Paiement tardif de la TVA due, Amende · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 23 avril 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement tardif de la TVA due, Amende

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-tardif-tva-due-amende-tribunal-gand-2013-04-23-85bc

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
23 avril 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Sens lu par le SPF
mixte

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

145 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Gand du 23.04.2013

Taxe sur la valeur ajoutée – Paiement tardif de la TVA due – Amende – Principe de proportionnalité

Résumé

Les amendes fiscales qui ont été infligées pour cause de remise tardive de déclarations et du paiement tardif de la TVA due n’ont pas un caractère répressif.

Le montant de l’amende qui est supérieur au montant total de la TVA qui est due pour l’entièreté de la période durant laquelle l’assujetti a exercé son activité économique, n’est pas raisonnablement justifié dans le cadre de l’objectif du maintien d’une politique répressive.

Dès lors, l’amende est réduite sur la base du principe de proportionnalité.

La décision est publiée uniquement dans la langue originale

Volledige tekst

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg, zesde fiscale kamer te Gent dd 23.04.2013

11/4264/A

P. F. wonende te ..., gekend onder ondernemingsnummer ....

EISERES, voor wie als raadsman optreedt Mter. C. H., advocaat, met kantoor te ...

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financïen, Algemene Administratie van de Fiscaliteit - BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kantoor gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12en op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9050 Gent, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6, bus 601;

VERWEERDER, voor wie optreedt mevr. N. D. inspecteur bij een fiscaal bestuur;

Vonnist de rechtbank als volgt:

1. De rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 12 maart 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 29 november 2011 en de laatste regelmatig neergelegde conclusies van de partijen (artikel 748bis Ger.W.).

2. De vordering

De eiseres vordert in hoofdorde de kwijtschelding van de haar opgelegde boeten uit hoofde van een proces-verbaal van 2 april 2010 (referte 410/0423/09096) en de bijzondere rekening over de periode van 31 januari 2010 tot 30 april 2010 (referte 410/0604/17683); boeten opgelegd bij toepassing van artikel 70 §4 van het BTW wetboek (W.BTW).

In ondergeschikte orde vraagt de eiseres om de haar opgelegde boete te herleiden tot het minimum van 25,00 EUR waarbij haar de gunst van de voorwaardelijkheid wordt toegestaan.

De eiseres vordert tenslotte de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR.

3. De relevante feiten en het geschil

3.1.

Mevrouw P. F. was ingevolge haar economische activiteit van handelsbemiddeling in meubelen en textiel sedert 1 april 2008 geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW- registratie-nummer BE....

Op 8 februari 2011 heeft de eiseres een aangifte van stopzetting van haar belastbare activiteit ingediend, activiteiten die zij naar eigen zeggen reeds op 9 augustus 2010 zou hebben stopgezet.

Door de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen werd op 22 april 2010 krachtens artikel 59 § 1 W.BTW een proces-verbaal opgesteld wegens het niet indienen door de eiseres van de listing afnemers-belastingplichtigen voor het jaar 2008. Overeenkomstig dit proces-verbaal was de eiseres op grond van artikel 70, §4 W.BTW aan de Belgische Staat een fiscale geldboete verschuldigd van 2.500 EUR.

Dit proces-verbaal werd aan de eiseres toegestuurd met een betalingsbericht van 26 april 2010 met referte RCIV-nr 410.0423.09096. De eiseres werd verzocht de verschuldigde sommen te voldoen bij gebreke waarvan vervolgingen zullen worden ingesteld.

Door de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen werd lastens de eiseres een bijzondere rekening opgesteld in toepassing van artikel 8, §1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 29 december 1992 voor de periode van 31 januari 2010 tot 30 april 2010 ingevolge de opnulzetting van de BTW-rekening-courant van de eiseres op 30 april 2010 wegens niet betaling van BTW, boeten en intresten.

Volgens deze bijzondere rekening was de eiseres aan de Belgische Staat

verschuldigd:

- BTW: 1.404,35

- fiscale geldboeten (artikel 70, §1 W.BTW) : 140,00

- fiscale geldboeten (artikel 70, §4 W.BTW) : 381,11

- interesten (artikel 91, §1 W.BTW) : p.m.

De administratie licht toe dat de boete voorzien in artikel 70, §1 W.BTW verminderd wordt tot 140,00 EUR ingevolge de bepalingen van artikel 1, eerste lid, 10 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW en van tabel G, eerste afdeling, rubriek l, punt2, Avan de bijlage bij dit K.B.

