Droit à restitution, Délivrance d’une note de crédit · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 14 mars 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à restitution, Délivrance d’une note de crédit

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-restitution-delivrance-note-credit-tribunal-gand-2023-03-14-7fff

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
14 mars 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

69 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 14.03.2023

WF 709-15-21/043181

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à restitution – Délivrance d’une note de crédit

Dispositions légales

Article 77, § 1er, 1°, du Code de la TVA

Résumé

1. Les faits et les antécédents de procédure

L’assujetti est identifié à la TVA pour une activité économique consistant en des opérations de gestion et management. Il est administrateur d'une société cliente à laquelle il a facturé mensuellement des prestations de services de gestion en 2017, 2018 et 2019.

Dans la déclaration de TVA relative au deuxième trimestre de 2020, l’assujetti a demandé un remboursement de 38 749,20 euros inscrit en case 64 (montant de la taxe à récupérer suite aux notes de crédit délivrées sur lesquelles une taxe a été mentionnée).

Par le biais de ces notes de crédit délivrées (une par année civile), l’assujetti a annulé l'entièreté des factures qu’il a adressées à la société cliente pour les années 2017, 2018 et 2019.

L'administration a rejeté cette demande car elle estimait qu'il n'y avait aucune raison d’accorder la restitution. En effet, l'entreprise cliente n'a jamais inscrit ces notes de crédits dans ses déclarations de TVA.

Le 23 février 2021, un procès-verbal a été dressé mentionnant la TVA due majorée d'une amende proportionnelle de 10%.

L’assujetti a déposé au greffe du tribunal de première instance une demande en annulation dudit procès-verbal et de l'inscription au registre de perception et recouvrement.

2. Le jugement du tribunal de première instance

L'article 77, §1, 1° du code de la TVA édicte que la taxe ayant grevé la livraison de biens, une prestation de services ou l'acquisition intracommunautaire d'un bien, est restituée à due concurrence lorsqu'elle représente une somme supérieure à celle qui est légalement due.

Comme l'administration fiscale, le tribunal constate que l’assujetti ne démontre pas que la TVA perçue sur les prestations de services fournies à la société cliente n'était pas légalement due. La facturation reposait sur des prestations de services ayant effectivement été prestées. Il ressort des notes de crédit que leur délivrance est liée à un relevé de régularisation en matière de TVA concernant un autre et antérieur litige entre l’assujetti et l'administration fiscale et à une discussion concernant l'impôt sur le revenu des personnes physiques.

L'administration fiscale relève que la société cliente n'a pas repris les notes de crédit dans ses déclarations de TVA. En outre, le tribunal note que le demandeur ne produit aucun document démontrant que les notes de crédit ont également donné lieu au remboursement effectif des montants qui y sont mentionnés.

Compte tenu de tous ces éléments, le tribunal juge que l’assujetti, qui supporte toutefois la charge de la preuve, ne prouve pas que les factures initiales adressées à l'entreprise cliente mentionnaient une TVA qui n'était pas légalement due. Aucune pièce ne démontre que les prestations de services (et donc la TVA) ont été facturées à tort. La demande n'est pas fondée.

Remarque

L’assujetti a acquiescé au jugement.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent- 6de burgerlijke kamer

Vonnis van 14/03/2023

Rol: 21/1541/A

IN DE ZAAK VAN:

M. J., met maatschappelijke zetel te ..., ondernemingsnummer 050...96

Eiser, vertegenwoordigd door Meester C. V. H. en meester H. H., beiden advocaat met kantoor te ...

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstsraat 4

Verweerder, vertegenwoordigd door X, attaché bij een fiscaal bestuur

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 17 januari 2023 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS EN PROCEDURELE VO0RAFGAANDEN

2.1.

Eiser is sinds 1 september 1998 geregistreerd als btw-plichtige onder nummer BE050...96 voor de economische activiteit van managementactiviteiten van holdings. Eiser is bestuurder van bv A. B. en factureerde in 2017, 2018 en 2019 maandelijkse prestaties aan deze vennootschap.

Eiser vermeldde in de btw-aangifte met betrekking tot het tweede kwartaal van 2020 een bedrag van 38.749,20 EUR in rooster 64 (te recupereren btw op uitgereikte creditnota's). Dit bedrag heeft betrekking op drie creditnota's gericht aan bv A. B. en betreft voor de kalenderjaren 2017, 2018 en 2019 de "volledige annulatie van in het verleden aangerekende vergoedingen ingevolge fiscaal onderzoek van 16 maart 2020 resulterende in "de correctieopgave btw gedateerd op 26 mei 2020" en "het bericht van wijziging inzake personenbelasting gedateerd op 23 juni 2020', volgens specificatie gedateerd op 30 juni 2020".

