Champ d'application, service, opération imposable, paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 8 novembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposable, paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-gand-2010-11-08-11ca

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
8 novembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

159 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 08.11.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 NOVEMBER 2010

Rolnummer : 05/2509/A

In de zaak van:

L. F. QQ, wonende te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV L. M. E. C. S., waarvan de vennootschapszetel destijds gevestigd was te …, … en met ondernemingsnummer …, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde dd. 29 oktober 2007,

EISER QQ, verweerder in gedwongen tussenkomst, voor wie optreedt mr. Y. V., advocaat te …, …,

tegen :

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit. Controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde. Begijnhoflaan 49 en de Administratie van Belastingen en Invordering, sector BTW. in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,

VERWEERDER, eiser in gedwongen tussenkomst, voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2010 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 29 juni 2005, de dagvaarding in gedwongen hervatting van geding dd. 12 februari 2009, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.

2. DE VORDERING

Eiser qq. verhaalt zich tegen het dwangbevel dat op 30 november 2004 werd opgesteld door de heer B. M., eerstaanwezend inspecteur ai., Ontvanger van het Btw-Ontvangkantoor te Aalst, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 2 december 2004 door de heer L. V. M., eerstaanwezend inspecteur ai. van de Btw-Controle te Dendermonde 1. daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde. Registratie en Domeinen te Gent, en op 3 december 2004 werd overgemaakt aan de NV L. M. E. C. S., tot beloop van een bedrag van achtereenvolgens … EUR als belasting over de toegevoegde waarde. … EUR geldboete, de interest van 0,80% per maand vertraging, begroot op de verschuldigde BTW vanaf 21 april 2004 en de vervolgingskosten.

Eiser qq. vordert de rechtbank bovenvermeld dwangbevel nietig te verklaren omdat het niet gegrond is, minstens de opgelegde belastingverhoging substantieel te verminderen tot een redelijk niveau rekening houdend met de materiële misslag van de NV L. M. E. C. S..

3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Op 6 september 2004 werd door de administratie een controle uitgevoerd bij de NV L. M. E. C. S. Voorwerp van de controle waren de Btw-verrichtingen over de periode van 1 januari 2001 tot 31 maart 2004.

Op 8 september 2004 werd een vraag aan inlichtingen verzonden aan de belastingplichtige.

Deze signaleerde de administratie vervolgens op 20 september 2004 het dubbel gebruik van deze vragenlijst en de lijst die haar eerder door de BBI werd overgemaakt.

Bij proces-verbaal van 8 oktober 2004 werden de vastgestelde inbreuken op de Btw-wetgeving uiteengezet.

Een afschrift van dit proces-verbaal werd op 27 oktober 2004 samen met een voorstel tot minnelijk akkoord overgemaakt aan de NV L. M. E. C. S.. Deze repliceerde evenwel op 26 november 2004 hiermee niet akkoord te kunnen gaan.

Op 30 november 2004 werd een nieuw proces-verbaal opgesteld lastens de vennootschap, waarbij rekening werd gehouden met een geregulariseerd bedrag van … EUR en de verschuldigde BTW derhalve werd begroot op … EUR. Met de overige door de belastingplichtige geformuleerde grieven werd echter geen rekening gehouden.

Verweerder maakte vervolgens bij aangetekend schrijven van 3 december 2004 het overeenkomstige dwangbevel over aan de NV L. M. E. C. S., die bij brief van 6 december 2004 haar niet­ akkoord te kennen gaf.

Verweerder stelde vervolgens bij brief van 8 december 2004 dat, ondanks de notificatie van het dwangbevel, een akkoord nog steeds tot de mogelijkheden behoorde, voor zover de vennootschap daartoe bereid was.

Bij verzoekschrift van 29 juni 2005 heeft eiser qq. de grieven tegen het dwangbevel gebundeld en de zaak aldus aan deze rechtbank voorgelegd:

De NV L. M. E. C. S. werd hangende het geding bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde van 29 oktober 2007 in staat van faillissement verklaard.

