Assujettissement, champ d'application, importation · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 15 septembre 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujettissement, champ d'application, importationTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-champ-application-importation-cour-appel-anvers-2005-09-15-24cf

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
15 septembre 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

59 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 15.09.2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Zitting van 15 september 2005

Eindarrest

Inzake : 2003/AR/3315

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de REKENPLICHTIGE VAN HET ONTVANGKANTOOR VAN TURNHOUT, wiens kantoor gevestigd is te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22;

appellant,

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 3 november 2003

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

P. D. B., wonende te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. B. D. W. loco Mr. M. G., advocaat te …, …;

Doel en grondslag van de vordering werden uiteen gezet in het tussenvonnis van 7 april 2003 en in het bestreden vonnis van 3 november 2003.

Het hof verwijst ernaar.

De eerste rechter heeft het verzet van geïntimeerde tegen de aanslag in de BTW, geheven op de aankoop van een pleziervaartuig, gegrond verklaard.

De eis van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos "handelen" werd ongegrond verklaard.

Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 31 december 2003.

Hij meent dat het verzet ongegrond is.

Geïntimeerde heeft incidenteel beroep aangetekend.

Hij handhaaft zijn eis wegens tergend en roekeloos handelen en vordert een vergoeding van … EUR.


Er bestaat geen betwisting (meer) over het feit dat het vaartuig in kwestie als een nieuw vervoermiddel moet worden aangezien in de zin van en overeenkomstig art. 8bis, § 1 en art. 8bis, § 2 BTW­Wetboek.

Appellant meent dat de aankoop als intracommunautaire verwerving belastbaar is in België om reden dat geïntimeerde ten tijde van de aankoop woonde (en nog steeds woont) in België.

Hij steunt daarbij op art. 25, § 5 BTW-Wetboek.

Zoals volgt uit de aanhef van genoemde wetsbepaling geldt het vermoeden van verwerving in België overeenkomstig art. 25, § 5 BTW-Wetboek tot bewijs van het tegendeel.

Volgende feitelijke gegevens blijken uit het PV dat ten grondslag ligt aan de aanslag en uit de toelichtingen van partijen.

De boot werd gemaakt of ingevoerd door een bedrijf in ….

Dit bedrijf verkocht de boot aan een Luxemburgs bedrijf, SARL L. B. I., die de boot (dezelfde dag) verkocht aan geïntimeerde.

Op de verkoop werd volgens de factuur (als bijlage gehecht aan het PV) 15 % BTW geheven en betaald.

Geïntimeerde heeft de boot in Luxemburg (…) in ontvangst genomen en vervolgens overgevaren naar de uiteindelijke ligplaats in Nederland (…).

De betwiste aanslag is niet gevestigd op de bewering dat geïntimeerde de boot rechtstreeks van de Belgische maker/invoerder heeft aangekocht.

In conclusies maakt appellant weliswaar bemerkingen bij de gang van zaken maar de aanslag is gebaseerd op een beweerde intracommunautaire verwerving.

Aldus schijnt appellant te aanvaarden dat de boot gekocht werd in Luxemburg.

De boot is na de litigieuze aankoop door geïntimeerde op geen enkel ogenblik in België gepasseerd. De reisweg van de boot tussen Luxemburg en Nederland is in bijlage nr. 3 van het PV beschreven (Moezel - Rijn verbinding).

Het is aangetoond dat de normale ligplaats van de boot een Nederlandse haven is (…). Geïntimeerde heeft de onduidelijkheid die daarover kon bestaan doordat hij voordien in dezelfde haven een ligplaats huurde voor een andere boot verhelderd.

Geheel in overeenstemming met de feitelijke gegevens heeft de ambtenaar in het PV de verwerving in Nederland gesitueerd : "... de verwerving verricht van een nieuw vervoermiddel in een andere lidstaat, namelijk Nederland, volgens de gegevens van bijlagen 3a, welke de ligplaats van het pleziervaartuig vaststelt in Nederland".

In die omstandigheden heeft geïntimeerde bewezen dat de verwerving gebeurde in een andere Lidstaat (waarbij het hof zich niet verder moet uitspreken over de vraag of de verwerving in Luxemburg dan wel in Nederland gebeurde en in welke van deze Lidstaten de BTW verschuldigd is noch over de vraag of het toegepaste tarief van 15 % terecht was, uitgaande van een verkeerde lengte van de boot vermeld op de factuur).

Uit de voorgaande gegevens vloeit immers voort dat de BTW niet in België verschuldigd is zodat de eerste rechter terecht het verzet gegrond heeft verklaard.

De regels in verband met de verkoop op afstand vinden te dezen geen toepassing.

De fiscus staat in voor het vestigen van de aanslagen op verwervingen waarop volgens hem belasting verschuldigd is in België.

De betwisting over de belastbaarheid van de verwerving kan geen aanleiding geven tot een vordering wegens tergend en roekeloos proces.

Voor het overige is niet aangetoond dat de aanslag kennelijk lichtzinnig gevestigd werd en als foutief moet aangezien worden.

De vordering wegens "tergend en roekeloos geding" werd dan ook terecht ongegrond verklaard en het incidenteel beroep is ongegrond.

Dispositif

OM DIE REDENEN

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ongegrond;

Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJFTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

de heer E. L., Raadsheer

de heer J. E., Raadsheer

mevrouw C. V., Griffier.

C. V. J. E. E. L. E. H.

Textes cités

2
CTVA art. 252 occurrences
CTVA art. 8bis1 occurrence

Décisions similaires

8