Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, base d'imposition · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 23 décembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, base d'impositionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2004-12-23-b0c4

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
23 décembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

59 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 23.12.2004

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN - VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake : 2001/AR/1990

N.V. A., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …, ondernemingsnummer …;

appellante

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 16 mei 2001

vertegenwoordigd door Mr. G. S. loco Mr. F. V., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Kontich gevestigd te 2550 Kontich, Mechelsesteenweg 83, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de e.a. inspecteur; rekenplichtige van het 3e BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op het tussenarrest van 7.2.2002 waarbij gesteld werd dat in het kader van de procedure op eenzijdig verzoekschrift geen uitspraak kon gedaan worden over het geschil inzake het verzoek tot consignatie dat binnen een tegensprekelijk debat over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het hoger beroep moet beoordeeld worden.

In dit tussenarrest werd overwogen dat niet de nieuwe tekst van artikel 92 BTW-wetboek van toepassing was op het hangende consignatieverzoek doch het artikel 92 BTW-wetboek zoals van kracht voor 15.3.1999.

De feiten en antecedenten werden in het tussenarrest uiteengezet.

Samenvattend dient onthouden te worden dat het bestreden vonnis d.d. 16.5.2001 het verzet van appellante tegen een inzake BTW uitgevaardigd dwangbevel deels gegrond verklaarde, hoger beroep werd ingesteld door de NV A. op 26.7.2001 en de BTW-administratie bij aangetekend schrijven d.d. 19.10.2001, nadien gecorrigeerd bij brief van 26.11.2001, appellante verzocht het na het bestreden vonnis nog betwiste bedrag in consignatie te geven in toepassing van artikel 92 BTW-wetboek zoals gewijzigd bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999.

Aan de orde is de ontvankelijkheid van het hoger beroep gelet op het verzoek tot consignatie.

Ten .gronde heeft de betwisting betrekking op de toepassing van artikel 32 BTW-wetboek met name de maatstaf van heffing voor de niet in geld uitgedrukte tegenprestaties verkregen door degene die goederen levert of diensten verricht.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Dat in onderhavig geschil het voor de wetswijziging van 15.3.1999 geldende artikel 92 BTW-wetboek (hierna aangeduid als oud artikel 92) van toepassing is, is gelet op de strekking van het tussenarrest verworven en wordt overigens niet betwist door geïntimeerde.

Geïntimeerde is van oordeel dat het hoger beroep onontvankelijk is gelet op de afwezigheid van consignatie der verschuldigde sommen binnen de wettelijke termijn van twee maanden.

Appellante acht het consignatieverzoek niet toelaatbaar omdat onterecht toepassing werd gemaakt van het nieuwe artikel 92 BTW-wetboek, minstens ongegrond omdat de vereiste voorwaarden niet vervuld zijn en het consignatieverzoek zelve niet afdoende gemotiveerd is en discriminerend.

Artikel 92, tweede lid BTW-wetboek in zijn toen toepasselijke versie, luidt als volgt : "wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen de twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt."

In het aangetekend schrijven van geïntimeerde d.d. 19.10.2001, houdende het verzoek tot consignatie werd ter staving hiervan het nieuwe artikel 92 BTW-wetboek geciteerd.

In een navolgend aangetekend schrijven van 26.11.2001 werd gesteld dat niet het nieuwe doch het oude artikel 92 BTW-wetboek van toepassing was gelet op de datum van opeisbaarheid der belastingschuld maar dat de inhoud van het schrijven van 19.10.2001 van kracht bleef en de termijn van twee maanden derhalve liep vanaf 19.10.2001.

Appellante stelt onterecht dat het consignatieverzoek gedaan bij schrijven van 19.10.2001 van nul en generlei ,waarde is louter omdat melding werd gemaakt van het toepasselijk zijn van het nieuwe artikel 92 BTW-wetboek nu beide wetteksten niet wezenlijk verschillen maar elk het principe inhouden dat bij verwerping van de vordering/afwijzing van het verzet, de administratie gerechtigd is consignatie der verschuldigde bedragen te vragen en het verzuim de gelden te consigneren bepalend is voor de ontvankelijkheid van het door de belastingplichtige ingestelde rechtsmiddel.

Formeel vereist is een aangetekend schrijven - te dezen voorhanden - doch verder legt de wet geen verplichting op het toepasselijke wetsartikel uitdrukkelijk te vermelden of te citeren en het nagestreefde doel van het aangetekend schrijven van 19.10.2001 - de consignatie der gelden - bleek duidelijk uit dit schrijven dat bovendien met betrekking tot de aanduiding van het van toepassing zijnde wetsartikel gecorrigeerd werd bij aangetekend schrijven van 26.11.2001 waarbij uitdrukkelijk vermeld werd dat de inhoud van dit eerste schrijven van kracht bleef.

Appellante roept overigens niet in dat hij zou zijn misleid door de verwijzing naar het nieuwe artikel 92 BTW-wetboek.

