Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 6 mars 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruxelles-2009-03-06-e3e3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
6 mars 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

276 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 06.03.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2007/13067/A en AR 2007/13968/A

- BTW

- op tegenspraak

- gemengd vonnis - samenvoeging: heropening der debatten op 26/10/2009 om 14:00 uur- 45 min.

In zake van :

De NV F., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …, overgenomen door fusie door de NV V. I., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. W. D. loco Mr. S. S., advocaat te …, … (ref. : /),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën in de persoon van de Federale Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde Groenstraat 51-57.

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. K. V. d. V. loco Mr. F. C., advocaat te …, … (ret: : /),

Na beraad op 26 januari 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

In de zaak AR 2007/13067/A

- het verzet met dagvaarding van 6/9/2001 betekend. door het ambt van Mr. P. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …,

- de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 29/9/2006;

- de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op 2417/2006 en 16/11/2006,

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 5 oktober 2007 dat de zaak naar deze rechtbank verzendt;

In de zaak AR 2007/13068/A

- het verzet met dagvaarding van 6/9/2001 betekend door het ambt van Mr. P. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …,

- de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 29/9/2006;

- de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op 2417/2006 en 16/11/2006,

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 5 oktober 2007 dat de zaak naar deze rechtbank verzendt;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 26 januari 2009, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. SAMENVOEGING

1. Gelet op de samenhang tussen de zaken gekend onder het nummer AR 2007/13067/A en 2007/13068/A, worden de voornoemde zaken samengevoegd met het oog op een goede rechtsbedeling.

Daarbij is op te merken dat de NV V. I. de rechtsopvolger is van de NV F. na een fusie door overneming met ontbinding zonder vereffening van deze laatste. Overeenkomstig artikel 682 W.Venn. houdt de ontbonden vennootschap op te bestaan en gaat het gehele vermogen van de ontbonden vennootschap, zowel de rechten als de verplichtingen, over de rechtsverkrijgende vennootschappen.

Nu de NV F. in rechte heeft opgehouden te bestaan, dient de rechtbank zich enkel nog uit te spreken over het bestaan van de belastingschuld in hoofde van de NV V. I..

2. FEITEN

2. De NV F. is gefuseerd door overneming met de NV V. I. blijkens de publicatie in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 8 februari 2001. Eiseres baat een boekhoudkantoor uit.

Op 9 maart 2001 werd een proces-verbaal opgesteld door de administratie van verweerder na inzage van het fiscaal dossier en de boeken, stukken en bescheiden van de NV F. met betrekking tot de periode 1/1/1996 tot en met 31/12/1998. Daarin zouden onregelmatigheden en overtredingen inzake de toepassing van de BTW zijn vastgesteld.

Deze overtredingen hebben betrekking op de (1) aftrekregeling en (2) de verkoopsadministratie.

(1)

A) De aftrek van de BTW op een factuur uitgereikt door de BVBA F. B werd verworpen om reden dat dit een fictieve factuur zou betreffen (terug te storten 378.000 BEF);

B) De aftrek van de BTW op facturen uitgereikt door de NV D. C. werd verworpen om reden dat er geen positieve en verifieerbare elementen zouden voorhanden zijn die de betalingen door de NV F. zouden rechtvaardigen. Als voor waarde voor de aftrek moet de voorbelasting geheven zijn op een uitgave die voor het geheel de tegenprestatie vormt van een werkelijk bestaande en oprechte handeling die affectief ten behoeve van de belastbare werkzaamheid wordt gebruikt (terug te storten : 262.500 BEF).

C) Een aantal gemaakte kosten werden verworpen als niet-verantwoorde kosten en verworpen uitgaven, met name als kosten voor representatie. Goederen en diensten die niet gebruikt worden voor de economische activiteit Van de belastingplichtige zijn uitgesloten van aftrek. Een aantal kosten komen derhalve niet in aanmerking voor aftrek (terug te betalen : 4.249.509 BEF).

(2)

Eiseres verklaarde zich akkoord met de navordering van 11.975,81 euro (483.103 BEF) aan BTW met betrekking tot de verkoopsadministratie.

