Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 14 janvier 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-droit-deduction-tribunal-bruges-2003-01-14-47d4

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
14 janvier 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

186 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 14.01.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

AR nr. 01/2393/A Rep. nr. 2003/469

In de zaak van :

de EVBA D. A., met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester L. C., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur a.i. van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat nr.1,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester P. D., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 17 december 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het geding inleidend verzoekschrift van 31 augustus 2001;

2. de conclusie voor verweerder van 4 januari 2002;

3. de conclusie voor eiseres van 12 februari 2002;

4. de conclusie voor verweerder van 8 maart 2002;

5. de conclusie voor eiseres en

6. de conclusie voor verweerder van 9 september 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is BTW-plichtige, geregistreerd voor de economische activiteit van verhuring van attracties, aankoop en verkoop van attracties en uitbating van een pretpark. Zij heeft van een recht van opstal gebruik gemaakt om een loods te bouwen op de grond gelegen te …, …. De bouwwerken vonden plaats in 1997 en 1998.

Op 1 december 1997 tekende eiseres met de VZW K. A., gevestigd op hetzelfde adres als eiseres en met dezelfde zaakvoerder, een overeenkomst, getiteld 'handelshuurovereenkomst'. Die VZW is ook bij de BTW geregistreerd en dat voor de organisatie van kunsttentoonstellingen en het uitbaten van een drankgelegenheid. De huur heeft als voorwerp "de eigendom gelegen te …, …, bestaande uit hangars (ruimte) hoofdzakelijk bestemd tot de uitbating van een kinderparadijs". Voor het overige bevat de overeenkomst clausules en bedingen die typisch zijn voor een verhuring van onroerende goederen. In artikel 8 wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikel 16, I, 1 tot 4 van de Wet op de Handelshuur van 30 april 1951.

De huurprijs bedraagt 800.000 frank (19.831,48 euro) per jaar of 66.666 frank (1.652,61 euro) per maand, voor het eerst te betalen op 1 december 1997, datum van inwerkingtreding van de huurovereenkomst. De huurprijs wordt betaald en geboekt zoals in de overeenkomst voorzien.

Op 20 december 1997 ondertekenen dezelfde partijen al een nieuwe overeenkomst met inwerkingtreding op 1 januari 1998 tegen een prijs van 600.000 frank (14.873,61 euro) per jaar of 50.000 frank (1.239,47 euro) per maand. Het voorwerp is deze keer "het recht tot uitbating van de cafétaria­uitbating en de cafétaria-inrichting bestaande uit tafels, stoelen, frigo's, koelinstallatie, koffiemachine, glazen, tassen en ander klein gerief;·alsmede de kinderspelen attracties gelegen en zich bevindend in het handelspand gelegen te …, …". Ook nu is de overeenkomst betiteld als 'handelshuurovereenkomst'. Voor het overige is de tekst van de overeenkomst trouwens identiek aan deze van 1 december 1997. Alleen is nog in artikel 12 voorzien dat de huurprijs voor de ene helft slaat op het recht tot uitbating en inrichting van de cafetaria en voor de andere helft op de huur van de kinderspelen.

Alleen de laatste huurovereenkomst werd geregistreerd, weze het pas op 23 december 2000.

De exploitatie van het speeldorp ging van start in december 1997. Voor die maand was het de VZW K. A. die de inkomgelden van het speeldorp als inkomsten boekte. Vanaf 1 januari 1998 boekte eiseres de inkomgelden in haar boekhouding.

Gelet op het bouwdossier heeft de BTW-inspectie, na verwittiging, op 15 februari 1999 een controle uitgevoerd bij eiseres, aanvankelijk voor de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1997, naderhand uitgebreid tot 31 december 1998, dit laatste omdat er nog tot september 1998 facturen waren uitgereikt met betrekking tot de werken in onroerende staat.

De BTW-controle ging gepaard met een AOIF-inspectie. Er was een tweede controlebezoek op 19 april 2000.

De BTW-controleurs stelden op 11 april 2001 proces-verbaal op. Onder andere noteerden zij de verklaring dat in de betreffende loods geen activiteiten plaats vonden die uitgingen van eiseres, dat de bediening van de cafetaria gedaan werd door mevrouw A. D., haar zuster en haar moeder en dit alles zonder vergoeding. De VZW K. A., zo werd verklaard, had een PWA-kracht aangevraagd en door eiseres werd daar geen personeel tewerkgesteld.

