Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 1er avril 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaireTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-intracommunautaire-cour-appel-gand-2003-04-01-a267

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
1er avril 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

112 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 01.04.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent - 5e Kamer

Nr.1999/AP/2543

In de zaak van :

R. N.V., met zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder het nummer …;

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd Mr. R. O. loco Mr. D. H., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30 en in de persoon van de E.A. Inspecteur van het eerste BTW-controlekantoor te Torhout, met kantoor te 8820 Torhout, Burg 28,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. S. L., .advocaat te …, …,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Door de appellante werd tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer, van 25 oktober 1999 waarbij de vordering van de appellante werd afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep van de appellante strekt er toe het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende de geïntimeerde te doen veroordelen tot betaling van een som van … BEF (thans … EUR), meer de vergoedende intresten vanaf 31 maart 1998, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot datum algehele betaling. De eis strekt er tevens toe aan de appellante voorbahoud te verlenen betrekkelijk de inhoudingen die de geïntimeerde mocht hebben gedaan op de tegoeden van de appellante betrekkelijk deze leveringen, alsook te zeggen voor recht dat de appellante vrijgesteld was van belasting overeenkomstig artikel 39bis Ger. W. op de in het proces­verbaal van 30 januari 1998 genoemde facturen, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten.

Uiteindelijk wordt gevorderd in conclusies neergelegd op 28 maart 2001 de geïntimeerde in hoofdorde te doen veroordelen tot betaling van :

- de som van … BEF (thans … EUR), meer de vergoedende intrest vanaf 31 maart 1998, meer de gerechtelijke intresten;

- de som van … BEF (thans … EUR), meer de vergoedende intresten vanaf 8 september 1998, meer de gerechtelijke intresten.

Ondergeschikt vordert de appellante te zeggen voor recht dat zij niet gehouden is tot betaling van de aangerekende geldboete en voor zover deze geldboete werd verrekend via de BTW-tegoeden de geïntimeerde te doen veroordelen tot terugbetaling van de som van … BEF (thans … EUR), meer de vergoedende intrest vanaf datum afhouding dd. 31 maart 1998, meer de gerechtelijke intresten.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellante in de kosten van de beide aanleggen.

Feitelijke gegevens

De appellante heeft bij toepassing van art. 4 BTW-Wet de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige voor haar activiteit van fijnmechaniek.

Bij een controle van de boekhouding werden overtredingen vastgesteld in verband met de intracommunautaire levering van goederen inzonderheid de levering van metalen onderdelen voor videowalls aan het Nederlands bedrijf BV R. gevestigd te Naarden (Nederland). Eén en ander werd vastgelegd in een proces-verbaal opgemaakt op 30 januari 1998 op grond waarvan op 19 juni 1998 een dwangbevel werd uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke directeur op 29 juni 1998.

Ingevolge voormeld proces-verbaal was de appellante verschuldigd :

- als belasting over der toegevoegde waarde … BEF

(thans … EUR)

als geldboete … BEF

(thans … EUR).

Op grond van dit proces-verbaal werd op 31 maart 1998 door de appellante onder voorbehoud een bedrag betaald van … BEF (thans … EUR) dat door de geïntimeerde werd toegerekend als volgt : intresten … BEF (thans … EUR), geldboeten … BEF (thans … EUR) en BTW … BEF (thans … EUR), derwijze dat nog een bedrag verschuldigd bleef van … BEF (thans … EUR), meer de intresten en de vervolgingskosten.

Op 14 september 1998 werd door de administratie de opgelegde evenredige boete teruggebracht tot 10 % daar het frauduleuze karakter van de overtredingen niet kon worden aangetoond.

Blijkens de conclusies van de geïntimeerde neergelegd voor het Hof op 9 november 2000 werd reeds op 2 september 1998 bewarend beslag onder derden gelegd op een BTW-tegoed ontstaan uit de BTW-aangifte van het tweede kwartaal van 1998 t.b.v. … BEF (thans … EUR) .

De eis van de appellante strekt er toe de door haar betaalde of ingehouden bedragen terug te krijgen daar zij meent vrijgesteld te zijn van de belasting op grond van artikel 39bis, 1° BTW-Wet daar de gemaakte onderdelen daadwerkelijk België hebben verlaten naar een land binnen de Gemeenschap, zijnde Nederland.

De eerste rechter oordeelde dat het niet· bewezen was ·dat de aan de firma R. verkochte goederen daadwerkelijk naar Nederland werden uitgevoerd waar ze aan de Nederlandse BTW werden onderworpen.

In haar beroepsakte houdt de appellante staande dat bij de beoordeling moet worden uitgegaan dat de verkoper te goeder trouw is; dat de bestellingen uitgingen van de firma L. zijnde een afdeling van de firma R., dat de zendnota's gericht waren aan de firma R. op wiens naam de facturen waren gevestigd en dat de facturen zonder protest werden betaald via de KB-rekening van deze firma, doch ook via de Rabobank in Nederland. De geïntimeerde blijft erbij dat onvoldoende is bewezen dat de overgelegde stukken hebben aangetoond dat de geleverde goederen aan de Nederlandse verkoper werden overgebracht.

