Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 21 avril 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-preuve-cour-appel-anvers-2005-04-21-27e1

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
21 avril 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

55 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 21.04.2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Zitting van : 21 APRIL 2005

Inzake : 2002/AR/2180

BVBA J. N., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …, ondernemingsnummer …;

appellante,

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 25 februari 2002

vertegenwoordigd door Mr. E. G., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Ontvanger-Rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;


1. De antecedenten en de vorderingen

Het voorwerp van het door appellante bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 15.12.1997 tegen geïntimeerde ingestelde fiscaal verzet en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis d.d. 25.2.2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en dit hof verwijst daar naar en vult deze feiten aan zoals hierna volgt.

De eerste rechter verklaarde het fiscaal verzet ongegrond.

Appellante, die bij een ter griffie van dit hof op 9.9.2002 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de gegrondheid van haar fiscaal verzet.

Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. Beoordeling

De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, geoordeeld dat de bewijsgaring in onderhavig fiscaal geschil rechtsgeldig gebeurd is.

Dit hof voegt daar in antwoord op de door appellante uiteengezette grieven nog aan toe dat overeenkomstig artikel 210, § 2 A.W.D.A. het litigieus "relaas van verklaringen 424" rechtsgeldig door tussenkomst van een ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur, met name door verzending per telefax, door een ander ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur in het uitoefenen van zijn functies bekomen werd.

In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert, heeft de heer B. G. zijn ondertekende verklaring d.d. 4.12.1997 t.o.v. de douaneambtenaren S. D. en T. J. niet volledig herroepen doch enkel aangevuld als volgt : "... Thuis heb ik de vluchten nagekeken en het blijkt dat er minder vluchten geannuleerd zijn dan vermeld in de verklaring. De annulatie had telkens de volgende technische reden : na het valideren van het douanedocument bel ik telkens een contactpersoon op om de aanwezigheid van een koerier te bevestigen, alsook de plaats van ontmoeting na te checken. In de juist vermelde gevallen was de koerier al aanwezig in de transit van Zaventem, kon ik dus daar de goederen afgeven en moest ik dientengevolge mijn ticket niet opgebruiken. Daarom heb ik die laten annuleren.

Bij de export van 4 december zou mijn vrouw de goederen naar Genève brengen. Via een GSM oproep naar huis vernam ze dat haar gehandicapte dochter erg ziek was (hoge koorts, overgeven). Ze wou niet meer vertrekken, herhaalde dit meermaals en ik besloot de vlucht te annuleren. Gezien het vliegtuig eigenlijk kort na onze beslissing al moest vertrekken, zijn wij gerend richting Sabena - loket om de vlucht te annuleren. Maar onderweg zijn wij tegengehouden".

De bijkomende verklaring die de heer B. hier geeft voor de gebeurtenissen te Zaventem op 4.12.1997 worden tegengesproken door de inhoud van de ondertekende verklaring die mevrouw M. F., echtgenote van de heer B. G., op 9.12.1997 omtrent de gebeurtenissen d.d. 4.12.1997 gaf t.o.v. douaneambtenaren S. D. en M. P. (stuk 1, bundel appellante).

Om die reden oordeelt dit hof dat omtrent de gebeurtenissen te Zaventem op 4.12.1997 enkel de verklaring d.d. 4.12.1997 van de heer B. geloofwaardig is.

Uit deze verklaring blijkt dat B. G. als zaakvoerder van appellante op 4.12.1997 31,361 kg goudjuwelen in Milaan had aangekocht en ermee de transitzone in de luchthaven van Zaventem verlaten had in bezit van het niet geannuleerd EX1 document en een verkoopfactuur (bestemmeling gevestigd in Roemenië), daar waar het niet de bedoeling was om deze juwelen uit te voeren maar wel "... ze te verkopen in onze winkel te Antwerpen".

Het is dan ook bewezen dat door appellante voor deze goudjuwelen ten onrechte vrijstelling van BTW bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° BTW­Wetboek werd ingeroepen en dat op deze goederen bij toepassing van artikel 2 juncto artikel 64, § 1 BTW-Wetboek (luidens hetwelk hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht wordt de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waarop de belasting opeisbaar wordt) BTW à 21 % verschuldigd is en dient betaald te worden door appellante.

Over de waarde van deze goederen, te weten … oude Belgische franken, bestaat geen betwisting.

Om oordeelkundige redenen, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, heeft de eerste rechter het verzet op het door de fiscus aangerekend boetetarief van 200 % ongegrond verklaard. Zulke boete is niet onevenredig met de vastgestelde fiscale fraude.