In dat proces-verbaal nemen de BTW-controleurs als standpunt in dat de feiten erop wijzen dat er sprake is van een verhuur van onroerende goederen. Op grond van het feit dat het om een voor de BTW vrijgestelde activiteit betreft overeenkomstig artikel 44, § 3, 2 W.BTW, achtten zij de aftrek van BTW die betrekking had op de werken in onroerende staat in opdracht van eiseres, onmogelijk. Zij komen tot de conclusie dat eiseres aan de Schatkist een bedrag van 28.416,33 euro BTW verschuldigd is en zij verhogen dat bedrag met een boete van 10 % of (na afronding van het bedrag in Belgische frank) 2.825,99 euro en met de wettelijke interest.

Op 5 juni 2001 stuurt het BTW-ontvangkantoor van Oostende een betalingsbericht voor de sommen die beschreven staan in het proces-verbaal van 11 april 2001. Er volgt een (laatste) waarschuwing op 27 augustus 2001.

Op 31 augustus 2001 legt eiseres ter griffie haar verzoekschrift neer onder toepassing van artikel 1385decies Ger. Wb.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat zij de in het proces-verbaal van 11 april 2001 vastgestelde BTW en boete niet verschuldigd is.

Subsidiair vordert eiseres dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de door verweerster gevestigde aanslag minstens moet worden herleid tot een bedrag van 7.577,68 euro, bij toepassing van de herziening overeenkomstig artikel 48, § 2 W.BTW en met ontheffing van de administratieve boete.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als onontvankelijk, minstens als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

1.1. Afwezigheid van een dwangbevel

Volgens verweerder is de vordering onontvankelijk omdat de vordering slechts zou openstaan nadat een BTW-dwangbevel is betekend.

Volgens verweerder organiseren de artikelen 84, 85 en 89 W.BTW een specifieke procedure. Het dwangbevel is daarin een krachtens de wet uitvoerbare titel die verweerder zichzelf verschaft. Het proces-verbaal daarentegen is volgens verweerder geen uitvoerbare titel van de schuldvordering, maar slechts een bewijsmiddel. Naar het oordeel van verweerder is het dan ook slechts het verzet tegen het dwangbevel dat de 'geding inleidende akte' vormt. Zolang het dwangbevel niet betekend is, is de belastingplichtige volgens verweerder in de onmogelijkheid om de eisbaarheid van de sommen in rechte aan te vechten. Een vordering van de belastingplichtige zou slechts kunnen leiden tot de vernietiging van het dwangbevel.

Eiseres kan daarmee niet instemmen en argumenteert dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat er in BTW-zaken een verplicht 'administratieve fase' zou bestaan.

Verweerder kan niet worden bijgetreden in deze exceptie van onontvankelijkheid.

Artikel 569, 32 Ger. W., ingevoegd bij de Wet van 23 maart 1999, kent aan de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegdheid toe om kennis te nemen van de 'betwistingen in verband met de toepassing van een belastingwet'. Zodra het administratief standpunt bekend gemaakt wordt door eender welke handeling waartegen de belastingplichtige een grief uit, heeft die belastingplichtige belang om een gerechtelijke vordering in te stellen. Dat belang is dus aanwezig zodra er een proces-verbaal is waarin stelling wordt genomen over het verschuldigd zijn van BTW of boetes of wat dan ook, waarmee de belastingplichtige meent niet akkoord te kunnen gaan. Dat is ook hier het geval; bovendien had de administratie haar standpunt bevestigd door betalingsberichten te versturen.

Het gaat onbetwistbaar om de toepassing van een belastingwet, zodat de rechtbank bevoegd is (wat niet betwist wordt).

Het feit dat artikel 89, 2 W.BTW uitdrukkelijk de procedure vastlegt om op te komen tegen een dwangbevel, heeft niet tot gevolg dat er vóór de betekening van een dwangbevel geen enkele actie kan ondernomen worden. De belastingplichtige kan zich beroepen op de algemene strekking van artikel 569, 32 Ger. W.

