Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 05.05.2026 - 2023/AR/263
[ FIN 55078249-01 ]
[ Arrêt mixte ]
TVA – Exonération de TVA – Travail intérimaire – Infirmier
Texte intégral:
Corps de la décision
Cet arrêt a été publié uniquement dans la langue originale.
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 05.05.2026 - 2023/AR/263
1.cie1, ON ..., met zetel te ... ..., ...,
2.cie2_old (thans cie2), ON ..., met zetel te ... ..., ...,
3.cie3, ON ..., met zetel te ... ..., ...,
4.cie4, ON ..., met zetel te ... ..., ...,
Eisers in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. DE VOS Philippe loco mr. DIRIX Jean-Rodolphe, advocaat te 1160
OUDERGEM, Tedescolaan 7 Xirius (ref.: 19000233-2)
tegen het vonnis van de 18e kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 03 november 2022, gekend onder rolnummer A/19/1410
tegen
cie5, ON ..., met zetel te ..., ...,
Verweerster in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. WOUTERS Jorden loco mr. FOGLI Frédérik, advocaat te 1040
BRUXELLES, Avenue des Gaulois 33 (ref.: FFJO/241001)
andere:
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON ..., in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, met woonstkeuze op het kantoor van de Stafdienst Logistiek - North Galaxy toren B te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 33 bus 513 - 2e verdieping,
Vrijwillig tussenkomende partij,
vertegenwoordigd door mr. MAENHOUT Koenraad, advocaat te 2600 BERCHEM, Filip
Williotstraat 30 bus 0102 (ref.: 20034430/FOD)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 3 november 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 13 februari 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
De betwisting heeft betrekking op de verschuldigdheid van de BTW op de facturen uitgereikt door verweerster in hoger beroep aan eisers in hoger beroep. De partijen voeren betwisting over het feit of de geleverde prestaties al dan niet vrijgesteld zijn van BTW.
1.2. Feiten en voorqaanden.
De cie5, verweerster in hoger beroep, stelde in 2018 verpleegkundigen als uitzendkrachten ter beschikking van de cie1, de cie2_old, de cie3 en de cie4, eisers in hoger beroep, die onder de naam "cie6" rust-en verzorgingstehuizen uitbaten. De cie5 heeft voor die prestaties facturen gericht aan de voormelde rechtspersonen. De hoofdsom van die facturen werd voldaan, maar niet de belasting over de toegevoegde waarde (BTW).
De vordering van verweerster in hoger beroep vloeit voort uit de facturatie die zij aan cie6 heeft gericht voor de terbeschikkingstelling van verpleegkundigen onder het stelsel van de uitzendarbeid.
cie6 heeft de hoofdsom van deze facturatie voldaan en meent hierdoor bevrijd te zijn van haar betalingsverbintenis, nu zij meent dat de prestaties in kwestie vrijgesteld zijn van BTW.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Op 19 februari 2019 ging verweerster in hoger beroep over tot dagvaarding van eisers in hoger beroep voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, teneinde volledige betaling van haar facturen te bekomen inclusief de BTW.
De Belgische Staat kwam vrijwillig tussen in de procedure en legde op 28/04/2020 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer ter griffie.
Op 28 mei 2020 sprak de rechtbank een tussenvonnis uit waarbij zij zich materieel bevoegd verklaarde en waarbij conclusietermijnen werden vastgesteld wat betreft de grond van de zaak.
Bij tussenvonnis van 05/11/2020 werd de vordering toelaatbaar verklaard en werd alvorens recht te doen, volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof:
Schenden de artikelen 2, lid 1 en 18 §1, 2° van het Wetboek BTW, samen gelezen met artikel 44, §1, 2° van dit Wetboek, en geïnterpreteerd in het licht van artikel 132, 1., c) van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en van het beginsel van fiscale neutraliteit, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
indien zij zo worden geïnterpreteerd dat de diensten van terbeschikkingstelling van zorgpersoneel steeds onderworpen is aan het gewone BTW-tarief,
doordat patiënten verzorgd door beroepsbeoefenaars die werden uitgezonden door ondernemingen die geen overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten met de zorginstelling (de meerprijs veroorzaakt door) de BTW doorgerekend zullen krijgen, en in alle andere gevallen (verzorging door een uitzendkracht uitgezonden door een onderneming die wel een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten, dan wel verzorging door een beroepsbeoefenaar die als werknemer, zelfstandige, via een vennootschap werkt) niet?"
De zaak werd in afwachting naar de bijzondere rol verzonden.
Het Grondwettelijk Hof stelde dat de prejudiciële vraag zo diende te worden begrepen dat het Hof werd uitgenodigd het verschil in behandeling te onderzoeken tussen zorginstellingen die een beroep doen op gezondheidszorgbeoefenaars via een overeenkomst van terbeschikkingstelling van personeel met een uitzendkantoor, en zorginstellingen die een beroep doen op gezondheidszorgbeoefenaars via een overeenkomst van aanneming van werk met een uitzendkantoor of op beroepsbeoefenaars die als werknemers, als zelfstandigen of via een vennootschap voor de zorginstelling werken. Alleen in het eerste geval was BTW verschuldigd.
