Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 03.01.2012
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent – 5e kamer
Nr. 2009/AR/1559
In de zaak van :
D&D C. CVBA met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. B. M., advocaat te …, … en mr. H. W., advocaat te …, …
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door de heer D. B. J., inspecteur bij een fiscaal bestuur Cel Geschillen BBI Gent, Zuiderpoort, G. Crommenlaan 6/801 te 9050 LEDEBERG (GENT)t
2. DE REKENPLICHTIGE AMBTENAAR VAN DE ADMINISTRATIE VAN DE INVORDERING, e.a. Inspecteur a.i. van het BTW-Ontvangkantoor van Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mevrouw V. V.,
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 13.11.2007 dagvaardde de appellante de geïntimeerden voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Hiermee maakte de appellante het geschil aanhangig met betrekking tot de BTW-schuld ten haren laste zoals opgenomen in het dwangbevel (RCIV nr. …). uitgevaardigd door D. D. B., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 9100 Sint-Niklaas, op 19.9.2007, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. V., gewestelijk directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen op 24.9.2007.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante : een bedrag van … EUR aan BTW + een geldboete ingevolge artikel 70, § 1bis BTW-wetboek van … EUR + de verlopen intresten krachtens artikel 91, § 1, 1° BTW-wetboek ten bedrage van … EUR, berekend tot 20.9.2007, hetzij samen … EUR meer de verdere intresten en vervolgingskosten.
Voor de eerste rechter vorderde de appellante in haar laatste conclusie :
“
De vordering van [de appellante] ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Bij toepassing van artikel 91, achtste lid Ger.W. de vordering van [de appellante] te doen berechten door een Kamer met drie Rechters;
Het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2007, uitgaande van de heer J. H. en de heer P. B. respectievelijk Inspecteur en Adjunct Fiscaal Deskundige bij de AOIF Sector BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Vierde Inspectie Gent en in het dwangbevel met referte Reg. 127/77, uitgevaardigd op 19 september 2007 door de heer D. D. B., E.a. Inspecteur, Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Sint-Niklaas, dat op 24 september 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer J. V., Gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen en dat met aangetekende brief d.d. 28 september 2007 werd ter kennis gebracht van [de appellante], te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van [de appellante] gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn;
[De geïntimeerden] te veroordelen om alle ten onrechte van [de appellante) ingehouden of beslagen bedragen en alle door [de appellante] ten onrechte betaalde bedragen, aan [de appellante] terug te betalen, meer de moratoire intresten;
Ondergeschikt, alvorens recht te doen, volgende onderzoekingen te (doen) voeren en te bevelen :
- de valsheidsprocedure, zoals gevorderd in randnummer 34, van huidige conclusie
- het horen van de accountant van [de appellante], zoals gevorderd in randnummer 114, van huidige conclusie
- het getuigenverhoor, zoals gevorderd in randnummer 115, van huidige conclusie
- een deskundigenonderzoek, zoals gevorderd in randnummer 116 van huidige conclusie
Louter ondergeschikt, te zeggen voor recht dat [de appellante] de van haar gevorderde geldboete ten bedrage van … EUR niet verschuldigd is”;
[De geïntimeerden] te veroordelen tot de kosten van het geding ...".
Bij vonnis van 3.4.2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 12e kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard doch ongegrond met uitzondering van de aanpassing van de materiële vergissing ingevolge een cijferinversie in de tabel van het proces-verbaal van 21.8.2007, waar verkeerdelijk het bedrag van … EUR is vermeld in de plaats van … EUR. De appellante werd veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 8.6.2009 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en van onwaarde te horen verklaren in de mate dat de lastens de appellante gevestigde vordering bij proces-verbaal van 21.8.2007 en bij dwangbevel met referte Reg. … niet werd vernietigd en/of ontheven. Verder vordert de appellante in haar conclusie neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 30.4.2010 :
“
Het proces-verbaal van 21 augustus 2007, uitgaande van de heer J. H. en de heer P. B. respectievelijk Inspecteur en Adjunct Fiscaal Deskundige bij de AOIF Sector BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Vierde Inspectie Gent, en het dwangbevel met referte Reg. 127/77, uitgevaardigd op 19 september 2007 door de heer D. D. B., E.a. Inspecteur, Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Sint-Niklaas, dat op 24 september 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer J. V., Gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, en dat met aangetekende brief d.d. 28 september 2007 werd ter kennis gebracht van [de appellante], te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van [de appellante] gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn;
[De geïntimeerden] te veroordelen om alle ten onrechte van [de appellante] ingehouden of beslagen bedragen en alle door [de appellante] ten onrechte betaalde bedragen, aan (de appellante] terug te betalen, meer de moratoire interesten;
Ondergeschikt, alvorens recht te doen, volgende onderzoekingen te (doen) voeren en te bevelen :
- het horen van de accountant van [de appellante], zoals gevorderd in randnummer 122 van huidige conclusie
- het getuigenverhoor, zoals gevorderd in randnummer 123 van huidige conclusie
- een deskundigenonderzoek, zoals gevorderd in randnummer 124 van huidige conclusie
- de valsheidsprocedure, zoals gevorderd in randnummers 33 en 125 van huidige conclusie
Louter ondergeschikt, te zeggen voor recht dat [de appellante] de van haar gevorderde geldboete ten bedrage van … EUR. niet verschuldigd is;
[De geïntimeerden] te veroordelen tot de kosten van het geding, …".
