Cession d’une universalité de biens, Révision de la TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 4 février 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Cession d’une universalité de biens, Révision de la TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cession-universalite-biens-revision-tva-tribunal-gand-2021-02-04-5ab3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
4 février 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

93 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 04.02.2021

WF 709-15-19/022324

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Cession d’une universalité de biens – Révision de la TVA – location immobilière exemptée

Dispositions légales

Articles 11 et 44, §3, 2°, du Code de la TVA

Résumé

1. Les faits et les antécédents de procédure

Depuis le 1er mars 2010, l’assujettie est identifiée à la TVA pour l’exercice de l’activité d’huissier de justice. En 2012, un immeuble à usage mixte a été acheté et la TVA grevant les espaces de bureaux à usage professionnel a été déduite.

Le 20 décembre 2016, l'assujettie a vendu le fonds de commerce à une étude d'huissier de justice en application de l'article 11 du Code de la TVA sans céder l'immeuble dans lequel l’exercice de ce fonds de commerce était exercé. Ce bâtiment a été loué au cessionnaire en tant qu’espace de bureaux à partir du 1er janvier 2017, le bail immobilier étant exempté de TVA en application de l'article 44, § 3, 2,° du Code de la TVA.

Suite à un contrôle de la TVA concernant les opérations réalisées par l’assujettie durant la période courant du 1er juillet 2015 au 30 juin 2017, un procès-verbal a été dressé le 8 août 2018. L’assujettie demande au tribunal d'annuler le procès-verbal et la contrainte y afférente.

2. Le jugement

A juste titre les parties ne contestent pas que l'article 11 du Code de la TVA est applicable à la cession du fonds de commerce. Il s'agissait en effet d’une cession d’une universalité de biens à titre onéreux et le cessionnaire étant une assujettie aurait pu déduire la totalité ou une partie de la TVA si elle avait été exigible à la suite de la cession. La question se pose de savoir si la révision de la TVA est justifiée en ce qui concerne le bâtiment susmentionné puisque le cessionnaire peut continuer à utiliser ce bien immobilier en vertu d'un bail commercial.

Le fait que le bail commercial supplémentaire ait permis de poursuivre l'exercice de l’activité dans les mêmes locaux n'a pas modifié l'utilisation physique du bâtiment mais il a modifié la manière dont l'assujettie utilisait le bâtiment. Avant la cession du fonds de commerce, l’assujettie utilisait l'immeuble pour son activité soumise à la TVA et par après l'immeuble a été utilisé dans le cadre d’une location immobilière exemptée de TVA. C'est à juste titre que l'administration évoque un changement d'affectation de l'immeuble dans le chef de l’assujettie.

La Cour de cassation a jugé, dans un sens qui est approuvé par ce tribunal, qu'il ne résulte pas des dispositions légales que la fiction juridique selon laquelle le cessionnaire est censé continuer la personne du cédant s'étende à des biens qui ne sont pas repris dans l'universalité des biens ou dans la branche d’activité ainsi cédées (Cass., 24 novembre 2017, C.14.0578.F).

Le tribunal ne voit aucune connexité entre la cession du fonds de commerce et le bail commercial. Il ne ressort pas du dossier que, compte tenu de la nature de l'activité exercée, il existait une nécessité absolue de poursuivre l'exercice de l’activité dans les espaces de bureaux de ce bâtiment. Après la cession du fonds de commerce, l’assujettie a loué les espaces de bureaux à un cabinet d'huissier de justice à la demande de ce dernier mais elle aurait également pu louer ces espaces de bureaux à un tiers. La révision appliquée par l'administration était justifiée.

Remarque

Le jugement est coulé en force de chose jugée

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

Vonnis (EVT) van 4 februari 2021

In de zaak 19/2200/A

A.B.C. BVBA, met zetel te ..., KBO 0458....72, EISERES, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, KBO 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur - Generaal Centrumdirecteur van het Centrum KMO Aalst - Expertise 1, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. A. Sierensstraat 16 Bus 1, VERWEERDER, voor wie optreden de heer X en de heer Y, beiden attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt:

1. RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 10 december 2020 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken In.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

Eiseres vordert:

"[Haar] vordering[... ] ontvankelijk en Integraal gegrond te verklaren.