Naar het oordeel van het Grondwettelijk Hof bleek uit de verwijzingsbeslissing dat het in de voorliggende zaak ging om een terbeschikkingstelling van verpleegkundig personeel onder het gezag van de zorginstelling aan wie zij terbeschikking worden gesteld. Uit de formulering van de prejudiciële vraag bleek eveneens dat de verwijzende rechter had vastgesteld dat er tussen het uitzendkantoor en de zorginstelling geen aannemingsovereenkomst werd gesloten. Het Hof beperkte zijn onderzoek tot die situatie.
Bij arrest van 02/12/2021, rolnummer 175/2021, oordeelde het Grondwettelijk Hof als volgt in onderhavige zaak:
"De artikelen 2, eerste lid, en 18, §1, 2°,van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in samenhang gelezen met artikel 44, §1, 2°,van dat Wetboek, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 132, lid1, c), van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 «betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde» en het beginsel van fiscale neutraliteit, in zoverre zij de diensten van terbeschikkingstelling van zorgpersoneel door een uitzendkantoor onderwerpen aan het gewone btw-tarief."
Bij vonnis van de ondernemingsrechtbank van 03/11/2022 werd de vordering van verweerster in hoger beroep als volgt gegrond verklaard:
cie1 werd veroordeeld tot betaling aan cie5 van het bedrag van 7.432,80 euro aan verschuldigde BTW, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op datum van volledige betaling, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op de hoofdsom, oftewel 743,22 euro; cie2_old werd veroordeeld tot betaling aan cie5 van het bedrag van 23.761,06 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op datum van volledige betaling, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op de hoofdsom, oftewel 2.376,11 euro; cie3 werd veroordeeld tot betaling aan cie5 van het bedrag van 7.715,79 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op datum van volledige betaling, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op de hoofdsom, oftewel 771,58 euro; cie4 (cie4) werd veroordeeld tot betaling aan cie5 van het bedrag van 9.496,83 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op datum van volledige betaling, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op de hoofdsom, oftewel 949,68 euro;
alle andere en strijdige middelen werden verworpen als niet ter zake dienend; cie1, cie2_old, cie3 en cie4 (cie4) werden gezamenlijk in de kosten van het geding verwezen, die door de cie5 begroot werden en door de rechtbank werden vereffend op de dagvaardingskosten van 451,63 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 3.500 euro;
cie1, cie2_old, cie3 en cie4 (cie4) werden elk veroordeeld tot één vierde van de rolrechten van
165 euro (hetzij elk 41,25 euro) aan de FOD Financiën, na uitnodiging hiertoe.
De rechtbank oordeelde dat zij zich diende te voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof en dat cie6 ten onrechte trachtte terug te komen op hetgeen reeds door het Grondwettelijk Hof werd beslist en oordeelde dat de dienst waarop BTW moet worden betaald, namelijk de terbeschikkingstelling van verpleegkundig personeel, niet vrijgesteld is van BTW en dat dit geen ongerechtvaardigd onderscheid met zich in het leven roept en het beginsel van de fiscale neutraliteit niet schendt.
De rechtbank sloot zich aan bij het Grondwettelijk Hof dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgde dat er geen aanleiding bestond om de door eisers in hoger beroep voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
De rechtbank verklaarde de vordering van cie5 daarom gegrond en om het louter vergoedend karakter te kunnen behouden en geen punitief karakter te krijgen, herleidde de rechtbank het schadebeding en de interestvoet.
Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
Wat betreft de proceskosten oordeelde de rechtbank dat wanneer eenzelfde advocaat verscheidene partijen bijstaat, de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld moet worden. De rechtbank oordeelde dat de vordering van cie5 vervat ligt in de schijf van 40.000,01 euro tot 60.000 euro zodat de rechtsplegingsvergoeding 3.500 euro bedraagt.
Tegen dit vonnis hebben eisers in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 13/02/2023, hoger beroep ingesteld.
Bij eerste conclusie neergelegd ter griffie van het hof stelde verweerster in hoger beroep incidenteel beroep in.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eisers in hoger beroep vorderen:
het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en opnieuw rechtdoende, het bestreden vonnis te vernietigen en als volgt te oordelen; wat de oorspronkelijk hoofdvordering (met inbegrip van het incidenteel beroep) van verweerster in hoger beroep betreft;
de oorspronkelijk vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
zou uw hof twijfels hebben over de interpretatie van het Europees recht ter zake, verzoeken eisers in hoger beroep het stellen van volgende prejudiciële vraag op basis van artikel 267 van het VWEU aan het Europees Hof van Justitie:
1° "Volgt uit artikel 132 (1) c), juncto artikel 28 van de Richtlijn van 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dat de terbeschikkingstelling van erkende verpleegkundigen door een uitzendbureau, dat de verpleegkundigen in kwestie in dienst heeft genomen en een factuur uitreikt in eigen naam aan zijn klanten, vrijgesteld is van de toepassing van de BTW, ondanks het feit dat het uitzendbureau zelf geen ziekenhuis, kliniek of dispensaria is in de zin van de nationale wetgeving, aangezien die bepaling dan de kosten van de medische verzorging zou verlagen en die verzorging aldus beter toegankelijk zou maken voor particulieren?"