3. Eiseres verklaarde zich akkoord met de navordering van de BTW op de volgende facturen :

Tabel 1

Factuur nr.LeverancierBedrag BEF
Boekjaar 1996/1997
156E.16.566,00
212E.16.566,00
422E.16.574,00
447B.3.430,00
1023W.894,00
1085E.8.922,00
1228R.1.648,00
1454E.8.922,00
1595T.2.550,00
1853E.3.275,00
1947E.3.265,00
1948E.3.265,00
1949E.3.275,00
1950E.3.275,00
1952E.3.275,00
95.702,002.372,39 €
Boekjaar 1997/1998
39NV M.4.515,00
184D’H.16.405,00
237H.11.562,00
265E.5.377,00
316T. C.1.197,00
317T. C.725,00
324E.-S.749,00
626H.11.562,00
771T. C.1.197,00
1049D. W. & Z.1.190,00
1109W. D. B.42.173,00
1133W. D. B.46.682,00
1134W. D. B.1.102,00
1189K.312,00
1612JMT T.199,00
144.947,003.593,14 €
TOTAAL5.965,53 €

De betwisting heeft aldus nog betrekking op de kosten opgesomd in bijlage 1, behoudens wat betreft de hiervoor in tabel 1 opgesomde kosten.

4. Er werd een dwangbevel uitgevaardigd op 3/4/2001 (stuk 2 verweerder). Dit dwangbevel werd zowel betekend aan de NV F. als aan de NV V. I..

Tegen dit dwangbevel werd verzet gedaan met dagvaarding op 6/9/2001

3. VOORWERP VAN DE VORDERING

5. Eiseres vordert

- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de vordering samen te voegen met de verzetsakte ingeleid door de NV F. gericht tegen hetzelfde dwangbevel;

- het dwangbevel betekend op 19 april 2001 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin gevorderde sommen ten titel van BTW boeten en intresten niet verschuldigd zijn in de mate dat zij meer bedragen dan 723.716 BEF en 120.000 BEF;

- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van een bedrag ten belope van 3.130.331 BEF (inhouding d.d. 30/4/2001, betaling d.d. 8 juni 2001, betaling 9 juli 2001, betaling augustus 2001), te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten vanaf de dag van betaling;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten;

Bij conclusie van 29/9/2006 heeft eiseres haar vordering als volgt geherformuleerd :

- de vordering samen te voegen met de verzetsakte ingeleid door de NV F. gericht tegen hetzelfde dwangbevel;

- het dwangbevel betekend op 19 april 2001 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin gevorderde sommen ten titel van BTW boeten en intresten niet verschuldigd zijn in de mate dat zij meer bedragen dan 723.716 BEF en 120.000 BEF;

- in ondergeschikte orde : het dwangbevel betekend op 19 april 2001 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin gevorderde sommen ten titel van BTW boeten en intresten niet verschuldigd zijn in de mate dat zij meer bedragen dan 723.716 BEF en 120.000 BEF;

- in meeste ondergeschikte orde : de kwestieuze geldboete kwijt te schelden, mijnstens gevoelig te verminderen;

- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen die ten onrechte zouden zijn geïnd of ingehouden, te verhogen met moratoriumintresten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten;

- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van het kantonnement;

6. Verweerder vordert :

- de ongegrondheid van de vordering van eiseres behoudens wat de factuur van L. L. betreft en de factuur van B. C. C. nr. …;

- het akkoord te acteren van eiseres met de vordering van de Belgische Staat voor een bedrag van resp. 11.975,81 euro (483.103 BEF) (de post II) overtredingen verkoopadministratie) en 240.649 BEF (5.965,53 euro) te verhogen met de respectievelijke hierop toepasselijke boeten, de wettelijke intresten en de moratoire intresten vanaf 21/1/1999 en de vervolgingskosten.

- te acteren dat eiseres de BTW-aftrek op factuur nr. … uitgaand ervan L. L. (21.000 BEF) 528,58 euro aanvaardt evenals de aftrek van BTW t.w.v. 966 BEF afkomstig van factuur nr. … B. C. C.

- eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding;

Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, spijts welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement af te wijzen wegens ongegrond.

