Assujettissement, droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 20 janvier 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujettissement, droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-droit-deduction-impot-cour-appel-bruxelles-2010-01-20-bf5c

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
20 janvier 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

75 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 20.01.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Openbare terechtzitting van 20/01/2010

Nr. van de zaak : 2006/AR/1322

IN ZAKE VAN :

De heer K. C., landbouwer, wonende te …, …,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester S. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, doch woonst kiezend ten kantore van de Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, BTW-ontvangkantoor Tienen, met burelen te 3300 Tienen, Goossensvest 3,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester L. V. H., advocaat te …, …,


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R 2010/524 EINDARREST - gegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :

- het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 7 april 2006 (A.R. nr. 04/442/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 9 mei 2006.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellant ontvankelijk, doch ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe :

- voor recht te zeggen dat geïntimeerde in de periode 1999, 2000 en 2001 ten onrechte tot verwerping van de BTW-uitgaven hoofdens hem overging,

- de terugbetaling te bevelen van het bedrag van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten.

I. De feiten

Appellant was voor de activiteit van paardenfokker en landbouwer geregistreerd als BTW-plichtige sedert 1 januari 1992.

Op 7 oktober 2002 vond bij hem een BTW-controle plaats betreffende jaren 1999, 2000 en 2001 en naar aanleiding van controle werd de aftrek van de BTW op kosten betreffende paarden en andere dieren verworpen. Er werd een correctieopgave opgemaakt waarin de teveel afgetrokken BTW ten bedrage van … EUR een boete van … EUR en de interesten werden gevorderd.

Het invorderingsorder werd onder het regime van opschorting ingeschreven in afwachting van de uitspraak van het hof van beroep te Brussel inzake een betwisting aangaande het BTW-aspect van de activiteit van het fokken van paarden in de periode 1992 tot 1996.

Op 14 maart 2003 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat appellant professioneel een paardenfokkerij had opgestart binnen het kader van zijn landbouwbedrijf, zodat hij overeenkomstig art 45, § 1 W.BTW de door hem betaalde voorbelasting mocht aftrekken.

Hoewel de administratie in dit arrest met betrekking tot de periode 1992 tot 1996 berustte, liet zij bij schrijven van 25 november 2003 weten dat de gevorderde sommen in het kader van de controle betreffende de periode 1999 tot 2001 opeisbaar waren.

Op 19 februari 2004 ging appellant over tot dagvaarding van geïntimeerde.

Bij het bestreden vonnis van 7 april 2006 wees de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van appellant af.

II. Discussie

a) Wat de hoedanigheid van belastingplichtige van appellant betreft

Appellant is van oordeel dat geïntimeerde ten onrechte stelt dat hij niet beantwoordt aan de voorwaarden van art. 4, § 1 W.BTW, meer bepaald dat hij geen belastingplichtige zou zijn die geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend leveringen van goederen of diensten verricht die onder het W.BTW, zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

Art. 5 W.BTW voegt een voorwaarde toe aan voornoemd art. 4, in die zin dat het niet alleen moet gaan om het geregeld en zelfstandig leveren van goederen of het verrichten van diensten, maar dat deze leveringen en diensten voortaan moeten gebeuren in de uitoefening van de economische activiteit.

Appellant meent dat hij voor de jaren 1999, 2000 en 2001 aan alle voormelde voorwaarden voldeed, nu hij op een professionele wijze een organisatorisch geheel tot stand heeft gebracht dat erop gericht was om op geregelde en zelfstandige basis paarden te fokken en deze te verkopert Dit blijkt naar zijn oordeel uit de volgende objectieve gegevens :

- het deelnemen aan wedstrijden;

- de verkoop van paarden;

- de accommodatie waarover hij beschikt


1. Doorslaggevend in dit geval is het antwoord op de vraag of appellant gedurende de kwestieuze periode (de jaren 1999, 2000 en 2001) al dan niet een economische activiteit heeft uitgeoefend in de zin van voormeld art 4 W.BTW.

2. Nu het W.BTW geen definitie geeft van de notie “economische activiteit", dient te worden teruggegrepen naar de Zesde BTW-Richtlijn, waarop art. 4 W.BTW overigens is gebaseerd. In zijn tweede lid preciseert art. 4 van de Zesde BTW-Richtlijn dat economische activiteiten alle werkzaamheden omvatten van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen.

In het tweede lid van voormeld art. 4 van de Zesde BTW-Richtlijn wordt vermeld dat als economische activiteit onder andere wordt beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzame opbrengst uit te verkrijgen. Het komt aan de nationale rechter toe om terzake een oordeel te vellen op grond van een geheel van feitelijke gegevens. Wel heeft het Hof van Justitie in een aantal arresten (waaronder het arrest EnkIer – H.v.J. 26 september 1996, R. EnkIer v. Finanzamt Hamburg, C-230/94,F.J.F. 1999, N° 99/35) op enkele elementen gewezen, die de nationale rechter behulpzaam kunnen zijn in zijn beoordeling: de vergelijking tussen de voorwaarden waarin de betrokkene het goed exploiteert enerzijds en de voorwaarden waarin het goed gebruikelijk economisch wordt geëxploiteerd anderzijds, de effectieve exploitatieduur, de omvang van het cliënteel en het bedrag van de ontvangsten.