Beoordeling

Te dezen dient enkel te worden onderzocht of de appellante al dan niet beroep kan doen op de vrijstelling zoals bepaald in artikel 39bis BTW-Wet.

Art. 39bis, eerste lid, 1° BTW-Wet luidt als volgt :

“Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2 door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige; of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lid-staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4”.

Door het KB nr. 52 van 29 december 1992 werden de uitvoeringsbesluiten genomen :

Art. 2 van het KB nr. 52 met betrekking tot de vrijstellingen van intracommunautaire leveringen bepaalt :

"De in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of een niet­ belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat”.

Art.5 van hetzelfde KB nr. 52 bepaalt :

"De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken. Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen”.

De appellante is derhalve gehouden tot een dubbel bewijs. Enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van een beweerde intracommunautaire levering het Belgisch grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Ingevolge artikel 3 van het KB nr. 52 van 29 december 1992 is de bewijsvoering vrij in die zin dat alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt voor de bewijsvoering in aanmerking komen. Dit kan onder meer door overlegging van contracten, bestelbons, vervoerdocumenten en betalingstukken. De term onder meer wijst erop dat ook nog andere bewijsstukken mogelijk zijn. De goede trouw wordt desbetreffend niet vermoed.

In haar conclusies wijst de appellante erop dat de strenge bewijslast die de administratie oplegt in strijd is met de Europese regelgeving en in strijd zou zijn met artikel 28quater van de Zesde BTW-richtlijn. Deze laatste bepaling heeft betrekking op het vaststellen van de voorwaarden door België teneinde een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake uitvoer teneinde fraude en misbruik en ontwijking te voorkomen.

De vereisten van artikel 39bis BTW-Wet en de voorwaarden opgelegd door het KB nr. 52 zijn naar het oordeel van het Hof essentiële controlevereisten die de beoordeling op het recht tot vrijstelling moeten mogelijk maken.

Het blijkt niet dat de huidige wetgeving het verrichten van intracommunautaire leveringen verhindert en het vrij verkeer van goederen zou belemmeren. Het Europees recht verbiedt geenszins de Belgische wetgever om de bewijslast bij de belastingplichtige te leggen die derhalve gehouden is aan te tonen dat hij voldaan heeft aan de vrijstellingsvoorwaarden.

Hierna zal worden onderzocht in welke mate de echtheid van de verzending van de goederen kan worden aangetoond :

1. F.951692 van 5 juli 1995 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

In dit verband stelde de eerste rechter· terecht vast dat op voormelde factuur als leveringsadres "…..." werd vermeld hetgeen overigens overeenstemt met de zendnota. Deze laatste is woonachtig te ….. in de ….. Overigens gebeurde de order-bevestiging door …….. op briefpapier van L. doch met vermelding van een Belgisch telefoonnummer waarvan niet wordt betwist dat het toebehoort aan de BVBA V. I. P. (VIP) eveneens met maatschappelijke zetel te …, …. Bovendien diende de levering te gebeuren op een boekhoudkantoor alwaar het duidelijk is dat de geleverde onderdelen nog verdere bewerkingen dienden te ondergaan.

2. F. 952618 van 21 november 1995 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

Deze levering werd echter gecrediteerd met kredietnota 960060 zodat deze levering zonder voorwerp is geworden.

3. F. 960186 van 18 januari 1996 t.b.v. … BEF ( thans … EUR ).

Bij deze factuur werden twee zendnota's overgelegd één op naam van R. DV en één op naam van ….. te ….. Het is geenszins duidelijk welke zendnota aan de werkelijkheid beantwoordt. Het Hof kan alleen vaststellen dat enkel de zendnota aan ……. werd ondertekend.

Uit het proces-verbaal moet blijken dat deze factuur bovendien betaald werd door VIP. Dit wordt op geen enkele manier weerlegd door de appellante. Daarenboven legt de geïntimeerde de cheque en het afschrift van het rekeninguittreksel over (zie stuk 17, derde blad).

Uit dergelijke betaling moet worden afgeleid dat de werkelijke koper de Belgische firma VIP was en niet de Nederlandse firma L. Int. BV.

4. F. 960185 van 24 januari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR) .

Ook hier worden twee zendnota's overgelegd. Eén op naam van de. BV R. en twee op naam van …… Opvallend is dat alhoewel de zendnota' s zouden geannuleerd zijn deze niettemin werden afgetekend voor ontvangst door …… Ook hier werd de factuur betaald door de firma VIP.

Evenmin wordt weerlegd dat de betaling van de factuur gebeurde via de rekening van VIP.