4. BEOORDELING

4.1. Ontvankelijkheid

7. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4.2. Gegrondheid

4.2.1. Schending van de formele motiveringsplicht

8. Eiseres voert in haar eerste middel de schending aan van de formele motiveringsplicht.

Zij stelt dat in het proces-verbaal van 9 maart 2001 de aftrek van de voorbelasting op de facturen van de N.V D. C. werd verworpen omdat de belastingplichtige de echtheid van de gefactureerde diensten niet zou hebben bewezen. In zijn conclusie zou verweerder echter stellen dat deze facturen vals zijn omdat de diensten niet werden gepresteerd door de vennootschap maar door haar wettelijke vertegenwoordiger B.. Aldus zou de verwerping van de aftrek van de voorbelasting in het dwangbevel niet rechtsgeldig zijn gemotiveerd.

9. Het kan niet worden betwist dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van toepassing is op de door verweerder uitgevaardigde dwangbevelen (in dezelfde zin : Cass. 1 december 2005, www.cass.be ).

Krachtens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 moet het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd.

Deze wet noch enige andere wettelijke bepaling verhinderen dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Evenwel kunnen deze argumenten en gegevens enkel kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (in dezelfde zin Cass. 1/12/2005, www.cass.be ).

10. Eiseres kan niet worden gevolgd waar zij stelt dat de feitelijke motieven voor de navordering werden vervangen, hetgeen zou impliceren dat het bestreden dwangbevel niet rechtsgeldig werd gemotiveerd.

Het in de huidige procedure door verweerder verdedigde standpunt is niet aan te merken als een nieuw motief dat niet zou gesteund zijn op de feitelijke en juridische gegevens vervat in het dwangbevel.

Indien het zo is dat de diensten werden gepresteerd door een andere persoon (handelend in eigen naam en voor eigen rekening) dan diegene door wie de factuur werd uitgeschreven, dan staat het vast dat de voorgelegde factuur niet het bewijs oplevert van de diensten waarvan zij melding maakt.

Aldus is er geen sprake van substitutie van motieven.

Het middel faalt.

4.2.2 Inbreuken op de aftrekregeling

a) Vooraf : toepasselijke principes

11. Artikel 45, § 1 BTW-Wetboek luidt als volgt :

"§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :

1° belaste handelingen;

(...)"

Om zijn recht op aftrek uit te oefenen dient de belastingplichtige in het bezit te zijn van een regelmatige factuur, die beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

De voorgelegde facturen moeten reëel zijn en beantwoorden aan werkelijk geleverde goederen of diensten (TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht, Larcier, 2008, nr. 5705).

b) Factuur nr. … van 20 december 1996 van de BVBA F. B

12. Het recht op aftrek van de voorbelasting op deze factuur werd verworpen nu uit het fiscaal dossier inzake directe belastingen zou blijken dat het een fictieve factuur zou betreffen. De prestaties die erin worden vermeld zouden immers onmogelijk door de uitreikende vennootschap kunnen geleverd zijn.

Volgens eiseres moeten de betaalde vergoedingen worden gesitueerd in de periode dat de BVBA F. B na een geleidelijke afbouw van baar activiteiten tot fusie met de NV F. zou overgaan. Daartoe diende in een overgangsregeling te worden voorzien. Het was logisch dat een vergoeding werd betaald vermits de NV F. vanaf einde 1995 kon genieten van inkomsten die voorheen door de BVBA F. B Er was nog steeds een zaakvoerder die prestaties leverde. Er zou niets aangerekend zijn voor de overdracht van het cliënteel.

13. Volgens stuk 5 van verweerder vermeldt de factuur : "verrekening voor het leveren van prestaties voor uw rekening verricht volgens de door U verstrekte gegevens en volgens uw instructies voor de periode juli-december 1996 - boekhoudkundige prestaties"

In haar conclusie en in het antwoord op de aanslag van ambtswege in de inkomstenbelasting lijkt eiseres te stellen dat deze vergoedingen werden betaald in ruil voor het feit dat sinds eind 1995 eiseres kon genieten van de inkomsten die voorheen door de BVBA F. B werden behaald.