De geïntimeerden van hun kant vorderen dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard met uitzondering van de fiscale vordering in min voor … EUR gelet op de cijferinversie in de tabel van het proces-verbaal van taxatie d.d. 21.8.2007 waar verkeerdelijk een bedrag van … EUR (factuur nr. 207) werd weerhouden i.p.v. … EUR.
2. De appellante kocht in het jaar 2005 computeronderdelen van de S .C. I. C. et F. B. (hierna afgekort als "ICFB"). Deze aankopen werden door ICFB aan de appellante gefactureerd over de periode 26.4.2005 tot 28.10.2005 (zie het proces-verbaal 21.8.2007, stuk 1 van de geïntimeerde, p. 65-67). De gefactureerde BTW op deze aankopen bedroeg in totaal … EUR (waarin wel een kleine rekenfout). Het is deze BTW waarvan de aftrek door de appellante verworpen werd door de administratie en die in het dwangbevel als nog verschuldigd door de appellante werd opgenomen.
Het is gebleken dat ICFB de BTW die zij op deze verkoopfacturen ontving niet doorstortte aan de administratie, en zich schuldig maakte aan BTW-fraude, ICFB heeft voor het jaar 2005 geen enkele BTW-aangifte ingediend. ICFB werd failliet verklaard op 11.9.2006 door de rechtbank van koophandel te Charleroi.
De fraude bestond er volgens de administratie in dat ICFB (missing trader' of ploffer' genaamd) een firma was die zich in de handelsketting voegde met als enig doel facturen uit te reiken met BTW, die zij dan niet doorstort aan de administratie, en die wel door de appellante (afnemer) wordt afgetrokken in haar BTW-aangiften. De door de appellante aan ICFB betaalde BTW werd door ICFB op zak gestoken in plaats van te worden doorgestort aan de administratie, zodat hierdoor ICFB haar verkoopprijzen voor haar kopers (zoals de appellante) kunstmatig kon verlagen tot een niet-concurrentieel niveau.
Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder meer HvJ, d.d. 6.7.2006, C-439/04 en C-440/04, inzake A. K. (C-439/04) tegen Belgische Staat, en Belgische Staat (C-440/04) tegen R. R. BVBA, vindplaats http://curia.europa.eu ), stelt de admmistrat.ie dat de appellante wist of had moeten weten dat zij door haar aankoop deelnam aan een BTW-fraude, en dat om die reden de door de appellante doorgevoerde BTW-aftrek moet verworpen worden.
