Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 23 mars 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-disposition-penale-cour-appel-anvers-2011-03-23-3d24

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
23 mars 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

71 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 23.03.2011

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van : 23/312010

In zake : 2009/AR/278

R. D. B., aannemer bouwwerken, wonende te …, …, met ondernemingsnummer …;

appeIlant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 december 2008;

vertegenwoordigd door Meester Q. B. loco F. M., advocaat te …, …;

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, Administratie van de Ondememings- en Inkomstenfiscaliteit, Sector BTW in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het tweede BTW-Controlekantoor te Mortsel, met kantoren te 2650 Edegem, Mechelsesteenweg 432;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester L. A., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 december 2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 30 januari 2009, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Appellant is aannemer in bouwwerken en in de Kruispuntbank van Ondernemingen gekend voor diverse activiteiten als aannemer (aannemer metsel- en betonwerken, aannemer tegelzetter, sanitair installateur- loodgieter, ... ) en is als BTW-belastingplichtige onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.

Op 12 juli 2004 koopt appellant een voertuig Mercedes, type ML 270 CDI. Op het voertuig wordt een afneembare trekhaak gemonteerd en tevens gebeurt een ombouw naar een dubbele cabine..

Op 6 januari 2005 wordt het. voertuig ingeschreven als 'lichte vrachtwagen' en ook het keuringsbewijs omschrijft het voertuig als 'lichte vrachtwagen'..

Op 30 maart 2006 wordt door mevrouw I. D. R., eerstaanwezend inspecteur bij de FOD Financiën, verbonden aan het BTW-controlekantoor Mortsel II, een controle uitgevoerd van de boekhouding van appellant over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2005.

Tijdens deze controle worden inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van personenwagens en van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen vastgesteld, meer bepaald dat met betrekking tot het voertuig Mercedes ML 270 CDI (nummerplaat …) zowel voor wat de aankoop als voor wat de herstellingen en het onderhoud betreft geen rekening werd gehouden met de aftrekbeperking inzake BTW, zoals voorzien in artikel 45, § 2 W.BTW.

Op 5 mei 2006 stelt mevrouw I. D. R. voornoemd, in aanwezigheid van appellant, vast dat het voertuig Mercedes ML 270 CDI met nummerplaat …, waarvan hij eigenaar is, een voertuig met dubbele cabine betreft, afgeleid van een personenwagen en waarvan de wielbasis 2820 mm bedraagt en de laadvloer een lengte heeft van 83 cm.

Ingevolge deze controle wordt een correctieopgave opgesteld, waarmee appellant zich op 8 mei 2006 niet akkoord verklaart.

Op 29 mei 2006 wordt een proces-verbaal opgesteld, dat op dezelfde datum bij aangetekend schrijven ter kennisgeving aan appellant wordt toegezonden, waarbij betaling wordt gevorderd van :

- als BTW : … €,

- als geldboete bij toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW, een boete gelijk aan het dubbel van de verschuldigde BTW : … € x 2 = … €, verminderd overeenkomstig de bijlagen van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de BTW, meer bepaald tabel H : 10 % op … € = … €, afgerond volgens artikel 4 van bovenvermeld KB tot … €,

- als verschuldigde intresten op grond van artikel 91, § 1 W.BTW : 0,80 % per maand te berekenen over … € vanaf 21 januari 2006 : p.m.

Tevens wordt gesteld dat het dossier een administratieve geschillenprocedure heeft doorlopen en dat deze beslissing het einde inhoudt van een administratieve betwisting omtrent de grond van de zaak. Verder wordt meegedeeld dat appellant eerstdaags een betalingsbericht zal ontvangen en wordt de aandacht gevestigd op de procedure voorzien bij artikel 89 W.BTW indien appellant de zaak verder wil betwisten.

1.2. Op 23 augustus 2006 legt appellant een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen waarin hij vordert de correctieopgave en het daarop gesteunde proces-verbaal, opgemaakt te Mortsel op 29 mei 2006 door de eerstaanwezend inspecteur bij de FOD Financiën, verbonden aan het BTW-controlekantoor te Mortsel 2, met kantoren gevestigd te 2650 Edegem, Mechelsesteenweg 432, nietig en van generlei waarde te verklaren; te zeggen voor recht dat terecht de gehele BTW in aftrek werd genomen met betrekking tot het voertuig Mercedes ML 270 CDI, als zijnde een lichte vrachtwagen; de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde belastingen, te verhogen met de moratoriumintresten; De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding.