Bij vonnis van 29 oktober 2008 werd het faillissement gesloten verklaard bij gebrek aan actief en werd eiser qq. aangesteld als vereffenaar.

Bij exploot van 12 februari 2009 werd eiser qq. ten verzoeke van verweerder gedagvaard in gedwongen hervatting van geding.

4. BEOORDELING

4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiser qq. ontvankelijk.

4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak

- Voor wat betreft de toepassing van artikel 53 en 53octies W.BTW

4.2.1. Eiser qq. betwist dat de zogenaamde factuur van 31 december 2001 in de Btw-aangifte opgenomen diende te worden en om die reden een omzetverhoging moet worden toegepast.

Het zou immers gaan om een debetnota die niet de verplichte vermeldingen uit artikel 5 KB nr. 1 bevat. Volgens eiser qq. werd dit stuk opgesteld op grond van de overeenkomst tot het verstrekken van managementsdiensten dd. 1 juni 2001 tussen enerzijds de NV L. M. E. C. S. en anderzijds de BVBA L.-V. I. en CO C.. In een annex bij deze overeenkomst dd. 1 december 2001 werd een ontbindende voorwaarde ingelast. aldus eiser qq., op grond waarvan de overeenkomst zou ophouden te bestaan indien zou blijken dat de NV L. M. E. C. S. na vijf jaar geen verhoogde omzet kon realiseren bij de medecontractant.

Eiser qq. wijst vervolgens op de bepalingen van artikel 22 W.BTW, om te besluiten dat de dienst allerminst voltooid was bij het opstellen van de debetnota.

4.2.2. Met verwijzing naar dezelfde wetsbepaling beweert verweerder dat, indien eiser qq. een debetnota opstelt op 31 december 2001 en voor de uitgevoerde en nog uit te voeren diensten een prijs aanrekent aan de medecontractant, de belasting eisbaar wordt op het tijdstip van de factuur of in dit geval de debetnota.

Conform artikel 51, §1, 3° is de BTW verschuldigd door eenieder die op een factuur of een als zodanig dienend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen dienst heeft verstrekt of geen goed heeft geleverd. De terminologie (debetnota ipv factuur) zou hieraan geen .afbreuk doen, noch het gebrek aan vermelding van de verplichtingen bedoeld in artikel 5 van het KB nr. 1.

4.2.3. Overeenkomstig artikel 51, § 1, 3° W.BTW is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

Uit de woorden "of op een als zodanig geldend stuk" blijkt dat de benaming die partijen aan de gebruikte stukken geven van geen belang is. Men moet uitsluitend met de werkelijke inhoud en draagwijdte van het stuk rekening houden. Aldus kan men niet aan zijn belastingplicht ontsnappen voor de aan zijn medecontractant uitgereikte facturen door deze van een andere hoofding te voorzien.

De zogenaamde debetnota heeft als voorwerp de erelonen met betrekking tot het managementcontract van 1 juli 2001 en de prestaties verricht voor de periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 (stuk nr. 10 verweerder). De bewoordingen van dit stuk laten er verder geen twijfel over bestaan dat de klant (BVBA L. – V. I. & C. C.), de hoofdsom (maatstaf van heffing) en de BTW verschuldigd is aan de NV L. M. E. C. S.

W.BTW is duidelijk. Op deze regel bestaat geen enkele afwijking zodat deze persoon steeds kan worden aangesproken tot voldoening van de belasting (cfr. art. 21, 1e lid, d, Zesde richtlijn). Ook het gebrek aan vermelding van alle gegevens opgesomd in artikel 5 van het KB nr. 1 kunnen eiser qq. dienaangaande niet baten.

Het door eiser qq. op artikel 22 W.BTW gegronde betoog mist eveneens doel. In dit geval werd de dienst immers gefactureerd nog voor zij was voltooid, in welk geval artikel 22, §2 W.BTW voorschrift dat de belasting eisbaar wordt op het tijdstip van het uitreiken van de factuur, in dit geval op 31 december 2001.

Op grond van de vermeldingen op het uitgereikte document en bij toepassing van artikel 51,§ 1, 3° W.BTW, is eiser qq. bijgevolg gehouden tot betaling van de overeenstemmende BTW.

