Recht op aftrek, onregelmatige facturen, factuurvermeldingen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 2023/AR/576 17 september 2024

Zoeken

Recht op aftrek, onregelmatige facturen, factuurvermeldingen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onregelmatige-facturen-factuurvermeldingen-hof-van-beroep-gent-2024-09-17-5e75

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Rolnummer
2023/AR/576
Datum
17 september 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

132 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep van Gent d.d. 17.09.2024

[ Gunstig arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek – onregelmatige facturen - factuurvermeldingen

Wettelijke bepalingen

Art. 45, §1 WBTW – art. 5, §1 KB nr. 1

Samenvatting van het vonnis/het arrest

1. Feiten

Appellante is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de economische activiteiten van plaatsen van behang, vloerbekleding en wandbekleding.

Naar aanleiding van een btw-controle voor de periode 2016 – 2017 stelde de administratie inbreuken vast op de btw-regelgeving waarvoor een proces-verbaal van 5 november 2019 werd opgesteld ten bedrage van 139.932,80 euro aan verschuldigde btw, meer een boete van 10% of 13.990,00 euro.

Naar aanleiding van een gedeeltelijk minnelijk akkoord, werd enkel nog een invorderingsorder opgemaakt voor het resterende btw-bedrag van 83.355,78 euro en de boete van 8.330,00 euro. Meer specifiek betreft het de btw op de facturen van 3 leveranciers waarvoor de aftrek van de btw werd verworpen.

Tegen deze vordering stelde appellante verzet in bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, die in een vonnis van 20 september 2022 de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond heeft verklaard.

Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld.

2. Het arrest in hoger beroep

De betwisting heeft betrekking op de vraag of appellante recht op aftrek heeft van de btw die ze heeft afgetrokken in 2017 op basis van facturen uitgereikt door 3 leveranciers/onderaannemers.

Het hof van beroep stelt vast dat de eerste rechter met reden de vordering van appellante integraal heeft afgewezen. De administratie roept terecht in dat de betreffende facturen niet voldoen aan de voorschriften voorzien in art. 5, §1 KB nr. 1.

Waar er reden kan zijn om het recht op aftrek niet absoluut uit te sluiten wegens tekortkomingen in de vormvereisten voor facturen, is het vastgestelde gebrek aan omschrijving van de gefactureerde prestatie hier nochtans een cruciaal gegeven aangezien de contractuele band met de betreffende 3 bedrijven niet op enig geschrift is gesteund. Er ligt geen enkel controleerbaar gegeven voor dat zou toelaten de werkelijkheid van de gefactureerde prestatie te objectiveren, geen contract maar zelfs geen e-mails of briefwisseling, geen offertes, geen afspraken rond wie waar op welke plaats wat moest uitvoeren (in onderaanneming)…

Zelfs de betaling van de betreffende facturen is niet geobjectiveerd. Er is niets meer dan de vermelding op de facturen dat ze cash voldaan zijn en de inschrijving van de facturen in de boekhouding van appellante. Het is overigens merkwaardig dat alle facturen uitgereikt zijn voor bedragen tussen 2.500,00 euro en 3.000,00 euro en dat het soms om meerdere facturen per dag gaat.

Daar komt nog bij dat geen van de 3 leveranciers/onderaannemers ooit appellante als afnemer heeft vermeld in enige btw-aangifte. De 3 vennootschappen zijn voor de btw niet geregistreerd voor activiteiten waarvoor appellante werkvolk in onderaanneming kan nodig gehad hebben.

Deze vaststellingen zijn eerder tegenvaststellingen voor de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties en volstaan om tot verwerping van het recht op aftrek van de btw te besluiten.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Rolnr. 2023/AR/576

In de zaak van:

E.C. BV, ON 05…54,

met zetel te 9050 GENT, …

appellante,

hebbende als raadsman mr. D.L., advocaat te 9000 GENT, ….

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIÈN, ON 0308.357.159,

Minister van Financién, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur- generaal, KM0 Centrum Gent Expertise team 2, met kantoren te 9050 GENT, Gaston Crommenlaan 6 bus 761,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. V.R., advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 14 april 2023 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg 0ost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 20 september 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/…/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 18 juni 2024, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is sinds 2 september 2014 als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de uitoefening van de economische activiteiten van plaatsen van behang, vloerbekleding en wandbekleding.

Zij is voor de btw een kwartaalaangever.

De geïntimeerde heeft op 15 februari 2019 en 26 april 2019 op de zetel van de appellante in het bijzijn van het gevolmachtigde boekhouder een btw-controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017.

