Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 20.10.2020
WF 711-15-17/017254
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Location immobilière – Exemption – Prestations accessoires – Droit à déduction
Dispositions légales
Article 2, alinéa 1er, article 18, § 1er, 10°, article 44, § 3, 2°, et article 91, § 1er, du Code de la TVA
Synthèse
1) Les faits et les antécédents de procédure
Lors d’un contrôle opéré chez la demanderesse, il a été constaté qu’elle avait entièrement déduit la TVA grevant des factures relatives à la construction d’une maison de vacances. La demanderesse a loué cette maison de vacances à une autre société. L’administration a considéré qu’en l’espèce il s’agissait d’une location immobilière exemptée sur base de l’article 44, § 3, 2°, du Code de la TVA. La demanderesse estimait qu’il s’agissait de la fourniture d’un logement meublé. Vu qu’aucun accord à l’amiable n’a pu être conclu, l’administration a dressé un procès-verbal. Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été décernée, visée et rendue exécutoire. Par après, la demanderesse a déposé une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance. Le juge siégeant en première instance a jugé l’action de la demanderesse non fondée. La demanderesse a interjeté appel.
2) l’arrêt de la cour d’appel
* L’opération exemptée
La cour constate qu’en l’espèce il s’agit d’une mise à disposition purement passive d’un bien immobilier. L’appelante ne fournit pas de prestation accessoire. Il n’y a également pas de prestation accessoire faite en son nom et pour son compte par un intermédiaire. L’appelante perçoit le paiement d’une indemnité pour la mise à disposition de l’usage exclusif d’un immeuble par nature et pour la jouissance de cet immeuble pour une durée déterminée. Cette opération n'a aucun caractère commercial comparable à la mise à disposition temporaire d'un hébergement telle que pratiquée par un hôtel.
Sur base de ces constatations, la cour juge que la TVA ayant grevé l’achat de la maison de vacances a été déduite à tort.
* Les intérêts
La cour constate que les intérêts moratoires légaux infligés en vertu de l’article 91, § 1er, du Code de la TVA n’ont pas la nature d’une sanction. Ces intérêts consiste uniquement en une compensation pour le préjudice subi par le Trésor du fait qu'il n'a pas pu disposer à temps de la TVA due. Ces intérêts n'ont pas de caractère pénal ni au sens du droit interne ni au sens de l'article 6, alinéa 1er, de la CEDH.
La cour juge également que l’infliction de ces intérêts moratoires ne viole pas le principe de proportionnalité.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 oktober 2020
Rol: 2019/AR/658
R. BV, ON 0508...., met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 19 maart 2019, gekend onder rolnummer 17/1653/A
tegen
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus ll, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ... advocaat te ...
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 19 maart 2019, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 5 april 2019, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel, RCIV nr. 500/...520, uitgevaardigd op 08/12/2016 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12/12/2016 en het proces-verbaal van 06/12/2016.
1.2. Feiten en voorqaanden.
Eiseres in hoger beroep, met maatschappelijke zetel te ..., is sedert 01/01/2013 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE0508.... voor de activiteit van grafisch designer.
Er werd een fiscale controle inzake BTW uitgevoerd bij eiseres in hoger beroep over de jaren 2012 en 2013.
Tijdens het voormeld onderzoek werd vastgesteld dat de firma Narvik HomeParc Mooi Zutendaal, 5 facturen had uitgereikt aan eiseres in hoger beroep voor de bouw van een vakantiewoning, waarbij de gefactureerde BTW voor 100% in aftrek werd gebracht door eiseres in hoger beroep voor een totaal van 32.107,44 euro aan BTW.
