Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 4 avril 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-cour-appel-bruxelles-2003-04-7b24

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
4 avril 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

104 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 04.04.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 04.04.2003

Nr. van de zaak : 2000/AR/155

INZAKE VAN :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de inkomens-en ondernemingsfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, Strijdersstraat, 63/90 te 3000 Leuven,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester B. loco J. H., advocaat te …, …

tegen :

BVBA T. P. S., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, …,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te …, …


Het ho,. na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De Processtukken

Een verzoekschrift strekkend tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 18 januari 2000.

Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de 7de kamer van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven op tegenspraak geveld op 16 november 1999.

R.2003/2286 EINDARREST - Ontvankelijk gegrond

Er wordt door de partijen geen akte van betekening neergelegd.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het voorwerp van het geschil voor de eerste rechter en diens beslissing

Op 13 februari 1998 tekende geïntimeerde verzet aan tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 08 januari 1998 voor een bedrag aan BTW van620.076 Fr. en 1.240.152 Fr boetes.

Op 16 november 1999 heeft de rechter in eerste aanleg het verzet ontvankelijk en grond verklaard en heeft hij het dwangbevel vernietigd.

De Rechter was van oordeel dat geïntimeerde binnen haar beperkte mogelijkheden voldoende had aangetoond dat de door haar verkochte goederen naar het GH Luxemburg werden uitgevoerd.

Het hoger beroep

Volgens appellant heeft de eerste rechter de bewijslast verkeerdelijk omgedraaid vermits diegene die een recht op vrijstelling inroept, er het bestaan van moet aantonen.

De BVBA T. P. S. verkoopt en verhuurt stroomkasten en generatoren en voert elektriciteitswerken uit. Zij is als belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-identificatienummer BE … en ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer ….


Geïntimeerde heeft tussen 22 maart 1993 en 28 april 1995, 7 facturen opgesteld op naam van de Luxemburgse vennootschap, SA D. V. S., die betrekking hebben op leveringen, waarvan zij voorhoudt dat de geleverde goederen voor het GH Luxemburg bestemd waren. De Luxemburgse koper kwam telkens zelf de goederen in België ophalen wat blijkt uit de vermelding op de facturen. Ook al betreft factuur nr. … een dienstverrichting toch betreft het een bijhorigheid van een levering van onderdelen van de “Jumbotron", zodat de prijs van de dienst een bestanddeel uitmaakt van de verkoopprijs van de onderdelen.

De zetel van de Luxemburgse vennootschap SA D. V. was gevestigd bij fiduciaires, met name voor de periode van 11 november 1992 tot 4 juni 1993 op het adres … te … en daarna op het adres … te …, alwaar op 10 mei 1996 de zetel werd opgeheven.

Deze vennootschap voldeed tijdens de periode van de leveringen in het GH Luxemburg niet aan haar fiscale verplichtingen. Zo werden de BTW­aangiften voor de jaren 1993, '94 en '95 slechts opgesteld en ondertekend op 9 augustus 1996 en op 23 januari 1997. Zij beschikte daarenboven slechts over een Luxemburgse C/O-bankrekening, nu eens gedomicilieerd op het adres van de SA C. te Luxemburg dan weer bij de F. C. te Luxemburg.

…, die deze vennootschap controleerde was gedomicilieerd op het adres van een fiduciaire te …, … te …, … maar woonde effectief te … Als promotor, bestuurder/vennoot van handelsvennootschappen, ontwikkelde en verhuurde hij, vanuit …, voor de oprichting van SA D. V. S. …, langs diverse vennootschappen om, klank en lichtinstallaties voor internationale tournés van popgroepen. Noch …, noch zijn vennootschappen waren voorbeeldige belastingplichtigen. Zowel hij als zijn vennootschappen ondervonden moeilijkheden zowel in het GH Luxemburg als in Italïe.


Tijdens de BTW-controle uitgevoerd op 5 december 1996,voor de periode van 1 januari 1993 tot 31 december 1995 bleek dat geïntimeerde er niet in slaagde de echtheid te bewijzen van de bovenvermelde intracommunautaire levering van goederen die op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW, met vrijstelling van de BTW werd gefactureerd. De verificateur was van oordeel dat geïntimeerde inbreuken had begaan op de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 inzake de BTW-reglementering en stelde op 24 juli 1997 een proces-verbaal op.

