Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 17.09.2024
[ Arrêt favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit de déduction – Factures irrégulières – Factures à l’entrée
Dispositions légales
Article 45, §1 CTVA – art. 5, §1 AR n°1
Résumé du jugement/de l’arrêt
1. Faits
La requérante (appelante) est enregistrée en tant qu'assujettie à la TVA pour les activités économiques de pose de papiers peints, de revêtements de sol et de revêtements muraux.
À la suite d'un contrôle de TVA portant sur la période 2016 - 2017, l'administration a constaté des manquements à la réglementation en matière de TVA pour lesquels un procès-verbal en date du 5 novembre 2019 a été établi pour un montant de 139 932,80 euros de TVA due, plus une amende de 10 %, soit 13 990,00 euros.
Suite à un accord amiable partiel, un ordre de recouvrement n'a été émis que pour le solde de la TVA, soit 83.355,78 euros, et l'amende de 8.330,00 euros. Il s'agit plus précisément de la TVA sur les factures de 3 fournisseurs pour lesquels la déduction de la TVA a été rejetée.
La requérante a fait opposition auprès du tribunal de première instance de Flandre orientale, division de Gand, qui, par jugement du 20 septembre 2022, a déclaré la demande de la requérante recevable mais non fondée.
La requérante a fait appel de ce jugement.
2. L’arrêt de la Cour d’appel
Le litige porte sur la question de savoir si l'appelante est en droit de déduire la TVA qu'elle a déduite en 2017 sur la base des factures émises par 3 fournisseurs/sous-traitants.
La cour d'appel relève que c'est à juste titre que le premier juge a rejeté la demande de l'appelante dans son intégralité. L'administration a invoqué à juste titre que les factures concernées n'étaient pas conformes à la réglementation prévue à l'art. 5, §1 AR n° 1.
S'il y a lieu de ne pas exclure absolument le droit à déduction en raison de manquements dans les conditions de forme des factures, l'absence avérée de description de la prestation facturée est néanmoins cruciale en l'espèce, puisque la relation contractuelle avec les trois sociétés en question ne repose sur aucun écrit. Aucun fait vérifiable ne permet d'objectiver la réalité de la prestation facturée, aucun contrat, pas même des courriels ou des correspondances, aucune offre, aucun accord sur qui devait réaliser quoi, où et à quel endroit (s’agissant de sous-traitance)...
Même le paiement des factures concernées n'est pas objectivé. Il n'y a rien d'autre que l'indication sur les factures qu'elles ont été payées au comptant et l'inscription des factures dans la comptabilité de l'appelante. En outre, il est curieux que toutes les factures aient été émises pour des montants compris entre 2.500,00 euros et 3.000,00 euros et qu'il y ait eu parfois plusieurs factures par jour.
En outre, aucun des 3 fournisseurs/sous-traitants n'a jamais mentionné l’appelante comme client dans une quelconque déclaration de TVA. Les 3 sociétés n'étaient pas enregistrées à la TVA pour des activités pour lesquelles l’appelante aurait pu avoir besoin de main-d'œuvre en sous-traitance. Ces constatations constituent plutôt des infirmations de la réalité des livraisons facturées et suffisent à conclure au rejet du droit à déduction de la TVA.
Le recours en appel n'est donc pas fondé.
Texte intégral
Corps de la décision
2023/AR/576
Le texte est disponible uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite
In de zaak van:
E.C. BV, ON 05…54,
met zetel te 9050 GENT, …
appellante,
hebbende als raadsman mr. D.L., advocaat te 9000 GENT, ….
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financién, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur- generaal, KM0 Centrum Gent Expertise team 2, met kantoren te 9050 GENT, Gaston Crommenlaan 6 bus 761,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. V.R., advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, …
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 14 april 2023 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg 0ost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 20 september 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/…/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 18 juni 2024, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is sinds 2 september 2014 als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de uitoefening van de economische activiteiten van plaatsen van behang, vloerbekleding en wandbekleding.
Zij is voor de btw een kwartaalaangever.
De geïntimeerde heeft op 15 februari 2019 en 26 april 2019 op de zetel van de appellante in het bijzijn van het gevolmachtigde boekhouder een btw-controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017.
Bij die gelegenheid werden een aantal inbreuken tegen de btw-wetgeving en -reglementering vastgesteld, waarvoor op 1 oktober 2019 een correctieopgave aan de appellante werd toegestuurd.