Nochtans stelt artikel 1385undecies Ger. W. voor de geschillen bedoeld in artikel 569, 32 een bijzondere ontvankelijkheidsvoorwaarde. Wanneer er een door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep bestaat, dan is de belastingplichtige verplicht om eerst dat administratief beroep in te stellen. In dat geval moet de uitspraak in dat administratief beroep worden afgewacht, of toch minstens moet zes maanden worden gewacht met het instellen van de vordering, te rekenen vanaf het indienen van het administratief beroep. De BTW-wetgeving kent evenwel geen georganiseerd administratief beroep. Het dwangbevel is slechts een invorderingstitel, geen beslissing op een door de belastingplichtige ingesteld administratief beroep.

Verweerder beroept zich dus op een onontvankelijkheid die door geen enkele wet voorzien is.

2.2. Verzoekschrift in plaats van een dagvaarding

Verweerder acht de vordering ook onontvankelijk omdat de vordering met een verzoekschrift op tegenspraak is ingesteld. Volgens hem was wettelijk een dagvaarding vereist omdat het gaat om BTW waarvan de oorzaak van de opeisbaarheid ontstaan is vóór 1 januari 1999. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 27 mei 1994, stelt verweerder dat de keuze van de vorm van de rechtsingang tot de gerechtelijke organisatie behoort.

Eiseres kan daarmee niet instemmen en zij verwijst naar gevallen waarin de BTW-administratie voor de rechtbank geen punt gemaakt heeft van het feit dat niet gedagvaard werd, zelfs al was de oorzaak van de opeisbaarheid van de BTW daar ook ontstaan vóór 1 januari 1999.

Artikel 59 van de Wet van 15 maart 1999 wijzigde de tekst van artikel 89, 2de lid W.BTW. Waar vroeger het verzet tegen een dwangbevel met een dagvaarding moest gebeuren, werd in de nieuwe wet 'een vordering in rechte' voldoende geacht. Door de combinatie met artikel 1385decies Ger. W., is het tegensprekelijk verzoekschrift in de huidige procedure de gebruikelijke vorm voor de rechtsingang.

Het artikel 97, 3de lid van de Wet van 15 maart 1999 bepaalt evenwel - zoals verweerder met reden naar voor brengt - dat het genoemde artikel 59 van die wet toepasselijk is op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

De oorzaak van de opeisbaarheid van de bedragen die hier het voorwerp van de betwisting uitmaken, is hier onbetwistbaar ontstaan vóór 1 januari 1999.

Nochtans kan de rechtbank ook op deze exceptie van onontvankelijkheid van verweerder niet ingaan.

De vereiste om de rechtbank te vatten met een dagvaarding is immers slechts voorzien voor het geval er verzet moet worden gedaan om de tenuitvoerlegging van het dwangbevel te stuiten (art. 89, 2de lid W.BTW). In het onderhavig geval is er geen sprake van verzet tegen een dwangbevel. Op het moment van de rechtsingang was er immers nog geen dwangbevel.

Artikel 89, 2de lid W.BTW in de versie die volgens de overgangsbepaling van de Wet van 15 maart 1999 nog geldt, is een uitzonderingsregeling. Uitzonderingen moeten beperkt geïnterpreteerd worden. De verplichting die artikel 89, 2de lid W.BTW voorschrijft om te dagvaarden om de tenuitvoerlegging van een dwangbevel te stuiten, kan niet worden uitgebreid tot de rechtsvordering die op grond van de algemene regel van artikel 569, 32 Ger. W. wordt ingesteld (zie punt 2.1. hiervoor).

2.3. Geen ambtshalve middelen

Nu de rechtbank verder geen middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

