Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.03.2006
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 28-03-2006
BELASTINGEN
Nr. 2005/AR/1006
in de zaak van :
C. M. R. B. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,
appellante,
hebbende als raadsman mr. G. E., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4 bus 2,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. V. A. E., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 11.3.1999 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door D. D. B., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2, op 5.2.1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. V. D., directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen, op 5.2.1999.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante: een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW, een geldboete krachtens artikel 70, § 1bis BTW-wetboek van … BEF (… EUR), intresten en vervolgingskosten.
De appellante vorderde voor de eerste rechter dat het dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard, de appellante zou worden ontslagen van de in het dwangbevel van haar gevorderde sommen, en de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging wordt gevorderd.
Bij vonnis van 26.11.2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, achtste kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.
Dit vonnis werd op verzoek van de geïntimeerde aan de appellante betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 21.3.2005.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 20.4.2005 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De appellante vordert dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd en het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis in de zin dat de in het dwangbevel verschuldigde sommen worden teruggebracht tot … F of … EUR ten titel van BTW, te vermeerderen met de boete wegens nietbetaling overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW ten bedrage van … F of … EUR, de intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 BTW-wetboek vanaf 21.1.1996 en moratoire intresten welke verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 91, § 4 BTW-wetboek vanaf 10.2.1999.
2. In het proces-verbaal d.d. 26.2.1999 (bijlage bij stuk 1 van de geïntimeerde), bijlage bij het bestreden dwangbevel, wordt onder meer uiteengezet dat inlichtingen werden genomen uit het dossier van de administratie der directe belastingen, en de administratie der directe belastingen volgens de berichten van wijziging van aangifte van 10.2.1997 en 22.4.1997 voor de kalenderjaren 1994 en 1995 de restaurant-activiteit van de appellante heeft verhoogd met respectievelijk … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR). In datzelfde proces-verbaal heeft de geïntimeerde vervolgens de BTW (en accessoria) berekend op deze meeromzet.
Het proces-verbaal, waarop het dwangbevel is gegrond en dat er als bijlage deel van uitmaakt, verschaft aldus de afdoende motivering van het dwangbevel vereist bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Hangende de procedure voor de eerste rechter, meer bepaald op 18.7.2001 (zie stuk 10 van de geïntimeerde), sloot de appellante met de administratie der directe belastingen een fiscaal akkoord waarbij de niet-aangegeven omzet (inclusief BTW) voor het inkomstenjaar 1994 werd bepaald op … BEF (… EUR) en voor het inkomstenjaar 1995 op … BEF (… EUR).
Bij conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 18.12.2002 herberekende de geïntimeerde de BTW op basis van de in het vermeld akkoord weerhouden omzet, en vorderde de geïntimeerde :
“
... de vordering van de eiseres (d.i. de appellante) ontvankelijk doch ongegrond te verklaren,·
Het dwangbevel te bevestigen in die zin dat de erin vermelde verschuldigde sommen worden teruggebracht tot … F of … EUR ten titel van BTW, te vermeerderen met de boete wegens niet-betaling overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW ten bedrage van … F of … EUR en de intresten en moratoire intresten welke verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 91, §§ 1 en 4 van hetzelfde wetboek".
Noch de vermelde motiveringsplicht noch enige andere wettelijke bepaling vereisen dat in het dwangbevel of in het proces-verbaal alle bewijzen waarover de geïntimeerde beschikt zouden vermeld worden. Noch de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, noch enige andere wettelijke bepaling staan er bovendien aan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, de administratie nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert, mits die argumenten en gegevens worden aangevoerd ter ondersteuning van wat in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (vergelijk met Cass. 1.12.2005, rolnummer C030354N, www.cass.be ).
Dit is te dezen het geval. Het akkoord bevestigt immers het bestaan van een niet aangegeven meeromzet voor de kalenderjaren 1994 en 1995, reeds vastgesteld en vermeld in het proces-verbaal bijlage bij het dwangbevel, en stelt ook een deel van de in het proces-verbaal aangenomen niet-aangegeven meeromzet vast, nl. … BEF (… EUR) voor het jaar 1994 [… BEF (… EUR) in het proces-verbaal] en … BEF (… EUR) voor het jaar 1995 [… BEF (… EUR) in het proces-verbaal].
Er moet aangenomen worden dat de bij het akkoord vastgelegde niet-aangegeven meeromzet bewezen is door het akkoord. Terecht heeft de geïntimeerde hierop de BTW berekend en gevorderd dat de in het dwangbevel opgenomen sommen zouden teruggebracht worden tot deze BTW en accessoria. De aldus herleide BTW-vordering is niet arbitrair, gezien het ondersteunende akkoord omtrent de meeromzet waarop de BTW-vordering werd berekend. Evenmin is sprake van opeenstapeling van vermoedens, gezien de BTW-vordering wordt afgeleid uit het akkoord, bekend feit.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart;
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante deels gegrond;
Verklaart deels gegrond het verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door D. D. B., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2, op 5.2.1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. V. D., directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen, op 5.2.1999;
Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het hogere bedragen vaststelt dan … BEF of …… EUR ten titel van BTW, te vermeerderen met de boete wegens niet-betaling overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW ten bedrage van … BEF of … EUR, de intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 BTWwetboek vanaf 21.1.1996 op de BTW en moratoire intresten welke verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 91, § 4 BTW-wetboek op de geldboete vanaf 10.2.1999.
Veroordeelt de appellante tot 1/9 en de geïntimeerde tot 8/9 van de kosten van beide aanleggen, in hun geheel begroot als volgt :
• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegings- vergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op ACHTENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZES.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.