Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 21.09.2012
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel - 33ste Kamer
AR 2011/5912/A
In zake van :
De BVBA M., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de KBO onder het nummer …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. E. loco Mr. D., advocaat te …, … (ref. : …);
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen zijn gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door de heer A. J., e.a. inspecteur-diensthoofd.
Na beraad op 18 juni 2012 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 6/5/2011,
- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 10/6/2011,
- de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 6/9/2011, 2/2/2012 en 24/4/2012,
- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 9/12/2011 en 4/4/2012,
- de stukkenbundel van eiseres, neergelegd ter griffie op 9/12/2011,
- de stukkenbundel van verweerder, neergelegd ter griffie op 6/9/2011.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 18 juni 2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Eiseres is BTW-belastingplichtige sedert 1 april 1999.
Op 20 oktober 2009 werd een controle uitgevoerd over de periode 1 januari 2006 tot 30 juni 2008.
Op 15 december 2009 werd door de heer W., gevolmachtigd accountant van eiseres, een minnelijk akkoord ondertekend waarin voorbehoud werd gemaakt voor aankoopfactuur nr. … d.d. 31 mei 2007 om eiseres de gelegenheid te geven bewijsstukken voor te brengen.
Op 25 november 2009 deed diezelfde heer W. afstand van de verlopen termijn van verjaring voor de periode 1 januari 2006 tot 3 december 2006.
De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 25 november 2010 (stuk 1 bundel verweerder). Krachtens dit proces-verbaal zou eiseres aan verweerder verschuldigd zijn :
- … EUR als BTW
- … EUR als verminderde boete
- intrest aan 0,8 % per maand vanaf 21 juli 2008.
Op 30 november 2010 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 9 december 2010 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer M.. Het dwangbevel werd op 15 december 2010 aan eiseres betekend.
2. Op 6 mei 2011 legde eiseres een verzoekschrift strekkende tot fiscaal verhaal (art. 1385decies Ger. W.) neer ter griffie van deze rechtbank.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
3. De vordering van eiseres strekt ertoe het dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld niet verschuldigd zijn, minstens de opgelegde boete kwijt te schelden en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en intresten die reeds door eiseres werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden.
Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
4. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.
3.2. Gegrondheid
3.2.1 Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig stuk
5. Blijkens het proces-verbaal van 25 november 2010 ontbraken voor bepaalde leveringen en diensten (opgenomen in een tabel op p. 4 van het procesverbaal) verplichte vermeldingen op de voorgelegde facturen. De facturen bevatten slechts de vermelding "geleverde prestaties". Het juiste voorwerp noch het detail van de diensten werd vermeld, zodat de handeling niet kon worden gedetermineerd. De juiste aard en de omvang van de verrichtingen zou aldus niet kunnen worden nagegaan. De inning en controle door de administratie zou hierdoor in gevaar zijn gebracht.
M.b.t. factuur 798 d.d. 31/5/2007 van S. K. kon door eiseres aanvankelijk niet worden meegedeeld wat de "geleverde prestaties" inhielden. Bij brief van 3 november 2010 antwoordde de heer W. dat de prestaties te maken hebben met publiciteit en een publiciteitsovereenkomst. Volgens deze overeenkomst mag publiciteit worden gevoerd op de wijze en manier zoals S. K. (later NV S. V.) deze meent te moeten voeren om de belangen van M. te behartigen. De verbalisant stelt dat voor bepaalde facturen met de vermelding van "sponsoring" de aftrek wel werd aanvaard. Wat betreft factuur nr. … zou daarentegen niet zijn aangetoond dat er een verband zou bestaan met de publiciteitsovereenkomst.
M.b.t. de facturen van de NV S. V. (nrs. 522, 532, 584, 641, 712 en 779), werd door eiseres geantwoord dat :
- het maximumtarief werd toegepast zodat geen detail is te verstrekken;
- de prestaties betreffen het ter beschikking stellen van infrastructuur (tafels, stoelen, parasols) en toiletten voor klanten van M. of andere personen die naar de jumping komen kijken;
- de prestaties betreffen het ter beschikking stellen van accommodaties;
- de prestaties betreffen wasbeurten van het wagenpark van eiseres;
Bijgevolg werd het recht op aftrek niet aanvaard voor wat betreft deze facturen.
