Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 20 mars 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2012-03-20-2157

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
20 mars 2012

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 5 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance de Hasselt20.10.2010
  2. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers20.03.2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

195 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 20.03.2012

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep Antwerpen, 6e kamer burgerlijke zaken

D. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

eiseres in hoger beroep,

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20 oktober 2010,

vertegenwoordigd door Mr. L. P., advocaat te …, …,

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, wonende te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANICIËN, ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, TWEEDE BTW-KANTOOR HASSELT, te 3500 HASSELT, Voorstraat 40 bus 47,

verweerders in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. K. L. loco Mr. R. F., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20 oktober 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 29 november 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft de vraag of de aftrek van BTW die NV D. had toegepast voor een aantal facturen terecht was.

NV D. is een vennootschap die als BTW-belastingplichtige is geregistreerd en die zich hoofdzakelijk bezighoudt met dakbedekkingswerken.

1.2. Onderzoek, proces-verbaal en dwangbevel

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen verleende op 28 november 1996 toelating aan de administratie tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier notitienummer … van het parket van de procureur des konings te Tongeren. Inspecteur R. en controleur S. werden door de gewestelijke directeur bij brief van 4 december 1996 gemachtigd om van deze toelating gebruik te maken (stuk 1 administratief dossier).

Op 17 maart 1997 werd een schriftelijke vraag om inlichtingen gesteld aan NV D., met het verzoek om met betrekking tot een aantal opgesomde facturen de nodige bewijsstukken bij te brengen waaruit de waarachtigheid van de gefactureerde leveringen en/of handelingen zou blijken.

Hierop werd door de belastingplichtige geantwoord op 17 maart 1997, waarbij een aantal documenten werden overgemaakt.

Op 20 juni 1997 werd proces-verbaal opgemaakt (stuk 2 administratief dossier), waarin verslag werd gedaan van een controle met betrekking tot de BTW-wetgeving voor de periode van 1 januari 1993 tot 31 december 1996.

Er werd een overzicht gegeven van de onderzoeksverrichtingen en er werd gesteld dat een aantal inbreuken werden vastgesteld op de aftrekregeling. Meer bepaald zou voor een aantal in het proces-verbaal vermelde facturen zijn vastgesteld dat er geen prestaties tegenover stonden of dat er niet op voldoende wijze werd aangetoond dat er werkelijke prestaties werden verricht door de personen, vermeld op de facturen.

Er werd tevens melding gemaakt van een aantal inbreuken op de bepalingen in verband met het opnemen in de BTW-aangifte van de verschuldigde BTW ter zake van intracommunautaire verwervingen.

Samenvattend waren volgens de ambtenaar de volgende bedragen verschuldigd :

- als BTW : … BEF;

- als boete : … BEF;

- de interesten aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1997 over … BEF.

Ter betaling van deze bedragen werden een aantal bedragen overgemaakt van de rekening-courant van de NV D. voor in totaal … BEF (… EUR). Deze betalingen werden toegerekend op de verschuldigde interesten en op een deel van de verschuldigde boete.

Op 16 januari 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, op 20 januari 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 21 januari 1998 aangetekend verstuurd naar NV D. (stukken 3 en 4 administratief dossier).

Aldus werd nog betaling gevorderd van de volgende bedragen :

- als BTW : … BEF

- als boete : … BEF

- de interesten aan 0,8 % per maand vanaf 21 november 1997 over … BEF, de moratoire interesten en de vervolgingskosten.

1.3. Procedure voor de eerste rechter

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 20 februari 1998 werd tegen dit dwangbevel verzet aangetekend, met dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

De zaak werd door de eerste rechter, in afwachting van de uitspraak over de strafzaak naar de bijzondere rol verwezen.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 26 juni 2003 werd de strafvordering onontvankelijk verklaard.

Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 december 2004, 20 maart 2012 werd er wel uitspraak gedaan over de strafvordering en op 20 maart 2012 burgerlijk gebied.