Dat de administratie geen toepassing mocht maken van de nieuwe tekst van artikel 92 BTW-wetboek wordt inderdaad gesteld in het tussenarrest dat gewezen werd ingevolge de door appellante aangewende procedure van eenzijdig verzoekschrift doch zulks impliceert niet dat het verzoek tot consignatie "niet toelaatbaar of van generlei waarde" is nu tevens overwogen werd dat het verzoek tot consignatie moest beoordeeld worden in het kader van een tegensprekelijke procedure en rekening houdende met de voor 15.3.1999 geldende wettekst van artikel 92 BTW-wetboek.

De aanvankelijk verkeerde - maar later gecorrigeerde - vermelding van het toepasselijk wetsartikel leidt niet tot de ontoelaatbaarheid of ongeldigheid van het consignatieverzoek zelve dat niet door onregelmatigheid is aangetast.

Vermits het hoger beroep gericht is tegen de - zij het gedeeltelijke - afwijzing van het verzet, is aan de voorwaarde gesteld door het oud artikel 92 voldaan.

Anders dan appellante stelt, beperkt voormeld artikel 92 overigens niet de mogelijkheid tot instellen van hoger beroep doch onderwerpt zij de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan een specifieke voorwaarde namelijk het consigneren der gelden binnen een welbepaalde termijn.

De gelden waarvan consignatie wordt gevraagd betreffen het door de eerste rechter afgewezen gedeelte van het verzet.

Partijen zijn het erover eens dat de administratie een discretionaire bevoegdheid heeft om consignatie te vragen.

Zulks betekent dat niet de opportuniteit van het consignatieverzoek aan controle moet onderworpen worden doch wel dat mede gelet op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, dient nagegaan te worden of het verzoek gesteund is op objectieve en controleerbare gegevens die de gevraagde consignatie redelijkerwijze verantwoorden.

Verantwoording kan gevonden worden zowel in het dilatoir karakter van het hoger beroep als in het gevaar voor de rechten van de schatkist.

Verder steunt het consignatieverzoek op specifieke, verifieerbare en met cijfermateriaal ondersteunde gegevens betreffende de precaire financiële situatie van appellante die deze concrete opgesomde elementen niet tegenspreekt.

Er wordt met name verwezen naar de jaarrekening - boekjaar 1999 - waaruit een groeiend verlies van … BEF blijkt, naar een belangrijke schuldenlast van ongeveer … BEF, naar een aankondiging in de notulen van de vergadering der aandeelhouders d.d. 26.5.2000 dat de bank haar kredietlijn heeft opgezegd en een schuld. jegens deze bank van circa … BEF bestaat terwijl aan actiefzijde de terreinen en gebouwen wel een waarde hebben van ongeveer … BEF maar de hypothecaire Ieningen lopen over datzelfde bedrag.

Bedoeling van het consignatieverzoek zoals concreet gemotiveerd was dus duidelijk de rechten van de schatkist te vrijwaren en het verzoek is afdoende gemotiveerd.

Dat het verzoek tot consignatie discriminerend zou zijn wordt niet nader toegelicht en voor zover appellante doelt op een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt verwezen naar het arrest van het Arbitragehof d.d. 18.11.1992 dat uitgaande van de discretionaire bevoegdheid van de administratie oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden op voorwaarde dat het verzoek tot consignatie gesteund was op objectieve en controleerbare gegevens.

Deze voorwaarde is te dezen vervuld.

Appellante die nergens stelt dat zij financieel niet bij machte was de gelden binnen de gestelde termijn te consigneren, houdt tenslotte onterecht voor dat de administratie door deze concrete elementen aan te duiden, ervan uitging dat zij geen financiële middelen had om te voldoen aan het consignatieverzoek.

Deze financiële onmogelijkheid werd door appellante nooit ingeroepen en de slechte financiële situatie zoals die uit de geconsulteerde stukken bleek kon inmiddels gunstig zijn geëvolueerd door het mogelijk bekomen van bijkomende kredieten of het te gelde maken van activa hetgeen ook effectief is gebeurd nu appellante in 2002 een onroerend goed verkocht en naar verluid van de conclusies in april 2002 een belangrijk bedrijfsmiddel werd verkocht waardoor de BTW-schuld uiteindelijk betaald werd op 10 juli 2002.

Deze betaling kan anders dan appellante stelt niet aangezien worden als het voldoen van het consignatieverzoek nu de in oud artikel 92 BTW-wetboek voorziene termijn om tot consignatie over te gaan een vervaltermijn is en het verzuim tijdig tot consignatie over te gaan, tot de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep leidt.

Dispositif

OM DIE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;

Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend en vier

waar aanwezig waren :

de heer E. H. Voorzitter

mevrouw A. W. Raadsheer

de heer J. E. Raadsheer

mevrouw G. V. Griffier.

G. V. J. E. A. W. E. H.

Textes cités

2
CTVA art. 9213 occurrences
CTVA art. 321 occurrence

Décisions similaires

8