De eiseres werd per aangetekende brief van 4 juni2010 inkennis gesteld van deze bijzondere rekening. Bij een betalingsbericht van 7 juni 2010 met referte RClV-nr. 410.00604.017683 werd de eiseres verzocht de verschuldigde sommen te voldoen bij gebreke waarvan vervolgingen zullen worden ingesteld.

Aangezien de eiseres geen betalingen had overgemaakt, werd door de e.a. inspecteur, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, op 26 augustus 2010 lastens de eiseres een dwangbevel met referte RClV-nr. 410.0423.09096 uitgevaardigd, dat op 27 augustus 2010 werd geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de e.a, inspecteur van het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen.

Volgens dit dwangbevel was de eiseres op grond van artikel70, §4 W. BTW een fiscale geldboete ten bedrage van 2.500,00 EUR verschuldigd aan de Belgische Staat. Op 3 september 2010 werd dit dwangbevel betekend bij deurwaardersexploot aan de eiseres met bevel tot betaling.

Aangezien de eiseres geen betalingen had overgemaakt, werd door de e.a. inspecteur, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, eveneens op 26 augustus 2010 lastens de eiseres een dwangbevel met referte RCIV-nr. 410.06040.17683 uitgevaardigd, dat op 27 augustus 2010 werd geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Gent.

Volgens dit dwangbevel was de eiseres verschuldigd aan de Belgische Staat:

- BTW: 1.404,35 EUR,

- fiscale geldboeten (artikel 70, §1 W.BTW) : 140 EUR,

- fiscale geldboeten (artikel 70, §4 W.BTW) : 381,11 EUR,

- interesten (artikel 91, §1 W.BTW) : p.m.

Dit dwangbevel werd eveneens op 3 september 2010 aan de eiseres betekend bij deurwaarders-exploot met bevel tot betaling.

Op 28 april 2011 heeft de eiseres een verzoekschrift tot kwijtschelding en/of vermindering van beide geldboeten gericht aan de Gewestelijk Directeur van de BTW te Gent.

Op 14 september 2011 werd door de Gewestelijk Directeur van de BTW-Directie Gent het verzoek van de eiseres tot kwijtschelding in de boeten afgewezen.

De eiseres kan zich niet verzoenen met de opgelegde geldboeten en heeft op 29 november 2011 het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd waarbij het geschil aan de rechtbank wordt voorgelegd

4. Beoordeling

4.1. Voorwerp van de vordering.

De eiseres vraagt de kwijtschelding en in ondergeschikte orde de vermindering van de opgelegde geldboeten. Deze geldboeten betreffen:

- een geldboete van 2.500 EUR wegens het niet indienen van de listing afnemers-belasting-plichtigen met betrekking tot het jaar 2008, opgelegd bij het dwangbevel met referte RCIV-nr....;

- een geldboete van 381,11 EUR en 140 EUR, samen 521,11 EUR, uitvoerbaar verklaard bij het dwangbevel met referte RCIV-nr....

4.2. Toepasselijke wetsbepalingen en standpunt van de administratie.

De fiscale geldboete ten bedrage van 140 EUR (RCIV-nr...) is volgens de administratie verschuldigd is wegens de laattijdige betaling van de verschuldigde BTW, zoals blijkt uit de bijzondere rekening opgesteld in toepassing van artikel 8, §1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 29 december 1992 voor de periode van 31 januari 2010 tot 30 april 2010 ingevolge de opnulzetting van de BTW-rekening-courant van de eiseres op 30 april 2010 wegens niet-betaling. Overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW bedraagt die boete tweemaal het bedrag van de rechten. Deze geldboete werd krachtens artikel 84, derde lid W.BTW en artikel 1, eerste lid, 10 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW verminderd tot 10 %. van de verschuldigde BTW, namelijk 140,00 (afgerond overeenkomstig artikel 4, §1 van dit K.B.), overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek I, punt2, A) van de bijlage bij dit K.B.

De administratie stelt dat de fiscale boeten van rechtswege verschuldigd zijn door het enkele feit van de overtreding, ongeacht de goede trouw, de kwade trouw, de vergissing of de rechtsdwaling van de overtreder.

Volgens de administratie zijn de tijdige indiening van BTW-aangiften, en de tijdige betaling van de eruit voortvloeiende BTW de wettelijk bepaalde hoekstenen van het ganse BTW-systeem.

De boete ingevolge de niet-indiening van de listing afnemers-belastingplichtigen over het jaar 2008 en gekend onder referte 410.0423.09096 werd vastgesteld in een proces-verbaal van 22 april 2010. De boete is verschuldigd overeenkomstig artikel 70, § 4 W.BTW. De verplichting tot het indienen van deze opgave voor 31 maart van het jaar volgend op de op te nemen handelingen is opgelegd door artikel 53 quinquies W.BTW en het Koninklijk Besluit nr. 23 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van voornoemd artikel 53 quinquies.