Cassatieberoep tegen dit arrest werd afgewezen bij arrest van 3 mei 2005.

De eerste rechter diende eerst te oordelen over de grief van de belastingplichtige dat de vordering van de fiscus verjaard was op grond van artikel 81 (oud) en artikel 83 W.BTW.

De eerste rechter oordeelde dat een rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de BTW, gesteld door de schuldenaar van de BTW de verjaring schorste. Aldus was de verjaring volgens de eerste rechter geschorst gedurende de procedure van verzet tegen het dwangbevel. Het dwangbevel had voordien al een stuitende werking gehad, ook al moest op het moment van de uitvaardiging ervan nog uitspraak worden gedaan over de strafzaak. De vordering was volgens de eerste rechter dan ook niet verjaard.

De eerste rechter oordeelde verder dat de rechten van verdediging van de belastingplichtige niet waren geschonden, doordat niet het volledige strafdossier was neergelegd, vermits de voor de belastingplichtige relevante gegevens van het strafdossier toegevoegd waren aan het administratief dossier.

De eerste rechter oordeelde ook dat het zwijgrecht van de belastingplichtige niet geschonden was, doordat aan de vennootschap vragen om inlichtingen werden gesteld, die, bij niet beantwoording aanleiding zouden geven tot boetes. De vragen om inlichtingen betroffen immers stukken die iedere belastingplichtige geacht wordt bij te houden.

Voor wat de aftrekbaarheid van de BTW betreft, oordeelde de eerste rechter dat het aan de belastingplichtige is om te bewijzen dat hij recht heeft op aftrek. De administratie kon op basis van een geheel van vaststaande, gewichtige en overeenstemmende vaststellingen aantonen dat de betrokken facturen fictief waren :

- de facturen opgenomen in rubriek I.1, I.2, I.3, I.7, I.8 en I.9 van het proces-verbaal werden vals bevonden door de strafrechter in het arrest van 8 december 2004 en de belastingplichtige slaagde er niet in hiervan het tegenbewijs te leveren;

- de facturen opgenomen in rubriek I.4, I.5, I.6, I.11, I.12, I.13 en I.14 van het proces-verbaal maakten niet het voorwerp uit van het strafonderzoek, doch met betrekking tot deze facturen kon de belastingplichtige niet voldoen aan de op haar rustende bewijslast.

Voor wat de opgelegde administratieve boete van 200 % betreft, oordeelde de eerste rechter dat ze afdoende was gemotiveerd en dat ze terecht werd opgelegd, gelet op de bewuste valsheid in geschriften die werd gepleegd.

Ook de nalatigheidsinteresten waren volgens de eerste rechter verschuldigd.

Het verzet van de belastingplichtige werd afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond en de vennootschap werd veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

Voor het hof van beroep vordert NV D., thans eiseres in hoger beroep om haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg te zeggen voor recht dat de in het betwiste dwangbevel gevorderde sommen in hoofdsom, boeten en interesten niet verschuldigd zijn.

In ondergeschikte orde vordert de vennootschap om de opgelegde boete en interesten kwijt te schelden, minstens te verminderen.

De vennootschap vordert om de teruggave te bevelen van alle sommen die aldus ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals bepaald in artikel 91 W.BTW.

De vennootschap vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op :

- dagvaardingskosten : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

De Belgische Staat, thans verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep van NV D. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om het bestreden vonnis te bevestigen, met veroordeling van NV D. tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van … EUR.

2. Bespreking

2.1. Procedure

2.1.1. Verjaring

Artikel 83, eerste lid W.BTW, zoals het van toepassing was voor de wijziging ervan door de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, betrof de verjaring inzake BTW en luidde als volgt :

"(...) Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is."

• Stuitende werking

De betwisting betreft in eerste instantie de vraag of het dwangbevel, uitgevaardigd op 16 januari 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 januari 1998 en betekend op 21 januari 1998 stuitend kan hebben gewerkt.