Volgende door de administratie aangevoerde gegevens kunnen nuttig worden aangehaald :
• uit de inkoopfacturen in de boekhouding van de appellante blijkt dat in een periode van zes maanden voor de aanzienlijke totale som van … EUR (exclusief BTW) aan computermateriaal werd aangekocht door de appellante bij ICFB;
• de door ICFB gehanteerde prijzen bleken volgens het onderzoek gevoerd in het proces-verbaal van 1.3.2007 (stuk 5 van de geïntimeerde) niet alleen aanzienlijk lager dan die van twee marktleiders maar bovendien dat de door ICFB gehanteerde verkoopprijzen lager waren dan de prijs waaraan ICFB zelf de waar inkocht (hierbij abstractie makend van de transport- en verzekeringskosten);
• de appellante kocht in de jaren 2004-2005-2006 computermateriaal zowel van leveranciers die hun fiscale verplichtingen niet nakwamen als van leveranciers die zelf aankochten bij leveranciers/niet-indieners (zie het proces-verbaal dd. 21.8.2007, p. 2-3, stuk 1 van de geïntimeerde);
• ICFB was voor de appellante in het jaar 2005 een volledig nieuwe en de belangrijkste leverancier. die in de jaren 2003 en 2004 niet voorkwam (uitleg verstrekt door de boekhouder van de appellante, stuk 6-7-8 van de geïntimeerde); ICFB was in 2003 en 2004 een kleinhandel in vlees en vleeswaren (stuk 10 van de geïntimeerde); volgens uittreksel uit het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering van 31.1.2005 werd ICFB op die datum overgenomen, en het BTW-nummer van ICFB werd pas heropend op 1.2.2005, met als nieuwe activiteit "detailhandel in computers, randapparatuur en computerprogramma’s in gespecialiseerde winkel" (stuk 11 van de geïntimeerde); na de overname van ICFB werd geen enkele BTW-aangifte meer ingediend en ook geen jaarrekening neergelegd (zie het stuk 13 van de geïntimeerde wat de jaarrekeningen betreft);
Het is niet in ernst te betwisten dat de appellante zich er bewust van moest zijn dat de prijzen die voor het computermateriaal van haar werden gevraagd door ICFB abnormaal laag waren ten opzichte van de normale marktprijs. Als bedrijf gespecialiseerd in computermateriaal moest de appellante de geldende prijzen kennen en zich daar hoe dan ook van bewust zijn. Dit heeft haar niet belet (en wellicht heeft de lage prijs de appellante zelfs ertoe aangezet) desondanks over een periode van zes maanden voor belangrijke bedragen aankopen van dergelijke waar te doen van een bedrijf (ICFB) dat haar volledig onbekend was en dat zeker geen bekendheid kon verworven hebben als verkoper van (belangrijke hoeveelheden) computermateriaal in een marktsector waartoe de appellante behoorde en die de appellante bekend moest zijn.
De appellante heeft duidelijk haar medewerking verleend aan handelingen die haar op zijn minst verdacht moesten lijken, en het getuigt van een bedenkelijke mentaliteit dat de appellante hierover gewoon heengestapt is.
Evenwel kan hieruit niet zonder meer afgeleid worden dat de appellante er zich ook van bewust moest zijn dat achter de verdachte omstandigheden waarin het computermateriaal haar te koop werd aangeboden specifiek een BTW-fraude schuil ging, en meer bepaald dat de lage prijzen waarin te koop werd aangeboden in de gegeven omstandigheden maar zo laag konden zijn ingevolge (voorgenomen) BTW-fraude, en niet voortvloeiden bvb. Uit een ander misdrijf of een andere soort fraude.
De kennis van de markt of nog het feit dat de appellante ook in andere fraudedossiers wordt genoemd als afnemer of nog de bekende fraudegevoeligheid van de verkoop van computermateriaal, zijn ontoereikend om te kunnen stellen dat de appellante moest weten dat zij te dezen specifiek meewerkte aan BTW-fraude.
Het is ook niet aangetoond dat, mocht de appellante, in plaats van zonder meer aan verdachte prijs te kopen, nadere inlichtingen genomen hebben of nadere opzoekingen gedaan hebben nopens ICFB, tot de bevinding zou kunnen komen zijn dat ICFB (waarschijnlijk) de bedoeling had om de BTW niet af te dragen en aldus BTW-fraude te plegen.
Gelet op hetgeen voorafgaat is te dezen niet aangetoond dat de appellante wist of moest weten dat zij haar medewerking verleende aan BTW-fraude.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep, en verklaart het gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre dit de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;
Opnieuw wijzende,
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante gegrond in de volgende mate;
Vernietigt het dwangbevel (RCIV nr. …), uitgevaardigd door D. D. B., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 9100 Sint-Niklaas, op 19.9.2007, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. V., gewestelijk directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen op 24.9.2007;
Veroordeelt de Belgische Staat om de eventueel ten onrechte op basis van dit dwangbevel geïnde bedragen aan de appellante terug te beetalen, meer de wettelijke intresten;
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van de beide aanleggen, in hun geheel begroot als volgt aan de zijde van de appellante: op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, rechtdoende in fiscale zaken, op DRIE JANUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.