In hoofdorde stelt eiseres dat de overeenkomst die zij met de VZW K. A. afsloot niet kan gekwalificeerd worden als een 'verhuur van onroerende goederen', zodat er op dat vlak geen vrijstelling van BTW zou zijn. Zij roept in dat zij zelf de betreffende loods ook nog deels gebruikt voor een eigen exploitatie van een speelpark voor kinderen. Zij zou haar loods slechts ter beschikking gesteld hebben aan de VZW K. A. opdat deze daar haar beroepswerkzaamheid zou kunnen uitoefenen en zij stelt dat dit gepaard gaat met een huur van roerende goederen (kinderspelen). Uit de huurovereenkomst zou blijken dat niet alle kinderspelen verhuurd werden. Eiseres stelt zelfs dat 90 % van de ruimte door haar gebruikt wordt. In die omstandigheden is er volgens eiseres geen sprake van het verlenen van een exclusief gebruiksrecht over de loods aan de VZW; dat zou volstaan om de kwalificatie van 'verhuur van onroerende goederen' uit te sluiten. Aan de betiteling van de huurovereenkomst (handelshuurovereenkomst) zou geen belang moeten gehecht worden omdat het de concrete feiten zijn die tellen. Als feitelijke ondersteuning van haar stelling wijst eiseres op het feit dat er slechts 1 ingang is (dat zou een exclusief recht van genot in de weg staan), de exploitatie door haarzelf zou blijken uit het feit dat ze voor ongeveer 1,3 miljoen frank (32.226,16 euro) ontvangsten boekt en dat ze tussen de 200.000 frank (4.957,87 euro) en de 300.000 frank (7.436,81 euro) onderhoudskosten boekte.

Voor eiseres leidt dat tot de conclusie dat zij wel recht heeft op aftrek van de BTW met betrekking tot de werken in onroerende staat.

In subsidiaire orde brengt eiseres in dat zij met ingang van 1 januari 2002 alle activiteiten van de VZW K. A. met betrekking tot het speeldorp volledig heeft overgenomen. In de veronderstelling dat de overeenkomst met de VZW K. A. toch als een verhuur van onroerende goederen zou gekwalificeerd worden, beroept eiseres zich op artikel 48, § 2 W.BTW om 'herziening' van de aftrekbeperking te bekomen. Zij voert aan dat de herzieningsperiode 15 jaar bedraagt en dat er aldus, te rekenen vanaf 1998, slechts 4 jaar gedekt zijn door de aftrekbeperking. Dat zou de niet aftrekbare BTW herleiden tot 4/15den, dus tot 7.577,68 euro.

In elk geval acht eiseres het niet opportuun om een administratieve geldboete op te leggen. Zij beroept zich op haar goede trouw en op .de rechtsmacht van de rechtbank om de administratieve boetes zowel op hun rechtmatigheid als op hun opportuniteit te beoordelen.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder is van oordeel dat de feiten er duidelijk op wijzen dat er tussen eiseres en de VZW K. A. een exclusief recht over de loods werd verleend zodat er sprake is van een verhuring van onroerende goederen. Hij wijst erop dat de twee huurovereenkomsten vrijwel identiek zijn, dat zij duidelijk allebei op onroerende goederen betrekking hebben en dat eiseres niet aantoont dat de eerste overeenkomst in der minne zou zijn beëindigd. Er zou dan ook geen sprake zijn van een verlaging van de huurprijs. De registratie zou niet van belang zijn.

Dat de boeking van 1,3 miljoen frank inkomsten door eiseres zou voortkomen van de exploitatie in de loods, wordt volgens verweerder niet aangetoond.

Hij wijst er nog op dat in december 1997 de inkomgelden van het speeldorp door de VZW K. A. werden geboekt en zonder verklaring vanaf 1 januari 1998 door eiseres. Dat laat volgens verweerder vermoeden dat dit enkel gebeurde om de exploitatie van de activiteit in hetzelfde gebouw aanneembaar te maken. Verweerder acht evenwel het louter deponeren van de inkomgelden in een doos op de toog van de cafetaria van de VZW, onvoldoende om een effectieve exploitatie van een activiteit te aanvaarden.

Verweerder stelt nog dat eiseres niet bewijst dat een deel van de aanwezige speeltuigen niet door de VZW maar door eiseres zouden gebruikt worden om aldus een speelpark te exploiteren.

Hij roept in het algemeen in dat eiseres niet aan haar bewijslast voldoet zodat de aftrek van de betwiste BTW niet mogelijk is.

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van eiseres voert verweerder aan dat de vraag tot herziening niet voor de rechtbank kan gebeuren omdat niet aan de vormvoorschriften zou voldaan zijn. In het bijzonder zou de herziening moeten aangevraagd worden door het betreffende bedrag in aftrek te brengen in de periodieke aangifte met betrekking tot de periode waarin het recht op aftrek is ontstaan.

Subsidiair stelt verweerder dat eiseres voor de facturatie van 1997 ten onrechte vertrekt vanaf 1998, in plaats van 1997 en dat er hoe dan ook slechts een herzieningsperiode van 5 jaar zou gelden omdat het niet om het oprichten of verkrijgen van nieuwe gebouwen zou gaan maar slechts om uitbreiding en inrichting van een bestaand gebouw.