- Voor wat betreft de toepassing van artikel 77, §1 W.BTW

4.2.4. Eiser qq. betwist de inbreuk op artikel 77, §1 W.BTW, bestaande uit de nalatigheid om drie creditnota's van de BVBA L.-V. I. EN C. C. op te nemen in de boekhouding.

Deze nota's werden volgens eiser qq. opgemaakt naar aanleiding van een overeenkomst tot overdracht van schuldvordering. Beide vennootschappen hadden op 1 januari 2000, 1 april 2000, 1 april 2001 en 1 juli 2001 reeds samenwerkingsovereenkomsten afgesloten, op grond waarvan de NV L. M. E. C. S. een aantal facturen had uitgeschreven.

Gelet op de banden tussen beide vennootschappen en de overnamegesprekken die op zeker ogenblik plaatsvonden, zouden zij besloten hebben dat het niet langer opportuun was om tussen hen een verhouding schuldeiser-schuldenaar te laten bestaan. Om die reden kwam de afstand van schuldvordering tot stand, zij het dan onder de opschortende voorwaarde dat, indien de NV L. M. E. C. S. binnen de 2 resp. 3 jaar haar aandelenparticipatie aan een derde overdroeg, zij zich er toch toe verbond de vordering te voldoen.

Toen de vennootschap de creditnota's ontving, zou het met andere woorden nog niet zeker zijn geweest dat deze ook een definitief karakter hadden. Om bedrijfseconomische redenen werd er derhalve voor geopteerd deze voorlopig niet op te nemen in de boekhouding.

4.2.5. Verweerder meent dat eiser qq. bovenstaande beweringen op geen enkel punt kan staven.

Eiser qq. zou overigens niet beschikken over de optie om de regelmatig uitgereikte creditnota's buiten de boekhouding te houden. De terugvordering zou derhalve in elk opzicht voldoen aan de wettelijke voorschriften ter zake.

4.2.6. Krachtens artikel 77, §1 W.BTW wordt de belasting die werd geheven van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:

1°wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;

2°wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan;

3°wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend;

4°wanneer de overeenkomst voor de levering van het goed of de uitvoering van de dienst verbroken is;

5°wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is;

6°wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen;

7°wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.

Om zijn vordering tot teruggave te kunnen uitoefenen moet de leverancier of de dienstverrichter, overeenkomstig artikel 79 W.BTW een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggave vatbare bedrag en aan de medecontractant een dubbel van dit stuk uitreiken voorzien van de vermelding "BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin deze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht' (zie KB nr.4 van 29.12.1969).

Heeft de medecontractant deze belasting in aftrek gebracht. dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

Eiser qq. betwist niet dat de NV L. M. E. C. S. de onder het stuk nr. 11 van verweerder gebundelde creditnota's voor een totaalbedrag van … EUR heeft ontvangen.

Samen met verweerder stelt de rechtbank vooreerst vast dat eiser qq. op geen enkele wijze de eigen beweringen kan staven omtrent de motieven waarop het handelen van de vennootschap gebaseerd is. Van de beweerde overdracht van schuldvordering ligt alvast geen enkel stuk voor.

Wat meer is. zodra een vennootschap als contractspartij een regelmatig uitgereikte creditnota ontvangt. is zij er hoe dan ook toe gehouden deze in de boekhouding op te nemen en de hierop verschuldigde BTW terug te storten. Ter zake beschikt zij over geen enkele keuzemogelijkheid of beleidsvrijheid die toelaat haar wettelijke verplichtingen ter zake te omzeilen.

De vordering van eiser qq. moet derhalve ook op dit punt als ongegrond worden afgewezen.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 77, §1 en 79 W.BTW

4.2.7. Eiser qq. houdt vol dat de NV L. M. E. C. S. voldeed aan alle wettelijke voorwaarden om te kunnen genieten van het recht op teruggave van de BTW voor de op 28 februari 2002 opgemaakte interne creditnota voor een bedrag van … EUR. meer … EUR BTW.

