Fraude, Amende, Réduction de l’amende, amende fiscale, amende réduite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 8 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Fraude, Amende, Réduction de l’amende, amende fiscale, amende réduite

https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-amende-reduction-fiscale-reduite-cour-appel-anvers-2020-12-08-f966

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
8 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

77 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 08.12.2020

WF 707-15-17/048387

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Fraude – Amende – Réduction de l’amende

Dispositions légales

Article 70, § 1er, du Code de la TVA

Article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831

Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

Suite à un contrôle opéré chez l’assujettie, le délai de prescription a été prolongé. En plus d’infractions relatives du droit à déduction, il a été constaté que la totalité du chiffre d'affaires réalisé n'avait pas été déclarée. Ces constatations ont été consignées dans un procès-verbal dans lequel une amende a été infligée conformément à l’article 70, § 1er, du Code de la TVA. Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été délivrée, rendue exécutoire et signifiée.

La partie adverse a déposé une requête fiscale contradictoire contre cette contrainte au greffe du tribunal de première instance d’Anvers. Au cours de la procédure, les parties ont conclu un accord sur les montants dus au titre de l'impôt sur les sociétés, de l'impôt sur le revenu des personnes physiques et de la TVA. Il était encore également envisageable d’introduire une requête en application du décret du Régent du 18 mars 1831.

Suite au dépôt de cette requête, par le biais d’une décision administrative, l'administration a réduit l'amende à 100% de la TVA due résultant de la transaction. Par après, une nouvelle requête fiscale a été déposée auprès du tribunal de première instance d'Anvers afin d'annuler ou de réduire l'amende.

Le tribunal de première instance a jugé que la demande de la partie adverse était recevable mais non fondée. L’assujettie a déposé un recours en appel contre ce jugement.

2) L’arrêt de la cour d’appel

* L’amende

La partie adverse soutient que l'amende infligée, après sa réduction, reste encore une sanction disproportionnée. En outre, le principe « non bis in idem » serait également violé car la partie adverse doit aussi payer des intérêts de retard.

L'amende a été infligée sur la base de l'article 70 du code de la TVA et constitue donc une sanction fiscale de nature pénale au sens de l'article 6 de la CEDH. Le juge a la compétence pour pouvoir contrôler l'amende en pleine juridiction et il peut réformer la décision relative à l’amende en fait et en droit.

Toutefois, le tribunal estime que l'amende infligée dans cette affaire est proportionnelle à la gravité et à la nature des infractions commises et constitue une sanction appropriée et adéquate compte tenu du chiffre d'affaires supplémentaire considérable réalisé mais non déclaré et ce dans une intention frauduleuse.

En outre, le tribunal estime que l’assujettie ne démontre pas que l’amende serait une charge excessive et ce, même en tenant compte des autres montants dus en vertu de la transaction.

La Cour déclare également qu'il n'y a pas de violation du principe non bis in idem puisque les intérêts de retard dus sont uniquement imputables à l’assujettie et ne constituent donc pas une sanction à son égard.

Enfin, selon l’assujettie, un déséquilibre entre l'intérêt public et son intérêt individuel a également été créé par le recouvrement d’une amende de 100%. Ici aussi, la cour d'appel estime que cette allégation n'est pas davantage étayée par la partie adverse.

Le fait que les montants dus au titre de la TVA, de l'impôt sur le revenu des personnes physiques et de l'impôt sur les sociétés, majorés des amendes, des accroissements d'impôt et des intérêts de retard, dépassent le chiffre d'affaires non déclaré est uniquement imputable aux actions entreprises par la partie adverse afin d'éluder l'impôt.

La Cour déclare le recours en appel recevable mais non fondé et confirme le jugement rendu par le tribunal de première instance.

Remarque

La partie adverse a acquiescé à l’arrêt

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het hof van beroep te Antwerpen, Kamer B6E2, burgerlijke zaken, d.d. 08.12.2020

Rol: 2018/AR/2147

E. BV, ON 0875.152.806, met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ...loco mr. ... advocaat te ..., tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 22 oktober 2018, gekend onder rolnummer 17/4650/A

tegen

BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL - DIRECTEUR VAN HET CENTRUM KMO ANTWERPEN, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 89, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 22 oktober 2018, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 november 2018, waarbij tijdig en regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op het dwangbevel met referte 412/1123/30223 ingevolge waarvan eiseres in hoger beroep onder meer een geldboete 450.000,96 EUR verschuldigd was. De betwisting betreft de B.T.W.-boete die inmiddels werd herleid tot 109.900,35 EUR.