De appellante heeft op die correctieopgave niet gereageerd, waardoor de geïntimeerde voor de inbreuken een proces-verbaal van 5 november 2019 opstelde dat op 26 november 2019 aangetekend naar de appellante werd gestuurd, dit voor 139.932,80 euro verschuldigde btw meer 10 procent boete of 13.990,00 euro.
Daarop heeft de appellante zich minnelijk akkoord verklaard voor een bedrag van 56.577,02 euro meer een boete van 5.650,00 euro, waarvoor een invordering gebeurde.
Voor het resterende bedrag van 83.355,78 euro btw en 8.330,00 euro boete kon geen akkoord worden bereikt. Die bedragen werden afzonderlijk ingevorderd via invorderingsorder met RCIV-nummer 500.2195.60078. Het betreft de btw op de facturen van BVBA A.T., I.C. BVBA en M.G. waarvoor de aftrek van de btw werd verworpen.
De appellante diende op 31 mei 2020 voor die betwiste bedragen een administratief bezwaar in.
De geïntimeerde heeft dat bezwaar met een gemotiveerde beslissing van 28 augustus 2020 afgewezen.
Met een verzoekschrift van 17 februari 2021 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 20 september 2022 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg
Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis d.d. 20 september 2022 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gekend onder rolnummer 21/424/A te vernietigen en opnieuw wijzende te hervormen ais volgt:
Te zeggen voor recht dat de vordering inzake btw, opgenomen in het proces-verbaal d.d. 26 november 2019 (artikel 500.2207.32869) en vervolgens bevestigd in de beslissing over administratief bezwaar d.d. 28 augustus 2020 met kenmerk KDP/710-15-20/029999 betreffende de gecontroleerde periode 01/2016 - 12/2017, meer de boete en de interesten, niet verschuldigd is.
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van 4.500,00 EUR (voor in geld waardeerbare zaken tussen 60.000,01 EUR en 100.000,00 EUR), in toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007, evenals de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbestand, in toepassing van de wet van 29 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en het uitvoeringsbesluit van 26 april 2017, alsook tot de eventuele rolrechten (art. 269/1VI. W. Reg.).
Tenslotte de Belgische Staat, voor zover nodig, te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen (of ingehouden teruggaven), verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop, overeenkomstig artikel 418 WIB/1992 verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan appellante aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellante als ontvankelijk maar ongegrond af te wijzen,
Het vonnis in eerste aanleg te bevestigen ,
Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de geïndexeerde
rechtsplegingvergoeding in hoger beroep ten belope van € 4.500,00.
4. De betwistingen en hun beoordeling
De betwisting heeft uitsluitend betrekking op de vraag of de appellante, anders dan wat de geïntimeerde stelt, recht heeft op aftrek van de btw die ze heeft afgetrokken in 2017 op basis van facturen uitgereikt door A.T. bvba, l.C. bvba en M.G. bvba.
Het hof kan nochtans slechts vaststellen dat de eerste rechter met reden de vordering van de appellante integraal heeft afgewezen.
De geïntimeerde roept immers terecht in dat de betreffende facturen niet voldoen aan de voorschriften voorzien in artikel 5, §1 van KB nr. 1, meer bepaald wat betreft de vermeldingen die op uitgaande facturen moeten staan bepaald onder de subnummers 5° en 6° van dat artikel die daar ais volgt worden omschreven:
5° de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;
6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.
Op alle 40 facturen uitgereikt door AMS bvba in 2017 (stuk 7 geïnt.) staat telkens dezelfde
tekst, namelijk:
uitgevoerde werken
opbouw van modulaire standen
platen van tapijten in regie 23u.
Er is enkel een datum van facturatie vermeld, geen andere datum.
De bedragen zijn niet altijd gelijk, maar liggen tussen 2.500 en 3.000 euro (2x iets meer dan
2.500 euro en voor de rest enkele euro minder dan 3.000 euro of exact 3.000 euro).
Op elk van de facturen staat dat ze 'cash voldaan' zijn.
Samen gaat het om een bedrag van 117.131,20 euro waarvan 20.328,47 euro btw.
Op alle 71 facturen uitgereikt door I.C. bvba in 2017 (stuk 8 geïnt.) staat telkens
dezelfde tekst, namelijk:
Plaatsen op beurzen van tapijten.
De bedragen zijn berekend door het vermeiden van het uurloontarief van 22,00 euro en een
'aantal uren'; die bedragen variëren tussen 2.941,51 euro en 2.988,10 euro.
Er staat telkens vermeld in drukletters: FACTUUR VOLDAAN, gevolgd door een onleesbare
handtekening (met krullen).
Samen gaat het om een bedrag van 213.965,06 euro waarvan 37.134,56 euro btw.