Derhalve vormt de opbrengst of winst uit de exploitatie slechts één element tussen andere om uit te maken of de werkzaamheid van de betrokkene al dan niet een economische activiteit uitmaakt in de zin van art. 4 W.BTW. Het is dan ook ten onrechte dat geïntimeerde de discussie terzake schijnt te verengen tot het al dan niet behalen van een opbrengst of winst uit de werkzaamheid in kwestie.

3. Terecht stelt appellante dat hij de nodige bewijsstukken voorlegt van het feit dat hij een organisatorisch geheel tot stand heeft gebracht met het oog op het uitoefenen van de werkzaamheid van fokker van paarden. Appellant toont dit aan aan de hand van de volgende elementen :

- het deelnemen aan wedstrijden;

- de verkoop van paarden;

- de accommodatie waarover hij beschikt.

4. Wat het deelnemen aan wedstrijden betreft, heeft het Hof van Cassatie beslist dat deze activiteit, evenals het ontvangen van prijzengelden, ongeacht de ontvangen bedragen, een onderdeel uitmaakt van de economische activiteit van een paardenhandel of paardenfokkerij (zie : Cass. 13 oktober 2000, F.J.F. 2000, N° 2000/296). Het argument van geïntimeerde volgens hetwelk het deelnemen aan wedstrijden op zich geen aan BTW onderworpen activiteit is, is bijgevolg niet pertinent

5. Wat de verkoop van paarden betreft, houdt appellant terecht voor dat deze verkoop niet los mag worden gezien van de andere werkzaamheden in het kader van een activiteit van paardenhandel en -fokkerij, met name de aankoop, het fokken, het trainen en op leiden van paarden.

Met reden stelt appellant dat de zienswijze van de eerste rechter erop dat alle voorbereidende activiteiten (met name de aankoop, het fokken, het trainen en opleiden van paarden en de deelname aan wedstrijden) als hobby te bestempelen zijn en dat enkel het uiteindelijke resultaat van alle inspanningen en investeringen (met name de verkoop) als een bedrijfsmatige activiteit kan gelden. Deze zienswijze is niet verenigbaar met de rechtspraak van dit hof in zijn arrest van i5 september 2003 volgens dewelke appellant tijdens de opstartperiode (vanaf 1992) van zijn bedrijf dit bedrijf op professionele wijze heeft uitgebouwd.

Het hof kan niet voorbijgaan aan het feit dat de stelling van appellant werd gevolgd door de administratie der directe belastingen, die diens bezwaar inzake de aanslagjaren 1997 en 1998 heeft ingewilligd.

6. Een laatste feitelijk gegeven is de accommodatie waarover appellant beschikt. Zo beschikt appellant over 5 hectare weiland in gebruik voor gras- en hooiwinning, 4,9 hectare akkerland in gebruik voor het telen van granen die deels als paardenvoer worden gebruikt, een gans arsenaal aan landbouwmachines. Verder werden de weide-afsluitingen volledig vernieuwd en voorzien van speciale elektrische afrasterdraad geschikt voor paarden. Er waren 8 paardenboxen (thans 12) beschikbaar, evenals een hangar voor het stockeren van hooi en stro, alsook een paddock waarin de paarden worden getraind. Ten slatte is er een camion, een jeep en een van beschikbaar voor het transport van de paarden.

7. Tot slot kan het hof niet voorbijgaan aan het feit dat appellant door het ministerie van Landbouw een producentnummer toegekend kreeg (meer bepaald het nummer …) en dat hij geregistreerd is bij de mestbank onder het nummer ….

Verder is hij ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer …. Welnu, overeenkomstig art. 33, § 2 van de Wet van 16 januari 2003 onder meer tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen vormt de inschrijving in deze Kruispuntbank een vermoeden van de hoedanigheid van koopman of handelsman, behoudens bewijs van het tegendeel. Naar het oordeel van het hof blijft geïntimeerde terzake in gebreke het tegendeel aan te tonen.

8. Het hof komt aldus tot het besluit dat appellant effectief een economische activiteit van paardenhandel en paardenfokkerij uitoefent en bijgevolg recht heeft op aftrek van de voorbelasting die met deze economische activiteit verband houdt.

Derhalve dient het hoger beroep van appellant te worden ingewilligd, zonder dat het nodig is om zijn andere middelen te onderzoeken.

b) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2009 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van … EUR te begroten.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET·HOF, rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het beroep van appellant ontvankelijk en gegrond;

Doet bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende,

Zegt voor recht dat geïntimeerde voor de jaren 1999, 2000 en 2001 ten onrechte tot verwerping van alle BTW-uitgaven hoofdens appellant is overgegaan;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling aan appellant van bedrag van … EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen. begroot in hoger beroep op … EUR voor appellanten op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de toegevoegde kamer 6SN van het hof van beroep te Brussel, op 20 januari 2019.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

J. V., raadsheer dd voorzitter,

R. T., plaatsvervangend raadsheer,

L. D., plaatsvervangend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. L. D. R. T. J. V.

Textes cités

2

Décisions similaires

8