Responsabilité solidaire pour le paiement de la taxe · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 15 novembre 2017

Rechercher
Texte en néerlandais

Responsabilité solidaire pour le paiement de la taxe

https://juriel.be/fr/jurisprudence/responsabilite-solidaire-paiement-taxe-taux-tribunal-anvers-2017-11-15-2541

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
15 novembre 2017

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

127 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 21.11.2017 (Rôle 17/451/A)

Taxe sur la valeur ajoutée – Responsabilité solidaire pour le paiement de la taxe – Taux – Taux de TVA réduit de 6% – Démolition et reconstruction de bâtiments – Pratique abusive

Dispositions légales

Article 1,§ 10, 51,§ 1,3° et 70,§ 1 CTVA

Article 1 de l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 - Rubrique XXXVII du Tableau A

Résumé du jugement

Le contribuable a acquis par acte notarié, dans le contexte d’un bail emphytéotique, une part indivise du terrain et des constructions à démolir pour une superficie totale identique à celle de deux futurs appartements avec caves et places de parking dans un immeuble à construire.

Le même acte notarié a ensuite été assorti d'une convention de construction entre le contribuable et une entreprise de construction, stipulant que le contribuable, en tant que maître de l'ouvrage, charge l'entrepreneur de construire deux appartements avec garage, souterrain et cave. À la même date, une convention de coordination a été conclue entre l’emphytéote, en tant que coordinateur, et le contribuable, en tant que maître de l’ouvrage, stipulant que le maître de l’ouvrage souhaite faire appel aux services du coordinateur pour coordonner le projet.

Le litige porte sur la question de savoir s'il y a pratique abusive au sens de l'article 1er, §10 du Code de la TVA lorsque, à la même date, le contribuable procède à la fois à l'achat d'une part indivise de terrains et de constructions à démolir et à la conclusion d'un contrat de construction avec l'entrepreneur pour la construction d'un immeuble à appartements à ériger.

L'administration a estimé que les opérations (scission de l’achat et de la commande simultanée de construction d'un nouveau bâtiment) devaient être considérées comme un acte unique ayant pour objet la livraison d'un bien dans son état futur, ce que l'on appelle une vente sur plan. Elle a donc considéré que le taux réduit de TVA de 6% avait été appliqué à tort aux factures que le contribuable avait reçues de l'entrepreneur.

La TVA a été facturée par l'administration au taux normal de 21% et une amende de 200% a été infligée en raison de l’intention d'éluder l’impôt car la scission des opérations revêt un caractère artificiel et ne reflète pas la réalité économique. Ces constatations ont été consignées par l'administration dans un procès-verbal.

La taxation au taux de 21 % a été contestée par le contribuable. Tant le premier juge que le juge d'appel ont déclaré la demande du contribuable non fondée. L'amende infligée a été ramenée à 20 %, tant en première instance qu'en appel.

Texte intégral

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Vonnis rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 15.11.2017

Rolnr 17/451/A

Inzake:

S. met maatschappelijke zetel te …, met ondernemingsnummer 04…84

eisende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. B.P. te …

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

FOD Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging van de Adviseur-ontvanger van het team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 1 te 2000 ANTWERPEN, Italiélei 4 bus 1, en van de Adviseur-directeur van het centrum KMO Antwerpen, te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 2,

verwerende partij

vertegenwoordigd door dhr. E.V., in hoedanigheid van inspecteur.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan.

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 18 oktober 2017.