1.3. Op 7 juni 2007 wordt door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 3 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 11 juni 2007 door de eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle Mortsel 2, aangewezen door de directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij aangetekend schrijven van 14 juni 2007 aan appellant wordt betekend.

1.4. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 december 2008 verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ze af en veroordeelt appellant tot de kosten van het geding, door geïntimeerde begroot op en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … € rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelt vooreerst dat door de aangetekende brief en het proces-verbaal van 29 mei 2006 de administratie ongetwijfeld een belastingnorm individueel heeft toegepast en het vaststaat dat appellant een reeds verkregen en dadelijk belang had om de rechtsvordering in te stellen. De vordering is dan ook toelaatbaar niettegenstaande, op het ogenblik van het inleidend verzoekschrift, het dwangbevel nog niet was uitgevaardigd. De eerste rechter merkt op dat administratieve aanschrijvingen de wet niet kunnen opheffen, wijzigen of aanvullen en dat bijgevolg de rechtbank niet gebonden is door administratieve aanschrijvingen en uitsluitend de wet dient toe te passen. Ten deze staat het ontegensprekelijk vast dat het voertuig zowel voor personenvervoer als voor goederenverkeer kan dienen zodat de aftrek van de BTW terecht werd beperkt tot 50 %. Immers het voertuig voor dubbel gebruik, dat echter hoofdzakelijk voor goederenvervoer wordt aangewend, valt volgens de duidelijke tekst van artikel 45, § 2 W.BTW eveneens onder deze aftrekbeperking; verder is het daadwerkelijk gebruik van het voertuig niet relevant nu artikel 45, § 2 W.BTW uitdrukkelijk bepaalt dat voor de voertuigen, die zowel voor personenvervoer als voor goederenverkeer kunnen dienen, de aftrek wordt beperkt tot 50 %.

Niettegenstaande dit voertuig bij de dienst voor het wegverkeer werd ingeschreven als lichte vrachtwagen en ook het keuringsbewijs het voertuig omschrijft als lichte vrachtwagen, bindt dit de BTW-administratie niet en kan dit geenszins leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen in hoofde van appellant dat de BTW-administratie zonder onderzoek of controle deze kwalificatie zou overnemen en de volledige aftrek van de BTW zou aanvaarden, te meer nu het toepasselijk artikel 45, § 2 W.BTW het begrip 'lichte vrachtwagen' niet bevat en het integendeel heeft over “de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen".

Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding oordeelt de eerste rechter dat, niettegenstaande de correctieopgave en het proces-verbaal een som geld tot voorwerp hebben, gevorderd wordt om de correctieopgave en het proces-verbaal nietig te verklaren en om aldus de bedragen hiervan niet te moeten betalen en om een niet nader bepaald bedrag terug te betalen, zodat er aldus geen som geld wordt geëist. Bijgevolg is de vordering van appellant overeenkomstig de artikelen 557 tot 562en 618 Ger. W. niet in geld uitgedrukt en aangezien voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W. staat het vast dat dit geschil voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering. Geen van de partijen heeft verzocht om het basisbedrag te verminderen of te verhogen, zodat de rechtbank het basisbedrag van … € moet toekennen.

1.5. Tegen dit vonnis beeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 januari 2009. In dit verzoekschrift en in conclusie vordert appellant het bestreden vonnis te hervormen c.q. te vernietigen; bijgevolg het dwangbevel van 11 juni 2007 en het proces-verbaal van 29 mei 2006 te vernietigen, bijgevolg geïntimeerde te veroordelen om aan appellant te betalen alle sommen ten onrechte betaald en/of ingehouden, te verhogen met de moratoire intresten; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … € per aanleg.

Appellant voert aan dat de administratie poogt aan haar eigen richtlijnen een verbindend karakter te verschaffen door op basis van haar eigen richtlijnen de volledige aftrekbaarheid te verwerpen en stelt dat deze zienswijze niet mag gevolgd worden. Dergelijke circulaires berusten geenszins op enige wettekst en het is de administratie niet toegelaten aanvullende voorwaarden op te leggen. Appellant stelt dat het voertuig werd aangekocht en specifiek omgebouwd voor gebruik binnen zijn aannemersactiviteiten en verwijst hiervoor naar de bijgebrachte foto's. Uit de werkplaatsfactuur van 5 september 2006 blijkt dat het voertuig, na amper 20 maanden, reeds 119.781 km had afgelegd, wat enkel te verklaren valt door het beroepsmatig gebruik, met name het visiteren van de diverse werven waar hij zijn werken uitvoert. Het is eigen aan de activiteit van appellant dat daarvoor bijzonder veel gereedschap en grondstoffen moeten vervoerd worden.