[Haar] bezwaarschrift [... ] ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren.

Voor recht te zeggen dat het bestreden dwangbevel d.d. 12 november 2018, gekend onder het artikel nr. 500/1998/62971, en het proces­ verbaal van 8 augustus 2018 nietig is en dat de in het dwangbevel en het proces-verbaal gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, zowel wat de btw betreft als wat de boeten, interesten en kosten betreft.

In ondergeschikte orde de opgelegde proportionele boete van 10% substantieel te verminderen, minstens uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde boete ten bedrage van 8.160 EUR toe te staan.

De Belgische Staat te veroordelen om [haar] alle uit hoofde van het bestreden dwangbevel en het bestreden proces-verbaal, betaalde, ingehouden of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, hier begroot op het geïndexeerd basisbedrag van 3.600,00 EUR, voor een in geld waardeerbare vorderingen de bijdrage van 20,00 EUR voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand. 11

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard in al haar onderdelen, met veroordeling van eiseres tot de gedingkosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

3. BEOORDELING

3.1 Omtrent de herziening van de btw-aftrek op bedrijfsmiddelen

3.1.1.

Eiseres is sinds 1 maart 2010 geregistreerd als belastingplichtige voor de activiteit van gerechtsdeurwaarder onder het btw-nummer BE0458...72.

Zij kocht in 2012 een gebouw voor gemengd gebruik aan, gelegen te Aalst, ... , met betaling van de btw. De btw met betrekking tot de kantoorruimte werd afgetrokken. Eiseres gebruikte de kantoorruimte van 2012 tot 2016 in de kader van de uitoefening van haar economische activiteit.

Op 20 december 2016 sloot eiseres twee overeenkomsten af met cvba G.K. bv:

- een overeenkomst tot overdracht van handelszaak; krachtens deze overeenkomst verkocht eiseres haar handelszaak, met inbegrip van enige en alle rechten, voordelen, eigendomstitels en belangen in en met betrekking tot deze handelszaak, doch met uitsluiting van (onder meer) het voornoemde onroerend goed; aan de overdracht was, in het voordeel van de koper, een opschortende voorwaarde verbonden op grond waarvan de verkoper zich ertoe verbond een huurovereenkomst af te sluiten met de koper met betrekking tot en voor de exploitatie van de handelszaak in de het voornoemde onroerend goed;

- een handelshuurovereenkomst, op grond waarvan de kantoorruimte met aanhorigheden te Aalst, ... voor een termijn van 9 jaren verhuurd werd met het oog op en voor de exploitatie van een gerechtsdeurwaarderskantoor.

Eiseres verkocht aldus haar handelszaak met toepassing van artikel 11 WBTW aan cvba G.K. bv zonder dat het gebouw waarin deze handelszaak werd uitgebaat werd overgedragen. Dit gebouw werd wel als kantoorruimte verhuurd aan de koper vanaf 1 januari 2017 tot 31 december 2025, waarbij de onroerende verhuur op grond van artikel 44, §3, 2°, WBTW vrijgesteld is van btw.

3.1.2.

Het betwiste proces-verbaal van 8 augustus 2018 en dwangbevel met artikelnummer 500/1998/62917 volgden op een btw-controle betreffende de handelingen uitgevoerd door eiseres in de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2017. Gemeld werd dat het recht op aftrek van de btw met betrekking tot de kantoorruimte van het onroerend goed gelegen te Aalst, ... werd herzien wegens de bestemmingswijziging ervan. De afschrijvingstabellen betreffende het onroerend goed werden gebruikt als maatstaf van heffing van de investering, wat resulteerde in een herziening van 80.497,00 EUR.

3.1.3.