Vordering van eiseres- ontvankelijkheid

De vordering van eiseres zoals opgenomen in de namens haar neergelegd syntheseconclusies luidt als volgt :

"In hoofdorde: vordering van Concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden dwangbevel onwettig te verklaren wegens het ontbreken van fiscaal misbruik in het kader van de transactie;

In ondergeschikte orde: vordering van Concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden dwangbevel onwettig te verklaren wegens schending van het EU-rechtelijk, internationaalrechtelijk en het internrechtelijk vertrouwensbeginsel;

In verder ondergeschikte orde: vordering van Concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden dwangbevel onwettig te verklaren wegens schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (art. 10,11,159 en 172 GW);

In meest ondergeschikte orde: de geldboete van 200% van de verschuldigde belasting kwijt te scheiden, dan wel minstens te herleiden;

Dienvolgens Verweerder te veroordelen om aan Concluante terug te betalen alle sommen eventueel ontvangen of ingevorderd uit hoofde van het betwiste dwangbevel, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 W.btw.;

Dienvolgens Verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding cf. artikel 1022 Ger.W. ten belope van EUR 6.000,00."

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

Verweerder vordert om de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiseres te voordelen tot alle kosten van het geding.

Voorgaanden

Eiseres liet op 2 juli 2013 een notariële akte verlijden waarbij naast eiseres zelf, drie andere vennootschappen partij waren en die betrekking had op de verwerving van twee appartementen, twee parkeerplaatsen en twee kelderruimtes in een op te richten appartementsgebouw genaamd "Residentie Reigersvliet".

Deze notariële akte heeft betrekking op twee overeenkomsten, namelijk :

- een verkoopovereenkomst tussen eiseres als koper enerzijds en C.C. nv en nv U.anderzijds, voor een onverdeeld aandeel van 427/10.000sten in het geheel van te slopen gebouwen en grond, volgens de overeenkomst overeenstemmend met de toekomstige aandelen die gekoppeld zullen worden aan de toekomstige appartementen 14-1 en 15-1, de autostaanplaatsen 18 en 19 en de kelders 7 en 8, alle zoals vermeld op het bij het bouwplan. Deze overeenkomst wordt uiteengezet op de pagina's 3 tot en met 21 van de notariële akte.

- een aannemingsovereenkomst tussen eiseres als opdrachtgever en S. nv als aannemer, voor de bouw in een op te richten appartementsgebouw met ondergrondse parkeergarage "Residentie Reigersvliet" van de appartementen 14-1 en 15-1, de autostaanplaatsen 18 en 19 en de kelders 7 en 8, zoals vermeld op het bouwplan.

Eveneens op 2 juli 2013 werd een onderhandse "coördinatieovereenkomst" gesloten tussen eiseres en C.C. nv met betrekking tot deze zelfde toekomstige appartementen 14-1 en 15-1, de autostaanplaatsen 18 en 19 en de kelders 7 en 8 en het bijhorende grondaandeel.

Het op te richten appartementsgebouw "Residentie Reigersvliet" telt volgens eiseres in totaal 39 appartementen, 46 autostaanplaatsen en 40 kelders.

Naar aanleiding van een controle bij eiseres deed verweerder enkele vaststellingen die het voorwerp uit van het proces-verbaal van vaststelling van 29 november 2016 (stuk 1 van verweerder).

Uit de vaststellingen in het proces-verbaal van 29 november 2016 blijk dat eiseres zes facturen heeft ontvangen uitgaande van S. nv met factuurdatums tussen 22 november 2013 en 16 juni 2015, waarbij de verlegging van de heffing werd toegepast onder verwijzing naar van artikel 20 van KB nr. 1.

Vijf van de zes facturen werden opgenomen voor een totale maatstaf van heffing van 291.555,00 EUR waarop 17.493,30 EUR aan Btw werd voldaan, aan een tarief van 6% dus. De zesde factuur werd niet opgenomen in het inkomend factuurboek en hierop werd geen Btw voldaan door eiseres.

In het proces-verbaal van 29 november 2016 wordt de na te vorderen Btw aan een tarief van 21% berekend over de zes facturen uitgaande van S. nv, waarbij de reeds door eiseres afgedragen Btw aan 6%, evenwel slechts over vijf van de zes facturen, in mindering wordt gebracht. Dit proces-verbaal vermeldt dat eiseres als medecontractant van de schuldenaar van de belasting bij toepassing hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting, wat door eiseres in huidig geding niet wordt betwist.

