Paiement de l'impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 11 janvier 1999

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-poursuite-instance-droits-tribunal-bruges-1999-01-11-f65d

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
11 janvier 1999

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

89 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 11.01.1999

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIJFDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak 96/1117/A Rep.nr. 99/324

NV P.M.E.K., waarvan de maatschappelijke zetel achtereenvolgens gevestigd was te …, …, te …, … en thans te …, …

eiseres,

voor wie is opgetreden meester V. D., advocaat te …, …,

tegen :

BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Brugge, te Brugge, Financiecentrum "Kristus Koning", G. Vincke Dujardinstraat 4

verweerder,

voor wie is opgetreden meester L. D. S., advocaat te …, …,


I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding-verzet d.d. 09.04.1996.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen hij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 07.12.1998.

Artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De vordering strekt ertoe het dwangbevel d.d. 18.12.1995 aan eiseres betekend met gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 07.03.1996 waarbij betaling wordt gevorderd van … frank meer … frank fiscale geldboete, meer intresten ongegrond te horen verklaren.

Eiseres werd geregistreerd onder het BTW-nummer … voor de activiteit van onderneming in onroerende goederen en coördinatiewerken inzake onroerende werken vanaf de aanvang van haar beroepswerkzaamheden op 20.12.1990.

Eiseres deed op 13.12.1991 een aangifte van stopzetting van haar activiteiten per 31.07.1991.

Tijdens de periode 20.12.1990 tot 31.07.1991 werden door eiseres enkel nihil-aangiften ingediend.

Op 06.05.1994 werd door de Administratie van de BTW een controle uitgeoefend over voormelde periode waarbij werd vastgesteld dat door eiseres op 29.12.1990 een uitgaande factuur nr. 1/1990 werd uitgereikt aan de BVBA I.-GR voor de coördinatie van deelproject … van het totale project …/blok 1 en de afbraakwerken na de afbraakwerken van blok 1 ten bedrage van … frank meer … frank BTW.

De BTW ten bedrage van … frank werd door eiseres opgenomen in de boekhouding onder de rubriek passief/schulden op ten hoogste een jaar, doch werd niet opgenomen in één van de ingediende BTW-aangiften met betrekking tot de vermelde periode.

Met betrekking tot de inkomende factuur d.d. 23.05.1.991 uitgereikt door de BVBA. A. O. v. g.- en a. … voor de afbraakwerken van Werf “…” aan eiseres, werd vastgesteld dat de verschuldigde BTW ten bedrage van … frank niet werd opgenomen in het vak 14 van de ingediende BTW-aangiften.

Tenslotte werden inbreuken op de aftrekregeling vastgesteld inzake de facturen nr. … (inschrijvingstaks … frank.), nr. … d.d. 10.12.1991 (aankoop software … frank), nr. … d.d. 24.12.1991 (bijkomende aankoop software … frank) en nr. … d.d. 31.12.1991 (NV S.M.C.A. … frank).

Ingevolge voormelde controle werden door de Administratie in hoofde van eiseres overtredingen van de BTW-wetgeving weerhouden wat leidde tot de opstelling van een proces-verbaal d.d. 09.11.1995 op basis waarvan op 01.12.1995 voornoemd dwangbevel werd uitgevaardigd.

Eiseres roept de verjaring van de vordering van de Administratie in. Zij is van oordeel dat de betekening van het dwangbevel geen stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring nu deze betekening niet rechtsgeldig op haar maatschappelijke zetel gebeurde.

Voorts is zij van oordeel dat zij niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft nu zij een éénmalige geïsoleerde daad stelde.

Evenmin zou ten aanzien van haar toepassing kunnen worden gemaakt van het oude are. 54 W. BTW nu zij niet met bedrieglijk opzet zou hebben gehandeld bij het uitreiken van de factuur d.d. 29.12.1990 die evenmin een valse factuur betreft. Zij is dan ook van oordeel dat billijkheidshalve van de navordering dient te worden afgezien. Zij verwijst hierbij naar de gelijkaardige houding door de Administratie aangenomen ten aanzien van de NV E..

Wat betreft de factuur uitgereikt door de BVBA … is eiseres van oordeel dat de BTW ad. … frank van deze vennootschap dient te worden teruggevorderd.

Inzoverre zij wél als belastingplichtige zou worden aanzien en derhalve de BTW door haar verschuldigd zou zijn, is eiseres van oordeel dat zij een recht op aftrek heeft.