Krachtens artikel 9 Btw-wetboek wordt voor de toepassing van dat wetboek onder goederen verstaan de lichamelijke goederen, met inbegrip van de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken.

Artikel 10, § 1, in de versie die van toepassing is op het geschil, bepaalt in het eerste lid dat als een levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijk goed te beschikken en, in het tweede lid, dat hier onder meer wordt bedoeld de terbeschikkingstelling van een goed aan de verkrijger of de overnemer ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing.

Luidens artikel 11 Btw-wetboek wordt niet als levering beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht verschuldigd zou zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken en wordt, in dat geval, de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

3.1.4.

Partijen betwisten terecht niet de toepassing van artikel 11 WBTW met betrekking tot de overdracht van de handelszaak van eiseres (met uitsluiting van het kwestieuze onroerend goed) op 20 december 2016. Het betrof immers de overdracht van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, waarbij de overnemer een belastingplichtige was die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht verschuldigd zou zijn, geheel of gedeeltelijke zou kunnen aftrekken. Cvba G.K. bv werd met betrekking tot (de overdracht van) de handelszaak geacht de persoon van eiseres voort te zetten.

De vraag rijst of de herziening van de btw gerechtvaardigd is voor de investering met betrekking tot het voornoemde onroerend goed, nu de overnemer door middel van een handelshuur het onroerend goed waarin eiseres haar activiteit voordien exploiteerde, verder kan gebruiken.

Het Hof van Cassatie oordeelde, op een wijze die deze rechtbank onderschrijft, dat uit de bovenstaande wetsbepalingen niet volgt dat de wettelijke fictie van de voortzetting, door de overnemer, van de persoon van de overdrager zich uitstrekt tot goederen die niet begrepen zijn in de algemeenheid van goederen of in de aldus overgedragen bedrijfsafdeling (Cass. 24 november 2017, C.14.0578.F).

Dat de bijkomende handelshuur tot gevolg had dat de exploitatie in hetzelfde pand voortgezet kon worden, heeft weliswaar het fysieke gebruik van het pand niet gewijzigd, maar wel de wijze waarop eiseres het bestemt. Voorafgaand aan de overdracht van haar handelszaak bestemde eiseres het gebouw voor haar btw-plichtige activiteit, nadien bestemde eiseres het gebouw voor een van btw vrijgestelde onroerende verhuur. Terecht maakt verweerder gewag van een bestemmingswijziging van het pand in hoofde van eiseres.

Enige verknochtheid tussen de overdracht van handelszaak en de handelshuur ziet de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt niet dat er, gelet op de aard van de uitgevoerde activiteit, een absolute noodzaak bestond om de handelszaak verder te exploiteren in de kantoorruimte van het pand te Aalst, ... en/of dat locatie en exploitatie van de handelszaak onverbrekelijk met elkaar verankerd waren.

Weliswaar cvba G.K. bv van de mogelijkheid om het pand te huren een opschortende voorwaarde om de handelszaak over te nemen. Echter, dat dit meer dan een verzoek van de cvba uit economische overwegingen was, erop gericht het cliënteel van eiseres zoveel als mogelijk te consolideren, blijkt niet.

Eiseres verhuurde na de overdracht van de handelszaak de kantoorruimte aan cvba G.K. bv op het verzoek van die laatste, maar had deze ruimten ook aan een derde kunnen verhuren. In ieder geval gebruikte eiseres de gebouwen voortaan niet langer voor de exploitatie van een gerechtsdeurwaarderskantoor, maar voor een op basis van artikel 44, §3, 2° WBTW vrijgestelde activiteit.

De door verweerder toegepaste herziening was terecht.

3.2 Omtrent het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel

3.2.1.

Voor het gebruik van de tuin en de motorfiets voor privédoeleinden door de zaakvoerder werden voor de aanslagjaren 2015 en 2016 telkens 1.750,00 EUR geboekt op het debet van de rekening-courant van de zaakvoerder. Eiseres nam de over deze dienstprestatie verschuldigde btw niet op in haar periodieke btw-aangiften, noch voldeed eiseres de verschuldigde btw aan de Schatkist.