Volgens de belastingplichtige was dat niet het geval, vermits het strafonderzoek op dat moment nog hangende was en het dwangbevel derhalve gesteund was op gegevens die niet zeker en vaststaand waren.

Het hof oordeelt dat de administratie een dwangbevel moet uitvaardigen, van zodra blijkt dat de belastingplichtige een fiscale schuld blijft betwisten. De administratie brengt aldus een uitvoerbare titel tot stand, zonder dat ze zich voorafgaandelijk moet wenden tot een rechter. Dit heet men het 'privilège du préalable'. Aan deze uitvoerbare titel, eigenmachtig tot stand gebracht door de bevoegde ambtenaar, wordt een vermoeden van wettigheid gehecht, tot bewijs van het tegendeel. Dit dwangbevel vormt niet alleen de heffingstitel, maar ook de uitvoerbare titel (Cass., 16 oktober 2008, T.F.R., 2009, nr.358, p.282).

Het feit dat de strafrechter nog geen uitspraak had gedaan over de strafvordering kon de administratie derhalve niet beletten om een uitvoerbare titel tot stand te brengen. De beslissing van de strafrechter diende niet te worden afgewacht.

Een dwangbevel verleent niet enkel uitvoerbare kracht aan de vordering van de administratie, maar de betekening ervan heeft tevens tot gevolg dat de verjaring wordt gestuit (artikel 85, § 2 W.BTW). Het dwangbevel, betekend op 21 januari 1998 heeft aldus stuitende werking gehad.

• Rechtsgeding

Vervolgens stelt zich de vraag of het rechtsgeding dat door de belastingplichtige werd aangevat, door de aantekening van een verzet tegen dit dwangbevel bij dagvaarding van 20 februari 1998 de verjaring heeft geschorst.

Volgens de belastingplichtige kan het aantekenen van het verzet geen schorsende werking hebben gehad, vermits een dergelijk verzet niet te beschouwen is als een 'rechtsgeding' in de zin van artikel 83, eerste lid, in fine W.BTW (oud).

Het Hof van Cassatie oordeelde evenwel dat het verzet tegen een dwangbevel te beschouwen is als een rechtsgeding in de zin van artikel 83, eerste lid, in fine W.BTW (oud) (Cass., 16 oktober 2008, voormeld). Het feit dat dit rechtsgeding werd ingesteld door de belastingplichtige zelf doet hieraan geen afbreuk.

Zolang het rechtsgeding duurt, treedt de verjaring bijgevolg niet in.

Samen met de eerste rechter moet aldus worden geoordeeld dat de vordering nog niet is verjaard.

2.1.2. Artikel 6 EVRM : redelijke termijn

Volgens de belastingplichtige is de redelijke termijn bij de behandeling van onderhavige zaak verstreken en is er aldus een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, samen gelezen met artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij dit verdrag.

Het hof oordeelt dat artikel 6 E.V.R.M. in principe niet van toepassing is in fiscale zaken (E.H.R.M., 9 juni 2005, arrest H.M./Duitsland; VANDERKERKEN, C., 'De hervorming en haar opzet : werd het doel bereikt ?', In Tien Jaar nieuwe fiscale procedure, een evaluatie voor en vanuit de praktijk, VERSTAPPEN, J., VANDERMOTTEN, P. en VANDERKERKEN, C. (eds.), Gent, Larcier, p.7, nr. 8 e.v.).

Bovendien dient erop gewezen te worden dat het geding voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op verzoek van de belastingplichtige zelf werd geschorst tot wanneer de strafzaak was afgehandeld. Dat deze strafzaak lang heeft aangesleept kan aan de administratie niet worden verweten en kan niet tot gevolg hebben dat de redelijke termijn in de fiscale zaak werd overschreden.