Het bedrag van deze niet-proportionele fiscale geldboete werd conform het Koninklijk Besluit nr. 44 van 21 oktober 1993, eerste afdeling, cijfer VIII, nr. 1 vastgesteld op 2.500,00 EUR. Er zijn volgens de administratie geen verzachtende omstandigheden die een kwijtschelding of verdere vermindering van de geldboete kunnen rechtvaardigen.

De onbetaald gebleven BTW blijkt uit de door de eiseres zelf ingediende BTWaangiften. Het onbetaald blijven van de BTW gaf aanleiding tot het opstellen van een bijzondere rekening.

Volgens de administratie leefde de eiseres haar fiscale verplichtingen allesbehalve nauwkeurig na, namelijk door:

- het laattijdig indienen van de BTW-kwartaalaangiften en laattijdige betaling van de BTW: 5 maal opnulzetting van de rekening-courant en opmaken van bijzondere rekening

- het niet indienen van de BTW-kwartaalaangiften van het 2e en 3e kwartaal van

2010

- het niet indienen van de klantenlisting voor 2008

- het laattijdig indienen van de klantenlisting voor 2009

- het laattijdig indienen van de aangifte van stopzetting van werkzaamheid

Volgens de administratie werd de eiseres meermaals zowel schriftelijk (gewone zending en aangetekende zending) als telefonisch verzocht zich tijdig in orde te stellen.

Er is volgens de administratie in deze omstandigheden geen sprake van een eerste overtreding.

Het kwijtschelden of verder verminderen van de geldboeten wegens laattijdige betaling en niet-indiening van aangiften en de klantenlisting zou volgens de administratie een inbreuk betekenen op het gelijkheidsbeginsel.

De administratie merkt op dat het de rechtbank niet toekomt om de boete te moduleren op basis van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden of opportuniteitsredenen.

Volgens de administratie zijn de beperkte duur van de uitoefening van de zelfstandige activiteit, noch de beperkte omzet, noch het beperkt cliënteel van belang ten aanzien van de boete. Ook de nalatigheid van de boekhouder is volgens de administratie geen gegrond argument aangezien de eiseres zelf verantwoordelijk is om haar fiscale verplichtingen na te komen. Het aangeven van de klantenlijsten via briefwisseling en niet via de vereiste formulieren is en blijft het niet nakomen van de fiscale verplichtingen.

De disproportie tussen de opgelegde boeten en de gerealiseerde omzet en de definitieve stopzetting van de activiteit zijn volgens de administratie irrelevant.

4.3. Grieven van de eiseres.

De eiseres benadrukt de volgende concrete omstandigheden, die de kwijtschelding van de opgelegde boeten moet verantwoorden, hetzij, ondergeschikt, het bedrag ervan verminderen:

1) de bijzonder beperkte duur van de uitoefening van de zelfstandige activiteit (1

april 2008 tot 1 augustus 2010)

2) Bijzonder beperkte omzet (de opgelegde boeten zijn hoger dan de gerealiseerde netto winst... )

3) Een zeer beperkt cliënteel

4) Nalatigheid van de boekhouder / accountant

5) Aangifte van de klantenlijsten via briefwisseling en niet via de geëigende formulieren, doch de aangiften waren gebeurd, met vermelding van een zeer beperkt cliënteel;

6) Disproportie tussen de opgelegde boeten en/of inbreuk en de gerealiseerde omzet.

7) De definitieve stopzetting van de activiteit.

De eiseres licht toe dat ze deeltijds als zelfstandige tewerkgesteld was, en deeltijds als verkoopster. Haar zelfstandige activiteiten waren beperkt waardoor de verschuldigde BTW dan ook steeds zeer beperkt en miniem bleef.

De eiseres stelt dat de lijst met 'klanten' reeds mondeling werd doorgegeven aan de BTW administratie en op 18 februari 2010 ook schriftelijk werd bevestigd. De eiseres merkt op dat de administratie aldus voorafgaand aan het opleggen van de boete, reeds in het bezit was van de listing, bestaande uit twee klanten.

De eiseres verwijst naar diverse rechtspraak op basis waarvan ze meent dat de rechtbank bevoegd is om de geldboeten kwijt te schelden of te verminderen.