De administratie was van oordeel dat er in casu sprake was van een onroerende verhuur en verwees dienaangaande naar de op 17/01/2014 afgesloten "Verhuurbemiddelingsovereenkomst" opgesteld tussen eiseres in hoger beroep en BV Hogenboom Vakantieparken, gevestigd te 1422 XN Uithoorn aan de Molenlaan 69 en de op 06/11/2003 tussen NV Rekreatieoord-Camping "Mooi Zutendaal" (thans ingevolge naamswijziging Narvik HomePark Mooi Zutendaal) en Hogenboom Vakantieparken BV afgesloten beheersovereenkomst.
De administratie stelde dat de door eiseres in hoger beroep verstrekte dienst te beschouwen was als een onroerende verhuur die van BTW was vrijgesteld krachtens 9rt. 44 §3 2° WBTW en die bijgevolg dan ook geen aftrek van BTW toeliet op grond van art. 45 §1 1° t/m 5° WBTW.
Bovendien was de vakantievilla opgetrokken op grond die slechts voor 98% toebehoorde aan eiseres in hoger beroep en voor 2% toebehoorde aan de heer R.B. waardoor de 100% aftrek aan BTW geheven op de oprichting van een vakantiewoning, onafgezien van de discussie of het gaat om onroerende verhuur of verstrekken van logies, minstens diende beperkt te worden tot 98%.
Aangezien omtrent de gevorderde bedragen geen minnelijk akkoord kon worden bereikt met eiseres in hoger beroep werd door de controlerende ambtenaar op 06/12/2016 proces verbaal opgesteld waarin de vastgestelde overtredingen werden vermeld.
Op 08/12/2016 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 12/12/2016 uitvoerbaar werd verklaard. Het dwangbevel werd samen met voormeld proces-verbaal van 06/12/2016 betekend aan eiseres in hoger beroep op 02/03/2017 met bevel tot betalen.
In dit dwangbevel werd betaling gevorderd van volgende bedragen:
- 32.107,44 euro aan BTW
- 3.210,00 euro aan proportionele geldboete
meer interesten en kosten
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, op 03/07/2017 tekende eiseres in hoger beroep verzet aan tegen voormeld dwangbevel.
Eiseres in hoger beroep vorderde:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het dwangbevel d.d. 02/03/2017, nr. 500/1725/96520 nietig te verklaren; minstens te bepalen dat er geen intresten mogen aangerekend worden aan 9,6%
- de volgende prejudiciële vragen desgevallend te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 91 WBTW het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vastgesteld in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat in dit artikel een intrest in casu gevraagd wordt van 0,8% per maand, terwijl in andere situaties men toestaat dat slechts een intrest gevraagd wordt overeenkomstig de regels in burgerlijke zaken?"
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op een bedrag van 6.000 euro, rolrechten 20 euro.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond en eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op O euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.
De eerste rechter was van oordeel dat op basis van de voorliggende stukken niet kon worden voorgehouden dat er sprake was van een dienstverrichting door eiseres in hoger beroep. De rechtbank stelde vast dat eiseres in hoger beroep wat het verrichten van bijkomende beheersdiensten betrof zelf nooit een overeenkomst afgesloten had met de huurders van haar woning en evenmin met Narvik, en dit noch in eigen naam, noch via Hogenboom. Naar het oordeel van de eerste rechter was er in hoofde van eiseres in hoger beroep opzichtens de klant, huurder van de woning, enkel de tussen eiseres in hoger beroep en Hogenboom afgesloten verhuurbemiddelingsovereenkomst krachtens dewelke eiseres in hoger beroep uiteindelijk aan Hogenboom Vakantieparken alleen maar het exclusieve recht had verleend om haar woning voor haar rekening en risico te verhuren aan derden en Hogenboom Vakantieparken ten aanzien van de verhuurde villa 75% van de gerealiseerde huursom diende uit te keren inclusief BTW, maar exclusief kosten voor lakensets, eindschoonmaak en toeristenbelasting. De eerste rechter oordeelde dat het hier om een onroerende verhuur ging die krachtens art. 44 §3, 2° WBTW was vrijgesteld van BTW, zodat de aftrek van de BTW op de kosten m.b.t. de vakantiewoning terecht verworpen werden door de belastingadministratie.
