Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 20 janvier 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutéé

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-anvers-2005-01-20-5e81

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
20 janvier 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

102 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 20.01.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN - VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake: 2003/AR/2305

N.V. V. V. D., met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nr. …;

APPELLANTE

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te … d.d. 28 mei 2003

vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …;

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het tweede Btw-ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;

GEÏNTIMEERDE

vertegenwoordigd door Mr. P V. D. S., advocaat te …, …;


1. De antecedenten en de vorderingen

Het voorwerp van het door appellante bij gerechtsdeurwaarders­exploot d.d. 8.10.2001 ingesteld fiscaal verzet en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis d.d. 28.5.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt en dit hof verwijst daar naar.

De eerste rechter verklaarde het verzet ongegrond.

Appellante, die bij een ter griffie van dit hof op 22.8.2003 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de gegrondheid van haar verzet.

Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. Beoordeling

De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, het fiscaal verzet ongegrond verklaard.

Enkel in antwoord op de door appellante uiteengezette grieven in hoger beroep, voegt dit hof daar aan toe dat :

1. ingevolge artikel 1 §2, 8 ° van het K.B. nr. 1 de in artikel 1 §2, eerste lid van voormeld K.B. bepaalde ontheffing van factureringsplicht (met name wanneer de belastingplichtige goederen levert aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor privé-gebruik) niet van toepassing is op leveringen door grossierbedrijven en in casu vaststaat dat appellant een grossierbedrijf uitbaatte en in de periode waarop de controle betrekking had (1.10.1996 - 30.9.1998) niet onafhankelijk van elkaar een groothandel en kleinhandel uitbaatte, zodat de door de fiscale administratie toegelaten afwijking daarvan ook geen toepassing kon vinden

2. het door de BTW wetgeving en administratie inzake facturatieplicht gemaakt onderscheid tussen groothandelaars, die al dan niet tevens een kleinhandelsactiviteit uitoefenen, en kleinhandelaars het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet schendt, nu dit onderscheid berust op reële verschillen, niet willekeurig is, een legitiem doel heeft en evenredig is met het beoogde doel, met name de Btw-controle - waarbij de factuur een centrale rol speelt - mogelijk te maken van de levering door groothandelaars aan BTW belastingplichtigen, nu deze groothandelaars in tegenstelling tot kleinhandelaars in de regel wel goederen leveren aan Btw-belastingplichtigen , zodat er geen reden is om een "prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof in verband met de schending van artikelen 10 en 11 G. W.";

3. de heer V. V. E., gedelegeerd bestuurder van appellante, verklaarde dat de leveringsbons vernietigd werden en "vervangen door andere leveringsbons waarop dezelfde goederen vermeld zijn. De facturen die worden opgesteld, stemmen wat de vermelde producten betreft overeen met de producten vermeld op de nieuw opgemaakte leveringsbons" : waarom op zulke abnormale en bovendien onwettelijke wijze gehandeld werd, wordt door appellante niet toegelicht;

4. uit geen enkel feitelijk gegeven blijkt dat appellante m.b.t. de geviseerde leveringen van goederen "geen ernstige redenen had om te twijfelen aan de niet belastingplichtigheid van de medecontractant” zoals bedoeld door artikel 70 §2, tweede lid W.B.T.W. en gelet op hetgeen hoger onder nr. 3 overwogen werd voor de bedoelde leveringen de aard van de leveringen niet vaststaat. Appellante stelt ook ten onrechte dat artikel 70 §2, tweede lid in fine "inhoudt dat de belastingplichtige leveranciers zich in een situatie moeten bevinden waarin er twijfel kan zijn over de niet-belastingplichtigheid van de koper, anders is de boete niet verschuldigd'”en .."er alleen kan beboet worden indien vastgesteld wordt dat er verkocht werd aan een belastingplichtige, vermits de boete alleen verschuldigd is in dat geval" : de volledige tekst van voormeld artikel 70 §2 laat zulke interpretatie niet toe en uit de voorbereidende werken van deze wettekst - zoals aangehaald in het door appellante neergelegd uittreksel uit FISCALE DOCUMENTATIE VANDEWINCKELE, BTW, p. 177 t.e.m. 179 - blijkt integendeel dat de in fine van het tweede lid van voormeld artikel bepaalde uitzondering op de in de regel in geval van schending van de facturatieplicht verschuldigde proportionele boete, slechts kan ingeroepen worden door de belastingplichtigen die in de regel leveringen niet dienen te factureren, zoals een kleinhandelaar die goederen verstrekt aan natuurlijke personen die ze voor privé­ gebruik bestemmen, hetgeen is casu niet het geval is;