20 "Indien uit artikel 132 (1) (c), juncto artikel 28 van de Richtlijn van 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde niet volgt dat de terbeschikkingstelling van erkende verpleegkundigen door een uitzendbureau, dat de verpleegkundigen in kwestie in dienst heeft genomen en een factuur uitreikt in eigen naam aan zijn klanten, vrijgesteld is van toepassing van de BTW, ondanks het feit dat het uitzendbureau zelf geen ziekenhuis, kliniek of dispensaria is in de zin van de nationale wetgeving, schendt die bepaling dan artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien die bepaling dan een discriminatie in het leven zou roepen tussen
patiënten die verzorgd worden door zorgpersoneel dat werd uitgezonden door ondernemingen die geen overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten met betrokken zorginstelling en die de BTW hierdoor doorgerekend zullen krijgen;
patiënten die verzorgd worden door zorgpersoneel dat werd uitgezonden door
een — onderneming die wel een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten met de betrokken zorginstelling, of door een beroepsbeoefenaar die als werknemer, zelfstandige of via een vennootschap werkt en die de BTW niet doorgerekend zullen krijgen?"
Wat de oorspronkelijke tegenvordering betreft:
verweerster in hoger beroep te veroordelen tot het opmaken van de nodige
creditnota's om alle ten titel van BTW gefactureerde bedragen te compenseren;
In ieder geval:
verweerster in hoger beroep te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de gebeurlijk te indexeren rechtsplegingsvergoedingen en de kosten van het kantonnement, begroot op 4.200 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 4.200 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, 24 euro bijdrage begrotingsfonds betaald in hoger beroep, kosten van kantonnement PM.
Verweerster in hoger beroep vordert:
het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren; dienvolgens eisers in hoger beroep te veroordelen om aan verweerster in hoger beroep volgende respectievelijke bedragen in hoofdsom te betalen uit hoofde van onbetaalde facturen, te vermeerderen met de conventionele nalatigheidsinteresten a rato van 1% per kalendermaand op de hoofdsom van bovenvermelde facturen, vanaf de respectievelijke vervaldagen van alle voormelde facturen en met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding en dit tot op de dag van consignatie d.d. 14 maart 2023:
in hoofde van eerste eiseres in hoger beroep: 7.432,18 euro
in hoofde van tweede eiseres in hoger beroep: 23.761,06 euro - in hoofde van derde eiseres in hoger beroep: 7.715,79 euro
in hoofde van vierde eiseres in hoger beroep: 9.496,83 euro
eisers in hoger beroep te horen veroordelen tot de betaling aan verweerster in hoger
beroep van een schadebeding van respectievelijk:
in hoofde van eerste eiseres in hoger beroep: 2.062,38 euro
in hoofde van tweede eiseres in hoger beroep: 20.536,35 euro
in hoofde van derde eiseres in hoger beroep: 6.668,65 euro
in hoofde van vierde eiseres in hoger beroep: 8.207,98 euro
eisers in hoger beroep in solidum te horen veroordelen tot de dagvaardingskosten, begroot op 451,63 euro, alsook de rechtsplegingsvergoeding, begroot in hoofde van verweerster in hoger beroep op het basisbedrag van 4.200 euro in eerste aanleg en 4.709,30 euro in hoger beroep.
De Belgische Staat, vrijwillig tussenkomende partij verzoekt:
- de vordering van de Belgische Staat als tussenkomende partij ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het hoger beroep van eisers in hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te
verklaren;
het bestreden vonnis te bevestigen,
geen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie;
te zeggen voor recht dat de door verweerster in hoger beroep aan eisers in hoger beroep verrichte prestaties een "terbeschikkingstelling van personeel" betreft, die krachtens art. 18, §1, 2° WBTW effectief onderworpen is aan BTW-heffing en er geen BTW-vrijstelling van toepassing is
eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van de gedingen en de rechtsplegingsvergoedingen, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van 1.800 euro en in graad van beroep van 1.883,72 euro (verder te indexeren).
Ter zitting verzoeken eisers in hoger beroep en verweerster in hoger beroep de rechtsplegingsvergoeding per aanleg te begroten op 4.500 euro in eerste aanleg en 4.709,30 euro in hoger beroep. De raadsman van de Belgische Staat gedraagt zich naar de wijsheid van het hof voor wat de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft.
Ter zitting zijn partijen het eens dat de zaak vrijgesteld is van rolrecht in hoger beroep.
2. Bespreking
2.1 Verschuldigdheid BTW (hoofdberoep)
De betwisting heeft betrekking op de verschuldigdheid van de BTW op de facturen uitgereikt door verweerster in hoger beroep aan eisers in hoger beroep. De partijen voeren betwisting over het feit of de geleverde prestaties vrijgesteld zijn van BTW.
cie5 stelt dat er te dezen sprake is van terbeschikkingstelling van personeel. cie5 factureerde de gewerkte uren, loontoeslagen enz. met toepassing van 21 % BTW.
Eisers in hoger beroep stellen dat de geleverde prestaties vrijgesteld zijn van BTW.
Het hof merkt vooreerst op dat de vraag naar het al dan niet aanvaard karakter van de facturen irrelevant is nu de betwisting duidelijk slaat op het aspect van de BTW, dat de openbare orde raakt. Dat tussen ondernemingen een aanvaarde factuur of een niet binnen redelijke termijn geprotesteerde factuur het bewijs oplevert van de aangevoerde rechtshandeling (te dezen een overeenkomst tot levering van diensten) impliceert nog niet dat de handelingen terecht met toepassing van 21% BTW werden gefactureerd. De verplichting om tijdig de facturen te protesteren kan geen afbreuk doen aan de wetten die de openbare orde raken.
