderdelen.
Op 31.08.2000 en 05.09.2000 hebben ambtenaren verbonden aan het Nationaal Controlecentrum ter bestrijding van de BTW-carrousels te Mechelen, bij de NV A. H. een controle doorgevoerd over de jaren 1999 en 2000.
Bij nazicht van de voorgelegde boeken en stukken stelden de controleambtenaren van het Nationaal Controlecentrum ter bestrijding van de BTW-carrousels te Mechelen onder meer het volgende vast :
- uit de boekhouding van de NV A. H. bleek dat er facturen van de BVBA E.-L. ontvangen werden met betrekking tot de levering van computeronderdelen voor een bedrag van 30.131.366 BF (748.176,52 euro) in hoofdsom en 6.297.378 BF (156.107,92 euro) BTW;
- op al de facturen uitgaande van de BVBA E.-L. werd als adres vermeld … te …;
- uit een proces-verbaal van 28.06.2000 van de controle-ambtenaren verbonden aan het BTW-controlekantoor van Aarschot bleek dat op de … te … geen handelsactiviteiten konden waargenomen worden : er was geen bel aan de voordeur, er waren geen reclame of aanplakborden noch andere tekenen die erop wezen dat er een firma gevestigd was die handelsactiviteiten uitoefende onder de naam E.-L.;
- de eigenaar van het gebouw gelegen … te … verklaarde aan de controle-ambtenaren dat er in de periode 1 januari 1999 tot 30 juni 2000 geen huurovereenkomst werd afgesloten met de BVBA E.-L.; het gebouw werd vanaf 1 oktober 1998 verhuurd aan de BVBA B.;
- op de facturen uitgaande van de BVBA E.-L. die werden aangetroffen in de boekhouding van de NV A. H. werd de vermelding ''voldaan per cheque" of "voldaan" genoteerd;
- uit de rekeninguittreksels van de NV A. bleek geen enkele creditering welke de werkelijke betaling van de BVBA E.-L. kon staven;
- uit nazicht van de boekhouding bleek dat de NV A. H. voor de verkoop van handelsgoederen facturen heeft uitgereikt aan de SARL NCI T. (… te …, …) voor een totaal bedrag van 5.914.992 BF (146.628,82 euro);
- op deze facturen werd geen BTW aangerekend en zijn er geen vermeldingen van een eventuele vrijstelling van belasting genoteerd;
- er werden op deze facturen geen transportkosten met betrekking tot de levering van goederen in rekening gebracht;
- voor deze leveringen werd een leveringsnota opgemaakt waarop voor ontvangst werd getekend met vermelding van de datum en stempel van NCI T.;
- op deze leveringsnota werd niet vermeld of de goederen werden afgehaald dan wel werden geleverd en als leveringsadres werd NCI T., … te … opgegeven;
- tijdens een BTW-controle van 31.08.2000 werd verklaard dat de SARL NCI T. de goederen zelf kwam afhalen;
- op het merendeel van de facturen werd als. bewijs van betaling de vermelding "contant" geschreven;
- uit de saldolijst klanten op naam van de NVI T. L. van de NV A. H. bleek dat alle facturen werden ingeboekt en dat er geen overeenstemmende inschrijving in het financieel dagboek werd vermeld.
De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 30.01.2001 in toepassing van art. 59, § 1 W.BTW en leidde tot de bevinding dat de NV A. H. met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten had overtreden. Er werd gesteld dat de NV A. H. de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- 7.539.526 BF (186.899,97 euro) BTW;
- 15.079.052 BF (373.799,94 euro) geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW;
- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.07.2000 over de som van 7.539.000 BF (186.886,93 euro) in toepassing van art. 91, § 1 W.BTW.
Op 08.02.2001 werd er tegen de NV A. H. een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van 30.01.2001, Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.02.2001 en met exploot van gerechtsdeurwaarder L. B. te … betekend aan eiseres op 19.02.2001.
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van dit dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.
