Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 12.10.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, twaalfde kamer, spreekt het volgende vonnis uit
Vonnis : 12 oktober 2007
Eindvonnis
Rolnummer : 02/45/A
In de zaak van :
S. W. F., meetkundig schatter, en zijn echtgenote
2. V. O. R. L., meewerkende echtgenote, samenwonende te …, …
eisers,
ter zitting vertegenwoordigd door meester V. R. A., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, Controlecentrum Leuven, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1.
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d. N. E., advocaat te …, ….
I. PROCEDURE
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 14 september 2007 in beraad werd genomen.
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- de gedinginleidende dagvaarding op 28 december 2001 betekend door P. D., gerechtsdeurwaarder met standplaats te Leuven;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 14 september 2007.
II. DE FEITEN
Eiser W. S. heeft de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige voor de toepassing van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (W.BTW).
Hij oefent een activiteit uit als landmeter en als makelaar in onroerende goederen.
Op 28 november 2001 werd, na een controle van 20 september 2000, door de BTW-administratie proces-verbaal opgesteld waarin een aantal inbreuken lastens eiser weerhouden worden. Op 3 december 2001 werd een dwangbevel uitgevaardigd voor … BEF (thans … euro) als BTW, … BEF (thans … euro) als geldboete en … BEF (thans … euro) als intrest berekend tot 20 december 2001.
III. DE VORDERINGEN
Eisers vragen bovenvermeld dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en hen te ontslaan van de in dit dwangbevel van hen gevorderde sommen.
IV. BEOORDELING
1. Er bestaat geen betwisting met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ontvankelijk.
2. Het proces-verbaal van 28 november 2001 vermeldt dat bij de controle werd vastgesteld dat er hiaten waren in de nummers van de uitgaande facturen. De nummers volgen elkaar niet op in het verkoopdagboek. Eiseres R. V. O. verklaarde dat de facturen pas aan de boekhouder worden gegeven als deze volledig betaald zijn en pas dan in de boekhouding worden opgenomen. De facturen die nog niet, of niet volledig, betaald zijn worden niet opgenomen in de BTW-aangifte. Voor deze niet geboekte, maar wel uitgereikte facturen is aan BTW verschuldigd : … + … + … + … + … = … BEF.
3. Er bestaat geen betwisting over het feit dat de door eiser geleverde diensten als een belastbaar feit dienen te worden beschouwd.
4. Eisers voeren aan dat geen facturen, maar ereloonnota's, werden uitgereikt. Het betrof ereloonnota's voor de prestaties als landmeter verricht en in dat geval is de BTW slechts verschuldigd op het ogenblik dat het ereloon effectief betaald wordt, niet op het ogenblik dat de ereloonnota wordt opgemaakt en verzonden. Eisers ontvingen nooit betaling van deze erelonen zodat geen BTW verschuldigd is door hen.
5. Artikel 51, § 1, 3° W.BTW bepaalt dat de BTW verschuldigd is door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.
6. De door eiser opgemaakte en aan de cliënten verstuurde "facturen" zijn wel degelijk facturen in de zin van bovenvermelde bepaling.
Het betreft immers telkens een stuk waarop de vermelding "FAKTUUR" is aangebracht. Het stuk vermeldt welke prestatie verricht werd, welke prijs hiervoor door de cliënt verschuldigd is, welke BTW op deze prijs verschuldigd is en welke de BTW-aanslagvoet is. Verder vermeldt het stuk de volledige identiteit van eiser, met inbegrip van zijn BTW-nummer, de volledige identiteit van de cliënt die schuldenaar is van de prijs en een factuurnummer.
Een dergelijk stuk dient beschouwd te worden als een factuur of een als zodanig geldend stuk waardoor eiser, die het stuk heeft opgemaakt en verstuurd, schuldenaar wordt van de erop vermelde BTW.
7. Het feit dat deze factuur fiscaal onregelmatig zou zijn, en niet alle vermeldingen zou bevatten die krachtens artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 1 op de factuur dienen vermeld te worden doet hieraan geen afbreuk.
