Cour d'appel de Bruxelles, 17 avril 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 17 avril 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Bruxelles, 17 avril 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-bruxelles-2008-04-17-c86b

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
17 avril 2008

Parcours procédural

2 étapes · 3 ans 11 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance de Louvain23.04.2004
  2. Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles17.04.2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

78 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 17.04.2008

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer – Openbare terechtzitting van 17-04-2008

Nr. van de zaak : 2004/AR/1611

IN ZAKE VAN :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3, R.A.C.,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …,

tegen :

De CVBA B., coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te …, …, …, met uitbatingzetel te …, …, H.R. Namen, nr. …,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester P. R., advocaat te …, …,


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. 2008/2957 EINDARREST - gedeeltelijk gegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het eindvonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 23 april 2004 (A.R. nr. 02/2377/A), vonnis waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 22 juni 2004.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond.

Deze vordering strekte ertoe :

- het dwangbevel te vernietigen en de vordering van appellant ongegrond te verklaren;

- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond daarvan werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling.

In besluiten breidde geïntimeerde haar vordering uit met de subsidiaire eis tot betaling van een schadevergoeding van … EUR, meer de interesten, te verrekenen op datum van de uitspraak van het vonnis.

I. De feiten

Geïntimeerde werd op 4 juni 1997 opgericht met als doel de exploitatie van een organisatie van producenten met het oog op de aan- en verkoop, de in- en uitvoer, de teelt, de behandeling, de bewaring van fruit en diverse groenten, landbouwproducten en voedingsmiddelen en aanverwante bedrijvigheden.

Op 13 juni 1997 diende zij een aangifte van aanvang van werkzaamheid in. Deze aangifte vermeldt als activiteiten : verkoop, aankoop, import - export, ruil, productie, teelt, behandeling, bewaring van fruit, groenten enz ...

Op 17 juni 1997 verkreeg geïntimeerde voor deze activiteiten een erkenning vanwege het Ministerie van Landbouw bij wijze van goedkeuring van haar operationeel programma.

Zij telde 11 leden en reikte aan hen facturen uit met de omschrijving "Bijdrage in operationeel fonds B. in kader Verordening (EG) nr. 2200/96 voor het jaar ..... volgens art. 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds" en paste op deze jaarlijkse bijdragen in het operationeel fonds het BTW-tarief van 6 % toe. Deze facturen betreffen de proportionele financiële bijdragen die de fruittelers/leden aan geïntimeerde betaalden voor.de vorming van een actiefonds in de zin van art. 15, lid 1 van de Verordening (E.G.) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten fruit. Deze bijdragen werden berekend aan de hand van de hoeveelheden of de waarde van de daadwerkelijk op de markt afgezette groenten en fruit.

Op 16 januari 2001 ontving geïntimeerde naar aanleiding van een controle een correctieopgave, waarin werd gemeld dat het toepasselijke BTW-tarief 21 % bedroeg.

Op 29 januari 2001 diende geïntimeerde een bezwaarschrift in.

Op 7 mei 2002 oordeelde de centrale administratie van de BTW in een beslissing dat geïntimeerde niet als belastingplichtige diende te worden aangemerkt.

Op 19 augustus 2002 werd een proces-verbaal opgesteld waarin werd bepaald dat de door geïntimeerde geleverde prestaties niet als belastbare diensten konden worden beschouwd en, als keerzijde van de medaille, evenmin recht gaven op aftrek van de voorbelasting. In hetzelfde proces-verbaal werd vastgesteld dat geïntimeerde een BTW van … EUR en een geldboete van … EUR verschuldigd was.

Op 20 september 2002 werd aan geïntimeerde voor die bedragen een dwangbevel van 16 september 2002 betekend.

Op 14 november 2002 tekende geïntimeerde bij exploot van dagvaarding verzet aan tegen dit dwangbevel.

Bij tussenvonnis van 20 februari 2004 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en beval zij de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten de aangifte van aanvang van werkzaamheid van 13 juni 1997 voor te leggen en appellant toe te laten te preciseren welke onvoldoende of onjuiste gegevens die zou bevatten.

Bij het bestreden eindvonnis van 23 april 2004 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond. Zij vernietigde het dwangbevel van 16 september 2002 en beval de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, meer de interesten sedert de datum van betaling. Daarentegen wees de rechtbank de vordering van geïntimeerde tot betaling van een schadevergoeding van … EUR, meer de interesten, af.

De eerste rechter oordeelde dat er geen rechtstreeks verband bestond tussen de werkzaamheden als telervereniging van geïntimeerde en de verplichte bijdragen die zij aan haar leden oplegde, en dat bijgevolg de uitoefening van die werkzaamheden geen dienst was in de zin van de Zesde Richtlijn inzake BTW. Wel oordeelde de eerste rechter dat het dwangbevel van 16 september 2002 buiten het behoorlijk bestuurlijk handelen lag (meer bepaald in strijd was met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel) en vernietigde zij dit dwangbevel.