Bij verzoekschrift in fiscale zaken van 26.02.2001 werd er door de NV A. H. bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 08.02.2001.
In haar akte van verzet zet de NV A. H. in essentie uiteen :
(1) aangaande de hoofdelijke gehoudenheid als medecontractant (art. 51bis W.BTW)
- dat de activiteiten van de NV A. H. in computeronderdelen op 20.12.1999 werd ondergebracht in een nieuwe vennootschap, de BVBA S. S. met maatschappelijke zetel te …, …;
- dat de BVBA E.-L. op het moment van de levering haar klantenbestand nog nier had aangepast en zodoende aan NV A. H.;
- dat de facturen van de BVBA E.-L. verkeerdelijk naar de NV A. H. werden toegestuurd en dat deze facturen van de BVBA E.-L. verkeerdelijk naar de NV A. H. werden toegestuurd en dat deze facturen nadien het voorwerp hebben uitgemaakt van een kredietnota;
- dat de NV A. H. niet kan worden beschouwd als een economisch medecontractant van leverancier BVBA E.-L. om de eenvoudige reden dat het adres van de NV A. H. op de factuur voorkomt;
- dat een factuur slechts bewijskracht heeft als ze niet wordt betwist en de facturen die gericht werden door de BVBA E.-L. werden onmiddellijk betwist door de NV A. H., hetgeen tot gevolg had dat de BVBA E.L. kredietnota's heeft uitgereikt;
- dat de NV A. H. en de BVBA E.-L. niet met elkaar gecontracteerd hebben, zodat art. 51bis, § 1, 1° W.BTW niet van toepassing is;
- dat derhalve de administratie er niet in slaagt om aan te tonen dat de computers aan de NV A. H. zijn geleverd aangezien ze aan de BVBA S. S. zijn geleverd;
- dat de hoofdelijke aansprakelijkheid, voorzien in art. 51, § 1, 1° W.BTW slechts van toepassing is indien de belasting niet zou zijn betaald aan de BVBA E.L.;
- dat de administratie niet aantoont dat de belasting niet zou zijn voldaan door de BVBA E.-L.;
- dat de BTW werd voldaan door de werkelijk medecontractant van de BVBA E.-L., namelijk door de BVBA S. S.;
- dat de administratie niet gelijktijdig de aftrek van belastingen door de werkelijke medecontractant, de BVBA S. S., kan weigeren op basis van art. 45 W.BTW en de betaling van de belasting kan eisen van eiseres op basis van art. 51, § 1, W.BTW.
(2) aangaande het niet vervuld zijn van de voorwaarden voor de vrijstelling van intracommunautaire leveringen (art. 39bis, 1° lid W.BTW) :
- dat de administratie de vrijstelling van belasting vooreerst verwerpt op grond van het argument dat art. 5, § 4° en 10° KB nr. 1 van 29.12.1992 vereist dat op de factuur respectievelijk het BTW-nummer van de afnemer en het artikel op grond waarvan de vrijstelling van belasting wordt verleend, dienen te worden vermeld;
- dat het recht op aftrek kan niet verworpen worden omwille van een gebrek aan essentiële vermeldingen op de facturen;
- dat de administratie de vrijstelling van belasting tevens verwerpt omdat niet het bewijs is geleverd dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat;
- dat de administratie stelde dat het BTW-nummer dat op de uitgaande facturen van de NV A. H. aan de SARL NCI T. is vermeld sedert 04.03.2000 niet meer geldig is;
- dat overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en gezaghebbende rechtsleer vermeldingen slechts kunnen worden opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan te verzekeren;
- dat de vereiste van identificatie in een andere lidstaat hiertoe niet absoluut noodzakelijk is.
(3) aangaande de opgelegde geldboete :
- dat niet kan gesteld worden dat de NV A. H. de overtredingen heeft begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken;
- dat derhalve de boete in toepassing van het KB nr. 41 van 30.01.1987 kan worden verminderd;
- dat de opgelegde fiscaalrechtelijke boete een strafsanctie is en dat de rechter bevoegd is om de administratieve sanctie te toetsen;
- dat om hoger vermelde redenen de geldboete dient te worden verlaagd tot 10 %.