De opgelegde maximum geldboete van 2.500,00 EUR staat volgens de eiseres totaal buiten verhouding tot de gepleegde inbreuk. De gevorderde geldboete bedraagt meer dan het totaal bedrag dat de eiseres aan BTW was verschuldigd.

De boete is om die reden volgens de eiseres disproportioneel, namelijk in wanverhouding met de gerealiseerd omzet en de beperkte financiële implicaties.

4.4. Concrete beoordeling.

4.4.1. Repressief karakter?

Om uit te maken of de fiscale geldboeten een repressief karakter hebben, moet nagegaan worden of ze: 1) zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, 2) een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, 3) niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, 4) stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder preventief en repressief is, 5) zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

De beoordeling of de boete zeer zwaar moet onmiskenbaar worden beoordeeld op grond van de ernst van de overtreding, de concrete gegevens en context waarin de overtreding is begaan.

4.4.2. De geldboeten ten bedrage van in totaal 521,11 EUR.

Wat betreft de geldboete van 521,11 EUR, blijkt uit de bijzondere rekening dat deze is samengesteld uit geldboetes van 31,11 EUR, 100 EUR, 200 en 140 EUR wegens het herhaaldelijk gedurende verschillende maanden laattijdig indienen van de BTW-aangifte en niet betalen van de BTW. Deze administratieve sancties zijn op grond van de voormelde (door het Hof van cassatie voorgestelde) criteria niet aan te merken als hebbende een repressief karakter. De door de eiseres

aangehaalde concrete elementen wijzen niet uit dat deze geldboeten ten onrechte of onwettig zijn opgelegd. De argumenten van de eiseres wijzen evenmin op enige overmacht of verstrekken enige ander motief om deze geldboeten kwijt te schelden of te verminderen.

4.4.3. De geldboete ten bedrage van 2.500,00 EUR .

Na afweging van de voormelde criteria is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde geldboete ten bedrage van 2.500 EUR een repressief karakter heeft.

Het criterium van het 'zeer zwaar' zijn van de sanctie dient in de concrete context worden gesitueerd waarin de economische activiteit van de eiseres een zeer beperkte omvang kende. Deze geldboete van 2.500,00 EUR is hoger van de totale BTW die eiseres gedurende haar gehele economische activiteit verschuldigd was. De boete is concreet vergelijkbaar met een belastingverhoging van meer dan 100% van de totaal verschuldigde BTW. De boete is in die context als zeer zwaar aan te merken en repressief van aard.

Het repressief karakter van de geldboete laat de rechtbank toe een evenredigheidstoets uit te voeren.

Overeenkomstig de klassieke visie van het Hof van cassatie moet de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 13

februari 2009, F.06.01 OB.N/B, www.cass.be).

Volgens het Hof van cassatie moet de rechter bij de uitoefening van zijn toetsingsrecht in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Krachtens artikel artikel 70 §4 W.BTW worden de overtreding bestraft met een geldboete van 25 EUR tot 2.500 EUR per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens het Koninklijk Besluit (KB) nr. 44 van 21 oktober 1993, eerste afdeling, cijfer VIII, nr. 1 is de overtreding van de niet indiening van de listing (zoals bedoeld in artikel 53quinquies W.BTW) vastgelegd op een vast bedrag van 2.500,00 EUR. De administratie beschikte op grond van dit KB kennelijk zelf over geen appreciatiemarge. De rechtbank acht zich, gelet op repressief karakter van de geldboete, bevoegd op deze alsnog te beoordelen.

Het Grondwettelijk Hof maakt in het arrest van 16 juli 2009 de overweging dat de voorgaande beoordeling niet tot gevolg heeft dat de geldboete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard zou zijn en, bijgevolg, dat artikel 86 van het Strafwetboek en artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering erop van toepassing zouden zijn of zouden moeten zijn (Gw.H., 16 juli 2009, nr. 119/2009) . Het Grondwettelijk Hof oordeelt vervolgens:

"B.6.3. Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de waarborgen die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt evenwel dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen."

De rechtbank acht zich bevoegd hierbij rekening te houden met de concrete omstandigheden, in het bijzonder deze eigen aan de zaak en de persoon van de eiseres.

De geldboete van 2.500,00 EUR werd opgelegd omdat de eiseres laattijdig de lijst van afnemers BTW-plichtigen heeft overgemaakt aan de administratie.

In het proces-verbaal waarin de niet-tijdige indiening van de lijst van afnemers wordt vastgesteld, is vermeld dat de eiseres per brieven van 13 mei 2009 en 11 augustus 2009 werd aangemaand om de lijst alsnog in te dienen. De administratie beweert doch bewijst niet dat ze de eiseres daadwerkelijk in gebreke heeft gesteld of heeft aangemaand om de lijst alsnog in te dienen. Deze

brieven worden door de administratie niet voorgelegd.