2.1.3. Rechten van verdediging

Volgens de belastingplichtige werden de rechten van verdediging geschonden, vermits door de administratie gebruik werd gemaakt van stukken uit het strafdossier die niet werden overgemaakt aan de belastingplichtige.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de eerste rechter dat de relevante stukken uit het strafdossier deel uitmaken van het administratief dossier en dus door de belastingplichtige konden worden geconsulteerd. Uit geen enkel gegeven blijkt dat zich in het strafdossier nog stukken zouden bevinden, die van belang kunnen zijn in onderhavig geschil en waarop de administratie zich zou hebben gesteund in haar aanspraken tegen de belastingplichtige. Dat niet het volledige strafdossier werd overgemaakt, maakt derhalve geen schending van de rechten van verdediging uit.

2.1.4. Onwettige onderzoeksdaden : schending van het zwijgrecht

Eiseres in hoger beroep stelt dat onrechtmatige onderzoeksdaden werden gesteld en beroept zich meer bepaald op een schending van het zwijgrecht van de beklaagde. Aan de belastingplichtige werden immers vragen gesteld met betrekking tot facturen die het voorwerp uitmaakten van een lopend gerechtelijk onderzoek.

De administratie stelt dat de belastingplichtige niet geniet van een zwijgrecht in een fiscale procedure en dat de desbetreffende verdragsbepalingen geen afbreuk kunnen doen aan de normale toepassing van de interne fiscale wetgeving. Het doel van het fiscaal onderzoek is het verzamelen van gegevens met het oog op het vestigen van een aanslag en niet de bestraffing van de belastingplichtige.

In het fiscaal recht bestaat in hoofde van onder meer de belastingplichtige in principe een meewerkverplichting (artikelen 61 e.v. W.BTW). Zo is de belastingplichtige in principe gehouden om een vraag om inlichtingen vanwege de administratie te beantwoorden (artikel 62 W.BTW), alsook om zijn boekhouding voor te leggen of stukken voor te leggen die nodig zijn voor het bepalen van zijn fiscale toestand (artikel 61 W.BTW), indien hem daarom wordt gevraagd.

Het nemo tenetur-beginsel of zwijgrecht is een principe uit het strafrecht en betreft het recht om zichzelf niet te beschuldigen, te zwijgen en niet te moeten meewerken aan het bewijs van het eigen misdrijf. In fiscale zaken geeft dit beginsel aan een belastingplichtige het recht om onder bepaalde omstandigheden niet in te gaan op verzoeken om medewerking aan hem gericht door de fiscale administratie op grond van de medewerkingsverplichtingen in de fiscale wetboeken.

Het hof oordeelt dat het feit dat een strafprocedure hangende was, niet impliceert dat de belastingplichtige zonder meer ontslaan zou zijn van zijn verplichting om mee te werken aan het fiscaal onderzoek. Hij is immers nog steeds verplicht om in te gaan op vragen die louter betrekking hebben op de belastingheffing, zelfs indien dit tot gevolg zou hebben dat een misdrijf kenbaar wordt gemaakt (zie hierover M. MAUS, De fiscale controle, Die Keure, Brugge, 2005, p. 716, nr. 1279).

Het hof oordeelt dat de belastingplichtige zich niet kan beroepen op het zwijgrecht, wanneer hem enkel wordt gevraagd om documenten voor te leggen, die onbetwistbaar bestaan, ongeacht de houding van de belastingplichtige en die er enkel op gericht zijn de belastingheffing in hoofde van de belastingplichtige mogelijk te maken. Zo kan niet op algemene wijze worden toegestaan dat de belastingplichtige, zich beroepend op het zwijgrecht, zou weigeren om de boekhouding en de boekhoudkundige stukken voor te leggen (zie hierover C. VANDERKERKEN, Fiscale strafvervolging en rechtsbescherming, wapengelijkheid, zwijgrecht en bewijslastverdeling, Brussel, Larcier, 2006, p. 421, nr. 769 en 770).