Verweerder stelt terecht dat deze verklaring niet overeenstemt met de vermelding van de prestaties op de betrokken factuur. Op de factuur nr. … wordt immers gewag gemaakt van "'boekhoudkundige prestaties", zonder dat uit enig stuk blijkt om welke prestaties het zou gaan, te meer daar er kennelijk geen personeel meer in dienst was van de vennootschap, behoudens de zaakvoerder.

Uit het verslag van het bezoek ter plaatse van 10/4/1997 in aanwezigheid van de heer V. zou blijken dat sinds 1/1/1995 de activiteiten van de BVBA F. B zouden zijn stopgezet. Eiseres gewaagt daarentegen van een geleidelijke "afbouw" van haar activiteit, maar geeft hieromtrent geen enkele toelichting en legt geen enkel stuk voor.

Bovendien zou de zaakvoerder zich akkoord hebben verklaard met de opname in de verworpen uitgaven van autokosten precies, omdat de vennootschap geen activiteit meer had, hetgeen niet wordt tegengesproken door eiseres.

Uit de voormelde elementen leidt de rechtbank een feitelijk vermoeden af dat de factuur nr. … van de BVBA F. B niet beantwoord aan reële prestaties en derhalve is uitgesloten van het recht op aftrek van voorbelasting.

De vordering is op dit punt ongegrond.

c) Facturen nr. … en … NV D. C.

14. De aftrekbaarheid van de voorbelasting op de facturen van de NV D. C. wordt door verweerder verworpen omdat de echtheid van de gefactureerde diensten niet zou zijn bewezen. In conclusie wordt verduidelijkt dat de betrokken diensten werden gepresteerd door de heer B. in eigen naam en deze inkomsten in hoofde van deze werden belast.

De betrokken facturen dragen de volgende vermeldingen (stuk 10 van verweerder) :

- Factuur … : “diverse prestaties in onder aanneming zoals overeengekomen periode 1/1/1996 -30/6/1996, afrekening van het uurtarief inbegrepen"

- Factuur … : "diverse prestaties in onder aanneming zoals overeengekomen, periode 1/1/1997 - 30/6/1997, afrekening van het uurtarief inbegrepen"

Volgens de heer V. (afgevaardigde bestuurder van eiseres) zouden de diensten zijn verricht door de heer B.. Deze laatste zou balansen van klanten van eiseres hebben opgemaakt. Het zouden forfaitaire bedragen per balans betreffen. De heer V. kon aan de diensten van verweerder geen klanten aanwijzen voor dewelke B. in 1996 of 1997 balansen zou hebben opgesteld, hij kon zich niet herinneren om hoeveel klantendossiers het ging en kon geen nadere uitleg geven omtrent het uurtarief.

Verder blijkt B. een voormalige werknemer te zijn van eiseres, tevens afgevaardigd bestuurder van de vennootschap NV D. K. waarvan de heer V., afgevaardigd bestuurder van eiseres, tevens bestuurder is of was. De SA D. C. betreft een Luxemburgse vennootschap, met een vaste inrichting in België, waarvan B. de vaste vertegenwoordiger is.

Er konden geen positieve en verifieerbare elementen zoals contracten, brieven, nota's, werkbonnen worden voorgelegd door eiseres, waaruit de door de NV D. C. effectief geleverde prestaties zouden kunnen blijken.

Er zou tevens een vriendschappelijke relatie bestaan tussen de heer V. en B. (hetgeen overigens wordt bevestigd door stuk 11 van verweerder, reis naar Dakar).

15. De rechtbank leidt uit de hiervoor opgesomde elementen - die niet worden tegengesproken door de stukken van het dossier, alsook uit het feit dat de heer B. kennelijk zelf heeft aanvaard dat de inkomsten van de prestaties die zouden zijn verricht voor eiseres als inkomsten in zijnen hoofde dienden te worden aangemerkt en niet als inkomsten van de SA D. C., af dat de facturen nr. … en … van eiseres niet beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties door de SA D. C..

Het loutere feit dat eiseres, naar zij beweert, er mocht van uitgaan dat B. de vertegenwoordiger was van de SA D. C. op grond van de schijnvertegenwoordiging doet hieraan niet af. De vermelding van de juiste identiteit van de dienstverlener is immers van essentieel belang voor de uitoefening van het recht op aftrek, met name voor de controle op de aankoop-en verkoopverrichtingen tussen belastingplichtigen uit te voeren, alsook om het bedrag van de betaalde belasting te bepalen en de effectieve betaling van de belasting na te gaan.