Aangaande de administratieve boete legt verweerder uit dat hij alle bepalingen van de wet en het koninklijk besluit gevolgd heeft. De boete die normaal 200 % bedraagt, werd verminderd tot 10 %.

2.3. Beoordeling

2.3.1. Stelling in hoofdorde

Het komt aan eiseres toe om te bewijzen dat zij recht op aftrek heeft. Dat wordt door de partijen zelfs niet betwist.

De rechtbank leidt uit de beschikbare gegevens af dat er wel degelijk sprake is van een 'verhuur van uit hun aard onroerende goederen' in de zin van artikel 44, § 3, 2 W.BTW

Zoals bij de weergave van de relevante feiten werd vermeld, zijn er slechts 2 verschillen tussen de overeenkomst van 1 december 1997 en die van 20 december 1997. Hoewel uitdrukkelijk het voorwerp van een onroerend goed gewijzigd wordt naar een exploitatierecht en de verhuur van roerende goederen, blijkt uit de meeste andere bepalingen van de overeenkomst dat de VZW K. A. alle gebruikelijke verplichtingen van een huurder van een onroerend goed voor haar rekening nam. Onder andere moest de VZW als enige en voor het geheel instaan van de betaling van alle belastingen 'op het gehuurde' met inbegrip van de onroerende voorheffing, van de gas, elektriciteit, brandstof en waterverbruik; alle herstellingen aan het onroerend goed zijn voor de huurder; als voorbeeld wordt gegeven, het jaarlijks vegen van de schoorstenen, onderhoud van de centrale verwarming en andere verwarmingsapparaten, het ruimen van putten, herstellen van rolluiken, behangen, witten en schilderen van het gebouw, herstellen tot onderhoud van water- en afvoerleidingen, schakelaars, zekeringen en stopcontacten. Er is ook uitafvoerleidingen, schakelaars, zekeringen en stopcontacten. Er is ook uitdrukkelijk bedongen dat de VZW geen recht heeft om het gehuurde goed te veranderen of te verbouwen of er nieuwe gebouwen op te richten zonder toelating van eiseres. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de Wet op de Handelshuur. De omschrijving van het huurdersrisico voor brandschade, stemt ook volledig overeen met wat gebruikelijk is bij onroerende verhuur.

Bovendien levert eiseres geen bewijs dat zij naast de VZW K. A. ook nog gedeeltelijk exploitant van het kinderdorp zou gebleven zijn in de betreffende periode. Zij roept in dat er slechts een deel van de kinderspelen aan de VZW zouden zijn verhuurd en dat zij met de overige kinderspelen daar een eigen exploitatie zou behouden hebben in dezelfde ruimte waar de exploitatie van de VZW K. A. plaats vond. In tegenstelling tot wat eiseres aanvoert, toont de tekst van de huurovereenkomst in geen geval aan dat niet alle kinderspelen aan de VZW zouden zijn verhuurd. In artikel 1 van de huurovereenkomst van 20 december 1997 staat "de kinderspelen". Dat laat integendeel vermoeden dat alle aanwezige kinderspelen van eiseres onder de verhuring vielen. De overeenkomst maakt nergens melding van een onderscheid tussen de kinderspelen, ook niet in artikel 12, wat eiseres ook moge beweren.

Dat er in 1998 voor 1,3 miljoen frank (32.226,16 euro) inkomsten werden geboekt door eiseres, bewijst nog niet dat deze inkomsten afkomstig waren van een persoonlijke exploitatie door eiseres van het kinderpark aan de …, te ….

In het proces-verbaal (dat geldt tot bewijs van het tegendeel) staan de verklaringen van eiseres weergegeven dat zij op het betreffende adres geen personeel tewerkstelde. Er werd verklaard dat de VZW K. A. een PWA-kracht had aangevraagd.

Eiseres toont dan ook niet aan dat er geen sprake was van een 'verhuur van uit hun aard onroerende goederen'. Haar bewering dat zij slechts een ruimte ter beschikking stelde aan de VZW K. A. om er haar beroepswerkzaamheid uit te oefenen, wordt niet bewezen. De hierboven aangehaalde feitelijkheden volstaan in tegendeel om aan te nemen dat de VZW K. A. het exclusief recht over de loods was toegestaan en dat die VZW daar als enige daadwerkelijk de exploitatie van het kinderdorp waarnam. Aldus gaat het om een verhuur van een onroerend goed.