5. de ingevolge de wettelijke bepalingen (meer bepaald tabel C.I,1) van de bijlage bij het K.B. nr. 41 van 30.1.1987) verschuldigde boete van 60% door de gewestelijke directeur van de BTW te Hasselt reeds herleid werd tot 20% en zulke boete, gelet op de belangrijke omvang van de geviseerde leveringen gedurende de gecontroleerde periode van twee jaren en waarbij appellante reeds jaren in de branche actief was, niet onredelijk hoog maar evenredig met de vastgestelde inbreuken is. Het feit dat de "zwaarste geldstraf” die ,de strafrechter zou kunnen opleggen slechts … EUR bedraagt is irrelevant voor de beoordeling van de evenredigheid van de door de fiscus aan appellante opgelegde administratieve boete en het staat vast dat voor de litigieuze feiten geen strafsanctie door een strafrechter opgelegd werd;

6. uit de tekst van artikel 70 §2 W.B.T.W. volgt dat de boete proportioneel verschuldigd is voor elke levering van goederen waarbij de facturatieplicht geschonden werd en het door appellante ingeroepen strafrechterlijk begrip van “eenheid van opzet, waardoor maar een straf kan toegepast worden, de zwaarste.. zodat de boete maar kan berekend worden ten aanzien van de transactie waarbij het hoogste recht verschuldigd is” niet toepasselijk is op de door de fiscus gevorderde administratieve boete;

7. de gevorderde administratieve boete verschuldigd is door de loutere schending van de facturatieplicht en dit ongeacht de goede trouw die appellante inroept. Appellante stelt dan ook ten onrechte dat de litigieuze boete “... slechts kan verschuldigd zijn indien te kwader trouw aan belastingplichtigen werd geleverd”.

Nu het hoger beroep ongegrond is, dient appellante de kosten van hoger beroep te betalen.

Dispositif

OM DIE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Veroordeelt appellante tot betaling van de kosten van hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend en vijf

waar aanwezig waren :

de heer de heer de heer mevrouw

de heer E. H. Voorzitter

de heer E. L. Raadsheer

de heer J. E. Raadsheer

mevrouw G. V. Griffier

G. V. J. E.

E. L. E. H.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;

Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van heb gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.

Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan gdw. J. R., in opdracht van meester P. V. D. S., advocaat, die optreedt voor geïntimeerde.

Antwerpen, 6 april 2005

G. H.

E.a. adjunct-griffier

Décision jointe par le SPF

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING

HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER,

HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE A.R. nr. 01.2237.A

V. V. D. NV, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder het nummer …, Btw-nr. …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

eiseres, vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …;

tegen:

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het tweede Btw-ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCJEN,

Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12,

verweerder, vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, …;

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op:

- het exploot van L. R., gerechtsdeurwaarder te …, van 8.10.2001;

- de conclusies en de stukken van partijen;

Gegevens en voorgaanden

Twee ambtenaren van de belastingdienst A.O.I.F. hebben bij huidig eiseres controles verricht.

Eiseres is groothandelaar in dranken met een verkooppunt ter plaatse van haar zetel en bleek voor een deel van haar leveringen geen facturen te hebben uitgereikt, onder mededeling dat de niet gefactureerde leveringen aan particuliere klanten waren verricht.