Met betrekking tot de interesten gevorderd aan 9,6% oordeelde de eerste rechter dat er geen sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel en dat er geen reden was om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 05/04/2019, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eiseres in hoger beroep vordert:
- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering toe te wijzen;
- het dwangbevel d.d. 02/03/2017, nr. 500/1725/96520 nietig te verklaren;
- minstens te bepalen dat er geen interesten mogen aangerekend worden aan 9,6%
- de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie:
"Schendt artikel 44 §3, 2°,a), derde streepje WBTW artikel 135, tweede lid, a) van Richtlijn 2006/112/EG (oud artikel 13, B, sub b), punt 1 van de Zesde Richtlijn), in de mate dat de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning niet onder het toepassingsgebied van artikel 44, §3, 2 °, a), derde streepje WBTW zou vallen, maar beschouwd zou moeten worden als een van btw vrijgestelde onroerende verhuur, wanneer een vennootschap beroep doet op een derde voor het verstrekken van bijkomende diensten en de vennootschap zelf geen bijkomende diensten verstrekt aan de gasten, terwijl deze terbeschikkingstelling van een vakantiewoning wel onder het toepassingsgebied van dit artikel zou vallen, wanneer de bijkomende diensten rechtstreeks verstrekt zouden worden door de vennootschap zelf, terwijl artikel 135, tweede lid, a) van Richtlijn 2006/112/EG (oud artikel 13, B, sub b), punt 1 van de Zesde Richtlijn) hier geen onderscheid in maakt en de verhuuraccommodatie in vakantieparken uitdrukkelijk van de vrijstelling uitsluit, en ook al zou dit onderscheid zorgen voor concurrentieverstoring in de hotelsector of in sectoren met een soortgelijke functie?"
"Moet artikel 44, §3, 2°, a), derde streepje WBTW, gelezen in het licht van artikel 135, tweede lid, a) van Richtlijn 2006/112/EG (oud artikel 13, B, sub b), aldus begrepen worden in die zin dat het van belang is wie de bijkomende diensten verstrekt in het kader van de terbeschikkingstelling van de vakantiewoning, ook al zou dit voor concurrentieverstoring zorgen in de hotelsector of in sectoren met een soortgelijke functie?"
Schendt artikel 44, §3, 2°, a), derde streepje, WBTW artikel 135, tweede lid, a) van Richtlijn 2006/112/EG (oud artikel 13, B, sub b), punt 1 van de Zesde Richtlijn), in de mate dat art. 44, §3, 2 °, a), derde streepje WBTW in die zin begrepen moet worden dat de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning niet onder het toepassingsgebied van artikel 44,§3,2 °,a),derde streepje, WBTW zou vallen,maar beschouwd zou moeten worden als een van btw vrijgestelde onroerende verhuur, wanneer een vennootschap beroep doet op een derde voor het verstrekken van bijkomende diensten en de vennootschap zelf geen bijkomende diensten verstrekt aan de gasten,terwijl de activiteit in hoofde van de vennootschap wel een commercieel karakter heeft en zou kunnen zorgen voor concurrentieverstoring in de hotelsector of in sectoren met een soortgelijke functie?"
- de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:
Schendt artikel 44,§3,2 ° a),derde streepje,WBTW het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vastgelegd in art. 10,11 en 172 van de Grondwet,,in de mate dat art. 44,§3,2 °,a),derde streepje WBTW in die zin begrepen moet worden dat de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning niet onder het toepassingsgebied van dit artikel zou vallen,maar beschouwd zou moeten worden als een van btw vrijgestelde onroerende verhuur,wanneer een vennootschap beroep doet op een derde voor het verstrekken van bijkomende diensten en de vennootschap zelf geen bijkomende diensten verstrekt aan de gasten,terwijl deze terbeschikkingstelling van een vakantiewoning wel onder het toepassingsgebied van dit artikel zou vallen, wanneer de bijkomende diensten rechtstreeks verstrekt zouden worden door de vennootschap zelf?"