Niet alleen werd deze nota in de boekhouding opgenomen deze zou tevens bezorgd zijn aan de mede-contractant. De vermeldingen op het stuk zouden wellicht verklaren waarom dit stuk niet voorkomt in de boekhouding van deze laatste.

Het gebrek aan vermelding van de woorden "BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht'', zou het recht op teruggave niet in de weg staan. Het feit op zich van het opstellen van een creditnota geeft de medecontractant al te kennen dat hij oorspronkelijk te veel BTW heeft afgetrokken, aldus eiser qq. Evenmin zou dit de fiscus beletten een controle uit te voeren op de juistheid van de creditnota.

4.2.8. Verweerder stelt vast dat de NV L. M. E. C. S. heeft nagelaten een verbeterend stuk, zoals voorzien in artikel 77, §1 W.BTW en artikel 4 van het KB nr. 4 uit te reiken aan zijn klant en derhalve geen recht op teruggave kan uitoefenen. In dit geval zou zich zelfs niet eens de oorzaak tot teruggave hebben voorgedaan, bij gebrek aan een prijsvermindering ten voordele van de klant.

Eiser qq. zou zichzelf tegenspreken wat de overhandiging van het stuk betreft. nu het om een intern document gaat waarvan de overhandiging. blijkens de bewoordingen ervan, werd uitgesteld.

4.2.9. Door de rechtbank werd eerder in dit vonnis reeds geciteerd uit de toepasselijke bepalingen van artikel 77 en 79 W.BTW.

Hieruit blijkt dat het recht op teruggave van de BTW door de wetgever afhankelijk werd gesteld van het uitreiken van een verbeterend stuk aan de medecontractant, waaruit deze kan afleiden welk bedrag aan BTW onterecht in aftrek werd genomen en derhalve aan de fiscus teruggestort moet worden.

Eiser qq. faalt in het bewijs dat de creditnota, op basis waarvan het recht op teruggave werd uitgeoefend. aan de medecontractant werd overgemaakt. Het volstaat er de inhoud van dit stuk op na te lezen om te besluiten dat dit louter voor interne doeleinden werd opgemaakt. met name om de vennootschap een recht op teruggave van de BTW te bezorgen (d. stuk nr. 12 verweerder). Niet alleen de titel "interne creditnota" spreekt ter zake boekdelen, maar ook de bijgevoegde paragraaf waarin de vennootschap zelf stelde dat het stuk maar bedoeld was om op later tijdstip te worden overgemaakt. Dat zulks ook effectief is gebeurd, wordt met geen enkel objectief en bewijskrachtig stuk aangetoond.

Ook wat dit onderdeel van de vordering betreft. faalt derhalve het betoog van eiser qq..

- Voor wat betreft de toepassing van artikel 53, 1° W.BTW

4.2.10. Eiser qq. stelt gedeeltelijk akkoord te kunnen gaan met de vastgestelde inbreuk op artikel 53, 1° W.BTW. bestaande uit het gebruik van een tot het bedrijf behorende wagen buiten de economische activiteit.

Verweerder .wordt meer bepaald gevraagd rekening te houden met de spontane regularisatie dienaangaande in de Btw-aangifte voor het vierde kwartaal 2002.

4.2.11. Verweerder benadrukt dat de controle-agent bij het opstellen van het proces-verbaal van 30 november 2004 reeds rekening heeft gehouden met de rechtzetting en aldus een bedrag van … EUR toerekende.

Eiser qq. zou thans geen tweede verrekening van diezelfde som kunnen eisen.

4.2.12. Uit het definitief proces-verbaal van 30 november 2004 blijkt onmiskenbaar dat het door eiser qq. aangehaalde bedrag van … EUR, voorwerp van de spontane regularisatie, reeds in rekening werd gebracht.

Dit onderdeel van de vordering berust derhalve op een verkeerde lezing van de stukken. Evident kan dit bedrag slechts één maal in het voordeel van eiser qq. worden toegerekend, wat in dit geval nog voor de procedure in rechte is gebeurd.

- Voor wat betreft de toepassing van artikel 45, §1 W.BTW

4.2.13. Eiser qq. is van oordeel dat de facturen uitgaande van de NV C. S. E. wel degelijk voldoen aan alle vereisten inzake aftrek van de BTW.

