Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt du cour d’appel d'Anvers du 13.11.2025
WF 501-15-22/028910
[ Arrêt favorable ]
Article 21bis - Intention frauduleuse - Absence de déclaration - Admissibilité de la demande - Morale - Matériel - Responsabilité – Service
Résumé
Pas disponible
Texte intégral
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 13.11.2025
2024/CO/1
Het OPENBAAR MINISTERIE
en de VRIJWILLIG TUSSENKOMENDE PARTIJ:
BELGISCHE STAAT, de FOD Financiën, KBO-nummer 0308.357.159, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financier), wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in naam van de Adviseur-generaal van de AABBI Gewestelijke directie Antwerpen, met correspondentieadres G. Crommenlaan 6 bus 804, 9050 Ledeberg, KBO nr. 0308.357.159. Woonstkeuze op het kantoor van mr. K.M., advocaat, te 2600 Antwerpen, Filip Williotstraat 30 bus 0102
vertegenwoordigd door mr. B.K. loco mr. M.K., beiden advocaat bij de balie provincie Antwerpen
Tegen:
1.X1,
RRN …
geboren te …
wonende te …
van de Belgische nationaliteit
Beklaagde, aanwezig en bijgestaan door mr. G.S. en mr. G.S., beiden advocaten bij de balie provincie Limburg
Voorlopige hechtenis : A : 17/06/2020 ; BA : 18/06/2020 ; VOV : 15/07/2020
2.X2,
RRN …
geboren te …
wonende te …
van de Belgische nationaliteit
Beklaagde, aanwezig en bijgestaan door mr. D.P. de balie provincie Limburg en door mr. M.M., advocaat bij de balie provincie West-Vlaanderen
Voorlopige hechtenis : A : 17/06/2020 ; BA : 18/06/2020 ; VOV : 15/07/2020
3. X3 BVBA,
Thans X3 BV
ON …
met maatschappelijke zetel te …
Beklaagde, vertegenwoordigd door mr. O.T., advocaat bij de balie Leuven in zijn hoedanigheid van lasthebber ad hoc van de bvba
1. Ten laste gelegde feiten
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A. Bij inbreuk op de artikelen 449 en 450 eerste lid van het wetboek van de inkomstenbelastingen, met het oogmerk om, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd en/of met hetzelfde oogmerk van een zodanig vals geschrift gebruikt te hebben gemaakt, namelijk :
(art. 449 en 450 lid 1 WIB)
door de boekhouding van X3 BV, ondernemingsnummer ..., systematisch te hebben vervalst en/of te hebben laten vervalsen, zodat deze nimmer de ware toestand van activa en passiva weergaf, en met name door het niet opnemen/laten opnemen in de boekhouding van bepaalde omzet/inkomsten betrekking hebbende op de handelsactiviteit van deze vennootschap, met het bedrieglijk opzet om via deze handelsactiviteit werkelijk verwezenlijkte belastbare inkomsten te verdoezelen voor de aanslagjaren 2015 tot en met 2020 teneinde alzo minder belastingen te moeten betalen (zoals nader omschreven onder de tenlasteleggingen C1, C2, C3, C4, C5 en C6) en met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt van deze vervalste boekhouding als grondslag voor de jaarrekeningen van X3 BV en/of als onderliggende stukken in de belastingaangiften, namelijk het niet-boeken of niet geheel boeken van de volgende ontvangen inkomsten :
door X1, X2 en X3 BV, als dader, mededader
1
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 31 december 2013 en 1 januari 2015,
voor wat betreft het boekjaar 2014
inkomsten voor een bedrag van 516.472,89 euro
2
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Riik, tussen 31 december 2014 en 1 januari 2016,
voor wat betreft het boekjaar 2015
inkomsten voor een bedrag van 377.277,29 euro
3
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 31 december 2015 en 1 januari 2017,
voor wat betreft het boekjaar 2016
inkomsten voor een bedrag van 409.177,75 euro
4
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 31 december 2016 en 1 januari 2018,
voor wat betreft het boekjaar 2017
inkomsten voor een bedrag van 452.859,83 euro
5
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 31 december 2017 en 1 januari 2019,
voor wat betreft het boekjaar 2018
inkomsten voor een bedrag van 667.903,98 euro
6
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 31 december 2018 en 1 januari 2020,
voor wat betreft het boekjaar 2019
inkomsten voor een bedrag van 722.330,56 euro
B. Bij inbreuk op artikel 505 lid 1.3° en 4° van het Strafwetboek, zaken bedoeld in artikel 42.3° van het Strafwetboek, te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden en/of de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42.3° van het Strafwetboek bedoelde zaken te hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen, te weten :
(art. 505 lid 1.3° en 4° Sw)
door X1
1
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, van 1 januari 2014 tot en met 19 iuni 2020 afrekeningen/betalingen van een MASTERCARD verbonden aan de rekening •••• •••• •••• •••• op naam van X1 voor een totaalbedrag van 63.522,96 euro
2
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, op 26 maart 2014
overschrijving ten bedrage van 5.465,00 euro van de rekening •••• •••• •••• ••••
op naam van X1 naar reizen ... ter betaling van een reis naar Mexico
3
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Riik, op 1 oktober 2018
een overschrijving ten bedrage van 4.854,70 euro van de rekening •••• •••• •••• ••••
op naam van X1 ter betaling van een factuur uitgaande van Aston Martin...