Voor privé-doeleinden kan appellant beschikken over andere voertuigen, wat ten overvloede het uitsluitend beroepskarakter van de lichte vrachtwagen aantoont. Artikel 45, § 2 W.BTW voert een zeer specifieke aftrekbeperking in, waarbij een limitatieve opsomming van categorieën van voertuigen wordt gegeven, waarop de aftrekbeperking van toepassing is. Impliciet maar duidelijk volgt hieruit dat op andere categorieën van voertuigen het recht op volledige aftrek van de voorbetaalde BTW behouden blijft. Artikel 45, § 2 W.BTW voorziet geen definitie van de beoogde categorieën van voertuigen, zodat men moet overgaan tot interpretatie van het wetsartikel, waarbij rekening moet gehouden worden met de vaststaande interpretatieregels in het fiscaal recht, meer bepaald "in dubio contra fiscum" wat inhoudt dat ingeval van twijfel in het voordeel van de belastingplichtige moet uitgelegd worden en dat het gemeen recht van toepassing is tenzij de fiscale wet daar uitdrukkelijk van afwijkt. In de betreffende periode week de fiscale wet niet af van het gemeen recht, zijnde het KB van 15 maart 1968 houdende het algemeen reglement op de technische eisen, waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. De omschrijving "voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen" uit artikel 45, § 2 W.BTW, is gelinkt aan de categorie "voertuigen voor meerderen doeleinden" uit het KB van 15 maart 1968, waarbij de categorie voor meerdere doeleinden wordt omschreven als "andere motorvoertuigen dan die genoemd onder AA tot en met AC, bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage of goederen in één enkele ruimte". Bijgevolg moet geconcludeerd worden dat onder de aftrekbeperking vallen : de automobielen voor personenvervoer, zijnde de categorie M1 uit artikel 1, § 1 KB 15 maart 1968 en moet worden aanvaard dat de andere categorieën van voertuigen die worden beschreven in het KB van 15 maart 1968 niet vallen onder de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW. Derhalve moet aanvaard worden dat het voertuig van appellant niet valt onder de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW, zodat de volledige aftrek moet worden toegestaan. De administratie dient het bewijs te leveren dat de situatie van een belastingplichtige niet valt onder de algemene regel van 100 % aftrekbaarheid, maar wel onder een aftrekbeperking en levert ten deze dit bewijs niet. In ondergeschikte orde voert appellant aan dat er in het proces-verbaal geen enkel argument is opgenomen dat de beslissing kan dragen (in het proces-verbaal wordt enkel verwezen naar de eigen aanschrijving) en dat de motivering derhalve niet afdoende is en dus een schending van de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen moet weerhouden worden.

1.6. Geïntimeerde vordert in op 17 maart 2009 ter griffie neergelegde conclusie om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en derhalve de oorspronkelijke vordering van appellant ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot alle kosten van het geding.

Geïntimeerde stelt dat het kwestieuze voertuig niet kan beschouwd worden als een "lichte vrachtwagen", zoals gedefinieerd in de administratieve richtlijnen, beschreven in de aanschrijving nr. 10/1987, zoals gewijzigd in de aanschrijving nr. 25/1990. Er werd in casu vastgesteld dat de laadruimte slechts een lengte heeft van 83 cm, terwijl de wielbasis 2820mm bedraagt, zodat de lengte van de laadvloer niet gelijk is aan minstens de helft van de wielbasis. Zelfs op de website van Mercedes-Benz in België worden de voertuigen van de M-klasse, waaronder het voertuig Mercedes ML270 CDI valt, beschouwd als personenwagens. Derhalve is de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing, ongeacht de eventuele inschrijving van het voertuig als lichte vrachtwagen. De classificatie van de diverse types van motorvoertuigen in functie van het bepaalde in artikel 45, § 2 W.BTW wordt op een verklarende - en te respecteren - wijze uiteengezet in aanschrijving nr. 10/1987, gewijzigd door aanschrijving nr. 25/1990. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 45, § 2 W.BTW wordt eenieder dan ook geacht zich te houden aan de in deze aanschrijvingen opgenomen classificatiecriteria, mits het respecteren van hetgeen bepaald wordt in de beslissing nr. ET 107.209 van 4 juni 2004. De door de FOD Mobiliteit en Vervoer (DIV) aan het desbetreffende voertuig gegeven kwalificatie speelt voor de toepasbaarheid van artikel 45, § 2 W.BTW dan ook geen rol. Aan de hand van de in deze zaak verstrekte gegevens kan geconcludeerd worden dat de Mercedes ML 270 CDI niet voldoet aan de gestelde criteria om - voor de toepassing van de bepalingen van het W.BTW - als lichte vrachtwagen aangemerkt te kunnen worden. De bepalingen van het KB van 15 maart 1968 hebben niets te maken met de toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW, zoals het van kracht was voor 1 januari 2006. De bewering van appellant dat het voertuig wel degelijk als lichte vrachtwagen wordt benut, onder meer voor het vervoeren van goederen, bouwmaterialen enz. komt als zeer onwaarschijnlijk over aangezien de laadvloer slechts 83 cm lang is en aangezien appellant nog beschikt over een lichte vrachtwagen Iveco met nummerplaat … en een vrachtwagen Volvo met nummerplaat … en een aanhangwagen met nummerplaat ….