De wagens die het voorwerp van de facturen uitmaken, zouden naar aanleiding van de uitvoering van een overeenkomst van inpandgeving ter beschikking zijn gesteld voor de door de NV L. M. E.N C. S. uitgeleende gelden.

4.2.14. Verweerder haalt aan dat de bedoelde facturen geen levering aan eiser qq. bevatten en ook geen melding maken van enige levering.

Uit het contract van 30 juni 2001 blijkt volgens verweerder dat de wagens ter beschikking blijven van de NV C. S. E.. Bovendien zou hierin geen opgave zijn gedaan van de aan de schuldeiser qq. verschuldigde som of de in pand gegeven zaken. Het contract zelf werd naar het oordeel van verweerder evenmin ter registratie aangeboden.

Volgens verweerder werd niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2074 en 2076 BW en kan het contract geen verantwoording inhouden voor de uitgereikte facturen. Hij voegt daar nog aan toe dat de pandhouder op basis van een contract van inpandgeving geen beschikkingsrecht heeft, zodat er geen levering van de goederen kan plaatsvinden. Op de factuur wordt enkel gesproken van een garantie en niet van een leveringsdatum, aldus verweerder.

Verweerder vervolgt dat men pas van de aftrek van BTW kan genieten in de mate dat de geleverde goederen en diensten gebruikt worden voor het verrichten van de in artikel 45, §1, 1° tot 5° W.BTW bedoelde handelingen.

4.2.15. Na kennis te hebben genomen van de door verweerder onder stuk nr. 13 gebundelde documenten oordeelt de rechtbank dat de facturen in kwestie onder de omschrijving van hun voorwerp telkens verwijzen naar een voertuig en een garantie (ingebracht of geplaatst kapitaal).

Uit deze stukken blijkt op zich niet dat deze voertuigen aan eiser qq. werden geleverd in de zin van artikel 10, §1.

Dergelijke levering zou overigens in strijd zijn met de onderliggende overeenkomst van inpandgeving, nu zij de overdracht veronderstelt van de macht om als eigenaar over de zaak te beschikken (cf. artikel 2078-2079 B.W.).

Het gebrek aan levering belet dat de BTW opeisbaar wordt krachtens artikel 17 W.BTW en derhalve dus ook dat eiser qq. aanspraak kan maken op het recht op teruggave conform artikel 45, §1 W.BTW.

- In ondergeschikte orde: voor wat betreft de toepassing van artikel 70, §1 W.BTW

4.2.16. Eiser qq. vordert dat minstens de opgelegde geldboete vernietigd zou worden wegens :

- schending van het KB nr. 41, de Wet Cerexhe van 29 juli 1991 en artikel 1349 ev. BW omwille van de opeenstapeling van vermoedens : verweerder zou immers falen in het bewijs van het frauduleus karakter van de inbreuken. Een en ander wordt volgens eiser qq. "gemotiveerd" vanuit de stelling dat de vennootschap optreedt als accountantskantoor terwijl dit niet het geval is;

- de vijfvoudige toetsing krachtens artikel 6, 1e lid EVRM en artikel 14 BUPO-verdrag : de geldboete is volgens eiser qq. een fiscale administratieve sanctie van strafrechtelijke aard, wat de rechtbank zou toelaten deze op haar evenredigheid te controleren. Ook het redelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur zouden de administratie ten andere beletten de belangen van bestuurden te krenken in strijd met alle redelijkheid. De waarborg inzake motivering zou eveneens met voeten zijn getreden nu verweerder in het proces­verbaal van 30 november 2004 geen enkele duidelijke motivering van schuld zou hebben opgenomen. Tot slot zou in deze het vermoeden van onschuld volledig genegeerd worden;

- schending van het Europese evenredigheidsbeginsel : de sanctie zou in dit geval dermate zwaar zijn dat zij niet in verhouding staat tot de overtredingen en de uiteindelijke schade die hierdoor aan de staat werd berokkend.