6. Eiseres voert aan dat de opgelegde vermeldingen verantwoord zijn wanneer zij noodzakelijk zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren. Er moet toepassing worden gemaakt van het proportionaliteitsbeginsel. De Belgische voorschriften zouden aldus niet te formalistisch mogen worden toegepast. Wanneer de vormgebreken de belangen van de Staat niet schenden, de werkelijkheid van de handeling vaststaat en de controle op de toepassing van de BTW niet wordt bemoeilijkt, moet de aftrek worden toegestaan.
Volgens eiseres zouden er in casu complexe diensten zijn verstrekt en zou de werkelijkheid van de handelingen door andere feitelijke elementen worden bevestigd.
Eiseres verwijst in dat verband naar een publiciteitsovereenkomst met de NV S. K. (thans S. V.),waarin deze laatste zich ertoe heeft verbonden om "alle mogelijke en nuttige vormen van promotie" te voeren voor eiseres.
De betwiste facturen zouden kaderen in deze overeenkomst. Concreet sloegen de prestaties volgens eiseres op het ter beschikking stellen van infrastructuur (tafels, stoelen, parasols) en toiletten voor (potentiële) klanten van M..
Eiseres verwijst nog naar verklaringen van de zaakvoerders van T&T design en D. L. (stukken 3 en 4 van haar bundel).
7. Overeenkomstig artikel 5, § 1, 6° van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992, moet de factuur of het in artikel 2 bedoeld stuk vermelden de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen volgende beginselen worden afgeleid (zie recentelijk : HVJEU, C-188/09, 29 juli 2010, Dyrektor Izby Skarbowej w Bialymstoku tegen Profaktor Kulesza, Frankowski, Józwiak, Orlowski sp. j.) :
- het in de artikelen 17 tot en met 20 van de Zesde BTW-richtlijn opgenomen recht op aftrek maakt een integrerend bestanddeel uit van het BTW-mechanisme en in beginsel niet kan worden beperkt. Het wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belasting die op de in een eerder stadium verrichte belastbare handelingen heeft gedrukt (zie met name arresten van 13 maart 2008, Securenta, C-437/06, Jurispr. blz. I-1597, punt 24; 4 juni 2009, SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft, C-102/08, Jurispr. blz. I-4629, punt 70, en 29 oktober 2009, SKF, C-29/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 55).
- De aftrekregeling heeft namelijk tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW.
Het gemeenschappelijke BTW-stelsel waarborgt derhalve een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de BTW zijn onderworpen (zie met name arrest van 29 april 2004, Faxworld, C-137/02, Jurispr. blz. I-5547, punt 37, en arrest SKF, reeds aangehaald, punt 56).
- Voor de normale werking van het gemeenschappelijke BTW-stelsel, dat op deze wijze een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten moet waarborgen, is een juiste heffing van de belasting vereist. Uit de artikelen 2 en 22 van de Zesde BTW-richtlijn, alsmede uit artikel 10 EG vloeit voort dat iedere lidstaat verplicht is alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de BTW op zijn grondgebied volledig wordt geïnd, en dienaangaande moeten de lidstaten de aangiften van de belastingplichtigen, hun boekhouding en andere relevante documenten controleren alsmede de verschuldigde belasting berekenen en innen (arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië, C-132/06, Jurispr. blz. I-5457, punt 37).
- In het kader van het gemeenschappelijke BTW-stelsel zijn de lidstaten gehouden om de nakoming van de op de belastingplichtigen rustende verplichtingen te waarborgen en daarbij beschikken zij over een zekere marge met name aangaande de wijze waarop de middelen waarover zij beschikken worden aangewend (arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 38).
- Een van deze verplichtingen is volgens artikel 22, lid 2, van de Zesde BTWrichtlijn dat iedere belastingplichtige een boekhouding moet voeren welke voldoende gegevens bevat om de toepassing van de BTW en de controle daarop door de belastingadministratie mogelijk te maken.
- De lidstaten kunnen volgens artikel 22, lid 8, van de Zesde BTW-richtlijn, onverminderd de krachtens artikel 17, lid 4, van deze richtlijn vast te stellen bepalingen, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude.
- Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en mogelijke misbruiken een doel is dat door de Zesde BTWrichtlijn is erkend en wordt gestimuleerd (zie arresten van 29 april 2004, Gemeente Leusden en Holin Groep, C-487/01 en C-7/02, Jurispr. blz. I-5337, punt 76, en 21 februari 2006, Halifax e.a., C-255/05, Jurispr. blz. I-1609, punt 71, en arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 46).