Het feit dat de aftrek als beroepskost in de inkomstenbelasting door verweerder zou zijn aanvaard is niet relevant. De aftrek van BTW is onderworpen aan andere voorwaarden en andere rechtsregels, onder meer voortkomende uit het gemeenschapsrecht, dan de aftrek van beroepskosten in het kader van de inkomstenbelasting. Uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat de voorbelasting op uitgaven die als beroepskost worden aanvaard in het kader van de inkomstenbelasting, noodzakelijkerwijze in aanmerking komen voor aftrek in het kader van de BTW.

Het middel is ongegrond.

d) Publiciteitskosten

16. Verweerder is van oordeel dat de facturen uitgereikt door de NV D. B., KFC V. en AD S. en aanverwante facturen moeten worden aangemerkt als representatiekosten. Eiseres is daarentegen van oordeel dat deze kosten als publiciteitskosten zijn te aanzien.

17. Krachtens artikel 45, § 1, 1° BTW-Wetboek, mag de belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is terzake van de door hem verrichte leveringen en diensten, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten en van de door hem ingevoerde goederen, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting. Overeenkomstig artikel 45, § 3, 4° BTW-Wetboek komen kosten van onthaal niet voor aftrek in aanmerking.

Als kosten van onthaal komen in aanmerking de kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties.

Wanneer de betrokken activiteit hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de consument in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, is zij te aanzien als reclame waarvan de kosten niet van aftrek uitgesloten zijn (zie in dezelfde zin : Cass. 8 april 2005, www.cass.be; vgl. H.v.J., Commissie t.Spanje, C-73/92, ro. 13-16).

Artikel 17, lid 6 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag bepaalt dat van aftrek zijn uitgesloten "de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie".

De Belgische wet moet worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn (H.v.J., 13 november 1990, Marleasing, C-106/89).

18. Bijgevolg moet worden nagegaan of de kosten waarvan de aftrek van voorbelasting door verweerder werd geweigerd daadwerkelijk tot doel hadden het publiek te informeren en de verkoop van de diensten van eiseres te bevorderen.

Volgens eiseres betreft het kosten naar aanleiding van de sponsoring van evenementen en wedstrijden. De aanduiding als "sponsoring" volstaat evenwel niet om de kwalificatie als kosten van onthaal, zoals hiervoor omschreven, uit te sluiten. In geen enkel stuk, noch in de conclusie van eiseres wordt ingegaan op de aard van de betrokken kosten. Uit geen enkel stuk blijkt met name dat de gemaakte kosten verband houden met "het inlichten van de eindverbruiker over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen".

Eiseres legt geen enkele factuur voor en geeft geen enkele toelichting bij de door haar gemaakte kosten, zodat de aard en de bedoeling ervan niet kunnen worden nagegaan. Zo wordt in de bijlage 1 bij het proces-verbaal van 9/3/2001 de reden van weigering van aftrek op verschillende plaatsen omschreven als "P. Z.", doch de precieze aard van deze kosten wordt niet verduidelijkt.

Verder blijkt uit stuk 12 van verweerder dat eiseres zelf stelt dat rasechte publiciteit haar deontologisch is verboden, zodat zich de vraag stelt naar de aard en het doel van de kosten die zij aanduidt als "publiciteitskosten" of "sponsoring".

Stuk 11 van verweerder bevat bovendien een factuur d.d. 2/12/1998 uitgereikt door de BVBA R. betreffende "verhuur Mitsubishi Pajero T2 (volgens contract) voor Granada-Dakar 1999". Deze factuur komt voor op de bijlage 1 bij het proces verbaal van 9 maart 2001. Nochtans stelt zich de vraag naar het verband met de beroepswerkzaamheid van eiseres.

Zonder verduidelijking aangaande deze kosten kan het strikt professioneel karakter ervan of de afwezigheid daarvan niet worden nagegaan.

Bijgevolg moeten de debatten op dit punt worden heropend.