4.2.17. Verweerder preciseert dat de boete een eenvoudige toepassing uitmaakt van artikel 1, laatste alinea van het KB nr. 41 van 30 januari 1987.

De door de verbalisant aangehaalde motivering zou verder afdoende zijn nu zij niet enkel de toepasselijke wettelijke regels vermeldt. maar ook de feitelijke overwegingen die aan de toepassing hiervan ten grondslag liggen. Eiser qq. zou onder meer uit het oog verliezen dat de zaakvoerder van de vennootschap wel degelijk als accountant heeft opgetreden en de motivering ter zake dus blijft gelden. Het zou bovendien als een paal boven water staan dat de vennootschap optreedt als raadgever in handels- en fiscale aangelegenheden en dus over de nodige kennis dienaangaande beschikt. In feite is de NV L. M. E. C. S. een managementsvennootschap, geleid door een boekhouder, aldus verweerder.

Uit de inbreuken aangehaald in het proces-verbaal blijkt volgens verweerder duidelijk dat stukken, waaruit een verschuldigdheid inzake BTW blijkt, niet worden geboekt terwijl precies het omgekeerde wordt gedaan met stukken die een recht op teruggave of aftrek doen blijken.

De overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW bepaalde boete is van rechtswege verschuldigd. althans volgens verweerder, dit ongeacht de goede of kwade trouw van de overtreder.

Wat de toetsing aan de bepalingen van het EVRM en BUPO-verdrag betreft, haalt verweerder de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof aan, waaruit blijkt dat de fiscale administratieve boete vooral een repressief karakter heeft, zodat deze verdragsbepalingen wel degelijk van toepassing zijn.

Eén en ander zou concreet gerealiseerd zijn aan de hand van artikel 89 W.BTW en de Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.

Wat de motiveringsverplichting betreft, wordt verwezen naar de inhoud van het proces-verbaal en dwangbevel.

Nopens het vermoeden van onschuld, argumenteert verweerder dat artikel 6.1 EVRM niet van toepassing is op geschillen over rechten in belastingzaken, tenzij deze leiden of kunnen leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf.

In antwoord op de vermeende schending van het Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel merkt verweerder tot slot op dat de lidstaten, bij gebrek aan een doorgedreven harmonisatie op dit vlak vrij de sancties bepalen voor inbreuken op de Btw-wetgeving. De fraude tegen de EG-begroting zou niet anders worden gesanctioneerd dan deze die de rechten van de nationale Schatkist in gevaar brengt.

4.2.18. Artikel 84, derde lid W.BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, vergissing of onzorgvuldigheid.

De tabellen tot vermindering van deze boeten vastgelegd bij KB nr. 41 in uitvoering van artikel 84 W.BTW, zijn evenwel niet van toepassing wanneer de inbreuk begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

In het proces-verbaal van 30 november 2004 werd de toepassing van de verminderde geldboete, conform het KB nr. 41, uitdrukkelijk uitgesloten nu de overtredingen werden begaan door een accountantskantoor dat tegelijk als klant en als leverancier optreedt voor de in het PV vermelde facturen en creditnota's. Uit de aard van de overtredingen zou derhalve volgen dat zij werden begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken (d. stuk nr. 6 verweerder).

Uit de oprichtingsakte van de NV L. M. E. C. S. blijkt dat haar maatschappelijke activiteit bestond uit het verlenen van advies in juridische, financiële, handels, fiscale, sociale, beleggings- en managementsaangelegenheden (stuk nr. 3 verweerder).

Hoewel verweerder op ongelukkige wijze de activiteiten van de vennootschap heeft samengevat onder de noemer "accountantskantoor”, - een vlag die de lading niet dekt -. oordeelt de rechtbank dat men zich niet op deze terminologie blind mag staren. Uit het proces-verbaal blijkt immers duidelijk dat het optreden met kennis van zaken de determinerende factor was. De vennootschap was op de hoogte van haar wettelijke verplichtingen zodat de inbreuken hierop haar frauduleuze intenties verraden - dit is de essentie van de grondslag voor het uitsluiten van de toepassing van de verminderde boete. In het proces-verbaal komt verder naar voor dat de vennootschap enkel nalaat facturen te boeken waaruit een verschuldigde BTW blijkt, terwijl het tegenovergestelde geldt voor de stukken die een recht op aftrek of teruggave doen ontstaan, een gegeven waar duidelijk naar teruggegrepen werd waar de verbalisant verwees naar de dubbele hoedanigheid van de vennootschap, die tegelijk als klant en als leverancier optreedt.