- De maatregelen die de lidstaten kunnen vaststellen mogen echter niet verder gaan dan wat nodig is ter bereiking van het doel de juiste heffing van de belasting en de voorkoming van fraude te waarborgen. Zij mogen dus niet op zodanige wijze worden aangewend, dat zij afbreuk doen aan de neutraliteit van de BTW, een basisbeginsel van het gemeenschappelijke BTW-stelsel (zie in die zin met name arresten van 18 december 1997, Molenheide e.a., C-286/94, C-340/95, C-401/95 en C-47/96, Jurispr. blz. I-7281, punt 47; 21 april 2005, HE, C-25/03, Jurispr. blz. I-3123, punt 80, en 8 mei 2008, Ecotrade, C-95/07 en C-96/07, Jurispr. blz. I-3457, punt 66).
8. In voorliggend geval staat het vast dat de vereiste van een beschrijving op te nemen op de factuur tot doel heeft de handeling te determineren en de werkelijkheid ervan na te gaan, het tarief te bepalen en de controle mogelijk te maken.
De vermelding van de juiste omschrijving van de geleverde prestaties is van essentieel belang ten einde de inning en de controle van de BTW mogelijk te maken. Zonder een juiste en precieze omschrijving kan immers niet worden nagegaan of de handeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en of de factuur derhalve aan een werkelijke prestatie beantwoordt.
Het eisen dat op de factuur een omschrijving is vermeld van de geleverde diensten is niet onevenredig met het doel van de juiste heffing van de belasting te waarborgen en fraude te voorkomen.
De omschrijving "geleverde prestaties" op de betwiste facturen is dermate ruim en nietszeggend dat het de administratie niet toelaat na te gaan of de facturen beantwoorden aan werkelijke prestaties en wat de aard en de omvang is van deze prestaties.
Eiseres verwijst in het kader van haar verweer naar een publiciteitsovereenkomst die werd afgesloten met de NV S. K. (NV S. V.). De rechtbank kan enkel vaststellen dat hiernaar op de betrokken facturen op geen enkele wijze wordt verwezen. Noch blijkt uit enige ander element dat er een verband zou bestaan met deze overeenkomst. De overeenkomst zelf wordt overigens niet voorgelegd. De inhoud ervan zoals weergegeven door eiseres is overigens al even onduidelijk en vaag als de omschrijving van de prestaties, zoals vervat in de betrokken facturen. Volgens eiseres verbond de NV S. K. zich ertoe "alle mogelijke en nuttige vormen van promotie" te voeren voor eiseres. Een dergelijke verbintenis kan bezwaarlijk geacht worden een bepaald of bepaalbaar voorwerp te hebben.
Eiseres slaagt er niet in aan de hand van bewijskrachtige stukken aan te tonen op welke prestaties precies de betwiste facturen betrekking hebben. De toelichtingen van eiseres betreffen louter eigen beweringen, die niet worden gestaafd.
9. De verklaringen door eiseres gevoegd onder haar stuk 3 en 4 zijn niet van dien aard dat zij tot een andere conclusie kunnen leiden. Dat eiseres optreedt als sponsor wordt door verweerder immers niet betwist (zie de opsomming van de facturen inzake sponsoring waarvan de aftrek werd aanvaard in het proces-verbaal - stuk 1 bundel verweerder). Verweerder merkt op - zonder hierin te worden tegengesproken door eiseres - dat noch T&T D., noch D. L. voorkomen op de klantenlistings van eiseres, zodat kan getwijfeld worden aan de verklaring dat de ontmoeting tijdens een paardenevenement zou hebben geleid tot "zakelijke transacties". Verder blijkt uit de door verweerder uitgevoerde analyse van de zetels van deze vennootschappen, dat zij eiseres of haar zaakvoerder zeker eerder moeten hebben ontmoet.
10. Verweerder haalt volkomen terecht aan dat uit het proces-verbaal van 25 november 2010 blijkt dat eiseres zelf in de loop van de administratieve procedure uiteenlopende verklaringen heeft gegeven voor de door de NV S. K., later NV S. V., opgemaakte factuur :
- de prestaties betreffen het ter beschikking s tellen van infrastructuur (tafels, stoelen, parasols) en toiletten voor klanten van M. of andere personen die naar de jumping komen kijken (15 december 2009 aan de telefoon).
- de prestaties betreffen het ter beschikking stellen van accommodaties (niet akkoord d.d. 7 september 2010 inzake directe belastingen);
- de prestaties betreffen wasbeurten van het wagenpark van eiseres (antwoord van 3 november 2010 op de correctieopgave).