(4) aangaande de nietigheid van het dwangbevel :
- dat het dwangbevel nietig is wegens een gebrek aan motivering.
(5) aangaande de vordering tot schadevergoeding :
- dat de administratie onmiddellijk is overgegaan tot een uitvoerend beslag op roerend goed zonder de termijn van 8 dagen af te wachten die de gerechtsdeurwaarder in het bevel had toegestaan;
- dat om die reden de NV A. H. een schadevergoeding van 5.000.000 BF (123.946,76 euro) vordert.
Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 09.09.2002 werd de NV A. H. failliet verklaard en werd Mr. B. T.-H. aangesteld als curator. De curatele heeft huidig feitelijk hernomen (zie stuk 1 van eiser q.q.).
Beoordeling
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Aangaande de beweerde nietigheid van het dwangbevel wegens een gebrek aan motivering
Het dwangbevel beantwoorde aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen wanneer het door zijn inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige moeten worden kenbaar gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.
De motiveringsverplichting heeft aldus tot doel de belastingplichtige alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen oordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten.
Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de bestuurde een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen.
Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen gevorderd wordt en over de motivering van deze vordering.
Uit het dwangbevel en uit het voorafgaandelijk proces-verbaal blijkt ontegensprekelijk dat de NV A. H. kennis had van redenen die de administratie ertoe heeft aangezet om tegen haar dit dwangbevel uit te vaardigen en zij kon hieruit onomstotelijk afleiden waarom deze bedragen werden gevorderd zodat dit dwangbevel haar dan ook een inzicht heeft verschaft in de motieven en de NV A. H. dan ook terdege kon oordelen of het zin had om zich hiertegen te verzetten.
De bewering van eiser q.q. dat het dwangbevel nietig is omdat er geen rekening werd gehouden met kredietnota’s en omdat de hoogdringendheid van het dwangbevel niet gemotiveerd is, is dan ook ter zake niet dienen.
Het dwangbevel is voldoende gemotiveerd en is aldus rechtsgeldig.
2.2. Art. 51bis, § 1, 1° W.BTW
De NV A. H. wordt aangesproken op basis van de rechtsgrond van de wettelijke aansprakelijkheid voor de medecontractant bepaald in art. 51, § 1, 1° W.BTW.
Art. 51, § 1, 1° W.BTW bepaalt :
"De medecontractant van de schuldenaar van de belastingen : 1° krachtens art. 51, § 1,·1° en § 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan"
Uit het proces-verbaal van 30.01.2001 blijkt dat de NV A. H. een aantal facturen heeft ontvangen van de BVBA E.-L.. Op al deze facturen werd als adres van voormelde BVBA opgegeven … te ….
In het proces-verbaal van 30.01.2001 werd met betrekking tot deze facturen de volgende vaststellingen gedaan :
- uit een proces-verbaal van 28.06.2000 van de controle-ambtenaren verbonden aan het BTW-controlekantoor van Aarschot bleek dat op de … te … geen handelsactiviteiten konden worden waargenomen; er was geen bel aan de voordeur, er waren geen reclame of aanplakborden noch andere tekenen die erop wezen dat er een firma gevestigd was die handelsactiviteiten uitoefende onder de naam E.-L.;
- de eigenaar van het gebouw gelegen … te … verklaarde aan de controle-ambtenaren dat er in de periode 1 januari 1999 tot 30 juni 2000 geen huurovereenkomst werd afgesloten met de BVBA E.-L.; het gebouw werd vanaf 1 oktober 1998 verhuurd aan de BVBA B.;
- op de facturen uitgaande van de BVBA E.-L. die werden aangetroffen in de boekhouding van NV A. H. werd de vermelding "voldaan per cheque" of "voldaan" genoteerd;
- uit de rekeninguittreksels van de NV A. H. bleek geen enkele creditering welke de werkelijke betaling van de BVBA E.-L. kon staven;
- op vraag wie de BVBA E.-L. vertegenwoordigde kon de bestuurder van de NV A. H. geen duidelijk antwoord geven.