De loutere vermelding van de niet-toepasselijke term "accountantskantoor" doet volgens de rechtbank dan ook geen afbreuk aan het pertinent karakter van de motivering, noch in feite, noch in rechte, Op basis van de in het proces-verbaal aangehaalde gegevens kon verweerder tevens besluiten tot het bestaan van de bedoeling om de belasting te ontduiken en diende de vermindering van de wettelijke boete te worden geweigerd op grond van artikel 1 van het KB nr. 41.

4.2.19. Teneinde na te gaan of de opgelegde boete een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag, dient toepassing te worden gemaakt van de vijf criteria, aangereikt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie (cf. Cass. (2e k.) AR. P.99.0517.N. 25 mei 1999 (Laroy), Arr. Cass. 1999, 719).

Bijgevolg dient de rechtbank te onderzoeken of de boete :

1. zonder onderscheid elke belastingplichtige betreft en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut;

2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar er essentieel toe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

4. stoelt op een norm met een algemeen karakter. waarvan het oogmerk tegelijk preventief en repressief is;

5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting bijgevolg als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd.

Na afweging van al deze elementen komt de rechtbank tot het besluit dat de administratieve sanctie van 200% inderdaad strafrechtelijk van aard is.

4.2.20. Eiser qq. kan evenwel niet worden gevolgd waar hij stelt dat het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden, nu de administratieve boete kan worden aangevochten bij een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht. De rechter aan wie een administratieve sanctie met strafkarakter wordt voorgelegd, moet zich immers buigen over de vraag of deze boete in rechte en in feite verantwoord is en of zij strookt met alle relevante wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Toetsing van dit laatste aspect vereist een onderzoek van de vraag of de straf zich evenwichtig verhoudt tot de inbreuk en of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een boete van dergelijke omvang. Deze evenredigheidstoets vereist van de rechtbank een onderzoek naar alle concrete omstandigheden van de zaak.

De rechter mag hierbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Ook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, maakt deel uit van de beoordeling. Niets van wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt. mag bijgevolg aan de controle van de rechtbank ontsnappen (Gw.H., 24 februari 1999, BS 30 april 1999; Cass. 24 januari 2002, F.J.F. nr. 2003/30).

Zo behoort het onder meer tot de bevoegdheid van de fiscale administratie om boeten kwijt te schelden of te verminderen (art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, Bull. Off. Nr. XXVI).

In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de rechter ook een toezicht met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de beslissing van de Minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de lastens de belastingschuldige uitgesproken geldboete (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, nr 2008/79).

Uit het dossier blijkt evenwel niet dat eiser qq. om dergelijke vermindering heeft gevraagd, laat staan dat hem deze geweigerd werd.

Wat de aard van de inbreuken zelf betreft, oordeelt de rechtbank dat de gegevens van het proces-verbaal een duidelijke gedragslijn verraden aan de zijde van de vennootschap, die facturen welke een schuld aan BTW doen ontstaan systematisch uit de boekhouding weert, om precies het tegenovergestelde te doen met de stukken die recht geven op een aftrek of teruggave. Deze selectie van facturen is zonder twijfel doelbewust en erop gericht haar belastingplicht te ontduiken, nu de vennootschap gezien haar maatschappelijke activiteit geacht moet worden te beschikken over een meer dan behoorlijk kennis inzake fiscaliteit. De vennootschap bediende zich bij dit alles bovendien op regelmatige basis van zogenaamde "bevriende" vennootschap, waaruit andermaal het georganiseerd karakter van haar werkwijze blijkt.