Op grond van dit proces-verbaal werd op 8 januari 1998 het betwiste dwangbevel uitgevaardigd door de heer J. A., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Leuven dat op 9 januari 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer M. V., eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Haacht, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Mechelen, Dit dwangbevel werd ter kennis gebracht van geïntimeerde bij aangetekende brief op 14 januari 1998.

Uit het dwangbevel blijkt dat geïntimeerde aan de Belgische Staat een bedrag van 620.076 BF (15371,28 Euro) verschuldigd is als BTW.

Wegens de overtredingen is door geïntimeerde bovendien volgens appellant een geldboete verschuldigd van 1.240.152 BF (30742,54 Euro) overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW, terwijl er, op de verschuldigde BTW, van rechtswege een interest van 0.8 pct. per maand verschuldigd is, zoals bepaald in artikel 91, § 1 W.BTW.

Bovendien is volgens appellant op het bedrag van de wettelijke geldboeten, vanaf de berekening van het dwangbevel, een moratoire interest verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de terzake geldende regelen (artikel 91, § 4 W.BTW).

De discussie

1. Op een levering van goederen in België onder bezwarende titel door een belastingplichtige is in toepassing van artikel 2 van het W.BTW, BTW verschuldigd.

Een levering van goederen vindt plaats in België wanneer het goed in België ter beschikking van de verkrijger wordt gesteld artikel 15, §§ 1, 2, W.BTW. Artikel 15, § 7 van het W.BTW bepaalt daarenboven dat, behoudens tegenbewijs de levering van een roerend goed geacht wordt in België plaats te vinden wanneer op het tijdstip van de levering één der bij de levering betrokken partijen er onder meer een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft.

Artikel 39 bis, 1°, W.BTW voorziet dat, behoudens uitzonderingen die hier niet dienend zijn, de levering van goederen, bestemd voor een land binnen de Gemeenschap, waar de bestemmeling de verworven goederen aan de BTW onderwerpt. van de belasting wordt vrijgesteld.

De vrijstelling voorzien in artikel 39bis kan slechts worden toegestaan indien aan een aantal voorwaarden is voldaan waaronder het bewijs van de verzending of van het vervoer van de goederen naar de andere Lidstaat.

Het bewijs van het recht op vrijstelling moet, zoals voorgeschreven door de artikels 1 en 3 van het KB nr. 52 van 29 december 1992, worden geleverd door de Belgische leverancier, via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Dit bewijs moet dus voortvloeien uit gebruikelijke handelsstukken, die het bestaan van het vervoer of de verzending van de goederen naar het Groothertogdom Luxemburg vaststellen. Waarbij elk bewijsstuk toegelaten is, en geen enkel stuk op zich voldoende of onmisbaar is.

2. Geïntimeerde legt een aantal documenten voor om de voorgehouden intracommunautaire levering aan te tonen, die hierna worden onderzocht, terwijl volgens de administratie niet bewezen is dat de goederen België verlieten.

Betalingsbewijzen

Geïntimeerde haalt deze bewijzen aan als één van de belangrijkste bewijzen om het vervoer naar een andere lidstaat aan te tonen.

De meeste betalingen gebeurden langs een C/0-rekening of een rekening met het adres van een derde, namelijk de SA C. te Luxemburg of de F. C. te Luxemburg.

Eenmaal werd zelfs een storting verricht via het kantoor 8114 (gedeelte factuur nr. …) van de C.-bank gelegen in de … te … in België, en éénmaal door de SA D. V. S., … te … (saldo facturen nrs. … en …). Op alle facturen is het adres … te … vermeld.

De betalingen werden niet uitgevoerd vanuit een vaste inrichting en zeker geen echte bedrijfsinrichting in het GH Luxemburg alwaar de goederen werden ontvangen. Alleen het bestaan van een vennootschap die "gedomicilieerd" is in Luxemburg bij een fiduciaire (op 2 adressen) wordt aangetoond.

Geïntimeerde bewijst hoegenaamd niet het bestaan van een inrichting waarin de goederen in het GH Luxemburg zouden kunnen zijn opgeslagen of bewerkt terwijl de fysieke persoon waarmee de contacten verliepen geen vreemde was omdat hij reeds opgetreden was voor andere bedrijven in dezelfde sector maar in België werkzaam.