Uit de hoger vermelde vaststellingen blijkt dat het adres dat vermeld is op de facturen niet overeenstemt met de werkelijkheid, dat de NV A. H. de identiteit van haar leverancier niet kan aantonen en evenmin kan bewijzen dat de op de facturen vermelde bedragen werden betaald.
Aangezien.de facturen onjuiste vermeldingen bevatten met betrekking tot de naam en het adres van de bij de handeling betrokken partij is de NV A. H. hoofdelijk gehouden tot voldoening van de BTW.
De medecontractant die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijbehorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
De NV A. H. levert dit bewijs evenwel niet zodat zij ook niet kan ontslagen worden van haar hoofdelijke gehoudenheid.
De stelling van de NV A. H. dat zij niet de werkelijke medecontractant was, doch dat de BVBA S. S. de werkelijke medecontractant was, en dat de facturatie die aan haar gericht was op een loutere materiële vergissing berust, overstijgt het niveau van de loutere bewering niet.
Tevens is de rechtbank van oordeel dat het recht op teruggave van de BTW en de verplichting om de BTW te voldoen los van elkaar staan en afzonderlijk dienen te worden beoordeeld.
2.3. Art. 39bis W.BTW en KB nr. 52 van 29.12.1992
Uit het proces-verbaal van 30.01.2001 blijkt dat in de boekhouding van de NV A. H. uitgaande facturen werden aangetroffen die waren geadresseerd aan de SARL NCI T. ...gevestigd te … (…), … waarop geen BTW werd aangerekend. De reden van eventuele vrijstelling werd niet op de facturen vermeld. Tijdens de controle werd verklaard dm de goederen werden afgehaald door de koper.
De NV A. H. beroept zich op de vrijstelling voorzien in art. 39bis, 1° W.BTW.
Krachtens art. 15 en 16 W.BTW wordt de levering geacht plaats te vinden op het tijdstip van de aanvang van het vervoer, in casu België, en wordt krachtens art. 2 W.BTW de belasting verschuldigd.
In toepassing van art. 39bis, 1° W.BTW draagt de NV A. H. de bewijslast dat zij alle voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan de firma SARL NCI T. gevestigd in het …, te facturen met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.
Artikel 39bis, 1° W.BTW stelt dat van de belasting zijn vrijgesteld :
"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, (...)''
De NV A. H. dient derhalve een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering, het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (zie artikel 1 en 2 van het KB nr. 52 van 29.12.1992).
Verweerder werpt in besluiten vooreerst op dat de levering niet is geschied voor en belastingplichtige die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat. Het vermelde BTW-nummer op de facturen van de SARL NCI-T. was immers sedert 04.03.2000 niet meer geldig.
Ten onrechte houdt de NV A. H. voor dat de verplichte vermeldingen op de factuur van het BTW-identificatienummer van de koper in een andere lidstaat niet absoluut noodzakelijk zijn en dat deze vereiste strijdig zouden zijn met de Zesde BTW-richtlijn.
De voorwaarden die werden opgelegd zijn essentiële controlevereisten zonder dewelke de vrijstellingsregel dode letter zou worden. De wijze waarop het gevraagde bewijs beoordeeld wordt, valt onder de toepassing van de regelgeving, doch houdt niet in dat de regelgeving op zich strijdig is met de richtlijn.
Verweerder betwist verder dat aan de eerste bewijsvoorwaarde is voldaan, met name dat is aangetoond dat de goederen werkelijk door de afnemer of voor zijn rekening vanuit België zijn verzonden of vervoerd naar het ….
Krachtens artikel 3 van het KB nr. 52 van 29.12.1992 is de bewijsvoering vrij, in die zin dat alle nuttige documenten "waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt" voor de invulling van de bewijslast in aanmerking komen.