Op alle 50 facturen uitgereikt door M.G. bvba in 2017 (stuk 9 geïnt.) staat telkens dezelfde tekst, namelijk:
Plaatsen van standen en tapijten op beurzen.
De bedragen zijn berekend door het vermelden van het uurloontarief van 22,00 euro en een
'aantal uren'; die bedragen variëren tussen 2.342,56 euro en 2.988,10 euro.
Er staat telkens vermeld in drukletters: FACTUUR VOLDAAN, gevolgd door een onleesbare
handtekening (met krullen).
Samen gaat het om een bedrag van 146.193,08 euro waarvan 25.372,38 euro btw.
Zoals de geïntimeerde met reden stelt, zijn dergelijke vage, steeds in dezelfde woorden terugkerende weergaven van de gepresteerde diensten te beperkt om een verband te kunnen leggen met uitgaande handelingen. Het mag dan waar zijn dat er staat dat het om het plaatsen van tapijten (op beurzen) gaat, maar nooit is vermeld wanneer dat gebeurde en waar (op welke beurs?).
Zelfs al gaat het kennelijk om prestaties per uur, dan nog wordt nergens vermeld door hoeveel personen die, eventueel verspreid over hoeveel dagen, geleverd werden, wat nochtans ook een minimale controle zou toelaten om de werkelijkheid en de aard van de prestaties te kunnen onderbouwen en het verband met de activiteit en dus de omzet van de appellante te controleren. Al te gemakkelijk stelt de appellante dat het niet haar fout is dat haar leveranciers een zeer beperkte omschrijving van de verleende dienst gaven; zeker in de omstandigheden, zoals hier, waarin de afnemer herhaaldelijk facturen van een leverancier ontvangt, dan is het onzorgvuldig om kritiekloos facturen te aanvaarden die onvoldoende gedetailleerd zijn. Overigens zal een voorzichtige belastingplichtige voor elke factuur waakzaam zijn wat betreft de gebruikte omschrijving van de geleverde goederen of verstrekte diensten door zijn leverancier, precies om zijn recht op aftrek van btw (maar ook als beroepskost in de inkomstenbelastingen — art. 49 WIB92) te vrijwaren. Dat zal des te meer gelden wanneer het bewijs van omkaderende feiten ontbreekt en/of moeilijk leverbaar is. De appellante blijkt hier duidelijk in gebreke.
Waar er reden kan zijn om het recht van aftrek niet absoluut uit te sluiten wegens tekortkomingen in de vormvereisten voor facturen, is het vastgestelde gebrek aan omschrijving van de gefactureerde prestatie hier nochtans een cruciaal gegeven. Dat is met name het geval omdat de contractuele band met de betreffende drie bedrijven niet op enig geschrift is gesteund; er ligt geen enkel ander controleerbaar gegeven voor dat zou toelaten de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties te objectiveren, geen contract maar zelfs geen e-mails of briefwisseling, geen offertes, geen afspraken rond wie waar op welke plaats wat moest uitvoeren (in onderaanneming)...
Zelfs de betaling van de betreffende facturen is niet geobjectiveerd. Er is in dat verband niets meer dan de vermelding op de facturen dat ze cash voldaan zijn en de inschrijving van de facturen in de boekhouding van de appellante. Het is onbetwist dat de appellante geen kasboek bijhield en dat er geen andere boekhoudkundige weergave was van de cashverrichtingen. Waar het kasgeld vandaan kwam is dus niet duidelijk. De appellante beperkt zich ertoe te stellen dat voor de betaling ofwel geld van de bankrekening werd gehaald, ofwel dat haar zaakvoerders de betaling deden en voor die verrichting een boeking op rekening-courant werd uitgevoerd. Het hof stelt evenwel geen bewijs vast van dergelijke geldstromen. Uit de jaarrekening voor het boekjaar 2017 die in stukken van de geïntimeerde voorkomt (zijn stuk 10) kunnen geen gegevens over bewegingen op rekening-courant worden afgeleid; in rubriek 9500 is vermeld dat de vennootschap een vordering op de zaakvoerders heeft (van 90.774 euro). In rubriek 41 'overige vorderingen' (waar een subrubriek 416/4163 voor de vorderingen op rekening-courant zou kunnen staan) is een bedrag van 91.341 euro geboekt. Dat kan met elkaar overeenstemmen maar het bewijst allerminst dat de zaakvoerders cashgelden voorschoten aan leveranciers. De appellante legt geen gegevens voor met betrekking tot een rekening-courant. In die omstandigheden is dus zelfs de betaling niet objectief controleerbaar, waardoor de werkelijkheid van de prestaties ook niet op die manier ondersteund wordt.