Bijgevolg dient het hof zelfs in geval er sprake zou zijn van aanvaarde of niet binnen redelijke termijn geprotesteerde facturen na te gaan of de handelingen (voorwerp van de facturen) al dan niet vrijgesteld zijn van BTW.
Artikel 2 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna de BTW-richtlijn genoemd) bepaalt:
"1. De volgende handelingen zijn aan de BTW onderworpen: [...] c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht; [...]."
Artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt: "Als 'belastingplichtige ' wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit".
Artikel 10 van de btw-richtlijn bepaalt: "De in artikel 9, lid 1, bedoelde voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, sluit loontrekkenden en andere personen van de belastingheffing uit, voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever".
Hoofdstuk 2 van titel IX van deze richtlijn heeft als opschrift "Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang". Dat hoofdstuk omvat de artikelen 132 tot en met 134.
Artikel 132, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:
"De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen: [...]
b) ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;
c) medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat;
t..I
g) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;
Artikel 371 van de btw-richtlijn bepaalt: "De lidstaten die op 1 januari 1978 vrijstelling verleenden voor de in de lijst van bijlage X, deel B, genoemde handelingen, mogen deze, onder de in iedere betrokken lidstaat op die datum bestaande voorwaarden, blijven vrijstellen ".
Bijlage X, deel B, van de btw-richtlijn bepaalt:
"DEEL B - Handelingen die de lidstaten mogen blijven vrijstellen
[...]
2) diensten van auteurs, kunstenaars, vertolkers van kunstwerken, advocaten en andere
beoefenaren van vrije beroepen, andere dan de medische en paramedische beroepen, met
uitzondering van volgende diensten:
••]
g) het terbeschikkingstellen van personeel aan belastingplichtigen;
-.1."
De bewoordingen waarin de in artikel 132 van richtlijn 2006/112 bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, moeten strikt worden uitgelegd aangezien zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door deze vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit dat inherent is aan het gemeenschappelijke BTW-stelsel. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van dat artikel 132 zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren (zie arresten Horizon College, C-434/05, EU:C:2007:343, punt 16; Commissie/Nederland, C-79/09, EU:C:2010:171, punt 49; Zimmermann, C-174/11, EU:C:2012:716, punt 22, en Klinikum Dortmund, C-366/12, EU:C:2014:143, punten 26 en 27).
Voormelde bepalingen werden omgezet in de Belgische BTW-wetgeving.
Zo bepaalt art. 18 § 1, 2° WBTW dat als een dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek. Als een dienst wordt onder meer beschouwd, de uitvoering van een contract dat de terbeschikkingstelling van personeel tot voorwerp heeft.
Inzake BTW vormt bijgevolg de terbeschikkingstelling van personeel onder bezwarende titel door een als zodanig handelende belastingplichtige een dienstverrichting die in principe belastbaar is. In dat geval brengt de terbeschikkingstelling van personeel de verplichting mee om een factuur uit te reiken en de andere BTW-formaliteiten te vervullen (verplichtingen waaraan cie5 te dezen voldeed).
Artikel 44, § 1, 2°, van het WBTW, in de versie zoals van toepassing op onderhavig geschil, bepaalt: "Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid: [...] 2° vroedvrouwen, verpleegkundigen en zorgkundigen"
Overeenkomstig artikel 44, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek zijn de diensten die door zorgkundigen worden verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid vrijgesteld van de BTW.
Onder zorgkundige wordt verstaan, de persoon die specifiek is opgeleid om de verpleegkundige onder zijn/haar toezicht bij te staan inzake zorgverstrekking, gezondheidsopvoeding en logistiek, in het kader van de door de verpleegkundige gecoördineerde activiteiten binnen een gestructureerde equipe (zie Circ.nr.2017/C/26 betreffende de BTW-vrijstelling ten aanzien van de prestaties verricht door zorgkundigen). De rechtsvorm van de belastingplichtige die de medische of paramedische verstrekkingen levert, is zonder belang voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 1, 2°, van het WBTW (Hof van Justitie. 10 september 2002, C-141/00 en Hof van Justitie, 6 november 2003, C-45/01, curia.europa.eu).
Overeenkomstig artikel 44 § 2 WBTW, in de versie zoals van toepassing op onderhavig geschil, zijn eveneens van de belasting vrijgesteld:
"1°, a) de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria.
Van de vrijstelling bedoeld in de bepaling onder a) zijn uitgesloten, de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen die betrekking hebben op de ingrepen en behandelingen als bedoeld in paragraaf 1, 1° tweede lid;
[...]
2° de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.
Worden met name bedoeld:
— de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;
Het hof merkt vooreerst op dat de vrijstelling van diensten van verpleegkundigen waarop eisers in hoger beroep zich beroepen artikel 132 lid 1, c) BTW-richtlijn betreft en niet 132 lid 1, b) van de BTW-richtlijn zoals verkeerdelijk vermeld op p. 28 van de syntheseconclusies. Het hof gaat hierna dan ook enkel verder in op artikel 132 lid 1, c) BTW-richtlijn.
Eisers in hoger beroep zijn vennootschappen die rust- en verzorgingstehuizen uitbaten. Zij maken deel uit van de cie6, waarvan cie7 de moedervennootschap is.
