Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 22 juin 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, disposition pénaleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2004-06-22-d359

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
22 juin 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 22.06.2004

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 22-06-2004

Belastingen, verzet dwangbevel (BTW)

Nr. 2001/AR/366

in de zaak van :

K. E., zelfstandig handelaar, wonende te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Gent onder het nummer …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. M. L., advocaat te …, … en tevens loco mr. B. P., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Gent II, met kantoor te 9000 GENT, Martelaarslaan 23,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. C., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 1.4.1997 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. … - dwangb. nr. 147/97) uitgevaardigd door G D. C., ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Gent, op 10.3.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.3.1997 door A. T., hoofdcontroleur a.i. van de BTW­controle te Zelzate, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.

In dit dwangbevel werd als schuld ten laste van de appellant opgenomen: een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW, een bedrag van … BEF (thans … EUR) als geldboete krachtens artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek, hetzij samen … BEF (thans … EUR), een intrest krachtens artikel 91, § 1 BTW-wetboek op de niet-tijdig betaalde BTW vanaf 21.1.1996, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.

Bij vonnis van 7.12.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Het dwangbevel werd vernietigd in de mate dat het een boete aanrekent van 200 % en de boete werd herleid tot 20 %. De geïntimeerde werd veroordeeld tot terugbetaling van de bedragen die desgevallend inmiddels teveel werden geïnd. De appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 14.2.2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis. De appellant vordert :

"

In hoofdorde

Het bestreden vonnis van de eerste rechter, gewezen op 7 december 2000 integraal te vernietigen en dienvolgens het dwangbevel d.d. 19.03.1997 te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat tot betaling van de BTW, boeten en intresten ongegrond te verklaren.

De terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van de betaling.

In subsidiaire orde

Het bestreden vonnis van de eerste rechter, gewezen op 7 december 2000, voor wat betreft de uitspraak omtrent de aftrek van de BTW op de facturen op naam van H. te vernietigen en dienvolgens te stellen voor recht dat verzoeker (d.i. de appellant) recht heeft op de aftrek van de BTW voor de som van … BEF (thans … EUR);

Het bestreden vonnis voor wat betreft de opgelegde boete te bevestigen;

De terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van de betaling."

Het blijkt niet dat het vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Bij conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 18.10.2001 heeft de geïntimeerde incidenteel beroep ingesteld waar de boete werd verminderd van 200 % tot 20 %. Hij vordert dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard en het vonnis van de eerste rechter zou worden bevestigd behalve in de mate waarin de opgelegde boete van 200 % werd verminderd tot 20 %. De geïntimeerde vordert in conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 17.6.2002 dat het Hof de opgelegde administratieve boete zou vaststellen op minstens 50 % van de verschuldigde rechten indien het deze boete onevenredig zou achten.

2. Uit volgende gegevens blijkt ontegensprekelijk dat de appellant door de BVBA A.-voeding goederen geleverd kreeg voor zijn winkel in algemene voedingswaren onder de valse naam H., en dit voor de jaren 1992, 1993, 1994 en 1995 :

- de verklaring van A. L., zaakvoerder van de BVBA A.-voeding aan de hoofdcontroleur D. M. (zie het proces-verbaal van deze laatste d.d. 12.3.1996, procedurestuk 1 van de geïntimeerde) : "... Het gebeurt dat klanten bestellingen plaatsen op valse namen en adressen. Dat gebeurt op prints van de computer met dezelfde gegevens van de orderset. Links boven de print bevindt zich de valse benaming. De bestelde goederen alsook de beide facturen worden afgeleverd aan de werkelijke klant. Mevrouw N. overloopt met U de lijsten met de valse benamingen en zij vermeldt de werkelijke afnemer die deze benaming gebruikt om de goederen niet officieel te verkrijgen. Deze lijst gaat in bijlage hierbij. De facturen met de valse gegevens worden door de werkelijke klant betaald." In bijlage bij het proces-verbaal worden de vermelde lijsten gevoegd waarop vermeld worden : "VALSE BENAMING H. K., …, …" en "WERKELIJKE AFNEMER K. E., …, …, BTW nr. …";

- de verklaring van J. B., verkoper van de BVBA A.-voeding aan de gerechtelijke politie op 21.11.1996 (bewijsstuk 7 van de geïntimeerde) : "Onder de klanten die ik heb, zijn er een viertal die deels geleverd worden onder een andere naam. Vooreerst is er E. K. uit de … te …. Er ·werd geleverd onder de naam H., … te …. Vermoedelijk gaat het hier om de naam van zijn echtgenote. De Heer K. gebruikte reeds de naam H. van voor ik aldaar op bezoek ging.";