M.b.t. de overige door geïntimeerde beweerde fictieve uitvoeren (met een waarde van vijfmaal … oude Belgische franken) verklaarde de heer B. G. op 4.12.1997 : "Het is niet de eerste keer dat ik, zoals vandaag, goederen ten uitvoer aanbied, een douanedocument laat valideren en vervolgens, in plaats van te vertrekken, weer België binnenkom met de goederen en dit alles zonder de uitvoerdocumenten te laten annuleren ... Telkens ik extra geld nodig had dit jaar deed ik een fictieve uitvoer. lk vermoed een zestal in totaal. Ik beloof u alle medewerking teneinde het juiste aantal correct te kunnen bepalen. Ik bevestig U dat het telkens ging over een bedrag van ongeveer … Belgische frank factuurprijs... Het is vandaag de eerste keer dat ik goederen fictief uitvoer nadat ik vanuit het buitenland op de luchthaven toekwam. In al de andere gevallen betrof het hem goederen die ik in mijn winkel in voorraad had. Het is dus zo dat ik bepaalde goederen meermaals ten uitvoer aangeboden heb, zonder ze echt te willen uitvoeren. Mijn bedoeling was afgestempelde douanedocumenten te bekomen, waarmee ik mijn zakencijfer kon omhoog brengen, teneinde alzo krediet bij de banken te bekomen."

Zoals hoger aangehaald heeft de heer B. G. deze zogenaamd "vijf andere fictieve uitvoeren van juwelen" genuanceerd en ontkend in zijn schriftelijke verklaring d.d. 23.12.1997, en deze beweringen van de heer B. dienen in hun geheel gelezen en begrepen te worden.

Ten onrechte verwijt geïntimeerde het aan appellante "... zich enkel te baseren op loutere beweringen", nu geïntimeerde zich voor deze vijf andere fictieve uitvoeren van juwelen zelf enkel baseert op de beweringen van de heer B. en deze beweringen dienen dan ook als dusdanig als bewijsmiddel gebruikt te worden.

Deze beweringen bewijzen niet dat appellante effectief welbepaalde juwelen (geen enkele omschrijving ervan wordt door geïntimeerde gegeven) fictief zou uitgevoerd hebben, daarvoor fictieve facturen en EX1 documenten zou opgesteld hebben en uiteindelijk deze juwelen in de winkel in Antwerpen zou verkocht hebben. Geïntimeerde bewijst ook niet dat een overeenstemmende hoeveelheid juwelen in de voorraad van appellante "zonder gekende bestemming" verdwenen zou zijn.

Nochtans vergden de verklaringen van de heer B. tot bewijs van de door geïntimeerde voorgehouden bijkomende fictieve uitvoeren van vijf partijen juwelen met een waarde van telkens … oude Belgische franken, een bijkomend onderzoek van de boekhouding van appellante, bijkomend onderzoek dat wel degelijk door de heer S. gedaan werd, zoals blijkt uit zijn proces-verbaal d.d. 10.12.1997 (waarvan appellante kopie bekwam, echter niet van de daarbij gevoegde bijlagen) - waarin o.m. gesteld werd : "Teneinde de bekentenissen van de heer B. te kunnen evalueren vroeg ik naar zijn boekhouding. Hij wees me de heer S. te … aan als zijn boekhouder. Op 5.12.1997 begaven wij ons naar Antwerpen alwaar wij op ons verzoek de gevraagde stukken voorgelegd kregen. Tegen afgifte van een inventaris namen wij de vermelde stukken mee. Kopie van deze inventaris is bijgevoegd als bijlage 6. Ten behoeve van het verder onderzoek werden de in de boekhouding voorkomende uitvoerdocumenten alsmede de corresponderende facturen tijdelijk door ons ingehouden. Als bijlage 7 is een lijst opgenomen van alle betreffende documenten. De copies werden door onze dienst voor eensluidend gewaarmerkt. Deze copies kunnen dienstig zijn met betrekking tot de verplichtingen ten overstaan van de BTW administratie" - maar waarvan ten onrechte geen enkel concreet gegeven (uitvoerdocumenten alsmede corresponderende facturen) door geïntimeerde (de BTW administratie) vermeld of aangehaald wordt.

Deze bijkomende fictieve uitvoeren (vijf) van juwelen met een waarde van telkens … oude Belgische franken zijn dan ook niet bewezen.

Daaruit volgt dat het dwangbevel slechts gegrond was ten belope van … BEF of … EUR BTW en … BEF of … EUR administratieve geldboete, vermeerderd met de daarop verschuldigde rente zoals vermeld in dit dwangbevel.

Nu het verzet ten dele gegrond is, dient geïntimeerde de kosten van dagvaarding (… BEF of … EUR) te betalen en blijven de overige gedingkosten ten laste· van de partij die ze gemaakt en/of vastgesteld heeft.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep gegrond als volgt;

Wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart het verzet ten dele gegrond als volgt;

Herleidt de in het dwangbevel gevorderde en door appellante verschuldigde BTW in hoofdsom tot … EUR en de daarin gevorderde administratieve boete tot … EUR;

Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de kosten van dagvaarding van … EUR en laat de overige gedingkosten ten laste van de partij die ze gemaakt en/of vastgesteld heeft.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van EENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF

waar aanwezig waren :

de heer E. H. Voorzitter

de heer E. L. Raadsheer

de heer J. E. Raadsheer

mevrouw G. V. Griffier.

G. V. J. E. E. L. E. H.

Textes cités

2
CTVA art. 391 occurrence
CTVA art. 641 occurrence

Décisions similaires

8