De rechtbank merkt op dat alle overeenkomsten voor 90% door eiseres werden afgesloten en door 10% door de heer Gielen die zaakvoerder is van eiseres, handelend in eigen naam. Partijen vermelden deze opsplitsing niet in hun conclusies en verbinden hier geen gevolgen aan.

Op 5 december 2016 vaardigde verweerder een dwangbevel uit met RCIV-nummer 500.1723.12691. Op 19 december 2016 werd het uitvoerbaar verklaard dwangbevel samen met het proces-verbaal van 29 november 2016 betekend aan eiseres.

Op 25 januari 2017 Iegde eiseres het gedinginleidend verzoekschrift neer.

Ten gronde

1. Toepassing rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20

Verweerder onderbouwt de verwerping van de toepassing van het verlaagd Btw-tarief voor de facturen gericht aan eiseres door S. nv, door aan te voeren dat eiseres appartementen, parkeerplaatsen en kelderruimte op plan heeft aangekocht met bijhorend grondaandeel, waarbij deze aankoop op kunstmatige wijze werd gesplitst in een verkoop van grondaandeel met te slopen gebouwen enerzijds en een aannemingsovereenkomst voor sloop en oprichting van appartementen met parkeerplaatsen en kelderruimte.

Verweerder verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake Don Bosco Onroerend Goed BV van 19 november 2009 (zaak C-461/08) en op de vaststelling van misbruik inzake Btw zoals bedoeld in artikel 1, §10 WBtw.

Eiseres betwist dat een kunstmatige opsplitsing zou hebben plaatsgevonden aangezien elk van de medecontractanten een eigen taak en opdracht had en hiervoor op marktconforme wijze zou vergoed zijn.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie onder meer in het arrest inzake Don Bosco Onroerend Goed BV van 19 november 2009 (zaak C-461/08, overwegingen 36 -38), dienen formeel onderscheiden handelingen, die afzonderlijk kunnen worden verricht en zodoende ieder ais zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, te worden beschouwd ais één enkele handeling, wanneer ,zij niet zelfstandig zijn. Dit is volgens het Hof van Justitie "met name het geval wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert aan of verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische handeling vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn."

Wanneer een handeling uit een reeks elementen en handelingen bestaat, dient volgens het Hof van Justitie rekening te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt, teneinde te bepalen of het om twee of meer afzonderlijke handelingen dan wel om één handeling gaat.

Dat de verkoop van het onderverdeeld aandeel in de grond en de af te breken constructies voor de betrokken partijen waaronder eiseres, één geheel uitmaakte met de overdracht van op te richten appartementen met bijhorende autostaanplaatsen en kelderruimtes, en dat de opsplitsing in een overdracht van grondaandeel en aannemingsovereenkomst volstrekt kunstmatig is, blijkt uit volgende vaststellingen:

a. In de Coördinatieovereenkomst van 2 juli 2013 gesloten tussen eiseres en C.C., door de partijen bij deze overeenkomst uitdrukkelijk overeengekomen dat de Bouwheer, waarmee eiseres wordt bedoeld, "de enige eigenaar wordt van (i) de appartementen 14-1 en 15-1 bestaande uit een privatieve deel in een gemeenschappelijk deel, (ii) van de ondergrondse parkeerplaatsen 18 en 19 en (iii) van de kelders 7 en 8. Voor de globale prijs (exclusief kosten) van zeshonderdtwintigduizend euro (620.000,00)."

Deze "globale prijs" wordt in artikel 3 van de overeenkomst verder uitgesplitst, waarbij wordt bepaald dat 40% van de prijs wordt toegewezen aan het te verwerven grondaandeel, 55% aan de "op te richten constructies" en 5% voor de coördinatiekost. Deze coördinatiekost heeft volgens de overeenkomst betrekking op "architect, stabiliteit, speciale technieken, akoestiek, ...". Daarnaast wordt voor aansluitings- en tuinaanlegkosten een opslag van 3% voorzien. Bovendien wordt uitdrukkelijk bepaald dat de globale prijs niet vatbaar is voor indexatie.