In die omstandigheden heeft verweerder terecht geoordeeld dat er vrijstelling van BTW was krachtens artikel 44, § 3, 2° W.BTW en dus overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW geen aftrek van BTW mogelijk is. De vordering van eiseres is wat dat betreft dus ongegrond.

2.2. De subsidiaire vordering : herziening

Herziening is mogelijk overeenkomstig artikel 48, § 2 W.BTW voor de aftrek van de BTW geheven op bedrijfsmiddelen. Voor bepaalde onroerende goederen kan de Koning de herzieningsperiode op 15 jaar bepalen.

De uitvoeringsbepalingen voor het recht op aftrek zijn vervat in het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969.

Terecht verwijst verweerder naar artikel 4 van dat KB. Daarin is voorzien dat het recht van aftrek via de periodieke aangifte gebeurt. Die regel is algemeen. Ook de aftrek die het gevolg is van een herziening, gebeurt dus door vermelding in de aangifte. Nochtans betreft dit slechts een wijze van uitoefening van het recht op aftrek. Het recht op aftrek ontstaat krachtens de wet; hetzelfde geld voor het recht op aftrek als gevolg van een herziening. Nu de termijn om de aftrek krachtens een recht op herziening uit te oefenen (te onderscheiden van de herzieningsperiode zelf) niet verstreken is, belet niets dat de rechtbank over het geschil dat in dat verband ontstaat, uitspraak doet. Verweerder heeft immers op een formele manier, via de conclusie van eiseres van 9 april 2002, van het verzoek van eiseres kunnen kennis nemen. Het gaat overigens om een bestaande betwisting over een belastingwet die dezelfde oorzaak heeft als de oorspronkelijke betwisting en vordering. Vermits het de voorkeur geniet om vorderingen die met elkaar verband houden zoveel mogelijk in een keer te behandelen, terwijl voor de BTW geen verplichte, georganiseerde administratieve fase bestaat, moet het oordeel over deze betwisting niet worden uitgesteld tot nadat eiseres in haar periodieke aangifte de nodige vermeldingen zou hebben gedaan.

De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerder een aantal argumenten aanhaalt waarover eiseres geen standpunt heeft ingenomen, zelfs al had zij daartoe tot 5 november 2002 de kans. In het bijzonder stelt verweerder dat het niet om de oprichting van een nieuw gebouw zou gaan maar om de uitbreiding en inrichting van een bestaand gebouw. Om te kunnen oordelen over de vraag of de herzieningstermijn 5 jaar dan wel 15 jaar bedraagt, moet de rechtbank beschikken over overtuigingsstukken met betrekking tot de feitelijke toedracht. In het algemeen komt het de rechtbank voor dat de partijen over de vraag tot herziening standpunt moeten innemen in conclusies.

De rechtbank heropent daartoe ambtshalve het debat.

3. De gerechtskosten

Vermits dit vonnis geen eindvonnis is, wordt de uitspraak over het lot van de gerechtskosten voorlopig aangehouden.

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk, maar heropent, alvorens definitief over de grond van de zaak te oordelen, het debat om de partijen toe te laten te handelen zoals hiervoor bepaald.

De rechtbank stelt de zaak daartoe uit naar de zitting van DINSDAG DRIE JUNI TWEEDUIZEND EN DRIE om negen uur in de voormiddag.

De rechtbank stelt de uitspraak over de grond van de zaak, met inbegrip van deze over het lot van de gerechtskosten, voorlopig uit.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op veertien januari tweeduizend en drie.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter,

A. V., griffier

A. V. D. V.

Décision jointe par le SPF

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

AR nr. 01/2393/A Rep. nr. 2004/14706

In de zaak van :

de EVBA D., met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester L. C., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvanger te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr. 1, eerste verdieping,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester P. D., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De rechtbank verwijst naar zijn tussenvonnis van 14 januari 2003. Daarin werd het debat heropent om eiseres vooralsnog toe te laten het bewijs te leveren dat zij recht op herziening van de aftrek van BTW heeft overeenkomstig artikel 48, § 2 W.BTW.

