Comptabilité, Présomption homme, Majoration, Chiffre affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 13 novembre 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Comptabilité, Présomption homme, Majoration, Chiffre affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/comptabilite-presomption-homme-majoration-chiffre-tribunal-bruges-2000-11-13-49b7

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
13 novembre 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

50 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 13.11.2000

TVA - Comptabilité - Présomption homme - Majoration - Chiffre affaires

L'administration peut démontrer une dette de TVA ou d'amendes au moyen de présomptions de l'homme. Des faits retenus dans le jugement par le tribunal, il ressort que l'administration disposait d'un ensemble de présomptions gaves, précises et concordantes justifiant la majoration du chiffre d'affaires infligée.

Vierde kamer

Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers

Adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst

Partij: H••• G•••••••• t. De Belgische Staat

Rolnr.: 97/1500/A

I RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 12 mei 1997.

Gelet op het tussenvonnis de dato 14 december 1998 van de vijfde kamer van deze rechtbank.

Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 22 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.

De Rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 16 oktober 2000.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De Rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in het tussenvonnis de dato 14 december 1998.

III BEOORDELING

3.1 nopens de bewijskracht van de boekhouding

3.1.1. De BTW-aangifte toont aan dat eiser goederen heeft onttrokken aan de voorraad voor eigen gebruik. Het niet inboeken in de boekhouding betekent dat zij niet overeenstemt met de werkelijkheid en bijgevolg ook niet bewijskrachtig is.

3.1.2. Eiser heeft, niettegenstaande hij geopteerd heeft om belast te worden volgens de normale BTW-regeling met bijhouding van een dagontvangstenboek, de dagontvangsten van de contante verkopen globaal, en niet gedetailleerd per btw.-tarief, in het dagontvangstenboek ingeschreven.

Wanneer een belastingplichtige handelingen verricht die aan verschillende tarieven onderworpen zijn is hij overeenkomstig artikel 14 van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW. verplicht om per tarief afzonderlijk de ontvangsten in te schrijven in het dagboek. Pas dan is een juiste heffing van de BTW. mogelijk.

3.1.3. De boekhouding van eiser is dan ook integraal te verwerpen, nu zij niet als een coherent geheel waaruit de betrouwbaarheid en bewijskracht volgt, kan beschouwd worden.

3.2 nopens het bewijs ten gronde

3.2.1. Volgens eiser maakt verweerder geen correcte toepassing van het bewijs door vermoedens doordat ze zich op geen enkel bekend feit steunt.

De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 WBTW.).

Overeenkomstig art. 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art. 1353 B.W..

Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.

Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

3.2.2. Uit de thans in de debatten gebrachte lijst LINK blijkt dat de volgorde van de nummers van de officiële facturen per dag overeenstemming vertoont met de volgorde van de nummers van de facturen particulier en zelfs met de volgorde van de klantennummers waaronder het klantennummer van eiser.

Niet alleen de opeenvolging van de nummers van de officiële facturen en de facturen particulier doch ook de volgorde van de leveringen aan de verschillende klanten, ingevolge vaste klantenrondes, zijn een belangrijke aanwijzing die toelaten een factuur particulier aan een welbepaalde klant toe te schrijven.

3.2.3. Verder tonen de voorliggende facturen op naam van eiser en de onmiddellijk erop volgende facturen gericht aan eiser onder de benaming "particulier" over het jaar 1991 en 1992 een duidelijke overeenstemming aan qua aankoopdata, aard van aangekochte goederen, hoeveelheid van aangekochte goederen, volgorde van vermelding van de goederen op de factuur en handelskorting.

3.2.4. In het proces-verbaal de dato 5 april 1996 (stuk 11 verweerder) heeft de bestuurder en de voormalig afgevaardigde beheerder van de N.V. Alrob verklaard dat niet alle leveringen aan belastingplichtigen effectief "op naam van deze afnemers" werden gefactureerd.

In voormeld proces-verbaal heeft de voormalig afgevaardigde beheerder tevens verklaard dat de facturatie gebeurde aan de hand van een bestelbon, opgesteld door de reiziger, die van de klant verneemt wat en hoeveel er mag worden gefactureerd "op naam". Het restant van de levering wordt gefactureerd als verkoop "particulieren" en wordt contant ontvangen. Hij verklaarde eveneens dat voormelde bestelbons niet worden bewaard.

3.2.5. Van de 273 gecontroleerde afnemers van de N.V. Alrob die bij de fraude betrokken zijn werden er door 256 minnelijke overeenkomsten gesloten. Volgens verweerder zijn er slechts 17, waaronder eiser, die de link tussen de officiële facturen en de facturen "particulier" betwisten. Bovendien heeft één van de afnemers niet alleen een minnelijke schikking ondertekend, maar tevens in een schriftelijke verklaring bevestigd dat de goederen van de N.V. Alrob, vermeld op de facturen particulier effectief aan hem werden geleverd (stuk 12 van verweerder).

Het feit dat een groot aantal afnemers van de N.V. Alrob wel akkoord ging met de vordering van verweerder en dat één afnemer de effectieve leveringen heeft erkend, impliceert op zich uiteraard niet dat eiser ook deel had in het zwarte aankoopsysteem, maar vormt wel een belangrijk vermoeden dat samen met de andere feitelijke gegevens dient in overweging te worden genomen.

3.2.6. Op 24 februari 1993 werd, n.a.v. een levering door de N.V. Alrob aan een tearoom te Koksijde, door de opsporing- en documentatiedienst te Gistel, het reeds eerder geciteerde fraudemechanisme in de praktijk vastgesteld (stuk 14 van verweerder).

Deze vaststelling toont aan dat het fraudesysteem zoals het aanvankelijk op papier werd vastgesteld effectief ten aanzien van de afnemers-belastingplichtigen werd gehanteerd.

3.2.7. Voormelde opgesomde feiten vormen een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te besluiten dat eiser zwarte aankopen heeft gedaan aan de N.V. Alrob.

3.2.8. Aangezien verweerder heeft bewezen dat eiser goederen heeft aangekocht welke niet opgenomen werden in zijn boekhouding, kan verweerder op deze zwarte aankopen het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 WBTW. toepassen. Dit betekent dat alle aangekochte goederen, behoudens tegenbewijs, worden geacht te zijn aangekocht onder voorwaarden waaronder de BTW. opeisbaar wordt. Om de verkoopprijs van die goederen te bepalen heeft verweerder beroep gedaan op de door eiser gehanteerde winstmarges. De vordering van verweerder is derhalve zeker niet arbitrair opgemaakt.

3.2.9. De door eiser gevorderde rechtsplegingsvergoeding dient overeenkomstig het koninklijk besluit de dato 30.11.1970 te worden verminderd tot de som van 6450,- Bf..

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 6450,- Bf. rechtplegingsvergoeding en 2150,- Bf. aanvullende rechtsplegingsvergoeding.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

Textes cités

2
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 641 occurrence

Décisions similaires

8