Bij die gelegenheid werden een aantal inbreuken tegen de btw-wetgeving en -reglementering vastgesteld, waarvoor op 1 oktober 2019 een correctieopgave aan de appellante werd toegestuurd.

De appellante heeft op die correctieopgave niet gereageerd, waardoor de geïntimeerde voor de inbreuken een proces-verbaal van 5 november 2019 opstelde dat op 26 november 2019 aangetekend naar de appellante werd gestuurd, dit voor 139.932,80 euro verschuldigde btw meer 10 procent boete of 13.990,00 euro.

Daarop heeft de appellante zich minnelijk akkoord verklaard voor een bedrag van 56.577,02 euro meer een boete van 5.650,00 euro, waarvoor een invordering gebeurde.

Voor het resterende bedrag van 83.355,78 euro btw en 8.330,00 euro boete kon geen akkoord worden bereikt. Die bedragen werden afzonderlijk ingevorderd via invorderingsorder met RCIV-nummer 500.2195.60078. Het betreft de btw op de facturen van BVBA A.T., I.C. BVBA en M.G. waarvoor de aftrek van de btw werd verworpen.

De appellante diende op 31 mei 2020 voor die betwiste bedragen een administratief bezwaar in.

De geïntimeerde heeft dat bezwaar met een gemotiveerde beslissing van 28 augustus 2020 afgewezen.

Met een verzoekschrift van 17 februari 2021 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 20 september 2022 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg

Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis d.d. 20 september 2022 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gekend onder rolnummer 21/424/A te vernietigen en opnieuw wijzende te hervormen ais volgt:

Te zeggen voor recht dat de vordering inzake btw, opgenomen in het proces-verbaal d.d. 26 november 2019 (artikel 500.2207.32869) en vervolgens bevestigd in de beslissing over administratief bezwaar d.d. 28 augustus 2020 met kenmerk KDP/710-15-20/029999 betreffende de gecontroleerde periode 01/2016 - 12/2017, meer de boete en de interesten, niet verschuldigd is.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van 4.500,00 EUR (voor in geld waardeerbare zaken tussen 60.000,01 EUR en 100.000,00 EUR), in toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007, evenals de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbestand, in toepassing van de wet van 29 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en het uitvoeringsbesluit van 26 april 2017, alsook tot de eventuele rolrechten (art. 269/1VI. W. Reg.).

Tenslotte de Belgische Staat, voor zover nodig, te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen (of ingehouden teruggaven), verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop, overeenkomstig artikel 418 WIB/1992 verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan appellante aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellante als ontvankelijk maar ongegrond af te wijzen,

Het vonnis in eerste aanleg te bevestigen ,

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de geïndexeerde

rechtsplegingvergoeding in hoger beroep ten belope van € 4.500,00.

4. De betwistingen en hun beoordeling

De betwisting heeft uitsluitend betrekking op de vraag of de appellante, anders dan wat de geïntimeerde stelt, recht heeft op aftrek van de btw die ze heeft afgetrokken in 2017 op basis van facturen uitgereikt door A.T. bvba, l.C. bvba en M.G. bvba.

Het hof kan nochtans slechts vaststellen dat de eerste rechter met reden de vordering van de appellante integraal heeft afgewezen.

De geïntimeerde roept immers terecht in dat de betreffende facturen niet voldoen aan de voorschriften voorzien in artikel 5, §1 van KB nr. 1, meer bepaald wat betreft de vermeldingen die op uitgaande facturen moeten staan bepaald onder de subnummers 5° en 6° van dat artikel die daar ais volgt worden omschreven:

5° de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

Op alle 40 facturen uitgereikt door AMS bvba in 2017 (stuk 7 geïnt.) staat telkens dezelfde

tekst, namelijk:

uitgevoerde werken

opbouw van modulaire standen

platen van tapijten in regie 23u.

Er is enkel een datum van facturatie vermeld, geen andere datum.

De bedragen zijn niet altijd gelijk, maar liggen tussen 2.500 en 3.000 euro (2x iets meer dan

2.500 euro en voor de rest enkele euro minder dan 3.000 euro of exact 3.000 euro).

Op elk van de facturen staat dat ze 'cash voldaan' zijn.

Samen gaat het om een bedrag van 117.131,20 euro waarvan 20.328,47 euro btw.

Op alle 71 facturen uitgereikt door I.C. bvba in 2017 (stuk 8 geïnt.) staat telkens

dezelfde tekst, namelijk:

Plaatsen op beurzen van tapijten.

De bedragen zijn berekend door het vermeiden van het uurloontarief van 22,00 euro en een

'aantal uren'; die bedragen variëren tussen 2.941,51 euro en 2.988,10 euro.