- de verklaring van D. N., bediende in de afdeling verkoop van de BVBA A.-voeding, aan de gerechtelijke politie op 21.11.1996 :

“

Het moet in 1992 geweest zijn, wanneer juist kan ik mij uiteraard onmogelijk herinneren, dat er hier een reiziger bij mij kwam met de vraag om twee facturen op te maken voor dezelfde klant, zijnde een op zijn werkelijke naam en adres en een andere op een door de klant aangebrachte naam en adres. In de praktijk was het dus zo, dat de klant via het boek "orderset" een bestelling plaatste, doch de reiziger bracht naast het boek met de bestellingen oog nog een lijst van de klant, met door hem zelf neergeschreven artikelen die hij ook wenste geleverd te zien. Op die lijst stond dan ook een andere naam dan deze van de klant en een ander adres. Er werden dan door ons twee leveringsbons opgemaakt en de computer maakt nadien automatisch twee facturen zijnde op naam van de klant en deze die op het papiertje stond. Wat die factuur betreft werd er nooit een BTW-nummer vermeld. Elke klant heeft hier een klantnummer en wanneer er voor de eerste maal een bestelling binnen kwam op een andere naam dan deze van de klant, kreeg hij ook een klantnummer. Deze werd dan automatisch verder gebruikt bij alle bestellingen. Automatisch werd er nadien gefactureerd dus zonder BTW-nummer. Na vier bestellingen blijft de boek "orderset" bij de klant en wordt er een nieuwe afgegeven, daar de prijzen wijzigen en er eventueel nieuwe artikelen zijn bijgekomen. De papiertjes met de hand geschreven door de klant, bleven zes weken hier in de lade zitten en nadien werden ze gewoon weggeworpen met het oud papier.

Op uw vraag wie de valse naam en adres van de klant heeft bepaald, moet ik zeggen dat het steeds de klant is geweest die ons de gegevens ivm de naam en het adres die moest gebruikt worden heeft doorgespeeld. Nooit hebben wij zelf als bedrijf een "valse naam en adres" ingebracht. Het was de klant zelf die vroeg aan de reiziger of dat kon en er zelfs op aandrong, daar hij bij andere leveranciers het ook zo kon doen. Het lag aan de inventiviteit van de klant om de valse naam te bepalen. Of die naam familie en/of kennis was van de klant is een gegeven die mij niet ter kennis is. Wanneer de BBI hier was voor onderzoek, heb ik voor het eerst van hen gehoord dat de klanten de naam van hun moeder, broer en andere familieleden hadden gebruikt.

Ik moet toegeven dat wij als bedrijf er kennis van hadden dat de leveringen die gebeurden aan de hand van de lijsten los van het "orderset" ook naar de klanten gingen en wij dus factureerden wat op de lijsten stond op een valse naam. Wij wisten maar al te goed dat leveringen op een en hetzelfde adres dienden te gebeuren door de vrachtwagenbestuurder. De factuur werd opgemaakt hier op ons bedrijf aan de hand van de bestelling op een andere naam dan deze van de klant, droeg nooit een BTW-nummer. Wel werd de BTW die moet betaald worden gefactureerd en ook door de klant betaald. Wij droegen die BTW af naar de BTW-administratie en u begrijpt dat wij als bedrijf geen BTW-ontduiking hebben verricht. De klant haalt wel voordeel uit het systeem, daar hij die factuur niet zal opnemen in zijn boekhouding en dus zijn bedrijfsomzet en winsten op die manier kan minimaliseren.

Op uw vraag hoeveel klanten dergelijk systeem toepasten, moet ik antwoorden dat het slechts een minderheid is van onze klanten. Ik kan daar echt geen getal op plaatsen, temeer daar het systeem na de BTW-controle in september van 1995 werd stopgezet. Het systeem werd toegepast wanneer een klant er om vroeg en werd gebruikt uit klantvriendelijkheid. Wanneer het systeem werd stopgezet, zijn een aantal klanten gewoon weggebleven, wat toch bewijst dat zij vragende partij waren in deze ...".

Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de oprechtheid en de juistheid van deze verklaringen.