De eiseres licht toe, en door de administratie wordt niet betwist, dat ze deze lijst van afnemers mondeling aan de administratie zou hebben meegedeeld. De lijst van 2 afnemers werd via mail door de raadsman van de eiseres aan de administratie meegedeeld. De administratie betwist niet dat de gevraagde lijst werd ingediend alvorens de geldboete werd opgelegd. Het is opmerkelijk en het getuigt niet van een behoorlijk bestuur dat in het proces-verbaal d.d. 22 april

2010 geen melding wordt gemaakt van deze relevante feiten.

De door de eiseres aangehaalde concrete elementen, namelijk

1) de beperkte duur van de uitoefening van de zelfstandige activiteit (1 april 2008

tot 1 augustus 2010),

2) de relatief zeer beperkte omzet,

3) het zeer beperkt cliënteel,

4) de aangifte van de klantenlijsten via briefwisseling en niet via de geëigende formulieren, doch de aangiften waren gebeurd, met vermelding van een zeer beperkt cliënteel, namelijk 2 klanten;

5) de definitieve stopzetting van de activiteit,

zijn wel degelijk relevante concrete elementen die doen besluiten dat de opgelegde boete van 2.500,00 EUR niet in verhouding staat met de omvang, de ernst en de aard van de overtreding. De omvang van de boete is niet redelijk verantwoord in het kader van de handhavings- en repressiedoelstelling.

De overtreding staat evenwel vast en uit de bijzondere rekening blijkt dat de eiseres eveneens diverse andere overtredingen beging. Rekening houdende met het geheel van deze concrete omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van 500,00 EUR zich in een evenredige verhouding bevindt met de aard, de omvang en de ernst van de overtreding. Daarbij moet worden opgemerkt dat de eiseres haar economische activiteit heeft stopgezet waardoor het afschrikkende en preventief karakter van de sanctie haar belang verliest, hetgeen mede het gewijzigde bedrag van de boete verantwoord. Het is opmerkelijk dat de administratie verkeerdelijk voorhoudt dat deze concrete elementen volstrekt irrelevant zijn, en het getuigt niet van een behoorlijk bestuur dat de administratie zich enkel bedient van de feitelijke elementen die ten laste

spreken van de eiseres en niet van deze die in het voordeel zijn van de eiseres.

De in ondergeschikte orde gestelde vordering van de eiseres is gegrond in die zin dat de opgelegde geldboete op grond van het proportionaliteitsbeginsel wordt verminderd tot 500,00 EUR.

4.5. Met betrekking tot de gevorderde afbetalingstermijnen.

De specifieke aansprakelijkheid in hoofde van de ontvanger is echter niet verzoenbaar met het uitstel van betaling dat de rechtbank zou kunnen toekennen op basis van artikel1244 B.W. Het komt met ander woorden niet aan de rechter toe om deze beoordelingsbevoegdheid van de belastingontvanger zonder meer naar zich toe te trekken.

4.6. Met betrekking tot de gerechtskosten.

De beide partijen worden gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, zodat het past om de gerechtskosten tussen de beide partijen om te slaan (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). Uitgaan van een cijfermatige berekening en de relatieve waardering van de mate waarin de partijen in het ongelijk worden gesteld, past het om de eiseres te veroordelen tot 1/3 van de kosten van het geding en de

verweerder tot 2/3 van de kosten van het geding In toepassing van de artikelen 279 en 162,40 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is voor deze partij geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden boeten, in de schijf van 2.500,01 tot 5.000 EUR.

Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, namelijk in de mate zoals hierna is bepaald.

Zegt dat de bij het proces-verbaal d.d. 22 april 2010 en bij het dwangbevel met RClV-nr. ... opgelegde geldboete van 2.500,00 EUR wordt verminderd tot 500,00 EUR,

Veroordeelt de eiseres tot 1/3 van de kosten van het geding en de verweerder tot 2/3 van de kosten van het geding;

Begroot deze kosten als volgt:

- aan de zijde van de verweerder: de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding:

715,00 EUR, waardoor aldus de verweerder aan de eiseres een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten bedrage van 476, 67 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op drieëntwintig april tweeduizend dertien, waar aanwezig waren:

- de heer S.R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G.L., griffier.

Textes cités

4
AR no 24 art. 82 occurrences
AR no 41 art. 12 occurrences
AR no 41 art. 102 occurrences
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8