Er staat telkens vermeld in drukletters: FACTUUR VOLDAAN, gevolgd door een onleesbare

handtekening (met krullen).

Samen gaat het om een bedrag van 213.965,06 euro waarvan 37.134,56 euro btw.

Op alle 50 facturen uitgereikt door M.G. bvba in 2017 (stuk 9 geïnt.) staat telkens dezelfde tekst, namelijk:

Plaatsen van standen en tapijten op beurzen.

De bedragen zijn berekend door het vermelden van het uurloontarief van 22,00 euro en een

'aantal uren'; die bedragen variëren tussen 2.342,56 euro en 2.988,10 euro.

Er staat telkens vermeld in drukletters: FACTUUR VOLDAAN, gevolgd door een onleesbare

handtekening (met krullen).

Samen gaat het om een bedrag van 146.193,08 euro waarvan 25.372,38 euro btw.

Zoals de geïntimeerde met reden stelt, zijn dergelijke vage, steeds in dezelfde woorden terugkerende weergaven van de gepresteerde diensten te beperkt om een verband te kunnen leggen met uitgaande handelingen. Het mag dan waar zijn dat er staat dat het om het plaatsen van tapijten (op beurzen) gaat, maar nooit is vermeld wanneer dat gebeurde en waar (op welke beurs?).

Zelfs al gaat het kennelijk om prestaties per uur, dan nog wordt nergens vermeld door hoeveel personen die, eventueel verspreid over hoeveel dagen, geleverd werden, wat nochtans ook een minimale controle zou toelaten om de werkelijkheid en de aard van de prestaties te kunnen onderbouwen en het verband met de activiteit en dus de omzet van de appellante te controleren. Al te gemakkelijk stelt de appellante dat het niet haar fout is dat haar leveranciers een zeer beperkte omschrijving van de verleende dienst gaven; zeker in de omstandigheden, zoals hier, waarin de afnemer herhaaldelijk facturen van een leverancier ontvangt, dan is het onzorgvuldig om kritiekloos facturen te aanvaarden die onvoldoende gedetailleerd zijn. Overigens zal een voorzichtige belastingplichtige voor elke factuur waakzaam zijn wat betreft de gebruikte omschrijving van de geleverde goederen of verstrekte diensten door zijn leverancier, precies om zijn recht op aftrek van btw (maar ook als beroepskost in de inkomstenbelastingen — art. 49 WIB92) te vrijwaren. Dat zal des te meer gelden wanneer het bewijs van omkaderende feiten ontbreekt en/of moeilijk leverbaar is. De appellante blijkt hier duidelijk in gebreke.

Waar er reden kan zijn om het recht van aftrek niet absoluut uit te sluiten wegens tekortkomingen in de vormvereisten voor facturen, is het vastgestelde gebrek aan omschrijving van de gefactureerde prestatie hier nochtans een cruciaal gegeven. Dat is met name het geval omdat de contractuele band met de betreffende drie bedrijven niet op enig geschrift is gesteund; er ligt geen enkel ander controleerbaar gegeven voor dat zou toelaten de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties te objectiveren, geen contract maar zelfs geen e-mails of briefwisseling, geen offertes, geen afspraken rond wie waar op welke plaats wat moest uitvoeren (in onderaanneming)...

Zelfs de betaling van de betreffende facturen is niet geobjectiveerd. Er is in dat verband niets meer dan de vermelding op de facturen dat ze cash voldaan zijn en de inschrijving van de facturen in de boekhouding van de appellante. Het is onbetwist dat de appellante geen kasboek bijhield en dat er geen andere boekhoudkundige weergave was van de cashverrichtingen. Waar het kasgeld vandaan kwam is dus niet duidelijk. De appellante beperkt zich ertoe te stellen dat voor de betaling ofwel geld van de bankrekening werd gehaald, ofwel dat haar zaakvoerders de betaling deden en voor die verrichting een boeking op rekening-courant werd uitgevoerd. Het hof stelt evenwel geen bewijs vast van dergelijke geldstromen. Uit de jaarrekening voor het boekjaar 2017 die in stukken van de geïntimeerde voorkomt (zijn stuk 10) kunnen geen gegevens over bewegingen op rekening-courant worden afgeleid; in rubriek 9500 is vermeld dat de vennootschap een vordering op de zaakvoerders heeft (van 90.774 euro). In rubriek 41 'overige vorderingen' (waar een subrubriek 416/4163 voor de vorderingen op rekening-courant zou kunnen staan) is een bedrag van 91.341 euro geboekt. Dat kan met elkaar overeenstemmen maar het bewijst allerminst dat de zaakvoerders cashgelden voorschoten aan leveranciers. De appellante legt geen gegevens voor met betrekking tot een rekening-courant. In die omstandigheden is dus zelfs de betaling niet objectief controleerbaar, waardoor de werkelijkheid van de prestaties ook niet op die manier ondersteund wordt.