De facturen die werden opgevraagd, betreffen gegevens in verband met de boekhouding van eiseres in hoger beroep. Het hof stelt vast dat er in onderhavig geval zekerheid bestaat over het bestaan van de betrokken gegevens en documenten. In de mate dat het gaat om door de wetgeving voorgeschreven documenten, zijn het documenten en stukken die bestaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtigen en kan de voorlegging ervan niet geweigerd worden.

2.2. Ten gronde : de aftrek

2.2.1. Algemeen

De belastingplichtige merkt terecht op dat het gezag van het gewijsde in strafzaken er niet aan in de weg staat dat een partij die niet bij het strafgeding betrokken was (zoals eiseres in hoger beroep) de elementen betwist die uit het strafproces zijn afgeleid (Cass., 31 mei 2007, www.cass.be ). De bewijslast rust in dat geval wel op eiseres in hoger beroep, vermits het arrest in strafzaken geldt als vermoeden tot bewijs van het tegendeel.

Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen die werd geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.BTW;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° de handelingen en diensten, bedoeld in artikel 45, § 1, 4° en 5° W.BTW.

Terecht stelt de administratie dat het aan de belastingplichtige is, die aanspraak maakt op de aftrek van de voorbelasting, om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden van artikel 45, § 1 W.BTW voldoet (artikel 870 Ger.W.).

Voor een aantal facturen werd de regeling van artikel 20 van KB nr.1 toegepast (verlegging van heffing). Voor zover in die gevallen niet kan worden aangetoond dat er recht is op aftrek omdat niet werd aangetoond dat de factuur aan een werkelijke verrichting beantwoordt, argumenteert de belastingplichtige dat er geen reden is om de BTW te betalen. In die gevallen moet de verschuldigde BTW volgens de belastingplichtige immers worden gecompenseerd met de BTW die ten onrechte naar aanleiding van die factuur werd betaald.

De administratie merkt hierbij evenwel terecht op dat de teruggave van de BTW dient aangevraagd te worden overeenkomstig de regels van de artikelen 75 W.BTW en binnen de daartoe wettelijk voorziene verjaringstermijn. Er kan bijgevolg niet zonder meer een compensatie worden doorgevoerd.

2.2.2. De facturen concreet

• Facturen NV M.

De facturen, met hoofding NV M., zoals opgesomd in het PV 20 juni 1997 werden vals bevonden door het hof van beroep te Antwerpen in het arrest van 8 december 2004 (p. 10 en p. 36 van dit arrest).

De belastingplichtige levert op dit punt op geen enkele wijze het tegenbewijs zodat het gezag van gewijsde van voormeld arrest onverkort blijft gelden.

De aftrek werd terecht verworpen.

• Facturen K. en W.

De facturen op naam van W.-K. en op naam van W., zoals opgesomd in het PV van 20 juni 1997 werden door de strafrechter vals bevonden (zie p. 13 en 40 van voormeld arrest).

Voor wat de factuur met boekingsnummer … betreft, werd in het arrest van het hof van beroep verkeerdelijk nummer … vermeld. Het betreft wellicht een materiële vergissing, vermits de naam, datum en de bedragen wel kloppen.

Het oordeel van de strafrechter terzake wordt niet weerlegd door de belastingplichtige. Feit blijft immers dat er geen bestel- of leveringsbons kunnen worden voorgelegd, en dat de beweerdelijke leveringen niet kunnen worden gestaafd door bewijzen van aankopen van materialen.

De aftrek werd aldus terecht verworpen.

• Factuur BVBA D.

Het betreft een factuur voor een bedrag van … BEF, eveneens in toepassing van artikel 20 van KB nr. 1.

Deze factuur maakt niet het voorwerp uit van het strafonderzoek, doch dit betekent niet dat de BTW aan de vereisten voor aftrek voldoet.

De administratie heeft in haar PV immers de volgende bezwarende elementen aangehaald :

- deze factuur bevat onjuistheden voor wat betreft de maatschappelijk benaming van BVBA D.;

- BVBA D. gaf geen omzet aan in 1994;

- er konden geen stukken worden voorgelegd waaruit de realiteit van de gefactureerde handelingen bleek.