8. De administratie aanvaardt, voor bepaalde beroepen waaronder de landmeters, dat deze wettelijke bepaling niet wordt toegepast en dat de BTW slechts verschuldigd wordt naarmate van de incassering, op voorwaarde dat de nota een vermelding bevat waaruit duidelijk blijkt dat zij niet een document is dat de medecontractant-belastingplichtige in staat stelt zijn recht op aftrek geldig uit te oefenen. Die vermelding kan als volgt worden opgesteld : "BTW niet aftrekbaar; aftrek eventueel uit te oefenen aan de hand van het ontvangstbewijs voorgeschreven door het ministerieel besluit van 4 februari 1971 of aan de hand van de ereloonnota die U, voorzien van een kwijting, zal worden uitgereikt na betaling van het ereloon" (beslissing nr. E.T. 5012 d.d. 19 juni 1973, www.fisconet.fgov.be , benadrukt door de rechtbank).
Het betreft een administratieve tolerantie, die afwijkt van de wet, en strikt dient te worden toegepast. De vermelding dat het document de medecontractant-belastingplichtige niet in staat stelt zijn recht op aftrek geldig uit te oefenen dient steeds vermeld te worden, ongeacht of de medecontractant al dan niet BTW-belastingplichtige is.
Artikel 51, § 1, 3° W.BTW (zie randnr. 5) is overigens ook van toepassing als de schuldenaar van de factuur geen BTW-belastingplichtige is.
9. Eiser schreef facturen uit waardoor de BTW door hem verschuldigd is. Hij vermeldde op deze facturen niet dat de BTW op grond van deze facturen niet door de cliënten kon worden afgetrokken, zodat de administratie terecht deze BTW vordert.
10. Eisers voeren aan dat de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur, en met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden heeft.
11. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, sluiten het recht op rechtszekerheid in, dat onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- en beleidsregel krachtens welke de openbare diensten de door hen bij hem gewekte gerechtvaardigde verwachtingen moeten inlossen. De toepassing van die beginselen kan in de regel evenwel geen afwijking van de wet rechtvaardigen en leiden tot een beleid dat tegen de wet ingaat. In dat geval heeft het legaliteitsbeginsel voorrang op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel (Cass., 20 november 2006; Cass., 29 november 2004; Cass., 26 oktober 2001; Cass., 6 november 2000; Cass., 14 juni 1999; telkens www.juridat.be ).
De voorliggende zaak betreft enkel de vraag naar de wettelijke voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat de BTW verschuldigd is. Het inwilligen van de vordering van eisers zou tot gevolg hebben dat de wettelijke bepalingen, die van openbare orde zijn, niet worden toegepast. In de voorliggende zaak primeert derhalve het legaliteitsbeginsel op de houding die de BTW-administratie in het verleden eventueel zou hebben ingenomen.
12. Eisers voeren nog aan dat er dan een compensatie plaatsvindt tussen enerzijds de eventueel verschuldigde BTW en anderzijds het bedrag van de schade die de administratie veroorzaakt door het foutief optreden door schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, welke schade gelijk is aan de verschuldigde BTW.
13. Eisers hebben geen vordering tot schadevergoeding ingesteld. De rechtbank dient (kan) zich over een dergelijke vordering dan ook niet uitspreken en van schuldvergelijking tussen de door eisers verschuldigde BTW en door de Staat verschuldigde schadevergoeding kan dan ook geen sprake zijn.
14. In het dwangbevel wordt ook … BEF (thans … euro) en … BEF (thans … euro) gevorderd voor BTW op sommen die in respectievelijk 1997 en 1998 door eiser op zijn bankrekening ontvangen werden, en waarvoor geen factuur werd opgemaakt.
15. Over het bedrag van … BEF (thans … euro) bestaat geen betwisting meer. De administratie aanvaardt dat op de ontvangen sommen van respectievelijk … BEF en … BEF geen BTW verschuldigd is.
Dit onderdeel van de vordering is gegrond.
16. De administratie heeft vastgesteld dat een bedrag van … BEF (thans … euro) gestort werd op de financiële rekening van eisers. Deze rekening wordt (ook) gebruikt voor beroepsdoeleinden.