Het is overigens merkwaardig dat alle facturen uitgereikt zijn voor bedragen tussen 2.500,00 en 3.000,00 euro en dat het soms om meerdere facturen per dag gaat. Niet zonder reden laat de geïntimeerde in dat verband opmerken dat het om cashbetalingen zou gaan waarvoor de witwaswetgeving in de periode een grens van precies 3.000,00 euro voor cashbetalingen toeliet.

Daar komt bij dat geen van de drie leveranciers/onderaannemers' ooit de appellante ais afnemer heeft vermeld in enige btw-aangifte: de betrokken belastingplichtigen komen niet voor als leveranciers in de listing op naam van de appellante voor het betrokken jaar. De leveranciers' hebben de btw die op de betrokken facturen vermeld staat dus op geen enkele manier aangegeven.

Zelfs al is het juist dat een afnemer in de regel niet kan weten of zijn leverancier de btw heeft aangegeven, dan is dat gebrek aan aangifte, bovendien door alle drie haar 'onderaannemers', een gegeven dat minstens van aard is om het gebrek aan onderliggende prestaties aannemelijk te maken: het feit dat de btw door de leveranciers wel zou zijn aangegeven, zou al niet noodzakelijk volstaan hebben om het vereiste bewijs te leveren, maar hier is zelfs die aangifte niet gebeurd, laat staan de betaling aan de Schatkist.

De geïntimeerde wijst ook terecht op het feit dat de drie onderaannemers vennootschappen zijn die voor de btw niet geregistreerd waren voor activiteiten met betrekking tot het plaatsen van standen op beurzen, plaatsen van tapijten, opbouw van modulaire standen, enz. waarvoor de appellante werkvolk in onderaanneming kan nodig hebben gehad.

De gekende activiteit van de AMS bvba was immers 'transport goederenvervoer, overige posterijen en koeriers'; de gekende activiteit van I.C. bvba was 'Elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen' en de gekende activiteit van M.G. bvba was `overige posterijen en koeriers'.

Ook dat zijn vaststellingen die eerder tegenaanwijzingen zijn voor de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties.

Deze vaststellingen volstaan om tot verwerping van het recht op aftrek van de betreffende btw te besluiten. De overwegingen van de appellante met betrekking tot de nood aan extra werkkrachten en het verband met drukkere periodes worden niet alleen afdoende door de geïntimeerde in conclusies weerlegd aan de hand van cijfers die uit stukken blijken en het hof treedt de analyse en conclusies van de geïntimeerde in dat verband zoals uiteengezet op de pagina's 14 tot 19 van zijn syntheseconclusies van 29 april 2024 volledig bij. Bovendien kunnen die overwegingen van de appellante sowieso niet afdoende steun bieden om het bewijs te leveren dat de facturen op werkelijk geleverde prestaties betrekking hebben.

Hoger is vastgesteld dat er geen stukken voorliggen die toestaan een geldstroom voor de betalingen te traceren. Daar waar de appellante met haar stuk 3 zegt een verband te leggen tussen de betreffende inkomende facturen en haar uitgaande facturen (om te bewijzen dat ze de onderaanneming nodig had om al haar werk gedaan te krijgen, zeker in de drukste maanden), kan het hof slechts vaststellen dat er — bij gebrek aan bewezen geldstroom voor de betaling van die inkomende facturen - geen verband kan worden gelegd met inkomsten uit de door de appellante uitgereikte facturen. Zoals de geïntimeerde terecht stelt, toont de appellante niet aan dat zij enige contante ontvangsten had waarmee ze contante betalingen kon doen. Aangezien de appellante niets meer doet dan beweren dat ze het contante geld van een rekening betaalde of dat een zaakvoerder betaalde waarna diens vordering in rekening-courant zou zijn geboekt, maar daarvan geen enkel bewijs voorlegt (zie hoger al), is het op zijn minst niet bewezen dat er tegenover eventuele prestaties die op de betwiste inkomende facturen staan, omzet staat die in de boekhouding van de appellante werd verwerkt.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2. Wat de rechtspleging5veLgpeding_betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 4.500,00 euro. Er is geen reden om .af te wijken van het basisbedrag.

De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 4.500,00 euro.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist ais volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd.

 het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld ais volgt:

- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 4.500,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 17 september 2024.

Aanwezig:

D.V., kamervoorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., griffier

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 1 art. 54 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8