Tussen cie7 en verweerster in hoger beroep werd op 25/01/2018 een kaderovereenkomst gesloten waarbij cie7 wenste om bepaalde personeelsnoden in te vullen en daarvoor een beroep deed op professionals van cie5. De kaderovereenkomst betreft een kaderovereenkomst voor uitzendarbeid en legt het contractueel kader vast waarbinnen de professionals ter beschikking gesteld zullen worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juli 1987 en de CAO's inzake uitzendarbeid en onder de algemene voorwaarden van cie5.
Iedere individuele uitzendactiviteit met haar specificaties werd vastgelegd in deel-uitzendovereenkomsten.
De kaderovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat de wettelijke bepalingen inzake uitzendarbeid van toepassing zijn op de prestaties van de professionals.
Met de werknemer die tewerkgesteld wordt als uitzendkracht, wordt door cie5 telkens een arbeidsovereenkomst afgesloten.
De terbeschikkingstelling heeft betrekking op de diensten van personen die gebonden zijn door een arbeids- of bediendencontract en de ter beschikking gestelde personeelsleden werken onder de leiding van de persoon tot wiens beschikking ze werden gesteld. Bij uitzendarbeid wordt een uitzendkracht (werknemer) in dienst genomen door een uitzendbureau (werkgever) met de bedoeling om te worden uitgeleend aan een gebruikende onderneming (klant van het uitzendbureau) en daar tijdelijke arbeid te verrichten.
Uit samenlezing van de bepalingen van de kaderovereenkomst, de deelovereenkomst en de arbeidsovereenkomst blijkt duidelijk dat cie5 de werknemer/professional heeft aangeworven om deze ter beschikking te stellen van eisers in hoger beroep met het oog op het uitvoeren van een tijdelijk werk. cie5 is de enige juridische werkgever van de uitzendkracht en heeft tijdens de uitoefening van de uitzendopdracht tijdelijk het feitelijke werkgeversgezag overgedragen aan eisers in hoger beroep. Het is duidelijk dat eisers in hoger beroep aan de "professional" (uitzendkracht) instructies geven met betrekking tot het werk dat moet worden uitgevoerd en dat eisers in hoger beroep instaan voor de toepassing van de regels m.b.t. arbeidsduur en de arbeidsveiligheid zoals die gelden op de plaats van het werk (zie art. 3 en 8 kaderovereenkomst, art. 3 en 10 algemene voorwaarden, art. 1 en 3 deelovereenkomst).
De enige diensten die te dezen relevant zijn, zijn de diensten die cie5 verricht, zijnde de terbeschikkingstelling van deze werknemers.
De kaderovereenkomst bepaalt in artikel 4 dat de vergoeding voor de werkzaamheden van de professional per project wordt vastgesteld in de deelovereenkomst (art. 4.1) en dat de vergoeding de algemene en directe kosten, verzekeringskosten, sociale bijdragen, diverse belastingen en taksen en de verplaatsingskosten naar de vaste uitvoeringsplaats (namelijk het dagelijkse woon-werkverkeer) omvat, tenzij anders vermeld in de deelovereenkomst (art. 4.2).
In de voorgelegde deelovereenkomsten (specificaties per project) onder artikel 2 wordt vervolgens telkens (per project) de vergoeding per uur excl. BTW bepaald die in ruil voor de prestaties van de professional moeten betaald worden. Deze vergoeding (het uurtarief) dekt de overeengekomen prestaties gedurende de normale werkuren.
Dit betreft een forfaitair uurtarief dat werd overeengekomen en het is op basis van dit forfaitair uurtarief dat de geleverde prestaties werden gefactureerd.
De facturen hebben betrekking op een welbepaalde uitzendkracht met vermelding van de maand waarin de prestaties werden geleverd, de gewerkte uren, de professionele hoedanigheid van de betrokken uitzendkracht en de loontoeslagen. Uit de voorgelegde facturen, in samenlezing met de kaderovereenkomst, deelovereenkomst en arbeidsovereenkomst blijkt dat cie5 de terbeschikkingstelling van de door haar aangeleverde uitzendkrachten aanrekende aan eisers in hoger beroep op basis van een forfaitair uurtarief dat naast de zuivere loonkost alle andere onkosten en uitgaven dekte en ruim meer omvatte dan de zuivere loonkost.
Er is te dezen sprake van terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van gebruikers (zijnde de klanten van verweerster in hoger beroep) door een erkend uitzendkantoor (zijnde verweerster in hoger beroep) en niet van medische prestaties.
cie5 treedt niet op als tussenpersoon of commissionair in de zin van art. 20 §1 WBTW. Zij stelt enkel verpleegkundigen ter beschikking van eisers in hoger beroep. De verpleegkundigen werken in ondergeschikt verband voor eisers in hoger beroep aan wie ze zijn ter beschikking gesteld (cie6 of een onderneming uit die groep) en oefenen geen economische activiteit als zelfstandige uit.