Op 17 mei 2011 werd een kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn verzonden aan eiseres in hoger beroep die betrekking had op de jaren 2008 en 2009.

Op 19 oktober 2012 werd na controle een proces-verbaal opgesteld waarbij inbreuken werden vastgesteld met betrekking tot het niet behoorlijk houden van een dagontvangstenboek en inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. In een berekeningsnota werd de gerealiseerde omzet herberekend voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011. Eiseres in hoger beroep zou ingevolge deze herberekening een bedrag van 225.000,48 EUR als B.T.W. verschuldigd zijn, meer een geldboete van 200% of 450.000,96 EUR. Het bestreden dwangbevel met referte 412/1123/30223 werd uitgevaardigd op 3 december 2012 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2012 en betekend met bevel te betalen bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 14 december 2012. Een herhaald bevel te betalen werd betekend op 26 mei 2015.

Er werd op 3 juni 2015 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen strekkende tot de vernietiging van het dwangbevel d.d. 3 december 2012. Hangende deze procedure werd een dading gesloten tussen partijen op 4 augustus 2016. De dading had ook betrekking op aanslagen in de vennootschaps- en personenbelasting. Inzake B.T.W. werd overeengekomen dat de verschuldigde B.T.W. in hoofdsom 109.900,35 EUR zou bedragen, met name de B.T.W. berekend op een meeromzet van 509.144,77 EUR, te vermeerderen met een geldboete te bepalen conform artikel 70, §1 W.B.T.W. "in acht nemend de aanwezigheid van fraude", en met wettelijke intresten, desgevallend moratoire intresten en de vervolgingskosten, gerechtskosten en kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen. Er werd gestipuleerd dat partijen zich voor wat betreft de geldboeten en intresten willen beroepen op de mogelijkheid om een verzoekschrift in te dienen bij toepassing van het Regentsbesluit van 18 maart 1831.

Op 2 juni 2017 werd een verzoekschrift tot kwijtschelding van de geldboete overeenkomstig artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 ingediend. Dit werd gedeeltelijk ingewilligd bij administratieve beslissing d.d. 11 augustus 2017 waarbij de geldboete werd herleid tot 100% van de na dading verschuldigde B.T.W. of 109.900,35 EUR.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 15 september 2017, vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beslissing d.d. 11 augustus 2017 aangaande het verzoek tot kwijtschelding van de geldboete opgenomen in het proces-verbaal d.d. 19 oktober 2012 met referte 412/1123/30223 te hervormen gelet op het onevenredig karakter van de geldboete, zelfs na de toegestane vermindering tot 100%, bijgevolg eiseres in hoger beroep integraal te ontslaan van de in het dwangbevel met referte 412/1123/30223 gevorderde som in de mate dat deze betrekking heeft op de geldboete dan wel de geldboete verder te verminderen en de Belgische Staat te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de geldboete vermeld in het dwangbevel waarvan thans de kwijtschelding dan wel vermindering wordt gevraagd, meer intresten in de zin van artikel 91 W.B.T.W.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten, niet begroot en niet vereffend.

De eerste rechter oordeelde dat de wetgever niet voor niets principieel een zeer hoge geldboete heeft bepaald met herstellende en ook afschrikkende aard. De betalingen die eiseres in hoger beroep deed, werden wettelijk toegerekend op uiteraard niet marktconforme intrest. Eiseres in hoger beroep streefde pas in augustus 2016 een overeenkomst na, vijf jaar na de laatste gecontroleerde periode. De jaarrekening per 31 december 2016 zet enkel uiteen dat de winsten van 2016 en 2015 niet rooskleurig zouden zijn. Of deze jaarrekening gecontroleerd werd, laat eiseres in hoger beroep in het midden. Nadere uitleg over de winstvorming wordt achterwege gelaten en waar de beperking van de winst haar oorzaak vindt, wordt niet gedocumenteerd. Gedocumenteerde uitleg over de herleiding van de belastingverhoging voor de aanslagjaren 2014, 2015 en 2016 legt eiseres in hoger beroep niet voor.