4
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Riik, op 3 januari 2018
een overschrijving ten bedrage van 75.535,00 euro van de rekening •••• •••• •••• •••• op naam van X1 naar BMW-garage ... met als mededeling "aankoop wagen"
door X2
5
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, van 1 januari 2014 tot en met 5 iuni 2020 afrekeningen/betalingen van een VISA-kaart verbonden aan de rekening •••• •••• •••• •••• op naam van X2 voor een totaalbedrag van 304.915,90 euro
C. Bij inbreuk op de artikelen 305 tot en met 310, strafbaar gesteld bij artikel 449 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, een aangifte te hebben overgelegd (of laten overleggen), middels een formulier dat niet ingevuld was overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, namelijk :
(artikelen 305 tot en met 310 en 449 van het wetboek van de inkomstenbelastingen)
met bedrieglijk opzet belastingen te ontduiken, onjuiste aangiftes in de inkomstenbelastingen te hebben ingediend dan wel doen of laten indienen met betrekking tot X3 BV, ondernemingsnummer ... en/of met betrekking tot X1 en X2, van de handelingen gesteld en inkomsten verkregen in de respectievelijke inkomstenjaren, 2014 tot en met 2019, te weten de hierna bepaalde inkomsten niet te hebben opgenomen in de fiscale aangiftes :
door X1, X2 en X3 BV, als dader, mededader
1
nader te bepalen data voor het inkomstenjaar 2014, aanslagjaar 2015 : 426.837,01 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 516.472,89 euro
Maatstaf van heffing : 426.837,01 euro
BTW (21%) : 89.635,88 euro
2
Te Hasselt, tussen 1 iuni 2016 en 1 januari 2017, meermaals, in meerdere malen, op niet
nader te bepalen data voor het inkomstenjaar 2015, aanslagjaar 2016 : 311.799,41 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 377.277,29 euro
Maatstaf van heffing : 311.799,41 euro
BTW (21%) : 65.477,88 euro
3
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Rijk, tussen 1 iuni 2017 en 1 januari 2018,
meermaals, in meerdere malen, op niet nader te bepalen data voor het
inkomstenjaar 2016, aanslagjaar 2017 : 338.163,43 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 409.177,75 euro
Maatstaf van heffing : 338.163,43 euro
BTW (21%) : 71.014,32 euro
4
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Rijk, tussen 1 iuni 2018 en 1 januari 2019,
meermaals, in meerdere malen, op niet nader te bepalen data voor het
inkomstenjaar 2017, aanslagjaar 2018 : 374.264,32 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 452.859,83 euro
Maatstaf van heffing : 374.264,32 euro
BTW (21%) : 78.595,51 euro
5
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Rijk, tussen 1 iuni 2019 en 1 januari 2020,
meermaals, in meerdere malen, op niet nader te bepalen data voor het
inkomstenjaar 2018, aanslagjaar 2019 : 551.986,76 euro
Berekening
Niet-aangegeven inkomsten : 667.903,98 euro
Maatstaf van heffing : 551.986,76 euro
BTW (21%) : 115.917,22 euro
6
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Rijk, tussen 1 juni 2020 en 1 januari 2021,
meermaals, in meerdere malen, op niet nader te bepalen data voor het
inkomstenjaar 2019, aanslagjaar 2020 : 596.967,40 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 722.330,56 euro
Maatstaf van heffing : 596.967,40 euro
BTW (21%) : 125.363,16 euro
D. Bij inbreuk op de artikelen 53 §1, 2° en 3°, en 73 van het Wetboek van de Belasting over
de Toegevoegde Waarde, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om schaden als
belastingplichtige niet iedere maand, desgevallend niet om de drie maanden, aangifte te
hebben gedaan van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand of
drie maanden in de uitoefening van zijn economische activiteiten zijn verricht en van alle
gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te
passen aftrek en/of niet de verschuldigd geworden belasting te hebben voldaan binnen de
termijn van indiening van de aangifte van de al of niet belastbare handelingen die tijdens
de vorige maand desgevallend drie vorige maanden in de uitoefening van zijn economische