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op een bedrag van 6.000 euro eerste aanleg en
- 6.000 euro hoger beroep, rolrechten 20 euro.
Ter zitting van 22/09/2020 preciseert eiseres in hoger beroep dat de gevraagde 20 euro als rolrecht dient begrepen te worden als 20 euro bijzondere bijdrage begrotingsfonds.
Verweerder in hoger beroep besluit in hoofdorde tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van verweerder in hoger beroep op 3.000 euro RPV hoger beroep.
In ondergeschikte orde vordert de Belgische Staat, mocht het hof van mening zijn dat het hoger beroep van eiseres in hoger beroep gegrond is, quad non, eiseres in hoger beroep te veroordelen tot betaling van 674,14 euro, zijnde 642,14 euro BTW+ 32 euro boete, aangezien de vakantiewoning voor 2% eigendom is van de heer R.B..
De Belgische Staat is van mening dat de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof niet dienen gesteld te worden.
Ter zitting van 22/09/2020 gaan partijen akkoord dat de zaak vrijgesteld is van rolrecht.
2. Bespreking
2.1 Aanwending van het onroerend goed voor een belastbare activiteit?
Volgens de belastingadministratie wordt de vakantievilla van eiseres in hoger beroep aangewend voor onroerende verhuur, die van BTW is vrijgesteld bij artikel 44 §3, 2° WBTW en waarop de uitzondering bedoeld in artikel 44 §3, 2° a), derde streepje van het BTW wetboek namelijk het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend, niet van toepassing is. Bijgevolg komt, volgens de belastingadministratie, de BTW geheven op de oprichting van de vakantiewoning in toepassing van artikel 45 §1, 1° t/m 5° WBTW niet voor aftrek in aanmerking.
Eiseres in hoger beroep stelt dat zij een onroerend goed met het verlenen van bijkomende diensten verhuurt zodat het onder de BTW ressorteert. Zij stelt dat het niet relevant is dat deze bijkomende diensten door een derde worden geleverd. Tenslotte stelt eiseres in hoger beroep dat de verhuuraccommodatie in vakantiekampen wordt uitgesloten van de vrijstelling van verhuur van onroerende goederen en dat de richtlijn niet vereist dat er bijkomende diensten worden geleverd in het kader van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen.
De verhuur van onroerende goederen is een activiteit die van de BTW is vrijgesteld krachtens art. 44 §3, 2° WBTW. De BTW die wordt betaald bij de aankoop van of de oprichting van een onroerend goed kan dan ook niet in aftrek worden gebracht.
Artikel 44 §3, 2° WBTW bepaalt immers dat van belasting vrijgesteld zijn de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van a) de volgende diensten: () - het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend.
Krachtens artikel 18 § 1 10° W.BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft:
10° het verschaffen van gemeubeld logies, alsook de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen.
Als algemeen beginsel stelt artikel 2 W.BTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."
De BTW-vrijstelling voor onroerende verhuur is een afwijking van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, en moet dus strikt worden uitgelegd {HvJ 9 oktober 2001, F.J.F. 2002/3). De vrijstelling kan bijgevolg niet worden ingeroepen, van zodra niet is voldaan aan één van de voorwaarden.
Er kan maar sprake zijn van een onroerende verhuur wanneer is voldaan aan alle kenmerkende voorwaarden voor deze handeling: "de eigenaar van een onroerend goed heeft de huurder, tegen betaling van huur en voor een overeengekomen duur, het recht verleend zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten" (HvJ 18 juli 2013, zaken nrs. C-210/11 en C-211/11, inzake Medicom SPRL en Maison Patrice Alard SPRL; Fisc., nr. 1354, p. 7).