Bestelorders

De bestelorders werden, weliswaar op naam van de Luxemburgse vennootschap, gefaxt vanuit Torhout (zonenummer 050) en ondertekend door … die sinds 16 december 1993 gedomicilieerd is te …, …

Contracten/vervoerdocumenten

Geïntimeerde kan noch met de Luxemburgse afnemer gesloten overeenkomsten noch enig vervoerdocument voor de in België geleverde goederen voorleggen.

Facturen

Op de, door geïntimeerde uitgereikte facturen werd de vermelding "Goederen afgehaald door de klant" aangebracht. Deze vermelding bewijst bezwaarlijk dat goederen besteld vanuit Torhout naar het Groothertogdom Luxemburg zouden zijn vervoerd, ook al werd gefactureerd op naam van een firma gedomicilieerd in het GH Luxemburg.

Aangiften

De SA D. V. S. heeft in Luxemburg geen BTW-aangiften ingediend tijdens de jaren waarin de leveringen zijn geschied. De aangiften werden in het GH Luxemburg slechts zeer laattijdig ingediend. nadar er een onderzoek was ingesteld nopens de praktijken van de SA D. V. S.. Zo deelde de Luxemburgse administratie op 17 juni 1996 mee dat de vennootschap SA D. V. S. geen aangiften heeft ingediend voor de jaren ('93 tot '95) en dat zij daarenboven heeft geweigerd aan haar Fiduciaire de nodige inlichtingen te verschaffen om de rekeningen af te sluiten.

De Luxemburgse administratie heeft ernstige twijfels nopens de echtheid van de intracommunautaire leveringen aan SA D. V. S. aangezien zij om een nader onderzoek gevraagd heeft. Voorts bevestigde deze administratie dat in het GH Luxemburg geen verwervingen van bedoelde goederen hebben plaatsgevonden.


Uit het geheel van deze elementen blijkt voldoende dat geïntimeerde het naar en de levering van de goederen in het GH Luxemburg niet bewijst dat naar alle waarschijnlijkheid de goederen bij geïntimeerde werden afgehaald door de afnemer die een enscenering van een zogenaamd in het GH Luxemburg werkzaam bedrijf opgezet had, langs een postbusadres om.


Volgens geïntimeerde zijn de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis van het W.BTW zoals uitgewerkt in het KB nr. 52, in strijd met artikel 28quater van de Zesde Richtlijn en met het evenredigheidsbeginsel zoals het begrepen wordt in het Europees recht.

Artikel 28quater van de Zesde Richtlijn bepaalt dat de Lidstaten de voorwaarden mogen vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

Door een bewijs te eisen van het bestaan van de intracommunautaire aan de hand van een geheel van documenten waarvan er geen enkel doorslaggevend is en geen enkel onontbeerlijk, worden noch artikel 28 van de zesde richtlijn noch het evenredigheidsprincipe geschonden.

De toepassing die de administratie in deze zaak maakt is zeker niet exorbitant Geïntimeerde is al te voortvarend geweest bij de thans betwiste leveringen aan een medecontractant waarvan zij wist of diende te weten dat diegenen die hem vertegenwoordigden ook actief waren in België. Er word.t alles behalve een abstract en absoluut bewijs gevorderd; alleen wordt gevraagd in die mate aan te tonen dat redelijke twijfel wordt uitgesloten, dat werkelijk naar het GH Luxemburg werd vervoerd en dat daar werd geleverd.


Volgens geïntimeerde zou het rechtszekerheidsbeginsel geschonden zijn omdat het stelsel retroactief werd gewijzigd.

Er werd nooit afgeweken van de regel dat de verkoper BTW, dient aan te rekenen behalve indien hem wordt aangetoond, op een wijze die geen redelijke twijfel toelaat, dat de goederen bestemd zijn voor intracommunautair vervoer. Thans gebeurt niets anders. Alleen de wijze waarop werd versoepeld.

Het risico ligt bij de verkoper belastingplichtige. Hij draagt de bewijslast. Als hij de vrijstelling toepast zonder bewijs of zonder voldoende bewijs dan doet hij dat op zijn eigen risico. Het feit dat van hem slechts een redelijk en geen onmogelijk bewijs mag geëist worden doet hieraan geen afbreuk. Geïntimeerde kan bezwaarlijk voorhouden dat minstens een deel van die gegevens waarover zij beschikte haar argwaan hadden dienen op te wekken en dat van haar een alles behalve onredelijk bewijs wordt verlangd.