Deze bepalingen van de Coördinatieovereenkomst van 2 juli 2013 kunnen alleen worden gelezen als een overeenkomst tussen partijen voor de verkoop van een grondaandeel met op te richten constructies voor één enkele globale prijs, waar eveneens een coördinatiekost inbegrepen is.

In deze overeenkomst van 2 juli 2013 wordt bovendien nog verder duidelijk dat eiseres niet zal onderhandelen met derde dienstverleners, maar dat dit zou gebeuren door C.C. nv. Uit de opsomming in artikel 1 waaruit blijkt dat eiseres reeds een reeks documenten ontving waaronder een ontwerpovereenkomst met betrekking tot de verdeling en overdracht van het opstalrecht en overdracht van het grondeigendom, ontwerpovereenkomst voor architectuur en een ontwerp van aannemingsovereenkomst wordt toegevoegd, evenals een gedetailleerde beschrijving van het project, de appartementen, in het bestek, blijkt bovendien dat de beweerde onderhandelingen met derde dienstverleners reeds door C. C. nv waren gebeurd voorafgaand aan 2 juli 2013.

C.C. nv begeleidt volgens ditzelfde artikel 1 van de overeenkomst van 2 juli 2013 tussen eiseres en C.C. nv eiseres bij het verkrijgen van de vergunningen, het verlijden van de authentieke aankoopakte en de ondertekening van contracten met dienstverleners en houdt zich bezig met het toezicht op het werk verbonden aan het project en de voorlopige oplevering. Aangezien uit de notariële akte (artikel II.A.2) blijkt dat de stedenbouwkundige vergunning reeds werd toegekend op 1 juli 2010, met een wijzigende vergunning van 29 november 2012, blijkt dat eiseres geen enkele rol heeft gespeeld bij het aanvragen of verkrijgen van de vergunningen, ook niet als opdrachtgever voor degelijke aanvraag. Ook voor wat betreft de overeenkomst gesloten op eveneens 2 juli 2013, met S. nv, voert eiseres zelfs niet aan dat zij concreet enige onderhandeling zou gevoerd hebben met deze aannemer.

Voor wat betreft de mogelijke tussenkomst van eiseres als beweerdelijk opdrachtgever bij het toezicht op de uitvoering van de aannemingsovereenkomst, bepaalt artikel 1 in fine van de overeenkomst tussen eiseres en C.C. nv : "De Bouwheer geeft geen enkele instructie, bevel of aanwijzing aan derden zonder de voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de Coördinator."

Eiseres voert ook in haar syntheseconclusies ook niet aan dat zij ook maar de minste aanwijzing aan de aannemer heeft gegeven, zodat ook op dit punt geenszins blijkt dat partijen de bedoeling hebben gehad om eiseres werkelijk te laten optreden als opdrachtgever van een aannemingsovereenkomst.

b. De verkoopovereenkomst van het onderverdeeld aandeel in de grond en de af te breken constructies en de beweerdelijke aannemingsovereenkomst werden opgenomen in één enkele notariële akte van 2 juli 2013.

In deze akte wordt de omdeling van de globale prijs voor de appartementen, parkeerplaatsen en kelderruimtes zoals voorzien in de Coördinatieovereenkomst tussen eiseres en C.C. nv die werd opgenomen in een afzonderlijk document, nageleefd in die zin dat de aannemingsprijs EUR 341.000 exclusief btw gelijk is aan 55% van de totaalprijs van EUR 620.000, en de prijs voor het grondaandeel, namelijk EUR 248.000, gelijk is aan 40% van deze totaalprijs.

De aannemingsovereenkomst vermeldt dat deze wordt uitgevoerd op basis van de plannen en de bijhorende vergunningen die voorheen reeds werden neergelegd op 2 mei 2013 in een notariële akte van neerlegging.