Eiseres beroept zich op een schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel met verwijzing naar akkoordverklaringen afgesloten met betrekking tot de aanslagjaren 2013 en 2014 aangaande dezelfde boekingen. Door voor deze aanslagjaren geen enkele opmerking geformuleerd te hebben omtrent de boekingen op de rekening-courant van de zaakvoerder, werd volgens eiseres het rechtmatig vertrouwen gewekt dat verweerder akkoord ging met haar werkwijze.

Verweerder bevestigt het bestaan van akkoordverklaringen inzake vennootschapsbelasting en btw, zodat de rechtbank het bestaan ervan aanneemt. De kwestieuze akkoordverklaringen liggen evenwel niet voor, zodat de rechtbank de precieze draagwijdte ervan niet kent.

3.2.2.

Ingevolge het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel moet de burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan (vgl. o.m. R.v.St. EECKHOUT, nr. 32893 van 28 juni 1989). Het moet gaan om gerechtvaardigde verwachtingen die bij de burger zijn opgewekt als wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich kan beroepen op het legaliteitsbeginsel. Het aanrekenen van de btw op de door eiseres aan haar zaakvoerder gefactureerde voordelen alle aard is in overeenstemming met de wet. Bijgevolg kan eiseres bezwaarlijk inroepen dat het ten onrechte niet invorderen van de btw op de gefactureerde voordelen (wat daarvan ook de oorzaak geweest moge zijn), in haren hoofde een rechtmatig vertrouwen heeft doen ontstaan.

Ook deze grief van eiseres is niet gegrond.

3.3 Omtrent de proportionele geldboete van 10%

3.3.1.

Eiseres beroept zich op de evenredigheidstoets om .te verzoeken dat· de proportionele geldboete van 8.160,00 E UR (10%) wordt herleid tot nihil, minstens gevoelig verminderd. Zij brengt evenwel geen concrete elementen bij om de evenredigheid aan af te toetsen; haar argumentatie is louter in abstracto.

3.3.2.

De opgelegde boete is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechter aan wie gevraagd wordt een dergelijke sanctie te toetsen, mag de wettelijkheid ervan onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De. rechter mag daarbij meer bepaald acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds oplegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld,

· maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht betekent niet dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De gebondenheid van het bestuur aan de sanctie belet nochtans niet dat het bestuur afwijkt van de door of krachtens vastgelegde boetetarieven; de rechter moet precies nagaan of er gronden waren om van die boetetarieven af te wijken en moet die gronden vermelden (vgl. Cass. 16 februari 2007, www.cass.be).

De essentie is dat de rechtbank de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

3.3.3.

De rechtbank stelt vast dat de proportionele geldboete op rechtsgeldige wijze werd opgelegd. De administratieve geldboetes hebben tot doel om belastingplichtigen ertoe aan te zetten de btw-wetgeving stipt na te leven teneinde de rechten van de Schatkist veilig te stellen. De wetgeving is voor iedereen dezelfde.

Eiseres reikt geen concrete elementen aan die moeten of kunnen doen besluiten dat de opgelegde boete niet _evenredig zou zijn met de door eiseres begane inbreuken in het licht van het doel van een administratieve boete.

De rechtbank ziet geen reden om de opgelegde geldboete kwijt te schelden of te verminderen, noch om ter zake enig uitstel van betaling-te overwegen. De vordering van eiseres wordt afgewezen als ongegrond.

4. GERECHTSKOSTEN

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen. De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd door een advocaat en maakt daarom geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond;

Stelt vast dat er geen kosten van het geding in deze aanleg te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 4 februari tweeduizend eenentwintig, waar aanwezig waren ...

Ondertekeningen

Textes cités

3
CTVA art. 117 occurrences
CTVA art. 444 occurrences
CTVA art. 91 occurrence

Décisions similaires

8