Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, assujettissement · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 18 mai 1999

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, assujettissementTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-anvers-1999-05-18-156c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
18 mai 1999

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

48 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 18.05.1999

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op ACHTTIEN MEI NEGENTIENHONDERD NEGENENNEGENTIG in openbare zitting van de NEGENDE B kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

R. B., enig rechter

Y. B., griffier

In zake : A.R. Nr. 97/1702/A

V. J., wonende te …, ….

eiser,

voor wie Meester B. C. optreedt, advocaat, kantoorhoudend te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiéns burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 3, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei, 4 bus 4.

verweerder,

voor wie Meester M. L. optreedt, advocaat loco Meester M. V. H. advocaat, kantoorhoudend …, …

Gelet op de proceduredocumenten, vervat in het: dossier van de rechtspleging en ondermeer :

- de inleidende dagvaarding d.d. 14 maart 1997;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld ter zitting van 20 april 1999;


De vordering strekt ertoe het dwangbevel uitgevaardigd op 19 februari 1997 van nul en generlei waarde te verklaren en dhr. V. te ontslaan van alle in dit dwangbevel van hem gevorderde sommen.

Verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan thans vernietiging wordt gevorderd en dit met vermeerdering van de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW;

Verder verweerder te veroordelen tot de kosten.

IN FEITE

Uit een nazicht op 31 mei 1995 van de boekhouding van de BVBA A.-V., werd door de heer M. van de BBI, vastgesteld dat heel wat verkoopfacturen werden opgesteld op naam van dhr. V..

Gezien het bedrag dat tijdens de gecontroleerde periode aan dhr. V. werd gefactureerd, zijnde … F, werd hem gevraagd klaarheid te brengen omtrent de bestemming van de goederen.

In een eerste verklaring stelde dhr. V. dat deze goederen bestemd waren voor privé-gebruik voor familie en vrienden.

In zijn proces-verbaal d.d. 4 november 1996 stelt de BTW-Administratie dat op grond van art. 4 van het BTW-Wetboek, eiser aan te merken is als een in het BTW-Wetboek bedoelde belastingplichtige met al de verplichtingen die deze hoedanigheid met zich meebrengt o.m. inzake het opmaken van verkoopfacturen en het indienen van periodieke aangiften.

Op 21/11/96 wijzigde eiser zijn verklaring met betrekking tot de bestemming der goederen en verklaarde hij tijdens een verhoor aan de gerechtelijke politie dat de bestaande goederen werden geleverd aan bestaande afnemers-detaillisten van Avanti.

Hij verklaarde niet in de mogelijkheid te zijn de ontvangers van de leveringen te identificeren.

Op 6 maart 1997 werd eiser per aangetekende brief in kennis gebracht van het dwangbevel dat lastens hem werd opgemaakt.

Op 14 maart 1997 wordt verzet aangetekend tegen dit dwangbevel.

IN RECHTE

Uit de voorgelegde stukken en argumenten ontwikkeld door partijen, komt de Rechtbank tot de volgende beslissing :

1. Huidige vordering strekt om van nul en generlei waarde te horen verklaren het dwangbevel d.d. 19.2.97 en dhr. V. te horen ontslaan van alle in dit dwangbevel van hem gevorderde sommen.

Dit dwangbevel werd uitgebracht naar aanleiding van de feiten vermeld in het P.V. d.d. 4.11.96.

Daarbij baseerde de BTW-Administratie zich op de verklaringen afgelegd door dhr. V. aan de B.B.I. op 4.11.96. Hierbij beweerde dhr. V. dat de facturen van de BVBA A.-V. op zijn naam uitgeschreven, aankopen voor privé-gebruik of familie en vrienden betroffen.

Enkele weken later legde dhr. V. betreffende dezelfde feiten aan de gerechtelijke politie in het kader van een strafonderzoek een gewijzigde verklaring af.

2. Dit strafonderzoek is, zoals ter zitting toegelicht, thans nog hangende.

Dit hangende strafonderzoek betreft dezelfde feiten als dewelke aanleiding gaven tot huidige procedure, zodat er een risico van tegenstrijdigheid bestaat tussen de beslissing van de burgerlijke rechter en de strafrechter.

Overeenkomstig het adagio "le criminel tient le civil en état (art. 4 V.T. Sv) dient de burgerlijke rechter zijn uitspraak op te schorten tot de strafrechter definitief uitspraak heeft gedaan.

Deze verplichting raakt de openbare orde, zodat de Rechtbank in onderhavige zaak ambtshalve de verdere behandeling van de zaak opschort tot na de definitieve uitspraak van de strafzaak.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

rechtdoende op tegenspraak,

verklaart de vordering ontvankelijk;

verzendt de zaak naar de bijzondere rol in afwachting van de definitieve uitspraak in de strafzaak;

houdt de kosten aan.

Y. B. R. B.

Textes cités

1
CTVA art. 41 occurrence

Décisions similaires

8