activiteiten zijn verricht di. binnen de daarop volgende maand, namelijk :
(artikelen 53 §1, 2° en 3°, en 73 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde
Waarde)
in hun hoedanigheid van bestuurder van X3 BV,
ondernemingsnummer ..., de door hen als vertegenwoordigd orgaan vanwege de
klanten van hogervermelde BV ontvangen BTW, bestemd voor afdracht aan de fiscus, niet te
hebben afgedragen aan de Belgische Staat doch te hebben aangewend voor andere
doeleinden, zijnde de hieronder vermelde BTW-bedragen :
door X1, X2 en X3 BV,
als dader, mededader
1
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Rijk, tussen 20 januari 2014 en 22 januari 2015,
voor wat betreft de maandeliikse dan wel driemaandeliikse BTW-aangiften voor het iaar
2014 : 89.635,88 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 516.472,89 euro
Maatstaf van heffing : 426.837,01 euro
BTW (21%) : 89.635,88 euro
2
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 20 januari 2015 en 22 januari 2016,
voor wat betreft de maandelijkse dan wel driemaandelijkese BTW-aangiften voor het iaar
2015 : 65.477,88 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 377.277.29 euro
Maatstaf van heffing : 311.799,41 euro
BTW (21%) : 65.477,88 euro
3
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Riik, tussen 20 januari 2016 en 22 januari 2017,
voor wat betreft de maandelijkse dan wel driemaandelijkse BTW-aangiften voor het jaar
2016 : 71.014,32 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 409.177,75 euro
Maatstaf van heffing : 338.163,43 euro
BTW (21%) : 71.014, 32 euro
4
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 20 januari 2017 en 22 januari 2018,
voor wat betreft de maandelijkse dan wel driemaandelijkse BTW-aangiften voor het jaar
2017 : 78.595,51 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 452.859,83 euro
Maatstaf van heffing : 374.264,32 euro
BTW (21%) : 78.595,51 euro
5
Te Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 20 januari 2018 en 22 januari 2019,
voor wat betreft de maandelijkse dan wel driemaandelijkse BTW-aangiften voor het iaar
2018 : 115.917,22 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 667.903,98 euro
Maatstaf van heffing : 551.986,76 euro
BTW (21%) : 115.917,22 euro
6
Te Hasselt en bii samenhang elders in het Rijk, tussen 20 januari 2019 en 22 januari 2020, voor wat betreft de maandelijkse dan wel driemaandelijkse BTW-aangiften voor het jaar
2019 : 125.363,16 euro
Berekening :
Niet-aangegeven inkomsten : 722.330,56 euro
Maatstaf van heffing : 596.967,40 euro
BTW (21%) : 125.363,16 euro
2. Bestreden beslissing
2.1. Er werd hoger beroep ingesteld op:
22 november 2023 door beklaagde X1 tegen alle beschikkingen,
23 november 2023 door beklaagde X3 bvba tegen alle beschikkingen,
27 november 2023 door beklaagde X2 tegen alle beschikkingen, 27 november 2023 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagden X1, X3 bvba en X2 tegen alle beschikkingen op strafgebied,
5 december 2023 door de FOD Financiën, vrijwillig tussenkomende partij tegen alle beschikkingen
2.2. Er werd een verzoekschrift in de zin van art. 204 van het Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg to Limburg, afdeling Hasselt op:
22 november 2023 door beklaagde X1,
23 november 2023 door beklaagde X3 bvba,
27 november 2023 door beklaagde X2,
27 november 2023 door het openbaar ministerie t.a.v. beklaagden X1, X3 bvba en X2,
5 december 2023 door de FOD Financiën, vrijwillig tussenkomende partij,
2.3. tegen het vonnis, op tegenspraak gewezen op 27 oktober 2023 door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, 18A kamer (3 rechters), waarbij beslist werd als volgt:
Op strafgebied
Ten aanzien van X1, eerste beklaagde
Verklaart X1 schuldig aan de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, B1,
B2, B3, B4, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6, waarbij de bewezen witgewassen
bedragen voor de tenlasteleggingen onder B wel beperkt worden ais volgt:
tenlastelegging B1: 17.151,20 euro
tenlastelegging B2: 1.475,55 euro
tenlastelegging B3: 1.310,77 euro
tenlastelegging B4: 30.969,35 euro.