Het systematisch plegen van dergelijke fiscale fraude vormt een ernstige bedreiging voor het maatschappelijk en economisch evenwicht en dient bijgevolg op een passende wijze te worden bestraft. Het opleggen van een voldoende hoge boete kan de belastingplichtige tot andere inzichten brengen en aldus een herhaling in de toekomst beletten. Tegelijk moet men erover waken dat de belastingplichtige niet volledig de mogelijkheid wordt ontnomen zich te reïntegreren in de maatschappij.

De opgelegde geldboete van 200% bedraagt in dit concrete geval … EUR. Mede gelet op het aanzienlijke bedrag aan BTW dat aldus ten nadele van de maatschappij werd ontdoken (… EUR), acht de rechtbank de omvang van deze geldboete niet onevenredig met de inbreuk. Dergelijke boete kon bijgevolg in redelijkheid door de administratie worden opgelegd.

4.2.21. Waar eiser qq. de waarborg van de motiveringsplicht aanhaalt, kan mutatis mutandis worden verwezen naar bovenstaande overwegingen van de rechtbank bij het beoordelen van de vermeende schending van de Wet van 29 juli 1991.

4.2.22. Eiser qq. kan evenmin worden bijgetreden wanneer hij inroept dat het vermoeden van onschuld wordt geschonden, aangezien de administratie niet enkel bij het opleggen van de sanctie het bewijs van de inbreuk moet leveren maar ook in de navolgende procedure ten gronde voor de rechter.

Uit het arrest Bendenoun blijkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen bezwaar heeft tegen het feit dat de fiscus kan vervolgen en bestraffen zolang er voor de betrokkene maar een rechterlijke beroepsmogelijkheid open blijft, waarvan de eiser qq. door middel van de huidige vordering ook effectief gebruik heeft gemaakt (Hof Mensenrechten. 24 februari 1994, inzake van Bendenoun t/ France, Publ. Eur. Court. H.R.. Serie A, nr. 284, www.echr.coe.int; in dezelfde zin : Besl. Hof Mensenrechten (2e afd.) nr. 66273/01, 19 oktober 2004 (Falk/Nederland), www.echr.coe.int (4 januari 2005).

Hierin schuilt precies het verschil met het door eiser qq. aangehaald arrest van het Hof, waarin de eisende partijen zich erover beklaagden dat zij geen terechtzitting hadden gehad voor een onafhankelijke en onpartijdige rechtsinstantie en aldus niet in de mogelijkheid waren geweest hun rechten van verdediging uit te oefenen (Hof Mensenrechten nr. 19958/92, 29 augustus 1997 (A.P., M.P. En T.P. / Zwitserland). R.W. 1998-99 (weergave A. BORMS), 511).

4.2.23. Wat tot slot de vermeende schending van het Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel betreft, stelt de rechtbank vast dat eiser qq. in wezen teruggrijpt naar dezelfde principes als deze waarop de vermeende schending van het EVRM steunt.

Bij de beoordeling hiervan heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de opgelegde boete in evenwicht is met de ernst en omvang van de begane inbreuk. Deze boete kan om dezelfde redenen evenmin geacht worden een belemmering in te houden voor het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal.

Ten onrechte legt eiser qq. de focus volledig op de omvang van de boete, - welke inderdaad hoog is - daarbij volledig voorbijgaand aan het feit dat door de begane inbreuken in totaal maar liefst … EUR aan BTW werd ontdoken. Ten aanzien van dergelijke georganiseerde praktijken moet de boete voldoende zwaarwichtig zijn, wil zij een ontmoedigend karakter hebben.

Dit verweermiddel kan bijgevolg evenmin gegrond worden verklaard.

- Voor wat betreft de kosten van het geding

4.2.24 Eiser qq. dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van het bestreden dwangbevel en de vordering van eiser qq. tot de nietigverklaring hiervan, in de schijf van … tot … EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg … EUR

Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiser qq. ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser qq. tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

-aan de zijde van verweerder : de basisrechtsplegingsvergoeding : … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op acht november tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :

- mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. D. C.

Textes cités

3
AR no 1 art. 53 occurrences
AR no 41 art. 12 occurrences
AR no 4 art. 41 occurrence

Décisions similaires

8