Er is dus sprake van een onroerende verhuur inzake BTW wanneer het toegekende gebruiksrecht 'exclusief' is ten aanzien van derden. Een verhuur van onroerende goederen houdt in wezen in dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (Cass. 6 juni 2013, www.cass.be en HvJ, 18 november 2004, C-284/03, inzake Temco Europe SA, Fiscoloog, nr 961, 6).
In de regel is een verhuur, waarbij het essentiële voorwerp bestaat in het genot van een uit zijn aard onroerend goed, vrijgesteld van de belasting op grond van artikel 44 §3, 2° WBTW.
Eiseres in hoger beroep stelt echter dat het te dezen zou gaan om het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend, die buiten het toepassingsgebied vallen van de voornoemde vrijstelling van artikel 44 §3, 2° WBTW. Een dergelijke 'terbeschikkingstelling' wordt uitdrukkelijk uitgesloten van de BTW-vrijstelling voor onroerende verhuur (art. 44, § 3, 2°, a) derde streepje WBTW). Kenmerkend is dat deze uitzondering ruim moet worden geïnterpreteerd. Door de uitsluiting van de vrijstelling (die zoals hoger reeds gesteld strikt dient te worden geïnterpreteerd) sluit deze handeling weer aan bij het algemene stelsel van de BTW, namelijk de belastingheffing, dat ruim geïnterpreteerd wordt.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Blasi, C-346/95 van 12 februari 1998, vermeld dat "het zinsdeel 'met uitzondering van[...] het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie', in artikel 13, B, sub b), punt 1, van de Zesde richtlijn een uitzondering invoert op de in die bepaling neergelegde vrijstelling voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. De in dat zinsdeel bedoelde handelingen worden dus onder het algemene stelsel van deze richtlijn geplaatst dat alle belastbare handelingen aan belasting onderwerpt, behoudens de uitdrukkelijk voorziene uitzonderingen. Deze bepaling mag dan ook niet strikt worden geïnterpreteerd" (punt 19).
Het Hof van Justitie heeft in hetzelfde arrest gepreciseerd dat "de uitdrukking 'sectoren met een soortgelijke functie' ruim moet worden uitgelegd aangezien zij poogt te verzekeren dat het tijdelijk verstrekken van accommodatie op overeenkomstige wijze als in het hotelbedrijf, dat potentieel met dit laatste concurreert, aan belasting wordt onderworpen" (punt 20).
Het arrest C-270/09 van 16 december 2010, MacDonald Resorts Ltd, bevestigt die leer (punt 50). De lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge om te bepalen welke accommodatieverstrekkingen in afwijking van de vrijstelling voor verpachting en verhuur van onroerende goederen, moeten worden belast. Deze beoordelingsmarge wordt begrensd door het doel van artikel 13, B, sub b), punt 1, van de Zesde richtlijn die, wat het ter beschikking stellen van woonruimten betreft, ertoe strekt de belastbare verstrekkingen van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met soortgelijke functie te onderscheiden van vrijgestelde handelingen, met name de verpachting en verhuur van onroerende goederen. Het Hof van Justitie heeft in het bovenaangehaalde arrest Blasi beslist dat "de toepassing van het criterium verstrekking van accommodatie van korte duur, die omschreven wordt als een duur van minder dan zes maanden, een redelijk middel lijkt om te verzekeren dat belasting wordt geheven over de handelingen van belastingplichtigen die een activiteit uitoefenen welke overeenstemt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie" (punt 24).
In het arrest C-284/03 van 18 november 2004 Temco Europe heeft het Hof van Justitie gepreciseerd dat, "waar het Hof in zijn arresten herhaaldelijk heeft gewezen op het criterium ter zake van de duur van de verhuur, dit was om de verhuur van een onroerend goed wat in de regel een betrekkelijk passieve activiteit is die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, te onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zake/ijk-industrieel en commercieel karakter hebben zoals de uitzonderingen van artikel 13, B, sub b), punten 1 tot en met 4 van de Zesde richtlijn, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door de uitvoering van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed" (punt 20).
