Fraude fiscale, comptabilité · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 17 janvier 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Fraude fiscale, comptabilité

https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-comptabilite-tribunal-bruges-2000-01-17-6161

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
17 janvier 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

60 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 17.01.2000

TVA - Fraude fiscale - Présomption homme - Comptabilité

Lorsque la déclaration à la TVA démontre que l'assujetti a prélevé des biens dans son stock, mais n'en a pas fait mention dans sa comptabilité, cela implique que sa comptabilité ne correspond plus à la réalité et qu'elle n'est donc plus probante. La débition d'une taxe ou d'une amende peut être démontrée par l'Administration de la TVA au moyen de présomptions de l'homme. Les présomptions sont des conséquences que la loi ou le magistrat tire d'un fait connu à un fait inconnu. Il est généralement admis que les écrits et les déclarations émanant de tiers peuvent constituer un ensemble de présomptions qui étant graves, précises et concordantes répondent au mode de la preuve par présomptions de l'homme.

Vierde kamer

Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers

Gedelegeerd adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst

Partij: V•• M•••• G•••••• t. De Belgische Staat

Rolnr.: 97/1652/A

1

RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dd. 27 mei 1997.

Gelet op het tussenvonnis dd. 7 december 1998 van de vijfde kamer van deze rechtbank.

Gelet op de verwijzing van deze zaak dd. 22 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.

De zaak werd hernomen voor de huidige samenstelling van de zetel.

De Rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 20 december 1999.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

2

BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De Rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis dd. 7 december 1998.

3

BEOORDELING

1

nopens de verjaring

Eiser werpt in besluiten op dat mogelijks een gedeelte van de vordering is verjaard. Hij verduidelijkt niet op welke gronden hij zich steunt om tot deze conclusie te komen.

Verweerster toont in haar besluiten dd. 1 september 1999 genoegzaam aan dat de verjaringstermijn tijdig werd gestuit zodat de vordering niet verjaard is.

Verweerster kan in haar zienswijze volledig worden bijgetreden.

De vordering is niet verjaard.

2

nopens de bewijskracht van de boekhouding

- De BTW-aangifte toont aan dat eiser goederen heeft onttrokken aan zijn voorraad voor eigen gebruik. Het niet inboeken in zijn boekhouding betekent dat zij niet overeenstemt met de werkelijkheid en bijgevolg ook niet bewijskrachtig is.

- Eiser heeft geen gedetailleerde inventaris en geen inventarisboek voorgelegd. Een coherente controle van de boekhouding is derhalve onmogelijk.

- Het feit dat eiser in zijn fiscale aangiften over 1993 en 1994 een hoger ontvangstcijfer heeft aangegeven dan hetgeen uit zijn boekhouding blijkt is een bekentenis dat hij niet alle ontvangsten opneemt in de boekhouding en is een bevestiging van zijn akkoord met een omzetverhoging voor het jaar 1992.

- Uit het resultaat van het nazicht van de kasgelden blijkt dat eiser voor het jaar 1992 een kastekort heeft van 2.281.973,- Bf..

De boekhouding van eiser is dan ook integraal te verwerpen, nu zij niet als een coherent geheel waaruit de betrouwbaarheid en bewijskracht volgt, kan beschouwd worden.

3

nopens het bewijs ten gronde

- De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerster aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 WBTW.).

Overeenkomstig art. 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art. 1353 B.W..

Door verweerster wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.

Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

- Uit de thans in de debatten gebrachte lijst LINK blijkt dat de volgorde van de nummers van de officiële facturen per dag overeenstemming vertoont met de volgorde van de nummers van de facturen particulier en zelfs met de volgorde van de klantennummers waaronder het klantennummer van eiser.

Niet alleen de opeenvolging van de nummers van de officiële facturen en de facturen particulier doch ook de volgorde van de leveringen aan de verschillende klanten, ingevolge vaste klantenrondes, zijn een belangrijke aanwijzing die toelaten een factuur particulier aan een welbepaalde klant toe te schrijven.

- Verder tonen de voorliggende facturen op naam van eiser en de onmiddellijk erop volgende facturen gericht aan eiser onder de benaming "particulier" over het jaar 1991 en 1992 een duidelijke overeenstemming aan qua aankoopdata, aard van aangekochte goederen, hoeveelheid van aangekochte goederen, volgorde van vermelding van de goederen op de factuur en handelskorting.

- In het proces-verbaal dd. 5 april 1996 (stuk 16 verweerster) heeft de bestuurder en de voormalig afgevaardigde beheerder van de N.V. Alrob verklaart dat niet alle leveringen aan belastingplichtigen effectief "op naam van deze afnemers" werden gefactureerd.

- In voormeld proces-verbaal heeft de voormalig afgevaardigde beheerder tevens verklaard dat de facturatie gebeurde aan de hand van een bestelbon, opgesteld door de reiziger, die van de klant verneemt wat en hoeveel er mag worden gefactureerd "op naam". Het restant van de levering wordt gefactureerd als verkoop "particulieren" en wordt contant ontvangen. Hij verklaarde eveneens dat voormelde bestelbons niet worden bewaard.

- Van de 278 gecontroleerde afnemers van de N.V. Alrob die bij de fraude betrokken zijn werden er door 260 minnelijke overeenkomsten gesloten. Volgens verweerster zijn er slechts 18, waaronder eiser, die de link tussen de officiële facturen en de facturen "particulier" betwisten. Bovendien heeft één van de afnemers niet alleen een minnelijke schikking ondertekend, maar tevens in een schriftelijke verklaring bevestigd dat de goederen van de N.V. Alrob, vermeld op de facturen particulier effectief aan hem werden geleverd (stuk 17 van verweerster).

Het feit dat een groot aantal afnemers van de N.V. Alrob wel akkoord ging met de vordering van verweerster en dat één afnemer de effectieve leveringen heeft erkend, impliceert op zich uiteraard niet dat eiser ook deel had in het zwarte aankoopsysteem, maar vormt wel een belangrijk vermoeden dat samen met de andere feitelijke gegevens dient in overweging te worden genomen.

- Op 24 februari 1993 werd, n.a.v. een levering door de N.V. Alrob aan een tearoom te Koksijde, door de opsporing- en documentatiedienst te Gistel, het reeds eerder geciteerde fraudemechanisme in de praktijk vastgesteld (stuk 19 van verweerster).

Deze vaststelling toont aan dat het fraudesysteem zoals het aanvankelijk op papier werd vastgesteld effectief ten aanzien van de afnemersbelastingplichtigen werd gehanteerd.

Voormelde opgesomde feiten vormen een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te besluiten dat eiser zwarte aankopen heeft gedaan aan de N.V. Alrob.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerster begroot op: 6300 Bf., uit hoofde van de rechtplegingsvergoeding en 2100 Bf. aanvullende rechtsplegingsvergoeding (tussenvonnis heropening debatten).

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

Textes cités

1
CTVA art. 591 occurrence

Décisions similaires

8