II. Discussie

A. Wat het hoofdberoep van appellant betreft :

Appellant wijst erop dat geïntimeerde op basis van de door haar op 13 juni 1997 gedane verklaring van aanvang van werkzaamheid werd geregistreerd als belastingplichtige, dat op 29 juni 1998 met betrekking tot het vierde kwartaal van 1997 en op 26 november 1998 met betrekking tot het derde kwartaal van 1998 beperkte controles werden uitgevoerd en dat pas op 25 februari 2000 een grondige controle bij geïntimeerde werd uitgevoerd, die resulteerde in het opstellen van een correctieopgave waarin de administratie er destijds vanuit ging dat de activiteit van geïntimeerde onderworpen was aan het BTW-tarief van 21 % in plaats van 6 %. Uit de reactie daarop en de door haar vervolgens verstrekte inlichtingen met betrekking tot haar uiteindelijke effectieve activiteit bleek dan dat geïntimeerde niet als BTW-belastingplichtige kon worden beschouwd.

Volgens appellant kan er dan ook bezwaarlijk worden gesproken van een vaste gedragslijn van de fiscus, die bij geïntimeerde gerechtvaardigde verwachtingen zou hebben gewekt. In dergelijke omstandigheden kan dan ook niet worden gesproken van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Appellant meent dat, wanneer geïntimeerde opwerpt dat zij zich in een rechtsonzekere situatie bevond, deze situatie uit haar eigen gedrag voortvloeide. De interactie tussen de administratie en geïntimeerde - zelfs gespreid in de tijd - noopte de administratie tot voortdurende herziening doordat nieuwe feiten aan het licht kwamen, die aantoonden dat geïntimeerde in werkelijkheid niet handelde zoals expliciet was vermeld in de aangifte van aanvang van werkzaamheid.

In ondergeschikte orde meent appellant dat anders redeneren ook een conflict kan veroorzaken met het bij de BTW van kracht zijnde neutraliteitsbeginsel en de zorg voor het voorkomen van divergenties, die daarbij hoort.


Het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel is geen onbeperkt recht en moet onder bepaalde omstandigheden wijken voor het legaliteitsbeginsel (zie o.m. : Cass. 3 november 2000, F.J.F. 2001, N° 2001/1; T.F.R. 2001,161).

In deze is de eerste rechter op correcte wijze tot het besluit gekomen dat de uitoefening van de reële activiteiten van geïntimeerde (niet deze zoals vermeld in haar aangifte van aanvang van werkzaamheid van 13 juni 1997) geen diensten uitmaken in de zin van art. 2, 1 van de Zesde BTW-Richtlijn, nu de aan haar leden opgelegde verplichte bijdragen worden berekend aan de hand van de hoeveelheden of de waarde van de daadwerkelijk op de markt afgezette groenten en fruit en deze bijdragen aldus niet in rechtstreeks verband staan met de voordelen die voor de individuele telers voortvloeien uit de werkzaamheden van geïntimeerde.

Terecht verwees de eerste rechter terzake naar het arrest van het Europees Hof van Justitie van 8 maart 1988 in de zaak A. and P. Development Council. Ten onrechte houdt geïntimeerde voor dat er geen vergelijking mogelijk is van haar activiteiten van telervereniging met de algemene promotieactiviteiten van de A. and P. Development Council en dat zij niet in analoge omstandigheden als deze Council opereert. Terzake verwijst het hof naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die het de zijne maakt.

Voormeld arrest van het Europees Hof van Justitie, dat op prejudiciële vraag werd gewezen, heeft bindende werking erga omnes en geldt in beginsel (behoudens andersluidende beslissing) ex tunc. In deze is er geen probleem van terugwerkende kracht van het arrest van het Europees Hof van Justitie, nu dit arrest van 1988 dateert en geïntimeerde nadien (in 1997) werd opgericht.

Deze bindende werking van de prejudiciële uitlegging valt samen met de bindende werking van de bepalingen en beginselen waarop zij slaat en dient door alle nationale rechters te worden geëerbiedigd (zie : K. LENAERTS en D. ARTS, Europees Procesrecht, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 1999, nr. 219).

Deze bindende werking van het arrest, die erga omnes geldt, geldt dus ook ten aanzien van geïntimeerde. Het is bijgevolg ten onrechte dat de eerste rechter besliste dat geïntimeerde mag worden geacht art. 2, 1 van de Zesde BTW-Richtlijn te kennen en niet mag worden geacht de prejudiciële uitleggingsarresten van het Europees Hof van Justitie van die bepaling te kennen. Het is daarentegen zo dat art. 2, 1 van de Zesde BTW-Richtlijn, zoals uitgelegd door voormeld arrest van 8 maart 1988, wordt geacht erga omes, en dus ook ten aanzien van geïntimeerde, te gelden.

Dan rijst de vraag of het legaliteitsbeginsel in deze het vertrouwensbeginsel primeert.