Onder verwijzing naar artikel 1, §2, tweede lid 8° van KB nr. 1 inzake BTW werd er in toepassing van art. 70, §2 Wetboek BTW een boete gelijk aan 60% van de niet gefactureerde BTW geformuleerd en er werd in toepassing van artikel 70, §4 Wetboek BTW een boete van … BEF (€ …) geformuleerd wegens een eerste overtreding van niet-voorlegging van leveringsbons.

Blijkbaar ingevolge een niet vormelijk bezwaar heeft de directeur van de BTW te Hasselt de procentuele boete herleid tot 20%.

Eiseres heeft een rechtsvordering ingesteld tegen het dwangbevel waarbij werd overgegaan tot vordering van het resterende gedeelte aan boetes, intrest en vervolgingskosten.

Onderzoek en beoordeling

1. Er loopt geen betwisting over de toelaatbaarheid van de rechtsvordering, en de rechtbank onderkent geen van ambtswege aan te voeren oorzaak tot ontoelaatbaarverklaring.

2. Verweerder wijst erop dat eiseres er ten tijde van de vaststellingen geen afzonderlijke verrkoopruimten voor verkoop aan particulieren naast belastingplichtigen op nahield, wat eiseres niet ontkent. Zij zou één en ander na de toenmalige vaststellingen wel in die zin hebben ingericht, wat verweerder dan weer niet ontkent.

Eiseres streeft in dagvaarding kwijtschelding of verdere vermindering van de boetes na “tot een billijk bedrag”.

In conclusie houdt ze echter vooreerst staande dat ze niet moest factureren bij verkoop aan particulieren, verwijzende naar haar maatschappelijk doel van groot- én kleinhandel, en ze verwijst daarbij naar het wettelijke onderscheid tussen artikel 1, §2, 1 ste lid en artikel 1, §2, 2de lid, 8 ° van KB nr. 1 inzake BTW.

Verweerder wijst op de formulering van artikel 1, §2, waarbij het 2de lid is geformuleerd als uitzondering op het 1ste lid.

3. De bewijslast van het zich voordoen van de uitzondering berust bij eiseres, die door het toendertijd niet hebben van een afzonderlijke inrichting voor verkoop aan particulieren de controle onmogelijk heeft gemaakt waaruit het bewijs van de uitzondering had kunnen blijken, zoals werd vastgelegd in de processen-verbaal, naast de vaststellingen dat eiseres eveneens op het gebied van documenten (niet bijgehouden bons) controle onmogelijk had gemaakt.

Eiseres houdt niet staande dat de oorspronkelijk toegepaste boete niet conform de wettelijke modulering was, die in KB nr. 41 van toepassing is gesteld op de voorliggende feiten.

Het feit dat de directeur op informeel bezwaar van eiseres de procentuele boete reeds heeft herleid tot een derde van de aanvankelijk gestelde reglementaire boete, duidt reeds op een belangrijke tolerantie.

Eiseres kan niet volhouden onwetend te zijn geweest omtrent haar Btw-verplichtingen en bijkomend - maar onverminderd het bovenstaande - pleit het naderhand niet bijhouden van aanvankelijk wel opgestelde documenten te dezen niet in haar voordeel.

Het is de rechtbank hoe dan ook niet toegelaten te oordelen op basis van loutere billijkheid.

De via het dwangbevel van eiseres gevorderde boetes zijn wettelijk en reglementair.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies en in hoofde van verweerder vereffend op € … bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 28 MEI 2003 alwaar aanwezig waren :

De Heer L. B., rechter, waarnemend voorzitter;

Mevrouw M. C. en Mevrouw C. V., rechters;

De Heer R. J., adjunct-griffier.

R. J. C. V. M. C. L. B.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, .. afgeleverd aan verweerder.

Hasselt, 10-06-2003

De Hoofdgriffier

L. B.

Textes cités

2
CTVA art. 702 occurrences
AR no 1 art. 11 occurrence

Décisions similaires

8