Een verzoek tot kwijtschelding van boete vergt meer onderbouwing dan louter niet dan wel slechts minimaal onderbouwde beweringen. Dat de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep heeft willen bijspringen, kan niet uit de stukken worden opgemaakt. Of eiseres in hoger beroep calamiteiten heeft ondervonden, of ze werd achterna gezeten door schuldeiseres en of ze uit vreemde oorzaak personeel heeft moeten ontslagen en dies meer, blijkt niet uit de stukken waar de rechtbank acht op kan slaan. De houding van eiseres in hoger beroep komt bij gebrek aan gedegen onderbouwing eerder over als het spreekwoordelijke 'huilen met de pet op'. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot uitstel van de boete dat overigens niet gepaard gaat met enig voorstel tot de modaliteiten ervan.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 27 november 2018, hoger beroep ingesteld.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen, opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg eiseres in hoger beroep integraal te ontslaan van de in het dwangbevel met referte 412/1123/30223 gevorderde som in de mate deze betrekking heeft op de geldboete dan wel deze geldboete verder te verminderen, in ondergeschikte orde uitstel te verlenen van de geldboete gedurende een door het hof te bepalen termijn en de Belgische Staat te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de geldboete vermeld in het dwangbevel waarvan thans de kwijtschelding dan wel vermindering wordt gevraagd, meer intresten in de zin van artikel 91 W.B.T.W. en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 6.000 EUR.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond te verklaren zodat het bestreden vonnis geen hervorming behoeft, bijgevolg de directoriale beslissing van 11 augustus 2017 die de boete reduceert van 200% naar 100% van de verschuldigde B.T.W., zijnde 109.900,35 EUR te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 6.000 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

3. Bespreking.

Er werd in hoofde van eiseres in hoger beroep over de jaren 2005 tot en met 2011 een meeromzet berekend naar aanleiding waarvan aanvankelijk een bedrag van 225.000,48 EUR als B.T.W. verschuldigd was. De meeromzet vloeide, zoals toegelicht in het proces-verbaal d.d. 19 oktober 2012, voort uit het niet behoorlijk bijhouden van een dagontvangstenboek. In het bijzonder werd vastgesteld dat er geen overeenstemming was tussen de Z-rapporten uit het kasregister en de betalingen met bankcontact zoals · bleek uit de bankrekeninguittreksels, dat voor een aantal dagen geen inkomsten werden aangegeven terwijl wel diensten werden verricht en dat het kasregister naar believen kon worden aangepast. De administratie oordeelde dat deze fouten niet toevallig maar stelselmatig werden begaan en legde een geldboete op van 200% van de verschuldigde B.T.W. ofwel aanvankelijk 450.000,96 EUR.

Ter zake werd door eiseres in hoger beroep een dading afgesloten op 4 augustus 2016, waarbij de gerealiseerde meeromzet over de jaren 2005 tot en met 2011 werd herleid tot 509.144,77 EUR. De verschuldigde B.T.W. hierover zou aldus 109.900,35 EUR bedragen. Er werd gestipuleerd dat dit bedrag te vermeerderen is met een geldboete conform artikel 70, §1 W.B.T.W., "in acht nemend de aanwezigheid van fraude". De dading werd namens eiseres in hoger beroep voor akkoord ondertekend door haar zaakvoerder.

Na verzoek tot kwijtschelding van de geldboete bedroeg de geldboete 109.900,35 EUR, zijnde 100% van de verschuldigde B.T.W. op de meeromzet van 509.144,77 EUR die werd gerealiseerd over de jaren 2005 tot en met 2011.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de opgelegde geldboete in weerwil van de herleiding tot 100% van de verschuldigde B.T.W. of wel 109.900,35 EUR, nog steeds een strafsanctie inhoudt die onevenredig is. De geldboete zou immers een buitensporige last uitmaken in hoofde van eiseres in hoger beroep, waarbij rekening zou moeten worden gehouden met de overige bedragen die zij verschuldigd is ingevolge de dadingsovereenkomst en andere opgelegde sancties. Tevens zou een schending voorliggen van het 'non bis in idem'-beginsel omdat eiseres in hoger beroep reeds bestraft werd door de betaling van nalatigheidsintresten. De toepassing van een geldboete van 100% zou leiden tot een wanverhouding tussen het algemeen belang en het individueel belang van eiseres in hoger beroep en haar zaakvoerder.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41). In acht genomen dat nooit werd betwist dat eiseres in hoger beroep handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken, komt de geldboete principieel niet in aanmerking voor vermindering.