Middels deze creditnota's (een voor elk kalenderjaar) draaide eiser dus zijn gehele facturatie aan bv A. B. inzake 2017, 2018 en 2019 terug. Via zijn btw-aangifte vordert hij de teruggaaf van de btw vermeld in de door hem uitgereikte creditnota's, ten bed rage van 38.749,20 EUR.

2.2.

De administratie weigert de teruggaaf omdat zij meent dat er geen grond voor teruggaaf voorhanden is en omdat bv A. B. de creditnota's nooit opnam in haar eigen btw-aangiften. Op 23 februari 2021 werd proces-verbaal opgemaakt in die zin, waarin gesteld werd dat eiser het bedrag van 38.749,20 EUR verschuldigd was aan de Belgische Staat, vermeerderd met een proportionele geldboete van 10% van 3.870,00 EUR en de nalatigheidsinteresten op de verschuldigde btw vanaf 21 oktober 2020.

Op 8 april 2021 werd een register met schuldnummer 500...27 uitvoerbaar verklaard ten bedrage van 42.619,20 EUR (bestaande in de btw en de geldboete) en aan eiser toegestuurd.

Middels de huidige procedure betwist eiser deze belastingschuld.

3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

Eiser vordert de vernietiging van het genoemde proces-verbaal van 23 februari 2021, van de administratieve beslissing van 4 december 2020 en van de inschrijving in het innings- en invorderingsregister met artikelnummer 500...27. Hij vordert ook dat de rechtbank voor recht zegt dat de door de administratie gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en dat verweerder wordt veroordeeld om alle onterecht ingehouden of aangerekende bedragen terug te betalen, vermeerderd met de moratorium-interesten. Tevens vordert hij de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000,00 EUR.

Verweerder vordert dat de vordering van eiser ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en dat het proces-verbaal met artikelnummer 500...27 bevestigd wordt, met veroordeling van eiser tot de gedingkosten.

4. BEOORDELING

4.1.

Op de vordering van eiser tot vernietiging van de administratieve beslissing van 4 december 2020 kan niet ingegaan worden.

De betrokken 'beslissing' behelst in werkelijkheid een voorstel tot rechtzetting dat de belastingadministratie aan eiser richtte in de vorm van een regularisatie-opgave, voorafgaand aan het opstellen en uitvoerbaar verklaren van het proces-verbaal van 23 februari 2021 (stuk 1 van eiser). Eiser heeft geen enkel belang in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bij de vernietiging van dit document, dat het schuldnummer gekend onder artikel 500...27 immers onverlet laat.

4.2.

Overeenkomstig artikel 75 WBTW kan de belasting slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het Wetboek dit voorziet. Artikel 77, §1, 1° WBTW bepaalt het volgende:

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot het beloop van het passende bedrag teruggegeven:

1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Met de belastingadministratie stelt de rechtbank vast dat eiser niet aantoont dat de btw die werd geheven ingevolge de aan bv A. B. geleverde diensten, niet wettelijk verschuldigd was.

Uit de creditnota's blijkt dat het opstellen ervan verband houdt met een correctieopgave inzake btw in een andere, voorgaande twist tussen eiser en de fiscus en met een discussie omtrent personenbelasting. Verweerder stelt — en eiser betwist niet— dat deze discussie ging over een aftrek van kosten en geenszins over de realiteit van de door eiser ten aanzien van bv A. B. verrichte prestaties. De belastingadministratie werpt ook op dat bv A. B. de creditnota's niet vermeldde in haar btw-aangiftes. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser geen stukken bijbrengt waaruit blijkt dat de creditnota's ook geleid hebben tot de effectieve terugbetaling van de erin vermelde bedragen.

Gelet op al deze elementen besluit de rechtbank dat eiser, die nochtans de bewijslast draagt, niet aantoont dat in de initiële facturatie aan bv A. B. btw vermeld werd die niet wettelijk verschuldigd was. Dat de prestaties (en dus de btw) onterecht werden gefactureerd, blijkt uit geen enkel stuk.

De vordering van eiser is ongegrond.

5. GERECHTSKOSTEN

Eiser wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering van eiser gericht tegen de 'beslissing' van 4 december 2020 onontvankelijk.

Verklaart de vordering van eiser voor het overige ontvankelijk maar ongegrond. Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag 14 maart 2023, waar aanwezig waren:

mevrouw S. V. H., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw A. C., griffier.

Textes cités

2
CTVA art. 774 occurrences
CTVA art. 751 occurrence

Décisions similaires

8