Het is overigens merkwaardig dat alle facturen uitgereikt zijn voor bedragen tussen 2.500,00 en 3.000,00 euro en dat het soms om meerdere facturen per dag gaat. Niet zonder reden laat de geïntimeerde in dat verband opmerken dat het om cashbetalingen zou gaan waarvoor de witwaswetgeving in de periode een grens van precies 3.000,00 euro voor cashbetalingen toeliet.
Daar komt bij dat geen van de drie leveranciers/onderaannemers' ooit de appellante ais afnemer heeft vermeld in enige btw-aangifte: de betrokken belastingplichtigen komen niet voor als leveranciers in de listing op naam van de appellante voor het betrokken jaar. De leveranciers' hebben de btw die op de betrokken facturen vermeld staat dus op geen enkele manier aangegeven.
Zelfs al is het juist dat een afnemer in de regel niet kan weten of zijn leverancier de btw heeft aangegeven, dan is dat gebrek aan aangifte, bovendien door alle drie haar 'onderaannemers', een gegeven dat minstens van aard is om het gebrek aan onderliggende prestaties aannemelijk te maken: het feit dat de btw door de leveranciers wel zou zijn aangegeven, zou al niet noodzakelijk volstaan hebben om het vereiste bewijs te leveren, maar hier is zelfs die aangifte niet gebeurd, laat staan de betaling aan de Schatkist.
De geïntimeerde wijst ook terecht op het feit dat de drie onderaannemers vennootschappen zijn die voor de btw niet geregistreerd waren voor activiteiten met betrekking tot het plaatsen van standen op beurzen, plaatsen van tapijten, opbouw van modulaire standen, enz. waarvoor de appellante werkvolk in onderaanneming kan nodig hebben gehad.
De gekende activiteit van de AMS bvba was immers 'transport goederenvervoer, overige posterijen en koeriers'; de gekende activiteit van I.C. bvba was 'Elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen' en de gekende activiteit van M.G. bvba was `overige posterijen en koeriers'.
Ook dat zijn vaststellingen die eerder tegenaanwijzingen zijn voor de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties.
Deze vaststellingen volstaan om tot verwerping van het recht op aftrek van de betreffende btw te besluiten. De overwegingen van de appellante met betrekking tot de nood aan extra werkkrachten en het verband met drukkere periodes worden niet alleen afdoende door de geïntimeerde in conclusies weerlegd aan de hand van cijfers die uit stukken blijken en het hof treedt de analyse en conclusies van de geïntimeerde in dat verband zoals uiteengezet op de pagina's 14 tot 19 van zijn syntheseconclusies van 29 april 2024 volledig bij. Bovendien kunnen die overwegingen van de appellante sowieso niet afdoende steun bieden om het bewijs te leveren dat de facturen op werkelijk geleverde prestaties betrekking hebben.
Hoger is vastgesteld dat er geen stukken voorliggen die toestaan een geldstroom voor de betalingen te traceren. Daar waar de appellante met haar stuk 3 zegt een verband te leggen tussen de betreffende inkomende facturen en haar uitgaande facturen (om te bewijzen dat ze de onderaanneming nodig had om al haar werk gedaan te krijgen, zeker in de drukste maanden), kan het hof slechts vaststellen dat er — bij gebrek aan bewezen geldstroom voor de betaling van die inkomende facturen - geen verband kan worden gelegd met inkomsten uit de door de appellante uitgereikte facturen. Zoals de geïntimeerde terecht stelt, toont de appellante niet aan dat zij enige contante ontvangsten had waarmee ze contante betalingen kon doen. Aangezien de appellante niets meer doet dan beweren dat ze het contante geld van een rekening betaalde of dat een zaakvoerder betaalde waarna diens vordering in rekening-courant zou zijn geboekt, maar daarvan geen enkel bewijs voorlegt (zie hoger al), is het op zijn minst niet bewezen dat er tegenover eventuele prestaties die op de betwiste inkomende facturen staan, omzet staat die in de boekhouding van de appellante werd verwerkt.
Het hoger beroep is dan ook ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtspleging5veLgpeding_betreft
De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 4.500,00 euro. Er is geen reden om .af te wijken van het basisbedrag.
De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 4.500,00 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist ais volgt:
het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
het bestreden vonnis wordt bevestigd.
het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld ais volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde:
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 4.500,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 17 september 2024.
Aanwezig:
D.V., kamervoorzitter, alleenrechtsprekend
J.D., griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.