Geïntimeerde stelt dat de administratie geenszins gehandeld heeft in strijd met de wetgeving op de motivering van bestuurshandelingen. Appellant kan niet ontkennen dat hij effectieve kennis heeft gekregen van de gegevens van het dossier; het proces-verbaal dat aan appellante ter kennis werd gebracht vermeldt het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld en vermeldt zodoende de afdoende motieven waarop het is gesteund.

2. Beoordeling

2.1. Krachtens artikel 45, § 2 W.BTW, zoals van toepassing in onderhavige betwisting, is de BTW-aftrek met betrekking tot "automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen" beperkt tot maximum 50 %.

Geïntimeerde is van oordeel dat met betrekking tot het door appellant op 12 juli 2004 aangekochte voertuig Mercedes ML 270 CDI de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, omdat dit voertuig niet voldoet aan de criteria om beschouwd te worden als 'lichte vrachtwagen'. De administratie baseert zich hiervoor op strikte criteria, vastgelegd in haar eigen aanschrijvingen (aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, zoals gewijzigd door aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990). Dergelijke aanschrijvingen bezitten evenwel geen rechtskracht en hebben slechts een indicatieve waarde (vgl. Cass., 15 november 2001, R.W., 2002-03, 583; VANDENBERGHE L., 'Betreffende de waarde van de BTW-aanschrijvingen inzake de classificatie van de voertuigen', noot onder Rb. Brugge, 2 april 2001 en Rb. Antwerpen, 7 november 2001, R.W., 2002-03, 512-513).

Artikel 17, § 6, tweede lid, van de Zesde BTW-richtlijn verzet er zich anderzijds tegen dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van de Zesde BTW-richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op BTW-aftrek uitsluit, wanneer voor deze uitgaven ten tijde van de inwerkingtreding van deze Richtlijn recht op BTW-aftrek bestond (H.v.J., 8 januari 2002, nr. C-409/99, Metropol Treuhand & Stadler). Wat de Belgische bestuurspraktijk betreft, is het bestuur dus niet gerechtigd om een voertuig als een wagen voor personenvervoer of voor dubbel gebruik, en dus niet als een (lichte) vrachtwagen te beschouwen, louter wegens het niet vervuld zijn van een voorwaarde die wel in de toegepaste aanschrijving is opgenomen, maar die nog niet gold voor de datum van inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn (cfr. VANDENBERGHE L., o.c.).

Uit het voorgaande volgt dat de vraag aan de orde is of het voertuig van het type Mercedes ML 270 CDI al dan niet aan de technische eisen voldoet om als lichte vrachtwagen te worden beschouwd, zoals omschreven in het KB van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto' s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen en zulks bij gebrek aan enige omschrijving van "een lichte vrachtwagen", van "een auto voor dubbel gebruik" en van "voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen” in het W.BTW. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15 maart 1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt" en artikel 1, § 2, 3° definieert een auto voor dubbel gebruik als “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder".

Het onderscheid tussen een voertuig dat is opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de BTW-aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden. De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meer rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te plaatsen en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

2.2. Ten deze blijkt uit de voorliggende stukken, meer bepaald de door appellant voorgelegde foto's en facturen en het proces-verbaal van 29 mei 2006, dat het voertuig Mercedes ML 270 CDI met nummerplaat …, een voertuig met dubbele cabine is, afgeleid van een personenwagen, met een laadvloer van 83 cm en een wielbasis van 2820 mm en met een afneembare trekhaak.

Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie aangezien het geschikt is voor de activiteit van aannemer, wat betekent dat men zowel materiaal als personeel ter plaatse kan brengen. De laadvloer heeft slechts een lengte van 83 cm, zodat de oppervlakte van de laadruimte vrij beperkt is. Het voertuig is met andere woorden niet hoofdzakelijk gebouwd voor het vervoer van goederen.

Appellant houdt dan ook ten onrechte voor dat hij recht heeft op de volledige aftrek van de BTW.

Het feit dat het door appellant aangekochte voertuig op 6 januari 2005 bij de DIV werd ingeschreven als lichte vrachtwagen en dat het voertuig ook op het keuringsbewijs wordt omschreven als lichte vrachtwagen, heeft niet tot gevolg dat de BTW-administratie gehouden is deze kwalificatie van het voertuig te·aanvaarden. Of een voertuig al dan niet als een lichte vrachtwagen kan worden beschouwd en of het voertuig al dan niet·zou kunnen gebruikt worden voor zowel personen- als goederenvervoer, kan enkel worden bepaald door de feitelijke toestand te onderzoeken. De inschrijving van het voertuig bij de DIV als lichte vrachtwagen is hierbij niet doorslaggevend, nu de inschrijving op zich geen bewijs levert dat het voertuig niet zou kunnen gebruikt worden voor zowel personen- als goederenvervoer. Appellant kon dan ook, voor wat de aftrekregeling inzake BTW betreft, niet zonder meer voortgaan op het feit dat het door hem aangekochte voertuig door de DIV als een lichte vrachtwagen wordt gekwalificeerd. Enkel indien de BTW-administratie zelf gedurende een zekere tijd de kwalificatie van lichte vrachtwagen aan het kwestieuze voertuig zou hebben gegeven, zou appellant het rechtszekerheidsbeginsel hebben kunnen inroepen. Ten deze is er geen sprake van een vaste en reeds jaren geldende gedrags- of beleidsregel van de BTW-administratie, doch heeft de administratie integendeel na controle en onderzoek deze kwalificatie niet aanvaard.

2.3. Appellant houdt ook ten onrechte voor dat het proces-verbaal van 29 mei 2006 niet afdoende gemotiveerd is.

Dat de motivering afdoende moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet gedragen worden en dat de motivering evenredig moet·zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing. Een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Of zij al dan niet afdoende is zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemmeling heeft van de gegevens van het dossier. 'vgl. Cass. 22 mei 2008, F.06.0077.N, www.cass.be ).

Ten deze kan appellant niet betwisten geen effectieve kennis te hebben gekregen van de gegevens van het dossier. Het proces-verbaal van 29 mei 2006 vermeldt zowel het belastbaar feit, als de oorzaak en de omvang van de fiscale schuld en geeft ook op afdoende wijze de motieven weer waarop de beslissing is gesteund.

2.4. De eerste rechter heeft derhalve terecht de vordering van appellant als ongegrond afgewezen.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond en appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding, in beide aanleggen.

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, zijn partijen het erover eens dat deze (in beide aanleggen) dient bepaald te worden overeenkomstig de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 31 mei 2007), uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007.

Appellant is van oordeel dat de vordering wel degelijk in geld waardeerbaar is, zodat de daarmee overeenstemmende rechtsplegingsvergoeding moet worden opgelegd, terwijl geïntimeerde voorhoudt dat de vordering strekt tot het ongedaan maken van een handeling (de nietigverklaring van de correctieopgave en van het proces-verbaal van 29 mei 2006) en derhalve niet in geld waardeerbaar is.

Betwistingen inzake belastingen/BTW hebben geen onbepaalde waarde, maar kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag/de betwiste BTW.

Gelet op het bedrag van de betwiste BTW bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … €. Er is ten deze geen reden om van dit basisbedrag af te wijken, zodat het kan toegekend worden aan geïntimeerde als in het gelijk gestelde partij.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, behalve voor wat de kosten betreft.

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve voor wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding in beide aanleggen, begroot in hoofde van geïntimeerde op … € rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … € rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van DRIEENTWINTIG MAART TWEEDUIZENDENTIEN,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. D. en S. B., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V.L. S. B. M. D. D. W.

Textes cités

2

Décisions similaires

8