Zoals ook werd overeengekomen tussen eiseres en C.C. nv in de afzonderlijk opgestelde Coördinatieovereenkomst van dezelfde datum, wordt bovendien vermeld in het gedeelte dat betrekking heeft op de aannemingsovereenkomst voorzien in artikel II.G.6 dat door de (niet nader geïdentificeerde) promotor een voltooiingswaarborg werd gesloten waarbij BNP Paribas Fortis zich heeft verbonden als hoofdelijke borg voor de verkoper (waarmee volgens de notariële akte C.C. nv en 4us nv wordt bedoeld). Verder wordt geen indexatie voorzien zoals overeengekomen in de coördinatieovereenkomst.

Voor wat betreft eventuele wijzigingen aan de plannen is een bepaling opgenomen in punt II.G.2 van de notariële akte. Daarin wordt in de eerste plaats uitdrukkelijk bepaald dat de beschreven goederen worden opgericht volgens de goedgekeurde bouwplannen opgemaakt door de architect die wordt vermeld in deze bepaling. Daarnaast wordt vermeld dat kleine wijzigingen in het bouwwerk van de keuze van de te gebruiken materialen zullen worden uitgevoerd, indien deze naar het oordeel van de aannemer en architect geen verslechtering van de kwaliteit of wijziging van het uitzicht tot gevolg hebben, waarbij wordt bepaald dat deze wijzigingen door de aannemer zonder nadere machtiging van de opdrachtgever kunnen worden uitgevoerd. Enige wijziging aan de plannen door de opdrachtgever wordt zelfs niet als mogelijkheid vermeld.

Ook hieruit blijkt geen enkele rol voor eiseres weggelegd in haar beweerdelijke hoedanigheid van opdrachtgever in het kader van een aannemingsovereenkomst, beweerdelijk los van de overdracht van het grondaandeel.

De rechtbank stelt dan ook vast dat rekening houdend met alle voormelde omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvond, zoals bevestigd door de coördinatieovereenkomst één handeling heeft plaatsgevonden namelijk de verkoop op plan van de appartementen, parkeerplaatsen en kelderruimte met het daaraan verbonden grondaandeel.

Eiseres voert nog aan dat gelet op de verschillende identiteit van aannemer, S. nv, en de (mede)verkoper van het grondaandeel C.C. nv, geen kunstmatige splitsing zou voorliggen. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de coördinatieovereenkomst C.C. nv betrekking heeft op de volledige overdracht van grondaandeel en appartementen, parkeerplaatsen en kelderruimtes, en hiervoor een volledige overeenkomst voorziet waaronder in het bijzonder de bepaling van een globale prijs zodat de overige overeenkomsten louter deze overeenkomst verder uitwerken, ongeacht de identiteit van de partijen. Verweerder verwijst op dit punt bovendien terecht naar het bestaan van misbruik inzake Btw zoals onder meer in artikel 1, §10 WBtw omschreven.

De rechtbank stelt vast dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie waar verweerder naar verwijst, inderdaad blijkt dat de nationale rechter moet beoordelen of de hem voorgelegde gegevens kenmerkend zijn voor één enkele handeling, ongeacht hoe zij contractueel is uitgewerkt en dat de nationale rechter deze analyse kan uitbreiden door naar aanwijzingen te zoeken die duiden op misbruik (Hof van Justitie, 21 februari 2008, Part Service srl, C- C-425/06).

Artikel 1, §10 WBTW luidt als volgt

"Voor de toepassing van dit Wetboek is er sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben."

Voor wat betreft de voorwaarde dat de betrokken handelingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Btw-richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend, stelt de rechtbank vast dat eisers zich heeft beroepen op het verlaagd tarief van 6% van toepassing op basis van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 in strijd met het doel van deze bepaling.

Tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 voorziet geen toepassing van het verlaagd tarief ten aanzien van de levering van nieuw vastgoed, behalve voor de leveringen in het kader van het sociaal beleid op het vlak van de huisvesting zoals bedoeld in rubriek XXXVI van tabel A.