Tenslotte is eiseres van oordeel dat de verhoging met 50 % van de oorspronkelijke tot … frank verminderde boete in strijd is met art. 6 E.V.R.M., minstens geen behoorlijk bestuurlijk handelen uitmaakt.

III. BEOORDELING

1. Niettegenstaande de maatschappelijke zetel van eiseres zich op het ogenblik van de betekening van het dwangbevel niet langer bevond ter … te … kan eiseres bezwaarlijk ontkennen dat de kennisgeving rechtsgeldig gebeurde aan het bestuursorgaan van de vennootschap.

Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt immers dat de aangetekende brief d.d. 18.12.1995 verstuurd naar de …, alwaar …, bestuurder en gevolmachtigde van eiseres, was gedomicilieerd van 25.09.1992 tot en met 20.02.1996, door persoonlijk werd afgehaald op het postkantoor te … op 22.12.1995.

Eiseres heeft derhalve onmiskenbaar kennis genomen van het dwangbevel.

De afgifte ter post van de aangetekende stukken met betrekking tot de kennisgeving van het dwangbevel geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag, in casu 19.12.1995.

De verjaring van de vordering trad overeenkomstig art. 81 W.BTW in op 21.01.1996.

Derhalve werd de verjaring rechtsgeldig en tijdig gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel conform art. 85 par. 2 BTW.

2. Hoedanigheid van belastingplichtige

Eiseres heeft in haar aangifte van aanvang van werkzaamheid ten aanzien van de Administratie haar activiteit omschreven als “studie en projectontwikkeling van onroerend goed; kopen en verkopen van onroerend goed".

De projecten … waarvan sprake in de factuur d.d. 29.12.1990 betreffen volgens eiseres de coördinatie in projecten … I en de coördinatie van en na de afbraak voor een deel van … blok 1, het weze een eenmalige handeling uitgeoefend door een eenmalige geïsoleerde daad.

Eiseres kan in haar zienswijze niet gevolgd worden.

Het coördineren van afbraakwerken kan bezwaarlijk worden afgedaan als een eenmalige handeling uitgeoefend door een eenmalige geïsoleerde daad.

Ook al betrof het een éénmalig project, het coördineren van afbraakwerken vereist onbetwistbaar door zijn omvang een opeenvolging van handelingen gespreid over een welbepaalde periode, wat dient te worden aanzien als een werkzaamheid met een geregeld karakter.

Bovendien heeft eiseres ondubbelzinnig haar bedoeling te kennen gegeven om belastbare handelingen te stellen door de oprichting van een vennootschap met als maatschappelijk doel “onderneming on onroerende goederen en coördinatiewerken inzake onroerende werken”; door het aanvragen van een BTW-nummer met het oog op het verrichten van diensten zoals omschreven in art. 18 par. 1 : W.BTW; door een inschrijving te nemen in het handelsregister, door haar boekhoudkundig systeem gericht op het inschrijven van handelingen waarbij aftrekbare en verschuldigde BTW moest uitgesplitst worden.

Eiseres was klaarblijkelijk dezelfde mening toegedaan nu zij op de factuur d.d. 29.12.1990 19 % BTW aanrekende en de factuur d.d. 23.05.1991 van de BVBA … zonder protest aanvaardde, hoewel hierin het systeem 'BTW te voldoen door de medecontractant' werd gehanteerd.

De Administratie deelde eiseres dan ook haar BTW-nummer mee met inlichtingsfiche 624A.

3. Gelet voorgaande overwegingen dient niet ingegaan op de argumentatie van eiseres met betrekking tot de toepassing van het oude art. 54 W.BTW.

4. Toepassing van art. 17 bis K.B. nr. 1.

Art. 17 bis van het K.B. nr. 1 (oud) bepaalt :

"par. 1. In afwijking van art. 50 par. 1, 4° van het Wetboek, moet de medecontractant van een belastingplichtige die één van de handelingen verricht omschreven in par. 2, wanneer hij zelf een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, de belasting die verschuldigd is terzake van die handeling voldoen op de wijze aangeduid in par. 4.

par. 2. Wordt bedoeld alle werk in onroerende staat in de zin van art. 19 par. 2 van het Wetboek.

par. 3. De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in par. 2 vermeldt op de facturen die hij voor die handelingen uitreikt, noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting maar brengt er de vermelding op aan "Belasting te voldoen door de medecontractant, Koninklijk Besluit nr. 1, art. 17bis".

par. 4. De medecontractant van de belastingplichtige die handelingen heeft verricht bedoeld in par. 2, moet de belasting die verschuldigd is terzake van die handelingen opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt”.