19. In de mate dat eiseres zich steunt op het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel verwijst zij naar een controle die zou zijn uitgevoerd door de BBI te Antwerpen. Uit de voorgelegde stukken blijkt niet welke kosten precies door de BBI te Antwerpen zouden zijn aanvaard. In stuk 1bis van eiseres is sprake van "sponsoring", doch het doel en de aard van deze kosten blijkt niet uit deze stukken.

Bijgevolg moeten de debatten ook op dit punt worden heropend.

e) Aftrek op factuur L. L. en B. C. C.

20. De aftrek van de voorbelasting van deze facturen wordt door de administratie thans aanvaard.

f) Aftrek op factuur nr. … van I. BVBA

21. Eiseres volstaat met te stellen in conclusie dat hierover een akkoord zou zijn gesloten met de administratie der directe belastingen. In de dagvaarding stelt eiseres dat factuur nr. … door de BBI te Antwerpen werd aanvaard tijdens een voorgaande controle. De factuur werd ingeschreven in de boekhouding voor boekjaar 1995 onder de rubriek te ontvangen facturen.

Verweerder merkt terecht op dat bij de controle de betrokken factuur nog niet· voorhanden was, zodat zij haar impliciet akkoord met de aftrek van de voorbelasting niet kan hebben verleend.

Verder stelt verweerder eveneens terecht dat de aftrek van BTW onderworpen is aan andere voorwaarden en andere rechtsregels dan de aftrek van beroepskosten in het kader van de inkomstenbelasting. Uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat de voorbelasting op uitgaven die als beroepskost worden aanvaard in het kader van de inkomstenbelasting, noodzakelijkerwijze in aanmerking komen voor aftrek in het kader van de BTW.

De aftrek van de voorbelasting op deze factuur werd terecht verworpen door verweerder.

g) Facturen … en ….

22. Volgens eiseres zouden deze facturen "boekhoudkundige nuloperaties" uitmaken. Op deze facturen zou geen BTW zijn vermeld, de in aftrek gegeven BTW zou zij tevens hebben aangegeven.

Eiseres verwijst naar uittreksels uit haar aankoopdagboek, welke zij evenwel nalaat voor te leggen.

Aldus is haar verzet ongegrond.

h) Factuur … (PSI M.)

23. Deze factuur wordt nog steeds niet voorgebracht door eiseres, evenmin als een duplicaat.

Aldus is het verzet ongegrond.

i) Verwerping aftrek op grond van artikel 45, § 1 en 3 BTW-Wetboek

24. Aangaande de overige in bijlage 1 bij het proces-verbaal van 9 maart 2001, waarvan de aftrek van voorbelasting werd geweigerd op grond van 45, §§ 1 en 3 BTW-Wetboek, wordt geen verduidelijking gegeven aangaande de aard van deze kosten.

Ook op dit punt moeten de debatten worden heropend.

4.2.3 Administratieve geldboeten

25. De beslissing aangaande de administratieve geldboeten wordt aangehouden, gelet op de heropening van de debatten.

5. KOSTEN EN RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

26. De uitspraak over de kosten wordt aangehouden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Voegt de zaken 2007/13067/A en 2007/13068/A samen;

Verklaart de vordering reeds ontvankelijk.

Alvorens verder recht te doen, heropent de debatten ten einde partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent voormelde punten.

Verklaren het verzoek tot bepaling van conclusietermijnen en een rechtsdag toelaatbaar en gegrond zoals hierna bepaald;

Zeggen dat partijen uiterlijk op de hiernavolgende data hun conclusies ter griffie dienen neer te leggen en dienen mede te delen aan de tegenpartijen :

- aanvullende conclusie (synthese)

voor eisers uiterlijk op 12/06/2009

voor de Belgische Staat uiterlijk op 11/09/2009

Zeggen dat partijen die meer dan twee conclusies neerleggen de laatste conclusie zullen opstellen onder de vorm van een syntheseconclusie die de vorige conclusies; zal vervangen;

Bepalen de pleitdatum op 26 oktober 2009 om 14:00 uur ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van deze Rechtbank voor 45 min. pleidooien;

Houdt de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 6 maart 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. B., toegevoegd rechter,

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. B.

Textes cités

5

Décisions similaires

8