Het hof oordeelt dat de belastingplichtige er niet in slaagt om het tegenbewijs te leveren van de argumenten van de administratie. Dat BVBA D. geen omzet aangaf is wel relevant, vermits het realiseren van omzet het logisch gevolg zou zijn van het feit dat NV D. beroep zou hebben gedaan op de diensten van BVBA D..

Het hof besluit dan ook dat de administratie aangetoond heeft dat de aftrek ten onrechte werd toegepast.

• BVBA P.

Voor wat de factuur nr. 541 van deze vennootschap betreft heeft de administratie de aftrek van de BTW verworpen, vermits de belastingplichtige er niet in slaagde om het onderliggende contract voor te leggen, evenmin als de bon waarnaar op deze factuur werd verwezen. Ook de opmaak van deze factuur bleek te verschillen van die van andere facturen van deze vennootschap. Bovendien werd de berekening van de betaalde commissie ongeloofwaardig bevonden.

Het hof oordeelt dat de administratie aldus afdoende heeft aangetoond dat de BTW-aftrek ten onrechte werd toegepast. De belastingplichtige, op wie de bewijslast rust, toont niet aan dat aan deze factuur werkelijke prestaties beantwoorden, zodat de aftrek van de BTW terecht werd verworpen. Het feit dat deze factuur niet het voorwerp uitmaakte van het strafdossier doet aan het voorgaande geen afbreuk.

• BVBA V. E.

De aftrek van de BTW op twee facturen, op naam van deze vennootschap werd verworpen, vermits ook hier geen stukken konden worden voorgebracht waaruit de realiteit van de gefactureerde leveringen en diensten bleek en vermits de berekening van de doorgerekende kosten ongeloofwaardig was.

Het hof oordeelt dat de administratie aldus afdoende heeft aangetoond dat de BTW-aftrek ten onrechte werd toegepast. De belastingplichtige, op wie de bewijslast rust, toont niet aan dat aan deze factuur werkelijke prestaties beantwoorden, zodat de aftrek van de BTW terecht werd verworpen. Het feit dat deze factuur niet het voorwerp uitmaakte van het strafdossier doet aan het voorgaande geen afbreuk.

• BVBA T.

De facturen die in het PV van 20 juni 1997 werden opgesomd, werden door de strafrechter vals bevonden (p. 12 en 37 van voormeld arrest van het hof van beroep te Antwerpen).

Het tegenbewijs wordt door de belastingplichtige op geen enkele wijze geleverd.

• BVBA D&V

De facturen die in het PV van 20 juni 1997 werden opgesomd, werden door de strafrechter vals bevonden (p. 12 en 39 van voormeld arrest van het hof van beroep te Antwerpen).

Het tegenbewijs wordt door de belastingplichtige op geen enkele wijze geleverd.

Terecht wijst de administratie erop dat de enkele vermelding met de hand 'D&V' 'pannen' en een bedrag niet volstaat om de werkelijkheid van de leveringen of de diensten aan te tonen.

De aftrek werd terecht verworpen.

• P.

De facturen die in het PV van 20 juni 1997 werden opgesomd, werden door de strafrechter vals bevonden (p. 12 en 37 van voormeld arrest van het hof van beroep te Antwerpen).

Het tegenbewijs wordt door de belastingplichtige op geen enkele wijze geleverd.

De aftrek werd terecht verworpen.

• P. & A.

Voor wat betreft de facturen op naam van VZW P. & A. S. (PAS) maakten sommigen het voorwerp uit van het strafdossier en de strafvordering. Het hof van beroep oordeelde in het arrest van 8 december 2004 dat er onvoldoende zekere gegevens voorhanden waren om te kunnen besluiten tot de valsheid van de betrokken facturen. Dit neemt evenwel niet weg dat de belastingplichtige moet kunnen aantonen dat aan de voorwaarden voor de aftrekbaarheid van de BTW is voldaan.