Geïntimeerde stelt dat het doeltreffendheidprincipe is geschonden omdat de bewijslast die haar wordt opgelegd, de intracommunautaire handel zou stremmen. Niets is minder waar. Geïntimeerde draait echter gewoon de bewijslast om wanneer zij voorhoudt dat het bewijs van de intracommunautaire levering voldoende zou bewezen worden door de factuur. De factuur is voor het bewijs van de intracommunautaire uitvoer maar één van de documenten waarvan geen enkel onontbeerlijk en geen enkel doorslaggevend is. Uiteraard kan geïntimeerde zich niet uitsluitend stoelen op een door haar opgesteld document en voorhouden dat dit een sluitend bewijs verstrekt tot bewijs van het tegendeel. Dit zou de bewijslast gewoon omdraaien door het invoeren van een vermoeden ''juris tantum" dat de factuur de intracommunautaire uitvoer bewijst.


Volgens geïntimeerde is het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat de vrijstelling van de belasting voor een intracommunautaire levering afhangt van de persoon die belast is met hel vervoer van de geleverde goederen.

Deze grief is ongerijmd. Het systeem legt uitsluitend de bewijslast van een intracommunautaire levering ten laste van diegene die de vrijstelling vordert. Deze mag dit bewijs leveren door alle middelen van recht en zijn stukken dienen redelijk te worden beoordeeld. Een redelijk en zo mogelijk sluitend bewijs vragen om fraude te voorkomen kan bezwaarlijk een schending van de gelijkheid inhouden.

Op binnenlandse leveringen worden andere regels toegepast omdat het sluitend bewijs veel gemakkelijker te leveren is door de administratie; een betaling van de BTW op een binnenlandse levering verschilt essentieel van innen van BTW op een intracommunautaire levering al was het maar omdat de BTW in een intracommunautaire levering uiteindelijk in een andere lidstaat zal betaald worden.

Verschillende regels toepassen op verschillende situaties kan bezwaarlijk leiden tot een discriminatie.


Tevergeefs roept geïntimeerde onbehoorlijke regelgeving in vermits artikel 39bis van hel W.BTW en KB nr. 52 perfect passen in de logica van het gehele systeem, ongeacht de gebruikte bewoordingen, en zij er, zowel vanuit het systeem, als vanuit de tekst, geen twijfel over laten bestaan, dat de bewijslast van de realiteit van de intracommunautaire levering, bij diegene ligt, die voorhoudt te beschikken over het recht op een vrijstelling van de verplichting om BTW af te dragen, ingevolge de, door hem ingeroepen, intracommunautaire levering. Bewijst hij de levering niet, dan mag hij de BTW niet aftrekken.


Ook wordt tevergeefs een schending van het neutraliteitsbeginsel opgeworpen. Pas als geïntimeerde zou aantonen, dat door appellant BTW gevorderd wordt op een intracommunautaire verwerving, wordt de neutraliteit van de BTW geschonden, omdat in dat geval, twee maal BTW verschuldigd zou zijn, een eerste maal in België en een tweede maal in Luxemburg.

Vermits dit bewijs niet geleverd wordt, volgt hieruit onmiddellijk en noodzakelijk dat niet is aangetoond dat de BTW-administratie, door het invorderen van de BTW in België en het weigeren van de vrijstelling, de neutraliteit schendt.


Uiteraard heeft de BTW-administratie er belang bij op een juiste heffing van de BTW toe te zien. Zij is dit trouwens verplicht. Op de verkoop in België is BTW verschuldigd. De BTW raakt de openbare orde. Alleen als de verkoper aantoont dat hij geniet van de vrijstelling, die voorzien is voor de intracommunautaire verwerving, is de BTW niet verschuldigd.


Geïntimeerde toont niet aan dat er aanwending van informatie is geweest uit een dossier ten laste van een andere belastingplichtige, gegaard door de administratie buiten de uitoefening van het ambt van de belastingambtenaren, om bewijzen te leveren in deze zaak. De beweerde schending van het beroepsgeheim is dan ook niet bewezen.


De door appellant voorgestelde heropening der debatten omdat hij over stukken zou beschikken, die van aard zijn om aan te tonen, dat de leveringen zijn geschied in een frauduleus kader, en zijn vraag, om hem te bevelen deze stukken voor te leggen, dient te worden afgewezen.

Vooreerst is appellant alles behalve duidelijk in zijn beschrijving van de stukken waarvan hij gebruik zou kunnen maken. Het hof van beroep kan niet zomaar de voorlegging van niet nader bepaalde stukken bevelen.