De boete die de administratie oplegt in toepassing van art. 70 W.B.T.W. is evenwel een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van art. 6 EVRM. De rechter moet aldus kunnen nagaan of de sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen eerbiedigt die de administratie in acht moet nemen (G.W.-Hof 24 februari 1999, Fiscoloog, nr. 697, 5). Artikel 6 EVRM verschaft aan de rechter de bevoegdheid het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (EHRM 4 maart 2004, Fiscoloog, 2004, nr. 928,1).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag aldus de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 13 februari 2009, Nr. F.06.0108.N).

Het hof is in casu van oordeel dat de boete van 100% van de verschuldigde B.T.W. of 109.900,35 EUR in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is voor de door eiseres in hoger beroep gepleegde feiten, met name de realisatie met bedrieglijk opzet van een aanzienlijke meeromzet van 509.144,77 EUR, van bij oprichting van de vennootschap in 2005 en dit gedurende zeven opeenvolgende jaren.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de geldboete ten bedrage van 109.900,35 EUR een buitensporige last zou uitmaken. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van de ontdoken B.T.W. voor eenzelfde, belangrijk bedrag. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de ontdoken B.T.W.. Enkel de omvang maakt deze dan ook niet buitensporig.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de boete disproportioneel is in verhouding met de resultaten van de vennootschap. Dat eiseres in hoger beroep slechts een beperkte winst realiseerde tijdens de vorige boekjaren en over beperkte activa beschikte, kan op zich niet tot gevolg hebben dat de opgelegde boete overdreven zou zijn of onredelijk met inachtneming van de aard van de inbreuken. Er blijkt niet dat het voortbestaan van eiseres in hoger beroep in het gedrang zou zijn gekomen door de verschuldigde geldboete. Het hof stelt daarentegen vast aan de hand van de voorgelegde jaarrekeningen dat de eiseres in hoger beroep op boekjaar 2018 na telkens winst realiseerde en erin geslaagd is de verschuldigde belastingen, inclusief de kwestieuze geldboete en de nalatigheidsintresten, te voldoen. Er werd eiseres in hoger beroep voor de betaling van de B.T.W.-schuld blijkbaar een bancair krediet verstrekt, wat twijfels omtrent de solvabiliteit van eiseres in hoger beroep ondergraaft. De openstaande schulden ten aanzien van de zaakvoerder werden daarenboven substantieel verminderd van 276.648 EUR in boekjaar 2015 tot 30.465 EUR in boekjaar 2019. Er blijkt ook niet dat eiseres in hoger beroep niet in staat zou zijn haar andere op heden openstaande (financiële) schulden binnen termijn te voldoen.

Ook met inachtneming van de andere bedragen die ingevolge de dading verschuldigd zijn, kan niet worden gesteld dat de geldboete in casu buitensporig zou zijn. Eiseres in hoger beroep was behoudens B.T.W. ook vennootschapsbelasting verschuldigd. Het hof stelt evenwel vast dat de gerealiseerde meeromzet van 509.144,77 EUR als bezoldiging werd belast in hoofde van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep voor aanslagjaar 2012 en aldus niet resulteerde in te betalen vennootschapsbelasting. Inzake de vennootschapsbelasting werd in de dading bepaald dat er geen fiscale verliezen werden aanvaard. Het bedrag van de aldus verschuldigde vennootschapsbelasting (2.764,45 EUR, 5.989,51 EUR en 13.032,74 EUR) is echter niet van die aard dat de navordering van de geldboete disproportioneel zou zijn.