De bewering van de appellant dat het goederen waren die door zijn echtgenote waren besteld voor verbruik door het gezin wordt niet alleen tegengesproken door de hoger aangehaalde verklaringen waaruit blijkt dat de klanten, zoals de appellant, zelf om leveringen op een valse naam vroegen (en het dus geen bestelling van de echtgenote was), maar is ook niet overeen te brengen met de belangrijke hoeveelheden goederen (zie de facturen op naam van H. in het stukkenbundel van de geïntimeerde) die op de valse naam werden geleverd, zelfs indien wordt aangenomen dat ze zouden bestemd geweest zijn voor een omvangrijk gezin (de ene maal vijf personen de andere maal 9 monden zoals de appellant stelt), terwijl voor dergelijke hoeveelheden wel kan aangenomen worden dat zij bestemd waren voor verkoop in de winkel van de appellant.

Anders dan door de appellant voorgehouden blijkt ook nergens uit dat de echtgenote van de appellant over een eigen orderset beschikte, en zeker niet uit het proces-verbaal van 12.3.1996, p. 2, waarin enkel staat dat de ordersets de naam dragen van de werkelijke klant.

De facturen op naam van H. werden uiteraard niet opgenomen in de boekhouding van de appellant (zie de vaststelling daaromtrent in het proces­verbaal van 7.3.1997, procedurestuk 2 van de geïntimeerde).

De door de geïntimeerde weerhouden cijfers van de meeromzet waarop de gevorderde BTW werd berekend blijkt uit de facturen op naam van H. die door de verbalisant in het proces-verbaal d.d. 12.3.1996 werden nagezien (zie de bijlagen bij procedurestuk 1 van de geïntimeerde; zie het proces-verbaal zelf, derde blad). Deze facturen werden door de verbalisant teruggevonden in de boekhouding van de BVBA A.-voeding (zie het proces-verbaal van 12.3.1996, tweede blad).

Tevergeefs roept de appellant in dat de geïntimeerde niet het volledig strafdossier voorlegt. Te dezen worden nuttige gedeelten, bezwarend voor de appellant, voorgelegd, waaruit op afdoende wijze zijn deelname aan het fraudesysteem blijkt. De appellant houdt van zijn kant niet eens voor dat welbepaalde andere gegevens uit de strafinformatie zijn betrokkenheid tegenspreken en nog minder legt de appellant zelf dergelijke stukken voor, terwijl nochtans geen redenen blijken die zouden verhinderen dat ook hij toegang tot het bedoeld strafdossier zou krijgen en hij de voorgelegde gedeelten van het strafdossier zou kunnen aanvullen te zijner ontlasting.

Tevergeefs roept de appellant de schending van het beginsel van de neutraliteit van de BTW in omdat de aftrek van de BTW hem geweigerd wordt wegens ontbreken van regelmatige facturen (artikel 2 van het KB nr. 1 van 23.7.1969 en artikel 5 van het KB nr. 1 van 29.12.1992). Het neutraliteitsbeginsel staat er niet aan in de weg dat de aftrek afhankelijk wordt gemaakt van de voorlegging van een regelmatige factuur (vergelijk met artikel 18 Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977).

3. De boete aan de appellant opgelegd in toepassing van artikel 70, § 1 BTW­wetboek is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester 's Horeca Service t/ België, www.echr.coe.int ).

Te dezen moet worden vastgesteld dat een boete van 200 % onevenredig is met de door de appellant begane inbreuken, en dient te worden herleid tot redelijke proporties. In dit verband dient er op gewezen dat de appellant zich toch bewust schuldig gemaakt heeft aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar. Het bedrag van de ontdoken BTW bedraagt … BEF (thans … EUR). Een boete van … BEF (thans … EUR), hetzij 50 % van de ontdoken rechten is in redelijkheid gerechtvaardigd.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoofdberoep en het incidenteel beroep.

Verklaart het hoofdberoep ongegrond, en het incidenteel beroep gedeeltelijk gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart.

Verklaart deels gegrond het verzet van de appellant tegen het dwangbevel (RCIV nr. …- dwangb. nr. 147/97) uitgevaardigd door G. D. C., ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Gent, op 10.3.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.3.1997 door A. T., hoofdcontroleur a.i. van de BTW-controle te Zelzate, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.

Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het voor de geldboete een hoger bedrag vaststelt dan … BEF (thans … EUR).

Beveelt de terugbetaling van het eventueel teveel geïnde meer de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van betaling zo deze volgt op de aanmaning bij het gerechtsdeurwaardersexploot van 1.4.1997, zoniet vanaf deze aanmaning.

Veroordeelt de appellant tot de helft van de kosten van beide aanleggen en de geïntimeerde tot de andere helft van deze kosten, in hun totaal als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellant : op 68,37 EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde op : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIER.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Textes cités

5
CTVA art. 702 occurrences
CTVA art. 912 occurrences
AR no 1 art. 21 occurrence
AR no 1 art. 51 occurrence

Décisions similaires

8