De rechtbank stelt dan ook vast dat het de bedoeling was bij de invoering van de regeling in rubriek XXXVII tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 om deze alleen van toepassing te verklaren op werk in onroerende staat en niet op de levering van een woning, wat kan worden afgeleid uit de uitdrukkelijke tekst van de betreffende bepaling. Het kunstmatig opsplitsen van een verkoop op plan van appartementen, in een verkoop van een aandeel in de grond met te slopen gebouwen en een aannemingsovereenkomst voor de oprichting van deze appartementen om het verlaagd Btw-tarief te genieten, is dan ook in strijd met het door deze bepaling beoogde doel.

Om misbruik inzake Btw te kunnen vaststellen moet daarenboven uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat zoals hierboven vastgesteld, de opsplitsing in formeel onderscheiden handelingen, namelijk de overdracht van een aandeel in grond en te slopen gebouwen en een aannemingsovereenkomst en coördinatieovereenkomst, volstrekt kunstmatig is (vergelijk Hof van Justitie, 19 november 2009, Don Bosco, zaak C-461/08), wat op zich al duidelijk maakt dat partijen zich niet door economische overwegingen hebben laten leiden.

In de coördinatieovereenkomst van 2 juli 2013 tussen eiseres en C.C. nv, wordt in een voorafgaande uiteenzetting bovendien het volgende vermeld, dat de bedoeling van partijen uitdrukkelijk toelicht:

"Dat de coördinator het zakelijk recht van erfpacht bezit op een onroerend goed gelegen te 1040 Etterbeek, Reigersvlietstraat nrs. 18 tot 26, terwijl de N V 4 US SA, met maatschappelijke zetel te 1050 Elsene, Eugène Flageyplein 7, KBO nr. 0436.075.376, de ondergrond bezit van dit onroerend goed.

Dat het onroerend goed is gelegen in een van de 32 gebieden opgesomd in het Koninklijk Besluit van 12.08.2000 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van de wet tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in hel kader van het stedelijk beleid, hetgeen betekent dat een btw-tarief verlaagd tot 6%, zoals voorzien in artikel 1quater van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw, van toepassing is op de afbraak- en daarmee gepaard gaande heropbouwwerken van een gebouw bestemd, uitsluitend of hoofdzakelijk, ais privéwoning.

Dat de Bouwheer, in samenwerking met andere geïnteresseerde investeerders, ernaar streeft om in voile eigendom 427/10.000en van de grond en de aangrenzende gebouwen te verwerven om de bestaande gebouwen te slopen en vervolgens een appartementsgebouw met ondergrondse parking te heropbouwen bestemd, uitsluitend of hoofdzakelijk, om gebruikt te worden ais privéwoning."

Deze voorafgaande uiteenzetting bevestigt dat de partijen met het oog op de toepassing van het verlaagd Btw-tarief van 6% te genieten, hebben gekozen voor een voorstelling van zaken ais zou eiseres (de "Bouwheer") in samenwerking met andere geïnteresseerde investeerders ernaar streven om de bestaande gebouwen te slopen en vervolgens een appartementsgebouw met ondergrondse parking herop te bouwen. Ook de notariële akte van 2 juli 2013 herneemt een gelijkaardige verklaring

"De koper verklaart samen met andere kopers/bouwheren in voornoemd pand tot afbraak over te gaan van de bestaande gebouwen en wederopbouw van een nieuw appartementsgebouw met ondergrondse parkeergarage, waarin de appartementen zullen dienen ais private woning, en dit in het kader van een project van een zogenaamde pilootstad, waar dergelijke projecten kunnen genieten van een BTW-taxatie aan het verlaagd tarief. Zij zullen hiervan hun eigen zaak maken.

De koper verklaart dat de vermelde aandelen hierin overeenstemmen met de aandelen in de grond en de gemeenschappelijke delen, die ais accessorium zullen verbonden worden aan het hiernavermelde appartement/autostaanplaats/kelder, die hij zelf ais bouwheer, samen met anderen voor andere appartementen/autostaanplaatsen/kelders, onder leiding en toezicht van aannemer gaat laten bouwen."

