Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 21.12.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent - 5be kamer - terechtzitting van 21-12-2010
Nr. 2009/AR/2129
in de zaak van :
A. V. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
hebbende als raadsman mr. D. M. L., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen·- Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het 4de BTW-controlekantoor te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 1.4.1998 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Voor deze rechter vorderde de appellante dat de geïntimeerde zou horen zeggen voor recht dat hij gehouden is aan de appellante terug te betalen de som van … BEF (… EUR) hoofdens ten onrechte geïnde en gevorderde belasting over de toegevoegde waarde, intresten en boetes, meer de wettelijke fiscaalrechtelijke intresten.
Het vermeld bedrag van … BEF (… EUR) was door de appellante op 8.4.1993 aan de geïntimeerde betaald onder voorbehoud, en was samengesteld uit … BEF (… EUR) aan BTW + … BEF (… EUR) aan geldboete en … BEF (… EUR) intresten (berekend tot 20.4.1993).
Het bedrag van … BEF (… EUR) is BTW op het oprichten van een gebouw door de appellante en die de appellante voor 100 % in aftrek bracht als beroepsmatig, omdat zij in het gebouw een apotheek uitbaatte. De geïntimeerde betwistte dit standpunt en was van oordeel dat de aftrek slechts mocht gebeuren ten belope van 41 %, nl. het deel van het gebouw dat volgens de geïntimeerde voor beroepsdoeleinden werd aangewend met uitsluiting van het overige deel dat volgens de geïntimeerde voor privédoeleinden werd gebruikt (59 %). De facturen met betrekking tot de oprichting van het gebouw dateren van de jaren 1988-1989 (zie het proces-verbaal d.d. 19.3.1993, stuk 1 van de geïntimeerde).
Bij vonnis van 27.3.2000 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 24.11.2000 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet te doen en :
• in hoofdorde : de oorspronkelijke vordering van de appellante als uitgedrukt in haar dagvaarding d.d. 1.4.1998 ontvankelijk en gegrond te verklaren en de gevorderde teruggave van de som van … BEF (… EUR) te horen bevelen, meer de krachtens de wet verschuldigde intresten;
• in subsidiaire orde : de herberekening te horen bevelen van de vordering van de BTW-administratie, rekening houdend met wat in de conclusie van de appellante wordt uiteengezet en dienvolgens overeenkomstige teruggave te horen bevelen van de teveel betaalde BTW, intresten en boete, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde intresten.
De geïntimeerde van zijn kant vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
2. Los van de vraag of het door de appellante opgerichte onroerend goed al dan niet volledig(stelling van de appellante) dan wel gedeeltelijk (41 %, stelling van de geïntimeerde) wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden, moet worden vastgesteld dat het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer HvJ, d.d. 23.4.2009, C-460/07, inzake van S. P. tegen Unabhängiger Finanzsenat, AuBenstelle Linz, cijfers 39-40 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, vindplaats http://curia.europa.eu ) is dat :
• wanneer een investeringsgoed zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden wordt gebruikt, de belanghebbende voor de BTW de keuze heeft om dit goed hetzij volledig tot zijn bedrijfsvermogen te bestemmen, hetzij het geheel in zijn privévermogen te behouden waardoor het dus volledig buiten het BTW-stelsel wordt gehouden, hetzij het slechts voor het gedeelte waarvoor het daadwerkelijk voor zijn bedrijfsactiviteit wordt gebruikt, tot zijn bedrijf te bestemmen;
• indien de belastingplichtige ervoor kiest, investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden worden gebruikt, te behandelen als goederen van de onderneming, de bij de verkrijging van deze goederen verschuldigde voorbelasting in beginsel voor volledige en onmiddellijke aftrek in aanmerking komt.
Aangezien de appellante een rechtspersoon is en derhalve geen privévermogen heeft, moet te dezen aangenomen worden dat het onroerend goed waarover het geschil loopt uitsluitend behoort tot het bedrijfsvermogen van de appellante.
Het was de appellante derhalve mogelijk om de BTW volledig in aftrek te brengen, zoals zij heeft gedaan, en dit zelfs indien zij een deel van het opgerichte gebouw voor privédoeleinden bestemde of gebruikte.
Voor deze volledige aftrek van de BTW met betrekking tot facturen van de jaren 1988 en 1989 zijn zonder invloed zowel de veel latere wijziging van artikel 19, § 1 BTW-wetboek doorgevoerd met artikel 41 van de Programmawet van 27.12.2006, als het veel later ingevoegde artikel 168bis van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (invoeging bij artikel 1.12 van Richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van enkele bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde; wat onder meer de nieuwe bepaling van artikel 168bis betreft voorziet de Richtlijn 2009/162/EU in zijn artikel 2 dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen doen in werking treden om met ingang van 1 januari 2011 aan deze richtlijn te voldoen).
Gelet op hetgeen voorafgaat dient voor de toepassing van het huidig BTWgeschil niet nader te worden onderzocht in welke mate het in betwisting zijnde onroerend goed al dan niet deels voor andere dan beroepsdoeleinden wordt aangewend.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk verklaarde, en opnieuw wijzende,
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante gegrond;
Beveelt de teruggave door de geïntimeerde aan de appellante van de som van … EUR, meer de krachtens de wet verschuldigde interesten;
Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :
• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding en rolstelling + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN.
Aanwezig de Heren :
G. T., Raadsheer, wn. Voorzitter, alleenrechtsprekend
M. V., griffier.
M. V. G. T.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.