5. F. 960469 dd. 5 februari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

Afgezien van het feit dat niet wordt betwist dat ook de betaling van deze factuur gebeurde via de rekening VIP wordt op de bestelbon uitdrukkelijk vermeld dat men bij vragen steeds terecht kan bij de technische dienst L. T. op een Belgisch telefoonnummer.

6. F. 960478 dd. 6 februari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

Afgezien van het feit dat niet wordt betwist dat ook de betaling deze factuur gebeurde via de rekening VIP wordt op de bestelbon uitdrukkelijk vermeld dat men bij vragen steeds terecht kan bij de technische dienst L. Technnlogies op een Belgisch telefoonnummer.

7. F. 960479 dd. 6 februari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

Ook hier wordt niet betwist dat de betaling gebeurde via de Belgische firma VIP.

8. F. 960379 dd. 12 februari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

F. 960315 dd. 20 februari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

Een sluitend bewijs van levering aan de BV R. ligt niet voor. Te dezen volstaat het te verwijzen naar de bestelbon waar opnieuw verwezen wordt naar de technische dienst L. en een Belgisch telefoonnummer voor technische problemen.

9. F 960451 dd. 22 februari 1996 t.b.v. … BEF (thans … EUR).

De overgelegde stukken tonen evenmin de waarachtigheid aan van de verzending of het vervoer van de goederen.

Even tevergeefs beroept de appellante zich op verklaring van …. Deze laatste was niet alleen vertegenwoordiger van L. I. doch ook zaakvoerder van de firma VIP "die een deel van de betalingen verrichtte. Terecht stelde de eerste rechter dat op het adres van de firma VIP ook …… was gevestigd. Deze laatste plaatste niet alleen de bestellingen doch tekende ze ook vaak af voor ontvangst. Voorts is het treffend dat ook de BV R. gevestigd is op hetzelfde adres als het boekhoudkantoor, zodat terecht de vraag moet worden gesteld wie instond voor de verdere behandeling, afwerking of montage van de geleverde goederen.

Daar waar de bestellingen grotendeels vanuit België gebeurden, daar waar er geen vervoerdocumenten voorliggen die het vervoer uit België naar Nederland aantonen, terwijl er evenmin ontvangstbewijzen Zijn dat de goederen in Nederland in ontvangst werden genomen en terwijl bovendien een aantal betalingen gebeurden niet door de BV R. doch wel door VIP dwingen voormelde vaststellingen de overtuiging af dat de levering van de goederen niet gebeurde aan een in de andere Lid-staat gevestigde en als dusdanig handelende belastingplichtige zodat de appellante zich ten onrechte op de vrijstelling van art. 39bis BTW-Wet heeft beroepen.

Gelet op voorgaande gegevens is er evenmin aanleiding de boete die reeds bij beslissing van 14 september 1998 werd verminderd tot 10 % kwijt te schelden. Deze boete is in overeenstemming met het KB nr. 41 volgens de tabel G, 1° afdeling, VII, 2, B.

Afrekening

Volgens het dwangbevel zag de BTW-afrekening eruit als volgt :

- BTW-tegoed … BEF (thans … EUR)

- als geldboete … BEF (thans … EUR).

Op 31 maart 1998 deed de appellante een betaling van … BEF (thans … EUR) welke betaling werd toegerekend t.b.v. … BEF (thans … EUR) aan intresten, … BEF (thans … EUR) boeten en … BEF (thans … EUR) BTW, zodat nog in hoofdsom een bedrag verschuldigd was van … BEF (thans … EUR), meer de intrest van 0,80 % vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 april 1998, de moratoire intrest op de geldboeten en de vervolgingskosten.

Volgens de akte van inhouding bedroeg de BTW-schuld op 8 september 1998 :

- betaalde BTW … BEF (… EUR)

- boeten … BEF (… EUR)

- intresten … BEF (… EUR)

- kosten dwangbevel … BEF (… EUR)

Totaal … BEF (… EUR)

Inhouding op 8 sept. 98' -… BEF (… EUR)

Blijft … BEF (… EUR)

Vermindering geldboete op

14 september 1998 -… BEF (… EUR)

Blijft … BEF (… EUR)

Nu door de appellante niet teveel werd betaald is haar vordering tot teruggave ongegrond. Het bestreden vonnis dient derhalve te worden bevestigd.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen met dien verstande dat de begrote kost omgezet worden in Euro.

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de appellante :

* rolrecht hoger beroep … EUR

* uitgavenvergoeding … EUR

* rechtsplegingsvergoeding … EUR

- aan de zijde van de geïntimeerde:

* rechtsplegingsvergoeding … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op EEN APRIL TWEEDUIZEND EN DRIE.

Aanwezig :

Mevrouw N. v. I., Voorzitter,

De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. G. T. A. d. M. N. v. I.

Textes cités

3

Décisions similaires

8