Het enkele feit dat nalatigheidsintresten inzake B.T.W. verschuldigd waren, volgt uit de laattijdige betaling na tussenkomst van de dading op 4 augustus 2016 van de ontdoken verschuldigde B.T.W. over zeven opeenvolgende jaren van 2005 tot en met 2011. De navordering van nalatigheidsintresten heeft als doel de schade te vergoeden, geleden door de laattijdige betaling. Dat een aanzienlijk bedrag aan nalatigheidsintresten verschuldigd was, is dan ook uitsluitend te wijten aan eiseres in hoger beroep zelf en vormt geenszins een bestraffing in haren hoofde. Van enige schending van het 'non bis in idem'-beginsel door de navordering van een geldboete omdat reeds nalatigheidsintresten werden voldaan, is dan ook geen sprake. De verschuldigdheid van nalatigheidsintresten heeft in casu dan ook op zich niet tot gevolg dat de navordering van de geldboete onevenredig zou zijn.

Dat de periodieke betalingen eerst op de nalatigheidsintresten werden toegerekend, volgt dan weer uit artikel 1254 O.B.W. dat bepaalt dat betalingen maar waarmee niet de gehele schuld wordt gekweten, in de eerste plaats op de intresten worden toegerekend. Dat de nalatigheidsintresten in weerwil van de gedeeltelijke betalingen verder opliepen, kan dan ook niet tot gevolg hebben dat de navordering van de geldboete onredelijk wordt -quad non. Zulks geldt evenzeer wat betreft de afwijzing van het verzoek tot vrijstelling van de nalatigheidsintresten.

Eiseres in hoger beroep verwijst voorts naar het verloop van de controle die uiteindelijk tot de dading heeft geleid en stelt dat deze moeizaam verliepen doch dat zulks niet aan haar te wijten was. Het hof merkt ter zake op dat in de beslissing d.d. 11 augustus 2017 de vermindering van de B.T.W.-boete tot 100% of 109.900,35 EUR werd gemotiveerd onder meer omdat eiseres in hoger beroep zich constructief heeft opgesteld om tot een dading te komen. De houding van eiseres in hoger beroep werd derhalve reeds in aanmerking genomen om de initiële geldboete van 200% te herleiden. De houding van eiseres in hoger beroep kan geen verdere vermindering rechtvaardigen.

Tenslotte stelt eiseres in hoger beroep dat er een wanverhouding zou ontstaan tussen het algemeen belang en haar individueel belang door de navordering van de geldboete van 100%. De verschuldigde belastingen, boetes en intresten zouden immers de niet­ aangegeven omzet overstijgen. Het hof herneemt dat de nagevorderde belastingen, boetes en intresten voortvloeien uit de realisatie met bedrieglijk opzet van een aanzienlijke meeromzet van 509.144,77 EUR, van bij oprichting van de vennootschap in 2005 en dit gedurende zeven opeenvolgende jaren. Dat aldus aanzienlijke bedragen verschuldigd waren als B.T.W., personenbelasting en vennootschapsbelasting, vermeerderd met geldboeten, belastingverhogingen en nalatigheidsintresten, is dan ook slechts te wijten aan eiseres in hoger beroep die handelde met opzet de belasting te ontduiken. In welke mate het individueel belang van eiseres in hoger beroep hierdoor zou zijn geschaad en waaruit de wanverhouding met het algemeen belang zou moeten blijken, wordt door eiseres in hoger beroep niet toegelicht.

Eiseres in hoger beroep verzoekt ondergeschikt in aanmerking te komen voor uitstel van de boete. Zij motiveert echter niet welke specifieke omstandigheden in casu een uitstel zouden rechtvaardigen. Noch de resultaten van de vennootschap, de andere bedragen die ingevolge de dading verschuldigd zijn of de verschuldigde nalatigheidsintresten, rechtvaardigen dat de boete met uitstel wordt opgelegd, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.

De rechtspraak waar eiseres in hoger beroep in conclusie naar verwijst, gaat uit van andere feitelijke omstandigheden, zodat eiseres in hoger beroep hieruit geen rechten kan putten. Het hof gaat hier dan ook niet nader op in.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 100% kwijt te schelden dan wel verder te verminderen, evenmin om deze met uitstel op te leggen. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond en het vonnis van de eerste rechter verdient bevestiging.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 6.000 EUR. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, begroot op 6.000 EUR, wordt ten laste gelegd van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Dispositif

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 6.000 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 08 december 2020 door

E. DE BRAUWER Raadsheer

E. CLEYMANS Griffie

Textes cités

2
CTVA art. 704 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence

Décisions similaires

8