Uit geen enkel gegeven blijkt dat het hier zou gaan om een "aanneming van werk" die betrekking heeft op diensten die zijn vrijgesteld krachtens artikel 44, § 1, 2° van het BTW-Wetboek omdat ze behoren tot de geregelde werkzaamheid van verpleegsters (Beslissing nr. E.T. 8.412 van 8 november 1971). Het is te dezen geenszins zo dat de beide contracterende partijen de overeenkomst zouden aanmerken als een aannemingscontract. Integendeel, dit wordt uitdrukkelijk betwist door verweerster in hoger beroep en is precies het voorwerp van het geschil tussen de contracterende partijen. Bijgevolg kan men zich te dezen bezwaarlijk beroepen op de administratieve beslissing van E.T. 8.412 van 08 november 1971 waarin gesteld wordt, bij wijze van toegeving, dat de administratie de interpretatie van contracterende partijen niet zal betwisten wanneer de partijen de tussen hen gesloten overeenkomst aanmerken als een contract van aanneming van werk.
Deze administratieve toegeving vindt bovendien evenmin steun in de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie o.a arrest van het Hof van Justitie van 12 maart 2015 in zake cie8 (C-594/13) zoals hierna aangehaald).
De betwisting heeft aldus te dezen geen betrekking op de facturatie van medische prestaties die door het betrokken verpleegkundig personeel werden geleverd, maar op de facturatie van de prestaties inzake terbeschikkingstelling van personeel die door de NV Maandag
België Flex aan eisers in hoger beroep werden geleverd.
Het betreft hier geenszins de rechtstreekse levering van verpleegkundige prestaties. cie5 verricht geen verpleegkundige diensten maar stelt verpleegkundig personeel ter beschikking. In casu gaat het over de levering van diensten inzake terbeschikkingstelling van personeel en deze diensten zijn duidelijk te onderscheiden van verpleegkundige prestaties.
De terbeschikkingstelling van werknemers als zodanig is geen dienst van algemeen belang.
Bij zijn arrest van 12 maart 2015 in zake cie8 (C-594/13), heeft het Hof van Justitie eveneens reeds geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van werknemers geen handeling vormt die op basis van artikel 132, lid 1, g), van de BTW-richtlijn van BTW vrijgesteld zou kunnen worden. Die bepaling voorziet in een vrijstelling voor "diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend".
De zaak die tot het voormelde arrest heeft geleid, betrof de terbeschikkingstelling van verpleegkundigen en zorgverleners door het uitzendkantoor « cie8 » aan klinische of ambulante zorginstellingen, die onder toezicht en in opdracht van die zorginstellingen verpleegkundige en zorgkundige diensten verrichtten. In dat verband overwoog het Hof van Justitie dat « de enige diensten die in de omstandigheden van het hoofdgeding relevant zijn, in geen geval de diensten [zijn] die de werknemers van ` cie8' binnen een verhouding van ondergeschiktheid met de zorginstellingen verrichten ten behoeve van hulp- of zorgbehoevenden, maar de diensten die dat uitzendbureau verricht, zijnde de terbeschikkingstelling van deze werknemers ».
Hoewel de voormelde zaak betrekking had op de in artikel 132, lid 1, g), van de BTW-richtlijn opgenomen vrijstelling, kan het besluit van het Hof van Justitie in de zaak cie8 worden doorgetrokken naar de voorliggende zaak. De prestaties inzake terbeschikkingstelling van verpleegkundig personeel kunnen niet worden beschouwd als "handelingen die [...] nauw samenhangen" met een vrijgestelde prestatie, nu zij geen diensten van algemeen belang in de zin van artikel 132, lid 1, van de BTW-richtlijn zijn.
Gelet op de strikte interpretatie die aan de in artikel 132, lid 1, c), opgenomen vrijstelling moet worden gegeven, kunnen de prestaties inzake terbeschikkingstelling van personeel die door de cie5 aan eisers in hoger beroep werden geleverd, niet worden geacht te vallen onder de in die bepaling opgenomen prestaties inzake "medische verzorging". Dergelijke prestaties zijn aan BTW onderworpen, op grond van de artikelen 2, lid 1, c), en 9, lid 1, van de BTW-richtlijn en artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het WBTW.
De diensten van terbeschikkingstelling van verpleegkundig personeel aan een zorginstelling kunnen eenvoudig worden afgesplitst van de prestaties van de verrichting van verpleegkundige diensten. Deze diensten van terbeschikkingstelling zijn ook afzonderlijk toegankelijk en niet onmisbaar voor de levering van de verpleegkundige prestaties zelf aan de patiënt. De zorginstelling kan immers ook zelf verpleegkundig personeel aanwerven of een aannemingscontract sluiten met verpleegkundigen die op zelfstandige basis werken. De diensten van terbeschikkingstelling van verpleegkundig personeel betreft een onderscheiden en zelfstandige prestatie.
De prestaties inzake de terbeschikkingstelling van personeel hebben een zelfstandig doel en vertegenwoordigen een aanzienlijke economische waarde. De verpleegkundige prestaties zijn niet afhankelijk van de terbeschikkingstelling van verpleegkundig personeel door een uitzendkantoor.
Gelet op al het voorgaande gaan de aanvoeringen van eisers in hoger beroep dat er te dezen sprake is van één enkele prestatie dan ook uit van een verkeerde veronderstelling. Samengevat oordeelt het hof dat de prestaties van terbeschikkingstelling van personeel te dezen niet nauw verbonden zijn met de verpleegkundige prestaties en objectief gezien niet één enkele ondeelbare economische prestatie hiermee uitmaken, waarvan de splitsing kunstmatig zou zijn. Evenmin kunnen te dezen de prestaties van terbeschikkingstelling van personeel beschouwd worden als nevenprestaties van de verpleegkundige prestaties. Noch hangen de prestaties van terbeschikkingstelling van personeel nauw samen met de vrijgestelde verpleegkundige prestaties, nu zij geen diensten van algemeen belang zijn in de zin van artikel 132 lid 1 BTW-richtlijn.