Om na te gaan of een overeenkomst hieraan voldoet, moet rekening worden gehouden met alle eigenschappen van de handeling en met de omstandigheden ervan, ongeacht hoe deze door de partijen worden voorgesteld of benoemd.
Het hof stelt vooreerst vast dat reeds op 06/11/2003 (geruime tijd voor de aankoop van het onroerend goed door eiseres in hoger beroep) Hogenboom Vakantieparken BV met NV Rekreatieoord-Camping "Mooi Zutendaal" (thans Narvik HomeParc Mooi Zutendaal) een beheersovereenkomst had afgesloten inzake camping "Mooi Zutendaal". Ingevolge deze overeenkomst met Narvik HomeParc Mooi Zutendaal had Hogenboom Vakantieparken BV het alleenrecht verworven voor de huur en verhuur van in ieder geval 50 nieuwe chalets en 10 compleettenten in het park. Uit hoofde van deze overeenkomst verwierf en registreerde Hogenboom Vakantieparken BV de boekingen.
Voor de beheersdiensten wordt door Hogenboom Vakantieparken BV op haar beurt een beroep gedaan op Narvik HomeParc Mooi Zutendaal (zie eveneens voornoemde beheersovereenkomst d.d. 06/11/2003). Uit hoofde van deze beheersovereenkomst d.d. 06/11/2003 vergoedt Hogenboom Vakantieparken BV ook Narvik HomeParc Mooi Zutendaal voor de op haar verzoek (en dus niet op verzoek van eiseres in hoger beroep) door Narvik
HomeParc Mooi Zutendaal geleverde beheersdiensten. Art. 1.5.1. van de beheersovereenkomst bepaalt dat het beheer (zijnde thans Narvik HomeParc Mooi Zutendaal) vergoeding ontvangt voor bijkomende kosten zoals in rekening gebracht bij de gasten. Hieronder wordt verstaan: eindschoonmaak, belastingen en heffingen, bedlinnen, kinderbed, -stoel, -box, huisdieren, handdoekpakket, keukendoekenpakket. Art. 1.5.2 van deze beheersovereenkomst bepaalt dat betaling van de voornoemde bijkomende kosten plaatsvindt, indien door de gast afgerekend aan Hoogenboom Vakantieparken, per maand achteraf."
Dit verklaart ook waarom in de nadien met eiseres in hoger beroep afgesloten verhuurbemiddelingsovereenkomst d.d. 17/01/2014 Hogenboom Vakantieparken BV wordt genoemd als de "verhuurder" en dat tevens hierin wordt gestipuleerd dat Hogenboom Vakantieparken BV de huurovereenkomsten afsluit met de gebruiker/huurder en dat Hogenboom Vakantieparken BV verantwoordelijk is voor het afsluiten van een beheersovereenkomst met het beheer waarin de beheerstaken ten behoeve van de verhuur worden vastgelegd.
Eiseres in hoger beroep heeft als eigenaar bij de koopakte (23/12/2013) reeds de verplichting op zich genomen om de accommodatie voor verhuur beschikbaar te stellen via een door Narvik HomeParc Mooi Zutendaal NV aan te wijzen organisatie en Narvik HomeParc Mooi Zutendaal NV heeft hiertoe Hogenboom Vakantieparken aangewezen als verhuur(bemiddelings)organisatie (zie verhuurbemiddelingsovereenkomst d.d. 17/12/2014).
Uit de voorgelegde verhuurbemiddelingsovereenkomst d.d. 17/12/2014 blijkt tevens dat eiseres in hoger beroep, als eigenaar van het onroerend goed, enkel aan een derde, Hogenboom Vakantieparken, het exclusieve recht heeft verleend om op naam van Hogenboom Vakantieparken en voor rekening en risico van eiseres in hoger beroep haar accommodatie, staande en gelegen op Narvik HomeParc Mooi Zutendaal, te verhuren aan derden.