Het hof is van oordeel dat de kwestie van het recht op aftrek van de BTW gekoppeld aan de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige geen loutere feitenkwestie uitmaakt. Verder is door de houding van de fiscale administratie, waarbij geïntimeerde verkeerd werd ingelicht over haar belastbaarheid, geen toestand geschapen die niet meer kan worden hersteld (in de tegenovergestelde hypothese wordt door bepaalde auteurs immers gepleit voor de primauteit van het vertrouwensbeginsel (zie : B. PEETERS, "Werking contra legem van het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht", noot onder Antwerpen 6 november 1996; A.F.T. 1997, 185; S. LUST, "Time is money. Over overmacht en vertrouwen in het fiscale contentieux. Enkele beschouwingen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 18 januari 1999", T. Not. 2001, 639; H. VANDEBERGH, "Grenzen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel", T.F.R. 2003,.217)). Tenslotte ging de belastingplichtige op de eerste plaats zelf in de fout door de aangifte van aanvang van werkzaamheid niet correct in te vullen en zette hij aanvankelijk de fiscale administratie op het verkeerde been.

Om deze redenen meent het hof dat geïntimeerde ten onrechte beroep doet op het vertrouwensbeginsel en dat in deze het legaliteitsbeginsel primeert.

Derhalve dient het hoger beroep van appellant te worden ingewilligd.

B. Wat de tegeneis van geïntimeerde betreft :

In subsidiaire orde, en voor zover het hof de eis in terugvordering van BTW gegrond zou verklaren, stelt geïntimeerde een tegeneis in voor de totaliteit van het bedrag dat zij zou dienen terug te betalen, nl. … EUR in hoofdsom, … EUR boete, meer de interesten. Zij steunt deze eis op de artikelen 1382 e.v. B.W. en op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zelfs indien zeer strikt genomen haar activiteiten niet zouden vallen onder het BTW-stelsel, meent geïntimeerde dat appellant een fout heeft begaan door haar jarenlang in dwaling te brengen en in de verkeerde waan.


Hiervoor onder A. stelde het hof reeds dat de belastingplichtige op de eerste plaats zelf in de fout ging. Anderzijds is het onmiskenbaar zo dat de fiscale administratie in deze ook fouten heeft begaan. Er werden immers diverse BTW-controles bij geïntimeerde uitgevoerd. Ten onrechte verschuilt appellant zich in dat verband achter het excuus dat er geen volledige controles gebeurde. Een controle moet in beginsel worden geacht volledig. te zijn, zeker inzake directe belastingen. Inzake BTW bestaan wel gedeeltelijke controles,. maar die worden dan ook aldus aangekondigd (zie : H. VANDEBERGH, o.c., 213). In deze ligt geen enkel objectief stuk voor waaruit blijkt dat de doorgevoerde controles summier zouden zijn.

Verder kan de administratie zich evenmin verschuilen achter het feit dat de opeenvolgende controles door verschillende ambtenaren (achtereenvolgens van Sint-Truiden, Tienen en Brussel) werden uitgevoerd.

Tijdens deze controles moet de administratie, zoals terecht wordt benadrukt door de eerste rechter, noodzakelijkerwijze de facturen betreffende de "Bijdrage in kader Verordening (E.G.) nr. 2200/96 voor het jaar .... volgens artikel 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds" hebben gezien en dan normalerwijze hebben ingezien dat er een probleem rees van rechtstreeks verband tussen de verrichte diensten en de ontvangen tegenwaarde, waardoor geïntimeerde niet als BTW-belastingplichtige diende te worden aangemerkt. Het hof verwijst op dit punt opnieuw naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, die het de zijne maakt. Terecht stelde de eerste rechter dat appellant veel vroeger dan na 5 jaar een correctieopgave had moeten opsturen naar geïntimeerde, waardoor de financiële gevolgen voor haar veel minder zwaar zouden zijn geweest.

Het hof is van oordeel dat de fouten van geïntimeerde en van appellant beiden, maar evenwel niet in gelijke mate (nu de fout van appellant zwaarder doorweegt), hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade in hoofde van geïntimeerde (schade die bestaat in het totale bedrag dat zij dient te betalen, nl. … EUR in hoofdsom en de boete van … EUR, verhoogd met de interesten). Het hof oordeelt dat de fout van geïntimeerde voor 1/4de en de fout van appellant voor 3/4de de schade in hoofde van geïntimeerde hebben veroorzaakt.

Derhalve dient in die mate de tegeneis van geïntimeerde te worden ingewilligd.

C. Wat de kosten betreft :

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare terechtzitting van het hof van 3 april 2008 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep te begroten op het basisbedrag van … EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond;

Verleent geïntimeerde akte van het instellen van haar tegeneis;

Verklaart deze ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;

Doet het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 23 april 2004 teniet en, opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde ongegrond en wijst haar ervan af;

Veroordeelt appellant om aan geïntimeerde te betalen ten titel van schadevergoeding 3/4de van de som van … EUR, meer de interesten, te verrekenen op de datum van uitspraak van dit arrest;

Veroordeelt appellant tot 3/4de en geïntimeerde tot 1/4de van de kosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 17-04-2008.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

J. V., raadsheer dd voorzitter,

G. D. C., raadsheer,

C. V., raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. C. V. G. D. C. J. V.

Textes cités

3
règlement 411/97 art. 152 occurrences

Décisions similaires

8