Het Grondwettelijk Hof oordeelde naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld in onderhavige zaak in dezelfde zin en besloot dat het verschil in behandeling tussen enerzijds de terbeschikkingstelling van zorgpersoneel (onderworpen aan de BTW) en anderzijds de diensten van zorgpersoneel als dusdanig (vrijgesteld van BTW) wettig is (GwH 2 december 2021, nr. 175/2021, www.const-court.be).
Het hof is van oordeel dat er derhalve geen sprake is van een schending van het beginsel van neutraliteit.
Gelet op al het voorgaande acht het hof het voor de oplossing van het geschil niet nodig om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Er is te dezen geen twijfel over de interpretatie of geldigheid van een bepaling van het Unierecht rekening houdende met de rechtspraak van het Hof van Justitie zoals aangehaald en toegepast in voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof.
Gelet op al het voorgaande voegt het hof zich volledig naar het arrest van het Grondwettelijk Hof gewezen in onderhavige zaak naar aanleiding van een prejudiciële vraagstelling (art. 28 lid 1 bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof).
Bijgevolg is de vordering zoals gevorderd in hoofdsom door verweerster in hoger beroep gegrond.
Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
2.2 Schadebeding en nalatigheidsinteresten (incidenteel beroep)
Overeenkomstig artikel 1231 (oud) B.W. kan de rechter, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.
In geval van herziening kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot een kleinere geldsom dan bij gebrek aan strafbeding verschuldigd zou zijn geweest.
In toepassing van art. 1231 § 2 (oud) B.W. kan de straf door de rechter worden verminderd wanneer de hoofdverbintenis gedeeltelijk is uitgevoerd.
Artikel 1231 §3 (oud) B.W. bepaalt dat ieder beding dat strijdig is met de bepalingen van dit artikel voor niet-geschreven wordt gehouden.
Het hof stelt vast dat te dezen de verbintenis gedeeltelijk is uitgevoerd. Uiteindelijk werd de hoofdsom van de facturen volledig betaald. Enkel de op deze hoofdsom verschuldigde BTW werd niet voldaan. Bijgevolg kan het schadebeding in toepassing van art. 1231 §2 (oud) B.W. worden verminderd door het hof.
In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat een forfaitaire schadevergoeding van 15 % op de factuurschuld met een minimum van 125,00 EUR kennelijk onredelijk is aangezien hiermee kennelijk de potentiële voorzienbare schade wordt overschreden.
Bijgevolg acht het hof het te dezen evenredig en proportioneel om het schadebeding van 15% dat betrekking heeft op de volledige niet-nakoming door de schuldenaar, te herleiden naar 10% en te beperken tot de gedeeltelijke niet-nakoming door de schuldenaar.
Het forfaitair verhogingsbeding van 10% berekend op het nog verschuldigde saldo strekt er in alle redelijkheid toe de schuldeiser te vergoeden voor het nadeel dat hij lijdt door de bijkomende kosten en inspanningen die hij zich moet getroosten om volledige betaling te verkrijgen.
Moratoire of verwijlinteresten zijn de nalatigheidsinteresten die verschuldigd zijn bij wijze van herstel wegens laattijdige nakoming van een geldschuld. De gerechtelijke interesten hebben de aard van moratoire interesten.
Uit artikel 1153 (oud) B.W. blijkt dat, indien de verbintenis van de schuldenaar van bij de aanvang de betaling van een geldsom tot voorwerp heeft, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering bestaat uit de verwijlinteresten. Zij vertegenwoordigen immers de schade die de schuldeiser vermoed wordt te hebben geleden wegens vertraging in de uitvoering van de verbintenis.
Artikel 1153 (oud), laatste lid BW bepaalt dat de rechter de conventionele rente ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar kan verminderen, indien deze rente "kennelijk" (= duidelijk, onbetwistbaar, zonder enige twijfel) de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat, zonder dat de herleide rente lager kan zijn dan de wettelijke rente.
Het hof acht een intrestvoet van 1 % per maand vanaf de vervaldatum, zoals conventioneel overeengekomen, kennelijk overdreven.
De eerste rechter herleidde met toepassing van artikel 1153 (oud), laatste lid BW de intrestvoet, door verweerster in hoger beroep bepaald op 1% per maand vanaf de vervaldatum, tot de intrestvoet overeenkomstig de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.
Rekening houdend met de marktintrest sinds de factuurdata gaat de gevorderde rente van 1 per maand de ten gevolge van de vertraging geleden schade kennelijk te boven.
Het hof sluit zich bijgevolg aan bij de herleiding van de conventionele intrest tot de intrest, zoals bepaald door artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002. Verweerster in hoger beroep heeft haar contractuele verplichtingen vervuld en heeft het verschuldigde bedrag niet op tijd ontvangen zodat zij vanaf de daaropvolgende dag, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, recht heeft op betaling van interest. Het blijkt niet dat eisers in hoger beroep niet verantwoordelijk zijn voor de vertraging.
De moratoire intresten hebben tot doel de schuldeiser te vergoeden voor de schade die hij lijdt door de vertraging in de betaling.