Deze voorstelling van zaken is in de Coördinatieovereenkomst en in de notariële akte is volstrekt onjuist aangezien eiseres op geen enkele wijze enige vorm van samenwerking met de andere kopers van de appartementen heeft opgezet.

De bewering in de syntheseconclusies dat de vrijheid inzake keuze van de aannemer bestond in hoofde van de "verzamelde kopers voor de bouw van het hele appartementsgebouw" doordat C.C. nv op voorhand een aannemer had gezocht, is volstrekt onlogisch en kan dan ook geenszins worden gevolgd.

Eiseres voert zelfs niet aan dat ooit enig concreet overleg heeft plaatsgevonden met de andere eigenaars, Iaat staan dat een gezamenlijke selectie van een aannemer zou gebeurd zijn.

Uit de uitdrukkelijke vermelding in de overeenkomsten van 2 juli 2013 naar de toepassing van het verlaagd Btw-tarief onder verwijzing naar een foute voorstelling van zaken, die door de contractspartijen verder werd uitgewerkt door een kunstmatige opsplitsing van de verkoop op plan met bijhorend grondaandeel, blijkt dat wezenlijke doel van de betrokken handelingen zoals deze concreet door eiseres en haar contractspartijen waaronder in het bijzonder C.C. nv werden gesteld erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen, namelijk het pogen een verlaagd Btw-tarief toe te passen.

Eiseres verwijst in haar syntheseconclusies nog in zeer algemene termen naar "essentieel andere rechtsverhoudingen, juridische, praktische en economische gevolgen" indien gekozen was voor een verkoop op plan, maar haalt evenwel geen enkel concreet gevolg aan.

De rechtbank stelt vast dat de Coördinatieovereenkomst tussen en C.C. nv uitdrukkelijk verwijst naar de verwerving in voile eigendom van de betreffende goederen voor een globale prijs van 620.000 EUR, wat verwijst naar een verkoop op plan. De afwezigheid van enige specifieke tussenkomst van eiseres ais opdrachtgever, bevestigt dit. Eiseres heeft zelf geen enkele keuze gemaakt voor wat betreft de aannemer, het ontwerp en de modaliteiten van de uitvoering en is evenmin zelfstandig kunnen tussenkomen bij de uitvoering van de overeenkomst ten aanzien van S. nv.

Eiseres heeft dan ook ais één van de kopers van appartementen met parkeerplaatsen en kelderruimtes met bijhorend grondaandeel eenvoudig een aankoop op plan verricht gebaseerd op plannen en de bijhorende vergunningen die voorheen reeds werden neergelegd op 2 mei 2013 in een notariële akte van neerlegging.

Verweerder heeft dan ook terecht de toepassing van het verlaagd Btw-tarief geweigerd, waarvan eiseres toepassing vraagt onder verwijzing naar de kunstmatige opsplitsing van de aankoop van onroerend goed op plan met bijhorend grondaandeel.

c. Vertrouwensbeginsel

Eiseres verwijst uitgebreid naar het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel dat zou geschonden zijn

door Beslissing nr. E.T,120.125 van 13 mei 2014.

In het bijzonder verwijst eiseres naar de vermelding dat de beslissing is in principe ook van toepassing voor het verleden maar dat wanneer

- de betrokken belastingplichtige een formeel akkoord heeft ontvangen van de fiscale administratie of van de Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken dat afwijkt van voormeld standpunt, dat akkoord van kracht blijft voor het project dat er het voorwerp van uitmaakt

- de situatie van belastingplichtigen die menen zich te kunnen steunen op een stilzwijgend akkoord van de administratie, geval per geval zal moeten worden onderzocht door de Centrale diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit.