Gezien, gelet voorgaande overwegingen, eiseres een belastingplichtige is, moet zij de BTW op de inkomende factuur d.d. 23.05.1991 uitgereikt door de BVBA A. O. v. g. en a. …, als medecontractant en overeenkomstig voormeld art. 17bis, voldoen.

Gezien eiseres naliet de BTW op deze factuur op te nemen in haar BTW-aangifte als verschuldigde belasting is zij deze rechten nog verschuldigd meer de boete van 10 % op de tekort aangegeven BTW.

Door de Administratie wordt evenwel rekening gehouden met het recht op aftrek voor hetzelfde bedrag in hoofde van eiseres enkel nog gehouden is tot de boete op de verschuldigde BTW.

5. Met betrekking tot de verworpen aftrek

5.1. Inzake de factuur d.d. 29.12.1990 uitgereikt aan BVBA I. GR zoals hierboven werd uiteengezet is eiseres BTW-belastingplichtige. Zij dient derhalve BTW aan te rekenen op de door haar uitgereikte factuur. De hoedanigheid van haar klant BVBA I. GR speelt hierbij geen enkele rol.

Het gebeurlijk recht op aftrek in hoofde van de BVBA I. GR staat derhalve los van onderhavige discussie.

5.2. Inzake de factuur d.d. 31.12.1991 uitgaande van de NV S.M.C.A. thans NV E..

De NV S.M.C.A. heeft op deze factuur ten aanzien van eiseres BTW aangerekend, terwijl de NV S.M.C.A. niet BTW-plichtig was en niet over een BTW-nummer beschikte. Deze BTW werd ook nooit door de NV S.M.C.A. doorgestort.

Teneinde de BTW in aftrek te kunnen brengen is vereist dat men in het bezit is van een factuur die is opgemaakt overeeneenkomstig art. 2 van het K.B. nr. 1 (thans art. 5). Art. 2 voorziet o.m. dat de factuur het BTW-nummer dient te vermelden. Nu de factuur d.d. 31.12.1991 dit BTW-nummer niet vermeldt is deze factuur te aanzien als een onregelmatige factuur, nu zij is aangetast door een wezenlijk vormgebrek.

Eiseres kan dan ook geen recht op aftrek uitoefenen.

5.3. Inzake de facturen met betrekking tot aangeschaft software.

Het bewijs van het recht op aftrek moet warden geleverd door de belastingplichtige zelf.

De Administratie stelde vast dat de betrokken software door eiseres niet werd gebruikt voor doeleinden bedoeld in art. 45 par. 1 W.BTW. Eiseres toont het tegendeel niet aan.

6. Boeten

Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, de motiveringsplicht, werd in verband met de boete niet geschonden.

De toepasselijke wettekst werd vermeld op pagina zeven van het proces-verbaal van 09.11.1995 (art. 70 par. 1 en 70 par. 1bis W.BTW en art. 1, 2 en 4 par. 1 van het K.B. nr. 1 van 30 januari 1987) en in het dwangbevel d.d. 01.12.1995.

Er is voldaan aan de materiële motiveringsplicht : de beslissing is gcesteund op enerzijds de wetteksten en anderzijds de feiten.

Noch het EVRM noch art. 14 BUPO is van toepassing op deze boete.

De rechtbank verwijst dienaangaande naar het arrest d.d. 27.09.1991 van het Hof van Cassatie (R.W. 1991-92, 708). Er is geen reden om van deze rechtspraak van het Hof van Cassatie af te wijken.

De fiscale geldboete is een overwegend administratieve sanctie. De rechtbank kan enkel uitspraak doen over de wettigheid ervan niet over de hoegrootheid ervan.

Het bedrag van de geldboete komt wettig voor.

Art. 2 van het K.B. 41 met betrekking tot de verhoging met 50 % van de boete bij betekening of kennisgeving van een dwangbevel belemmert de rechtsingang niet.

Niets belette eiseres immers onderhavige procedure voordat het dwangbevel haar werd betekend. Op deze wijze kon zij de 50 % verhoging van de boete vermijden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als ongegrond, niet dienend ter zake en/of overbodig.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres de gedingskosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot als volgt :

- rechtsplegingsvergoeding : … frank

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het: gerechtshof te Brugge op elf januari negentienhonderd negenennegentig.

Textes cités

2
AR no 1 art. 17bis2 occurrences
AR no 1 art. 21 occurrence

Décisions similaires

7