In dit verband moet er tevens aan herinnerd worden dat t.a.v. geldschulden de niet-uitvoering of de gedeeltelijke uitvoering noodzakelijk op een laattijdige uitvoering neerkomen, zodat zij in het toepassingsbereik van art. 1153 (oud) B.W. vallen. De interesten lopen op de op de respectievelijke vervaldata nog openstaande factuurbedragen en vanaf dan. De intresten houden op te lopen vanaf de storting in consignatie (zijnde op 14 maart 2023).
Wat betreft de aanrekening overeenkomstig artikel 1254 (oud) BW, zoals beslist door de eerste rechter worden door partijen in hoger beroep geen concrete argumenten aangehaald om deze aanrekening te betwisten.
Deze verwijlinterest loopt bijgevolg in geval van laattijdige betaling van rechtswege vanaf de respectievelijk vervaldata van de respectievelijke facturen op het op dit ogenblik openstaande factuurbedrag, verminderd met de deelbetalingen aangerekend overeenkomstig artikel 1254 (oud) BW.
Het beschikkend gedeelte van de eerste rechter wordt door het hof ook in die zin aangepast. Het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep is in die zin dan ook in beperkte mate gegrond.
Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
2.3 De kosten van het qedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
De veroordeling tot de gerechtskosten veronderstelt dat tussen de partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat, dit is enkel het geval in de rechtsverhouding tussen eisers in hoger beroep en verweerster in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat gelet op de concrete elementen van onderhavige zaak, in het geheel beschouwd, er sprake is van eenzelfde geschil. Bijgevolg begroot het hof 1 rechtsplegingsvergoeding voor alle eisers in hoger beroep.
De vordering is in geld waardeerbaar en eisers in hoger beroep en verweerster in hoger beroep zijn het ter zitting eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 4.500 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 4.709,30 euro in hoger beroep. Het hof ziet geen enkele reden om af te wijken van deze basisbedragen.
Nu partijen in deze rechtsverhouding onderscheidenlijk omtrent enig punt van het geschil in het ongelijk worden gesteld worden de kosten van het geding tussen hen omgeslagen in de mate zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest.
Het hof is verder van oordeel dat de Belgische Staat geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding. De in het ongelijk gestelde partij dient een rechtsplegings- vergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij indien tussen deze partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat. Dit veronderstelt dat de ene partij een vordering in rechte instelt strekkende tot de veroordeling van de andere partij: het louter tegen elkaar concluderen door partijen die niets van elkaar vorderen, doet geen daadwerkelijke procesverhouding ontstaan die een veroordeling tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding door de ene partij aan de andere wettigt. De Belgische Staat sluit zich gewoon aan bij het standpunt van verweerster in hoger beroep doch stelt zelf geen vordering tot veroordeling van een andere partij in de procedure.
Hieraan wordt geen afbreuk gedaan doordat, ondanks de afwezigheid van daadwerkelijke procesverhouding, ten onrechte een veroordeling tot de kosten wordt gevorderd. De kosten van deze tussenkomst blijven ten laste van de vrijwillige tussenkomende partij zelf.
Uiteraard kan een vrijwillige — bewarende —tussenkomst geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding opleveren.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eisers in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond als volgt.
Het hof verklaart het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en beperkt gegrond als volgt.
Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt:
Het hof veroordeelt:
- cie1 tot betaling aan cie5 van het bedrag van 7.432,18 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen op de op dat ogenblik openstaande factuurbedragen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op de dag van consignatie d.d. 14 maart 2023, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op 7.432,18 euro, oftewel 743,22 euro;
cie2_old, (thans cie2) tot betaling aan cie5 van het bedrag van 23.761,06 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen op de op dat ogenblik openstaande factuurbedragen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op de dag van consignatie d.d. 14 maart 2023, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op 23.761,06 euro oftewel 2.376,11 euro;
cie3 tot betaling aan cie5 van het bedrag van 7.715,79 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen op de op dat ogenblik openstaande factuurbedragen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op de dag van consignatie d.d. 14 maart 2023, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op 7.715,79 euro, oftewel 771,58 euro;
cie4 (cie4) tot betaling aan cie5 van het bedrag van 9.496,83 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet herleid tot de interestvoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, vanaf de vervaldata van de facturen op de op dat ogenblik openstaande factuurbedragen tot op datum van dagvaarding, zijnde 19/02/2019, en met de gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet vanaf dan tot op de dag van consignatie d.d. 14 maart 2023, met toerekening van de deelbetalingen conform art. 1254 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, en met de forfaitaire schadevergoeding van 10% op 9.496,83 euro, oftewel 949,68 euro.
Het hof veroordeelt in de rechtsverhouding tussen eisers in hoger beroep en verweerster in hoger beroep, eisers in hoger beroep tot 9/10de van de kosten van het geding en verweerster in hoger beroep tot 1/10de van de kosten van het geding, begroot in hoofde van: eisers in hoger beroep op 4.500 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, op 4.709,30 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op 24 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep;
verweerster in hoger beroep op 451,63 euro dagvaardingskosten (inclusief de 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand), op 4.500 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op 4.709,30 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Het hof wijst al het overige en/of anders gevorderde af.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 5 mei 2026 door
C. PRINCEN
E. DE BRAUWER
K. LEYSEN
E. CLEYMANS
Raadsheer dd. voorzitter
Raadsheer
Raadsheer
Griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.