Uit de stukken waarop het hof van beroep acht vermag te slaan blijkt dat de BTW verschuldigd is omdat geïntimeerde de hem opgelegde bewijslast niet naar behoren vervult.

De Belgische staat houdt niet ernstig voor dat geïntimeerde zelfs zijdelings betrokken was in her frauduleus kader; aan geïntimeerde wordt alleen lichtzinnigheid verweten en kwade trouw in haar verweer.

De stukken waarover de Belgische staat voorhoudt te beschikken, maar die zij desondanks niet neergelegd heeft zijn bijgevolg niet van aard om de oplossing van het geding fundamenteel te beïnvloeden. Het komt dan ook niet gepast over de debatten te heropenen om de administratie op haar verzoek te verplichten al de stukken, die zijn onder zich heeft en die van aard zouden zijn om de ware toedracht met betrekking tot de betwiste leveringen aan te tonen, voor te leggen.

3. Wat de boetes betreft

Het wordt ogenschijnlijk niet betwist dat de prijsoffertes naar Luxemburg werden verzonden. Ook al bewijst dit onvoldoende om hieruit redelijk te kunnen aannemen dat de goederen uiteindelijk bestemd waren voor het GH Luxemburg, toch is het een element dat erop duidt dat geïntimeerde, eerder dan een medeplichtige te zijn aan een BTW-fraude, een goedgelovig en onvoorzichtig slachtoffer is geweest van fraudeurs.

De boete van 200 % van het ontdoken recht, die door de administratie werd opgelegd, is zo belangrijk dat ze een sanctie inhoudt. Zij is dan ook onderworpen aan de censuur van de rechter. De boete overschrijdt immers exponentieel de vergoeding van de schade opgelopen ingevolge het niet betalen van de belasting en de verplichting ze te innen.

Het klinkt bevreemdend dat de Belgische staat de goede trouw van geïntimeerde beoordeelt aan de hand van haar verweer en afleidt uit het opwerpen van vragen over de geldigheid van onze rechtsregels in het licht van de internationale verdragen die ons binden, dat geïntimeerde niet te goeder trouw zou zijn. Alsof het zich verweren in rechte beperkt zou kunnen worden. Uit dit verweer kan geenszins afgeleid worden dat geïntimeerde de ware toedracht van de verkopen en de wijze waarop zij erin betrokken is zou wensen te verbergen.

Geïntimeerde ontwijkt geenszins een eerlijk debat als zij vraagtekens plaatst achter de reglementering. Zij past enkel haar recht van verdediging toe.

Dit neemt niet weg dat geïntimeerde wel enige naïviteit kan verweten worden wanneer zij zonder enige ernstige controle goederen bij haar lier afhalen waarvan zij wist of had dienen te weten door een oppervlakkige controle dat zij in feite bij haar door mensen uit de buurt werden besteld.

De elementen waarover het hof van beroep beschikt en die de administratie neergelegd heeft laten echter niet toe hieruit kwade trouw af te leiden op het ogenblik van de verkoop.

Geïntimeerde had echter moeten twijfelen aan de elementen die haar werden verstrekt door de "Luxemburgse" koper en de BTW moeten aanrekenen aan haar medecontractant tot op het ogenblik dat deze sluitende en voldoende bewijskrachtige stukken had overhandigd, van aard om iedere twijfel over het vervoer of verzending van de goederen buiten België weg te nemen.

De onvoorzichtigheid van geïntimeerde heeft de normale inning van de BTW sterk bemoeilijkt en belangrijke kosten veroorzaakt bij de administratie wat een boete, die in ieder geval formeel verschuldigd is, verrechtvaardigt ten belope van 50 % van de niet betaalde BTW wettelijk. De intresten zoals die door de Belgische staat worden gevorderd zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak.

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Doet de bestreden beslissing teniet en wijst de oorspronkelijke vordering af behalve in de mate dat de BTW-boete dient verlaagd te worden tot 50 % van de verschuldigde rechten.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten, begroot in graad van hoger beroep op € 446,21 voor appellant en op € 446,21 voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 04.04.2003.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

K. V. H., voorzitter;

M. R., raadsheer;

B. d. C., plaatsvervangend raadsheer;

C. D. N., griffier.

C. D. N. B. d. C. M. R. K. V. H.

Textes cités

4

Décisions similaires

8