Hogenboom Vakantieparken keerde aan eiseres in hoger beroep 75% van de gerealiseerde huursom uit inclusief BTW, exclusief kosten voor lakensets, eindschoonmaak en toeristenbelasting.
Deze huurbemiddelingsovereenkomst werd aangegaan voor bepaalde tijd en voor de duur van één jaar. Deze overeenkomst was telkens verlengbaar met een termijn van één jaar, tenzij opzegging. De terbeschikkingstelling van eiseres in hoger beroep van haar accommodatie voor verhuur via een door Narvik HomePark Mooi Zutendaal NV aan te wijzen organisatie, te dezen Hogenboom Vakantiepark is dan ook geenszins van korte duur. Bovendien worden er geen huurovereenkomsten afgesloten met de gebruikers voorgelegd. Het blijkt dan ook geenszins dat het in hoofde van eiseres in hoger beroep zou gaan over activiteiten die overeenstemmen met de essentiële functie van een hotel.
Eiseres in hoger beroep is gelet op de concrete voorgelegde gegevens van onderhavig dossier als eigenaar enkel geïnteresseerd in de louter passieve verhuur voor een bepaalde duur.
De handeling van eiseres in hoger beroep is niet meer dan het louter passief ter beschikking stellen van een onroerend goed. Zij levert geen bijkomende diensten, noch worden er bijkomende diensten in haar naam en voor haar rekening verricht. Eiseres in hoger beroep verkrijgt een vergoeding voor het verschaffen van het exclusief gebruik en genot van het onroerend goed uit zijn aard voor een bepaalde duur. De handelingen van eiseres in hoger beroep hebben geen commercieel karakter die vergelijkbaar is met de tijdelijk verstrekking van accommodatie op een soortgelijke wijze als een hotelbedrijf. De handelingen van eiseres in hoger beroep hebben geenszins betrekking op het uitoefenen van een activiteit welke overeenkomt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie.
Aan voormelde vaststellingen wordt geen afbreuk gedaan door een factuur van 26/01/2015 uitgaande van eiseres in hoger beroep en gericht aan Narvik HomePark Mooi Zutendaal NV. Eiseres in hoger beroep betwist immers niet dat in bijlage van deze factuur een factuur werd gehecht uitgaande van Narvik HomePark Mooi Zutendaal NV voor dezelfde periode en voor exact 90% van het door eiseres in hoger beroep aan haar gefactureerde bedrag, bedragen die door Narvik HomePark Mooi Zutendaal reeds maandelijks aan Hoogenboom Vakantieparken BV werden gefactureerd en door deze laatste werden betaald (zie hoger art.
1.5.1 en 1.5.2 van de beheersovereenkomst d.d. 06/11/2003). Hoogenboom ontving op zijn beurt ter zake vergoeding van de gebruiker van de vakantiewoning. Ter zitting kan voor deze facturatiestroom geen enkele redelijke verantwoording gegeven worden. Er blijkt hiervoor ook geen enkele contractuele verantwoording te zijn. Volgens de verklaring van fiscaal raadgever mevrouw Kaerts was er inderdaad ook geen dergelijke overeenkomst voorhanden. Eiseres in hoger beroep heeft contractueel geen enkele verplichting tot het leveren van beheerprestaties en komt hierin op generlei wijze zelf tussen.
De beheersdiensten gebeuren niet in naam en voor rekening van eiseres in hoger beroep. Het is duidelijk dat wat betreft de beheersdiensten Hogenboom Vakantieparken BV geenszins optreedt als commissionair voor eiseres in hoger beroep. In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep stelt, heeft zijzelf te dezen geenszins een derde gelast met het uitvoeren van de beheerstaken.