De partijen hebben hun middelen en besluiten in dit verband voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 oktober 2004, waarna het debat opnieuw werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het tussenvonnis van 14 januari 2003;

2. de conclusie voor verweerder van 10 november 2003;

3. de conclusie voor verweerder van 20 augustus 2004 en

4. de conclusie voor eiseres van 12 oktober 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Er kan verwezen worden naar het vonnis van 14 januari 2003. Voor het overige worden de nodige feiten hierna bij de bespreking vermeld.

2. De vorderingen van de partijen

Met betrekking tot de betwistingen die nog overblijven na het tussenvonnis van 14 januari 2003 zijn de vorderingen van de partijen nog in de volgende zin (beperkt).

Eiseres vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de door verweerder gevestigde aanslag minstens moet worden herleid tot een bedrag van 7.577,68 euro op grond van artikel 48, § 2 W.BTW.

Tevens vordert eiseres dat de rechtbank ontheffing zou verlenen aan eiseres van de haar opgelegde administratieve geldboete.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad.

Verweerder vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat het herzieningstijdvak 5 jaar bedraagt en enkele effect kan sorteren voor de aankoopfacturen van 1998 en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. Herziening van het recht op aftrek

1.1.

Op basis van de stukken 7 en 8 van eiseres moet redelijkerwijze worden aangenomen dat eiseres met ingang van 1 januari 2002 de handelszaak die sedert 1997 door de VZW K. A. werd geëxploiteerd, heeft overgenomen en sedertdien zelf exploiteert.

De VZW K. A. heeft immers op 31 december 2001 een verklaring ondertekend van stopzetting van werkzaamheid met overdracht van haar BTW-activiteit aan eiseres en heeft op 1 januari 2002 een factuur uitgereikt aan eiseres voor die overdracht.

Het feit dat het document niet vermeldt met welke akte die overdracht zou gebeurd zijn, is niet relevant; een dergelijke overdracht kan mondeling overeengekomen worden en de factuur is een bewijs van de uitvoering van die overeenkomst. De bijlage bij die factuur (m.n. de afschrijvingstabel) mag dan wel ontbreken, toch ontneemt dat feit aan de stukken niet het bewijs van de overdracht van die handelszaak van de VZW K. A..

Vermits eiseres BTW-plichtige is voor het exploiteren van een pretpark, waaronder men een 'kinderdorp' kan catalogeren, moet worden aangenomen dat eiseres vanaf 1 januari 2002 de handelszaak die voordien van de VZW K. A. was, integreerde in haar eigen exploitatie.

1.2.

De herzieningstermijn van 15 jaar, voorzien in artikel 48, § 2 W.BTW in fine en uitgevoerd door artikel 9, § 1 KB nr. 3 van 10 december 1969, geldt slechts voor de belasting geheven van handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting of de verkrijging, met voldoening van de belasting, van een gebouw of tot de verkrijging met voldoening van de belasting van een in artikel 9, tweede lid, 2 van het Wetboek zakelijk recht op een gebouw.

Volgens eiseres gaat het om de oprichting van nieuwe gebouwen, meer bepaald een loods en een tent.

Daartoe legt zij bijkomende stukken voor.

De rechtbank stelt, samen met verweerder, evenwel vast dat die stukken geen betrekking kunnen hebben op BTW voor de periode waarvoor het proces-verbaal van 11 april 2001 werd opgemaakt (en die hier ter discussie staat). Het betreft immers een vergunning, plannen en foto's van werken die niet vóór 1999 kunnen zijn aangevat, terwijl de BTW die hier in het geding is, betrekking heeft op de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998.