De BTW-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijselementen kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk het grondgebied hebben verlaten en zijn aangekomen in een andere lidstaat.
De rechtbank stelt vast dat de NV A. H. niet het minste document voorlegt waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen zou blijken, noch eertijds aan de controleambtenaar, noch nu voor de rechtbank.
Nu de NV A. H. er niet in slaagt te bewijzen dat zij aan de voorwaarden voldoet om te kunnen genieten van de vrijstelling voorzien in art 39bis, 1° W.BTW, heeft zij belastbare handelingen verricht, zodat zij de BTW verschuldigd is als verkoper.
2.4. Aangaande de toepassing van de van rechtswege verschuldigde boete gelijk aan tweemaal het recht
De administratie vestigde de boete op grond van art. 70, § 1 W.BTW.
Overeenkomstig art. 70, § 1 van het Wetboek BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de BTW te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde rechten. Krachtens deze tekst is, ongeacht het bedrag van de BTW of de omstandigheden waarin de overtreding (zelfs een loutere toevallige) heeft plaatsgevonden, de boete verschuldigd.
De administratie heeft derhalve in toepassing van deze wettelijke bepalingen de boete vastgesteld op het maximum van 200 %.
Art. 84, 3° lid W.BTW voorziet in de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boeten te vervangen door verminderde proportionele' boeten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Die schaal werd vastgesteld bij KB nr. 41 van 30.01.1987 en maakt het mogelijk dat de boete, waarin art. 70, § 1 voorziet, verminderd wordt. Volgens art. 1 van het KB nr. 41 is de vermindering evenwel niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De NV A. H. vordert dat de opgelegde geldboete van 200 % zou worden herleid tot 10 % nu deze boete kennelijk overdreven is.
Ingevolge de arresten van het Arbitrage hof van 24.02.1999 en 12.06.2002 moet worden aangenomen dat de rechter met volle rechtsmacht kan oordelen over de door de administratie opgelegde BTW-boete en dat art. 70 W.BTW deze interpretatie ook toelaat (R. W., 1998-99,1346).
Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van wettelijk opgelegde verplichtingen (zie Cass., 5.02.1999, T.F.R. 1999, nr. 99/44. tweede middel).
Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschudigde boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.
De rechtbank stelt vast dat uit de concrete gegevens van het dossier blijkt dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken, zoals o.m. het niet kunnen aanduiden van wie de firma BVBA E.-L. vertegenwoordigde, het nier blijken van de contante betalingen uit de boekhouding, het gebrek aan ook maar enig bewijs van vervoer van de goederen.
De rechtbank kan dan ook niet om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de belastingplichtige bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd en waarvan de sanctionering bij niet naleving werd geregeld bij wet of bij de in uitvoering ervan genomen besluiten.
Nu de boete werd opgelegd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen van art. 70, § 1 W.BTW en het KB nr. 41 is zij in de gegeven omstandigheden verantwoord.
2.5. Aangaande de vordering tot schadevergoeding
De NV A. H. vordert de veroordeling van verweerder tot betaling van een schadevergoeding t.b.v. 123.946,76 euro om redenen dat de administratie onmiddellijk is overgegaan tot een uitvoerend beslag op roerend goed zonder zelfs het verstrijken van de termijn van 8 dagen af te wachten die door de deurwaarder in het bevel werd toegestaan.
Op grond van art. 1382 B.W. dient de NV A. H. het bewijs te leveren van een fout die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade.
De NV A. H. dient te worden afgewezen nu zij niet slaagt in de baar opgelegde bewijslast.
De vordering van de NV A. H. is derhalve ongegrond.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 08.02.2001 ontvankelijk doch ongegrond.
Wijst eiser q.q. af, veroordeelt hem tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op € 167,33 zijnde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 28 MEI 2003, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw L. B., rechter, waarnemend voorzitter;
Mevrouw M. C. en Mevrouw C. V., rechter;
De Heer R. J., adjunct-griffier.
R. J. C. V. M. C. L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.