Eisers kunnen geen redelijke verklaring geven voor de ontvangst van dit bedrag. Zij vermelden enkel in algemene bewoordingen dat “het gebruik van een vastgoedmakelaar [is] dat deze het voorschot op de koopprijs in ontvangst neemt en deze doorstort naar de verkoper onder aftrek van zijn commissie." Eisers laten echter na aan te tonen dat zij dit bedrag, of een deel ervan, hebben doorgestort. Zij laten eveneens na aan te tonen wat de oorzaak van deze betaling was. Indien het werkelijk om een voorschot op de koopprijs zou zijn, moeten eisers dit toch gemakkelijk kunnen aantonen.
Het geld werd gestort op een rekening die (ook) voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt. Eisers kunnen geen verklaring geven voor de ontvangst van dit bedrag. De administratie mag dan ook vermoeden dat dit bedrag de tegenprestatie is van door eisers geleverde belastbare diensten.
Dat de rekening ook voor privé-doeleinden zou worden gebruikt doet hieraan geen afbreuk.
Wat dit onderdeel betreft is de vordering van eisers ongegrond.
17. Eisers voeren aan dat de boete niet behoorlijk gemotiveerd is.
18. Het proces-verbaal en het dwangbevel verwijzen voor de boete naar artikel 70, § 1 W.BTW en artikel 1 K.B. nr. 41, tabel G voor wat de vermindering ervan betreft.
Op het dwangbevel is de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing.
Dit betekent dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan een beslissing ten grondslag liggen samen met de beslissing kenbaar gemaakt moeten worden.
19. De verplichting om de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen kenbaar te maken houdt in dat de juridische grondslag van de beslissing voldoende nauwkeurig wordt aangeduid.
De tabel G waarnaar verwezen wordt in artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41 omvat in het totaal 15 rubrieken, die op hun beurt nog eens onderverdeeld zijn in verschillende overtredingen.
Aldus heeft de administratie de juridische grondslag voor de toegepaste geldboete niet voldoende nauwkeurig kenbaar gemaakt en is niet voldaan aan de motiveringsplicht.
Het dwangbevel is nietig in zoverre een geldboete gevorderd wordt.
20. Krachtens artikel 91, § 4 BTW-Wetboek zijn moratoire interesten over in te vorderen of terug te geven sommen die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.
Verwijlintresten zijn verschuldigd krachtens artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek.
Inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest. Zij is verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling (Art. 1153 B.W.).
21. Het is in de voorliggende zaak niet duidelijk of verweerster ondertussen de in het dwangbevel gevorderde sommen geïnd heeft en, in bevestigend geval, wanneer.
Indien de sommen ondertussen geïnd werden zijn door verweerster slechts intresten verschuldigd vanaf de ingebrekestelling, dit is in de voorliggende zaak de dagvaarding van 28 december 2001, op voorwaarde dat de gevorderde sommen op dat ogenblik reeds betaald waren. Indien de invordering na die datum geschied is zijn de intresten verschuldigd vanaf datum invordering.
Dispositif
V. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is in de in de hierna bepaalde mate gegrond :
- de verschuldigde BTW dient verminderd te worden met … BEF (thans … euro );
- het dwangbevel is nietig in zoverre een geldboete gevorderd wordt;
- bij de berekening van de gevorderde intresten dient met het bovenstaande rekening te worden gehouden.
De rechtbank beveelt de terugbetaling van hetgeen eventueel ten onrechte werd geïnd, vermeerderd met de gerechtelijke verwijlintresten vanaf de dagvaarding van 28 december 2001 op voorwaarde dat de gevorderde sommen op dat ogenblik reeds betaald waren. Indien de invordering na die datum geschied is zijn de intresten verschuldigd vanaf datum invordering.
De rechtbank wijst al het anders of meergevorderde als ongegrond af.
De rechtbank veroordeelt eisers tot twee derde en verweerster tot één derde van de kosten en stelt deze als volgt vast :
- voor eisers : … euro (dagvaarding) + … euro (rechtsplegingsvergoeding)
- voor verweerster : … euro (rechtsplegingsvergoeding
Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op vrijdag 12 oktober 2007.
De rechtbank bestond uit :
De heer L. W., alleenzetelend rechter.
Mevrouw J. C., griffier.
J. C. L. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.