De administratie meende dat de betrokken facturen niet met de werkelijkheid overeenstemden vermits :

- de bescheiden, waarvan sprake in de publiciteitsovereenkomsten tussen NV D. en VZW P. niet konden worden voorgelegd;

- de op de facturen vermelde omschrijvingen van de verstrekte diensten niet overeenkwamen met de bepalingen van de contracten;

- de VZW P. haar BTW-verplichtingen niet nakwam.

Het hof oordeelt ook hier dat de belastingplichtige niet aantoont dat ze voldoet aan de voorwaarden voor de aftrek van de BTW op deze facturen. De aftrek werd terecht verworpen.

• NV V.

De administratie heeft de aftrek van de BTW op deze facturen (2) verworpen omdat :

- de verlegging van heffing van artikel 20 van KB nr. 1 niet werd toegepast, terwijl dit blijkens de omschrijving van de facturen vereist was;

- er geen contracten konden worden voorgelegd;

- er niet werd overgegaan tot de inhouding van 30 % van de factuurbedragen zoals voorgeschreven door artikel 402 WIB 92.

Het hof stelt vast dat de facturen waarop deze bedragen betrekking hebben werden neergelegd door de belastingplichtige, met detaillering van de op de betrokken werf verrichte werkzaamheden (stuk 3 van de belastingplichtige). De door de administratie aangehaalde elementen zijn onvoldoende om te kunnen stellen dat het gaat om fictieve facturen.

Anderzijds wordt de werkelijkheid van de geleverde prestaties voldoende aangetoond aan de hand van de door de belastingplichtige neergelegde stukken.

• NV P.

Het betreft een factuur van … BEF voor 'opvolging + coördinatie werken'.

Samen met de administratie stelt het hof vast dat geen enkel onderliggend stuk wordt voorgebracht waaruit de realiteit van de betrokken prestatie blijkt. Er wordt geen overeenkomst voorgebracht en geen detaillering verschaft. De administratie heeft de aftrek van de BTW met betrekking tot deze factuur dan ook terecht verworpen.

• NV R.

Het betreft twee facturen van … BEF en … BEF voor 'beheerskosten'.

Samen met de administratie stelt het hof vast dat geen enkel onderliggend stuk wordt voorgebracht waaruit de realiteit van de betrokken prestatie blijkt. Er wordt geen overeenkomst voorgebracht en geen detaillering verschaft. De administratie heeft de aftrek van de BTW met betrekking tot deze factuur dan ook terecht verworpen.

• NV J.

Het betreft twee facturen van … BEF en … BEF voor 'diensten'.

Samen met de administratie stelt het hof vast dat geen enkel onderliggend stuk wordt voorgebracht waaruit de realiteit van de betrokken prestatie blijkt. Er wordt geen overeenkomst voorgebracht en geen detaillering verschaft. De administratie heeft de aftrek van de BTW met betrekking tot deze factuur dan ook terecht verworpen.

2.3. Belastingverhoging van 200 %

Volgens de belastingplichtige zijn er meerdere redenen om de belastingverhoging van 200 % ongedaan te maken :

- deze belastingverhoging werd volgens de belastingplichtige onafdoende gemotiveerd;

- het betreft een strafsanctie waarover de rechter met volle rechtsmacht moet kunnen oordelen, op dezelfde manier als de administratie zelf;

- een dergelijke belastingverhoging is niet aangewezen;

- de verhoging kan niet worden opgelegd, vermits er geen geldige grondslag en geen belang is in hoofde van de administratie.

Bij het opleggen van de belastingverhoging werd in het proces-verbaal van 20 juni 1997 verwezen naar artikel 70, § 1, artikel 70, § 1bis en artikel 70, § 2 W.BTW om te verantwoorden waarom een boete, gelijk aan het dubbel van de ontdoken rechten diende te worden opgelegd. De administratie stelde : "Gelet op het aantal valse facturen, het bedrag ervan, is bij toepassing van artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk Besluit nr. 41 de in de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal voor vermindering van de proportionele geldboete niet van toepassing, aangezien de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Bij toepassing van artikel 4 van hetzelfde besluit wordt de boete afgerond op het lager duizendtal of … F."