De loutere vermelding in de vergunning voor de werken die hier wel het voorwerp van de betwiste BTW uitmaken - namelijk de vergunning afgeleverd door het College van Burgemeester en Schepenen van 3 juli 1997 (stuk 15 dossier verweerder) - dat het gaat om het uitbreiden bestaande loods door bijbouwen loods en sanitair blok, volstaan niet als bewijs dat het om de 'oprichting van een gebouw' gaat. In dat verband is het alleen verweerder die een stuk voorlegt, namelijk een situatieschets uit het dossier van het Kadaster (zijn stuk 14). Het samenleggen van dat stuk met het (latere) plan voor het bijbouwen van een tent (stuk 11 dossier eiseres) geeft een duidelijke kijk van het grondplan. Die stukken laten evenwel niet toe om met (voldoende) zekerheid aan te nemen dat het om de oprichting van een gebouw ging dat niet kan beschouwd worden als de uitbreiding van een bestaand gebouw (concreet de uitbreiding van de oorspronkelijke loods). Het feit dat eiseres inriep (met betrekking tot de reeds uitgewezen betwisting over de kwalificatie van het recht dat aan de VZW K. A. was verleend) dat er slechts één ingang was voor het speeldorp, terwijl er op stuk 14 van verweerder duidelijk sprake is van het bijplaatsen van een deur in de oorspronkelijke loods, laat overigens vermoeden dat het om een bijkomende vleugel was die voor de exploitatie als één geheel met de oorspronkelijke loods werd beschouwd; dat toont derhalve aan dat het om een uitbreiding van een gebouw gaat. De herzieningstermijn van vijftien jaar is dus niet toepasselijk; hij bedraagt slechts vijf jaar.

Verder roept verweerder met reden in dat, nu vanaf 1 januari 2002 het nieuwe loods gedeelte weer door eiseres in gebruik genomen werd voor de exploitatie in het kader van een BTW-activiteit, de herzieningsperiode van vijf jaar tot en met 2002 loopt. Aldus komt slechts de facturatie in aanmerking van na 31 december 1997.

Het gaat dus slechts nog om de facturen die aan eiseres voor de werken zijn uitgereikt die uit 1998 dateren (later zijn er geen facturen meer voor die werken en overigens valt die BTW niet onder het voorwerp van deze procedure).

Overeenkomstig artikel 11, § 3 KB nr. 3 van 10 december 1969, wordt de herziening in éénmaal verricht voor het jaar waarin de oorzaak van de herziening zich heeft voorgedaan (2002) en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop van een vijfde per jaar.

Vermits 2002 het vijfde jaar is van het herzieningstijdvak, is het meteen ook het laatste en dus het enige jaar waarvoor een herziening kan verleend worden. De omvang van de herziening is dus beperkt tot één vijfde van de BTW waarvoor het recht op aftrek ontstond in 1998.

Uit die analyse blijkt dat het standpunt dat verweerder in zijn conclusie heeft ingenomen, correct is. Het bedrag van de herziening bedraagt 677,54 euro (27.332 frank).

2. De administratieve geldboete

Wegens het onterecht aftrekken van BTW in de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 was - naast 28.416,33 euro BTW - ook een boete verschuldigd verklaard van 2.825,99 euro.

Eiseres vraagt de kwijtschelding, minstens de vermindering van die boete. Volgens haar was zij te goeder trouw.

Verweerder ziet geen reden voor de vermindering van de boete.

Eiser kan niet ontkennen dat zij zeer goed ervan op de hoogte moet geweest zijn dat zij een contract van verhuur van onroerende goederen gesloten had met de VZW K. A.. De bedoeling om de belasting te ontduiken, is bewezen.

In die omstandigheden is er geen reden om de boete kwijt te schelden. Overigens is de boete al gepast verminderd en staat zij in een aanvaarbare verhouding tot de gepleegde inbreuken en de omvang van de ontdoken BTW.

Dat deel van de vordering wordt dus afgewezen.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt wat de oorspronkelijke vordering betreft in het ongelijk gesteld; dat zij deels gelijk heeft met betrekking tot de uitbreiding van haar vordering, blijft zonder invloed. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de (bij wijze van uitbreiding gestelde) vordering met betrekking tot de herziening van de aftrekbare BTW gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt daarom voor recht dat het herzieningstijdvak voor de werken die eiseres in 1997 en 1998 heeft laten uitvoeren tot uitbreiding van haar loods, vijf jaar bedraagt en enkel effect sorteert voor de aankoopfacturen van 1998. De rechtbank beveelt de herziening voor de aftrek van de BTW van die facturen voor een bedrag van ZESHONDERD ZEVENENZEVENTIG EURO EN VIERENVIJTIG CENT (677,54 euro).

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 349,53 euro

- aanvullende rechtsplegingsvergoeding : 58,25 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op negen november tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter,

A. V., griffier

A. V. D. V.

Textes cités

2
AR no 3 art. 111 occurrence
AR no 3 art. 91 occurrence

Décisions similaires

8