Bovendien werd hoger reeds beslist dat de terbeschikkingstelling van eiseres in hoger beroep van haar accommodatie voor verhuur via een door Narvik HomePark Mooi Zutendaal NV aan te wijzen organisatie geenszins van korte duur is en dat de handelingen van eiseres in hoger beroep geen betrekking hebben op het uitoefenen van een activiteit welke overeenkomt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie.
De voorgestelde prejudiciële vraagstellingen van eiseres in hoger beroep gericht aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof gaan dan ook uit van een verkeerde veronderstelling en zijn ter zake niet dienend.
De BTW met betrekking tot de aankoop van voornoemd gebouw is dan ook niet aftrekbaar aangezien niet voldaan is aan artikel 45 §1 WBTW.
Aangezien zoals hierboven vermeld de BTW met betrekking tot de aankoop van voornoemd gebouw niet aftrekbaar is, is de BTW hierop verschuldigd.
Gelet op voorgaande acht het hof het niet nodig verder in te gaan op de overige ontwikkelde argumentatie. Het hof wijst deze af als niet relevant en/of niet meer ter zake dienend.
2.2 Interest 9,6 % per jaar (0,80 % per maand)
De belastingwetgeving voorziet in de verplichting voor de belastingplichtige die gehouden is om periodiek aangiften in te dienen om deze in te dienen en de verschuldigde rechten te betalen, binnen de vereiste termijnen. Wat de interesten betreft, is volgens artikel 91, § 1 WBTW van rechtswege een interest van 0,8 % per maand verschuldigd indien de belasting niet binnen de gestelde termijn is betaald.
De wettelijk verschuldigde nalatigheidsinterest heeft niet het karakter van een sanctie, maar biedt slechts een compensatie voor het verlies dat de Schatkist lijdt, door het niet tijdig beschikken over de verschuldigde belasting.
Het gaat hier dus om nalatigheidsinteresten die geenszins de aard hebben van een strafsanctie. De bestreden maatregel heeft geen strafrechtelijk karakter, noch in de zin van het interne recht, noch in de zin van art. 6, lid 1, EVRM. Hieruit vloeit voort dat de waarborgen waarin die bepaling voorziet in verband met de betwistingen in strafzaken daarop niet van toepassing zijn.
De laattijdige betaling van de verschuldigde en opeisbare BTW heeft tot gevolg dat de Schatkist pas later over het verschuldigde geld beschikt en daardoor uit dat geld ofwel geen opbrengst kan halen (waarbij de interest de opbrengstderving compenseert), ofwel krediet moet aangaan om toch over het geld te beschikken (waarbij de interest de kostprijs van dat krediet compenseert). Bovendien dient rekening gehouden te worden met de specifieke aard van de BTW, waarbij het de eindverbruiker is die de uiteindelijke belasting draagt. Al diegene die geen eindverbruiker zijn treden slechts op als schakel in dit proces en mogen de BTW die zij zelf betalen aftrekken van de BTW die zij aan hun afnemers in rekening brengen.
Het blijkt niet dat er te dezen sprake zou zijn van enige schending van het evenredigheidsbeginsel.
Niets verhindert bovendien eiseres in hoger beroep om aan de adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde vrijstelling te vragen voor alle in artikel 91§1 tot 2 bis WBTW bedoelde interesten of een deel ervan (zie artikel 84 bis WBTW, opgeheven bij art. 6 Wet 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (BS
30 april 2019 (ed. 1)), met ingang van 1 januari 2020 (art. 139), thans art. 70 Wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen).
Deze grief in ongegrond.
2.3 De rechtsp/eqinqsverqoedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
De vordering is in geld waardeerbaar en het hof bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag van 3.000 euro voor een in geld waardeerbare vordering in de schaal van 40.000,01 euro tot 60.000,00 euro.
Eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij dient tot de kosten veroordeeld te worden (art. 1017 Ger.W.).
De kosten in hoger beroep worden in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend op een rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro.
De bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) blijft ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep, toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op
3.000 euro rechtsplegingsvergoeding.
Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 20 oktober 2020 door:
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.