Dit proces-verbaal werd gevoegd bij het dwangbevel, dat aan de belastingplichtige werd betekend.

Het hof oordeelt dat de geldboete aldus afdoende werd gemotiveerd, in die zin dat de belastingplichtige de reden kende waarom ze werd opgelegd, de berekening ervan en de reden waarom ze niet werd gereduceerd. De belastingplichtige kon zich, op basis van het proces-verbaal en het dwangbevel met kennis van zaken op dit punt verdedigen.

De belastingplichtige is terecht van mening dat een belastingverhoging van 200 % te beschouwen is als een strafsanctie in de zin van artikel 6 E.V.R.M., met als gevolg dat de rechter hierover met volle rechtsmacht moet kunnen oordelen. De rechter dient bijgevolg na te gaan of de verhoging wettelijk is en of ze in een redelijke verantwoording staat ten aanzien van de gepleegde inbreuk.

Het hof oordeelt dat de belastingverhoging werd opgelegd overeenkomstig de wet en meer bepaald artikel 70 W.BTW en KB nr. 41.

Het hof stelt verder vast dat de belastingplichtige zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan belastingontduiking door valse facturen aan te wenden met het oog op het bekomen van aftrek van de voorbelasting. Dit gebeurde op zeer georganiseerde wijze, met medewerking van een groot aantal derden en met belangrijke bedragen. Het hof oordeelt dat de boete dan ook meer dan terecht is en dat er geen reden is om tot vermindering ervan over te gaan.

De belastingplichtige kan niet gevolgd worden, waar ze stelt dat de administratie er geen belang bij heeft om de belastingverhoging te vorderen. Hierboven werd immers geoordeeld dat de belastingplichtige niet zonder meer recht heeft op automatische teruggave van de BTW, wanneer blijkt dat aan de facturen geen effectieve prestaties beantwoorden. Die teruggave moet worden gevraagd overeenkomstig de wettelijke bepalingen terzake en binnen de daartoe voorziene termijn.

2.4. Nalatigheidsinteresten

De belastingplichtige vordert het kwijtschelden van de interesten, gelet op het overschrijden van de redelijke termijn.

Het hof oordeelde hierboven dat de verjaring niet was ingetreden.

De vennootschap had de loop van de interesten trouwens kunnen stoppen door onder voorbehoud over te gaan tot betaling.

Bovendien beschikt enkel de gewestelijke directeur over de rechtsmacht om onder de voorwaarden die hij bepaalt interesten geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Er wordt hier niet aangetoond dat aan de gewestelijke directeur gevraagd werd om de interesten kwijt te schelden. De rechtbank of het hof beschikt hiertoe niet over de nodige rechtsmacht.

Dispositif

3. Beslissing

Het Hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het Hof verklaart het hoger beroep van NV D. toelaatbaar en slechts in zeer beperkte mate gegrond.

Het Hof hervormt het beroepen vonnis slechts in die mate dat gezegd wordt voor recht dat de BTW voor de facturen van NV V. (factuur nr. 2703 van 28 november 1995 en factuur nr. 2707 van 4 december 1995) in aftrek kan worden gebracht en dat de BTW, interesten en belastingverhoging in die mate niet verschuldigd zijn en gebeurlijk moeten worden teruggestort, vermeerderd met de moratorium interesten.

Het Hof bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

Het Hof verwijst NV D. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van … EUR.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van TWINTIG MAART 2012 door :

D. W., Raadsheer wd. voorzitter

M. G., raadsheer

L. M., plaatsvervangend raadsheer

A. V. L., griffier.

A. V. L. L. M. M. G. D. W.

Textes cités

3
AR no 1 art. 203 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
AR no 41 art. 41 occurrence

Décisions similaires

8