Fraude aux accises, Décoloration du gazole, Base d'imposition, Faillite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2024/AR/796 17 février 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Fraude aux accises, Décoloration du gazole, Base d'imposition, Faillite

https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-accises-decoloration-gazole-base-cour-appel-anvers-2026-02-17-bebc

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Numéro de rôle
2024/AR/796
Date
17 février 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

40 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 17.02.2026 (2024/AR/796)

FIN 54770638/01

Fraude aux accises - Décoloration du gazole - Base d'imposition - Faillite

Résumé

Résumé non fourni

Texte intégral

Corps de la décision

L'arrêt n'est disponible que dans la langue originale.

Hof van beroep Antwerpen

Arrest

kamer B6M

Burgerlijke zaken

17 februari 2026

Rolnummer: 2024/AR/796

Mr. H.C. en mr. W.P., advocaten, beiden kantoorhoudende te …, beiden q.q. curator van het faillissement van cie1, ON ..., met laatste maatschappelijke zetel te ...

Eiseres in hoger beroep,

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 05 oktober 2023, gekend onder rolnummer 22/148/A

tegen

BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van

REKENPLICHTIGE VAN HET TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN HASSELT 1, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 11, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 804

Verweerder in hoger beroep,

Voor wie optreedt mevrouw L.S., fiscaal ambtenaar

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 5 oktober 2023, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 21 mei 2024, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

De voorliggende betwisting betreft de btw-schuld in hoofde van eiseres in hoger beroep zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 27 december 2021 onder het schuldnummer 500.2479.37733 en uitvoerbaar verklaard op 28 december 2021.

Er werd een proces-verbaal van taxatie opgesteld op 9 november 2021. Overeenkomstig dit proces-verbaal waren de volgende bedragen verschuldigd door eiseres in hoger beroep:

- 521.373,16 euro aan btw;

- 1.042.740,00 euro aan proportionele geldboete op grond van artikel 70 § 1 btw-wetboek;

- Intresten op grond van artikel 91 § 1 btw-wetboek.

Op 1 februari 2022 legde eiseres in hoger beroep een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.

De eerste rechter verklaarde de vordering bij vonnis van 5 oktober 2023 ontvankelijk maar slechts deels gegrond. De rechtbank stelde vast dat de btw-boete vermeld in het betwiste proces-verbaal van taxatie van 9 november 2021 met kenmerknummer ATW/20/0022/20/0001, het betwiste betaalbericht van 25 november 2021 met vermelding van artikelnummer 500.2479.37733 en de betwiste inschrijving in het innings- en invorderingsregister btw en het daaraan verbonden innings- en invorderingsbericht btw van 6 januari 2022, verminderd moest worden van 200% naar 120%. De rechtbank veroordeelde de Belgische Staat om aan eiseres in hoger beroep alle sommen die rekening houdend hiermee eventueel ten onrechte ontvangen of ingevorderd zijn, terug te betalen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 btw-wetboek. De rechtbank verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep voor het overige ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank vereffend voor de Belgische Staat op 0 euro.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 21 mei 2024, hoger beroep aangetekend.

Eiseres in hoger beroep werd bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt van 13 februari 2025 failliet verklaard.

Partijen hebben gemeld dat de schuldvordering van de fiscus werd aanvaard in het passief van het faillissement en de zaak derhalve zonder voorwerp is.

Ter zitting van 17 februari 2026 stelt het hof vast dat de schuldvordering van de Belgische Staat werd aanvaard, zodat huidig geding in toepassing van art. XX.119 Wetboek van economisch recht zonder voorwerp is.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dispositif

Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep zonder voorwerp.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 februari 2026.

(…)

Textes cités

2
CTVA art. 912 occurrences
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8