De rechtbank stelt vast dat de betrokken beslissing voor het gedeelte relevant voor huidig geding, een standpunt inneemt dat uitdrukkelijk verwijst naar een individuele beoordeling van de concrete omstandigheden eigen aan elke verrichting, zoals gebeurd is in het hoger vermelde proces-verbaal van 29 november 2016 :

"Wanneer uit de aldus onderzochte omstandigheden blijkt dat de door beide belastingplichtigen voorgestelde overeenkomsten verbonden zijn, dient voornoemde bepaling alsook de jurisprudentie "Part Services" te worden ingeroepen en moet er worden van uitgegaan dat het wezenlijke doel van de splitsing van de handeling over twee belastingplichtigen bestaat in het vermijden van de toepassing van het normale belastingtarief."

In dat opzicht is het ook geenszins verwonderlijk dat wanneer de belastingplichtige een individueel standpunt heeft gevraagd aan de belastingadministratie en een formeel akkoord heeft ontvangen van de fiscale administratie of van de Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, deze individuele beoordeling van het bestaan van onder meer misbruik inzake Btw door de belastingadministratie in

regel behouden blijft. Voor de gevallen waarin een stilzwijgend akkoord zou bestaan, wordt uitdrukkelijk vermeld dat hier alsnog een onderzoek geval per geval moet plaatsvinden.

Eiseres heeft ervoor gekozen geen voorafgaand individueel standpunt te vragen, noch formeel noch stilzwijgend, aan de belastingadministratie over het al dan niet bestaan van een kunstmatige opsplitsing of zodat deze beoordeling pas gebeurde bij de controle uitgevoerd door verweerder en in het kader van huidige procedure.

Eiseres toont ook niet aan op welke wijze, gelet op het feit dat de Beslissing nr. E.T.120.125 van 13 mei 2014 verwijst naar een individuele beoordeling, afbreuk zou gedaan zijn door deze beslissing aan een in haar hoofde opgewerkt rechtmatig vertrouwen.

De argumentatie van eiseres over de schending van het gelijkheidsbeginsel is in essentie een herneming van haar argumentatie inzake het vertrouwensbeginsel. De vaststelling dat andere kopers van appartementen in hetzelfde gebouw geen navordering van Btw zouden hebben gekregen, wordt niet onderbouwd door eiseres. Bovendien vormt de al dan niet selectie van een belastingplichtig voor een fiscale controle waar eiseres naar verwijst, geenszins een schending van het gelijkheidsbeginsel.

d. Inzake de proportionele boete

Voor wat betreft de proportionele boete van 200%, is verweerder het ermee eens dat deze boete dient te worden beperkt tot 20% (wat overeenkomt met één tiende van de wettelijke boete) aangezien eiseres de gegenereerde documentenstroom niet zelf heeft opgezet.

De aldus beperkte boete is afdoende verantwoord en proportioneel met de inbreuken waarop deze boete betrekking heeft.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

recht doende op tegenspraak,

veroordeelt de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate.

Verklaart het bestreden dwangbevel van 5 december 2016 met RCIV-nummer 500.1723.12691 dat op 19 december 2016 werd betekend aan eiseres onwettig, evenwel louter en alleen in de mate dat een boete van 200% in plaats van 20% wordt opgelegd,

Veroordeelt verweerder om de gebeurlijk aan eiseres terug te betalen teveel ontvangen of ingevorderde sommen uit hoofde van het aldus deels onwettig verklaarde dwangbevel, vermeerderd met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 WBtw,

Verwerpt het meer- en anders gevorderde.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, door verweerder niet begroot en door de rechtbank niet vereffend.

De ondergetekende rechters hebben aan de zitting en aan het volledige beraad deelgenomen, en dit vonnis werd overeenkomstig artikel 782bis lid 1 van het gerechtelijk wetboek in openbare terechtzitting op vijftien november tweeduizend zeventien uitgesproken door de voorzitter van de Kamer AFi2, die samengesteld was uit:

L. B., rechter-voorzitter van de kamer

F. V., rechter

P. W., plvv. rechter

P. J., griffier

Textes cités

8

Décisions similaires

8