In haar syntheseconclusie van 4 april 2012 houdt eiseres het op "het ter beschikking stellen van infrastructuur (tafels, stoelen, parasols) en toiletten voor (potentiële) klanten van M.".
Eiseres weet derhalve kennelijk zelf niet goed meer welke diensten aan haar werden geleverd, hetgeen de controle volkomen onmogelijk maakt.
De beweerde goede trouw van eiseres kan overigens geen afbreuk doen aan de bepalingen van de wet.
De vordering is wat dit onderdeel betreft ongegrond.
3.2.2 Inbreuken op artikel 45, § 1 BTW-Wetboek
11. In het proces-verbaal d.d. 25 november 2010 werd gesteld dat de BTW slechts aftrekbaar is in de mate dat de aan hem geleverde goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
In 2008 werden werken in onroerende staat verricht aan het onroerend goed van eiseres gelegen te …, …. Het betreft kennelijk een industrieel terrein gelegen in een industriepark, omvattende een terrein, een grote opslagplaats en een portierswoning. Volgens de heer W. werd de woning verhuurd en hadden de uitgevoerde werken een bedrijfskarakter.
De verbalisant heeft vastgesteld dat op het adres te … natuurlijke personen zijn ingeschreven en dat er een vennootschap is gevestigd. De huurcontracten werden niet voorgelegd.
Gezien niet werd aangetoond dat het onroerend goed werd gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, de belastingplichtige zelf had verklaard dat het goed werd gerenoveerd om het te verhuren en er derden zijn gevestigd in het onroerend goed, werd de aftrek van de BTW op de in het proces-verbaal opgesomde facturen geweigerd. De facturen konden volgens de verbalisant immers volledig worden toegewezen aan een vrijgestelde handeling.
12. Volgens eiseres vertoont het onroerend goed in kwestie een "strategisch belang" omdat het gelegen is naast de site van Campina, de grootste klant van eiseres.
Het onroerend goed betreft volgens eiseres een conciërgewoning, een magazijn en een werkplaats voor het herstel van vrachtwagens. Enkel de conciërgewoning zou worden verhuurd.
De rest van het onroerend goed zou door eiseres worden gebruikt voor het stallen van vrachtwagens. De werken zouden enkel het magazijn en de werkplaats betreffen.
De verklaringen van de accountant van eiseres zouden niet kunnen dienen als bewijs. Het loutere feit dat eiseres ooit met het idee speelde om het goed te verhuren, bewijst niet dat het goed daadwerkelijk werd verhuurd.
13. Artikel 45, § 1 van het BTW-Wetboek bepaalt :
"§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen"
Artikel 44, § 3 van het BTW-Wetboek bepaalt :
"Van de belasting zijn nog vrijgesteld :
1° de volgende handelingen :
a) de levering van uit hun aard onroerende goederen"
Uit de door verweerder bijgebrachte stukken en de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad blijkt dat in de … te … de maatschappelijke zetel van de BVBA T. JP M. is gevestigd, minstens sedert december 2009. De huurovereenkomst met deze vennootschap wordt door eiseres niet voorgelegd.
De door eiseres voorgelegde email (stuk 6 bundel eiseres) verschaft geen duidelijkheid aangaande het gebruik van het onroerend goed door eiseres.
Verder stelt verweerder terecht dat de betreffende facturen onvoldoende verduidelijken op welk onroerend goed zij betrekking hebben. De niet ondertekende huurovereenkomst betreffende de woning, die door eiseres wordt voorgelegd, werd overigens pas afgesloten na de uitvoering van de werken (stuk 5 bundel eiseres).
Aldus toont eiseres niet aan dat de werken in onroerende staat enkel het magazijn en de werkplaats betroffen, noch dat zij het onroerend goed gebruikt voor het stellen van belastbare handelingen.
Bijgevolg is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 45, § 1 van het BTW-Wetboek.
De vordering is ook wat dit onderdeel betreft ongegrond.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
14. Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.
De waarde van de vordering situeert zich tussen € 10.000,01 en € 20.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding overeenkomstig de bedragen opgenomen in het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007, zoals aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen (artikel 8), begroot worden op € ….
Verweerder heeft geen recht op een rechtsplegingsvergoeding, nu hij niet werd bijgestaan door een advocaat.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4,37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 21 september 2012.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. B., toegevoegd rechter
Mevrouw L. D., afgevaardigd-griffier.
L. D. M. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.