Veroordeelt X1 voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, B1, B2, B3, B4, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6, zoals hierboven vermeld:
tot een gevangenisstraf van 12 maanden en tot een geldboete van 3200,00 EUR, zijnde 400,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 75 dagen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar uitgezonderd het reeds ondergane gedeelte in voorhechtenis en wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar.
Veroordeelt X1 tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,24 EUR
de kosten van de strafvordering, op heden hoofdelijk begroot op 1175,43 EUR.
Ten aanzien van X2, tweede beklaagde
Verklaart X2 schuldig aan de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, B5, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6, waarbij het bewezen witgewassen bedrag voor de tenlasteleggingen B5 wel beperkt wordt tot 97.573,09 euro.
Veroordeelt X2 voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, B5, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6, zoals hierboven vermeld:
- tot een gevangenisstraf van 12 maanden en tot een geldboete van 3200,00 EUR, zijnde 400,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
•Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 75 dagen.
- Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar uitgezonderd het reeds ondergane gedeelte in voorhechtenis en wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar.
Veroordeelt X2 tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot huip aan de slachtoffers van opzettelijke geweiddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,24 EUR
de kosten van de strafvordering, op heden hoofdelijk begroot op 1175,43 EUR.
Ten aanzien van Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X3, derde beklaagde
De rechtbank verklaart Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X3 schuldig aan de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, Cl, C2, C3, C4, CS, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6.
Veroordeelt Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X3 voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6:
tot een geldboete van 16000,00 EUR, zijnde 2000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar.
Veroordeelt Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X3 tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot huip aan de slachtoffers van opzettelijke geweiddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,24 EUR
de kosten van de strafvordering, op heden hoofdelijk begroot op 1175,43 EUR.
OP FISCAAL GEBIED
De vordering van de Belgische staat tegen eerste beklaagde S•••••••••
De rechtbank verklaart de zelfstandige vordering van de Belgische staat ontvankelijk en als volgt gegrond.
De rechtbank bevestigt de geldigheid van de volgende uitvoerbare titels en gelast voor zover nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende accessoires (interesten, kosten):
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.251
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.070;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.173;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.023;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.239.441;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.234.913.
De rechtbank veroordeelt beklaagde S••••••••• om aan de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding to betalen van 7.500,00 euro.
De vordering van de Belgische staat tegen tweede beklaagde M••••••
De rechtbank verklaart de zelfstandige vordering van de Belgische staat ontvankelijk en als volgt gegrond.
De rechtbank bevestigt de geldigheid van de volgende uitvoerbare titels en gelast voor zover nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende accessoires (interesten, kosten):
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.251
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer
715.241.070;
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer
715.241.173;
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer
715.241.023;
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer
715.239.441;
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer
715.234.913.
De rechtbank veroordeelt beklaagde M•••••• om aan de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 7.500,00 euro.
De vordering van de Belgische staat tegen derde beklaagde X3
De rechtbank verklaart de zelfstandige vordering van de Belgische staat ontvankelijk en als volgt gegrond.
De rechtbank bevestigt de geldigheid van de volgende uitvoerbare titels en gelast voor zover nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende accessoires (interesten, kosten):
op gebied van inkomstenbelastingen:
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.801;
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.804;
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.809;
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.814;
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.651.633;
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer
815.699.953;
op gebied van de btw:
•de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een invorderingsorder 500245883252 van 8 september 2021.
De rechtbank veroordeelt beklaagde X3 bv om aan de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 7.500,00 euro.
Rechtspleging voor het hof
1. De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2025. Het hof heeft hierbij gehoord:
De vrijwillig tussenkomende partij Belgische Staat, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in zijn middelen en vordering uiteengezet door zijn raadsman.
Het openbaar ministerie in zijn vordering en die een stuk heeft neergelegd. Beklaagde X1 in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door hemzelf en door zijn raadsman voornoemd.
Beklaagde X2 in haar middelen van verdediging ontwikkeld door haarzelf en door haar raadsman voornoemd.
Beklaagde X3 BV in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door de voormelde lasthebber ad hoc en die een stuk heeft neergelegd.
2.De in de processtukken aanwezige stukken en besluiten werden regelmatig neergelegd en in het beraad betrokken. Geen enkele procespartij formuleert op dit punt enige kritiek of werpt desbetreffend een bezwaar op.
1. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid van de rechtsmiddelen — grieven
3. Het hoger beroep van beklaagde X1 tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 27 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 22 november 2023, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, voert beklaagde gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot de procedure, waarbij wordt vermeld dat de strafvordering onontvankelijk moet worden verklaard, de schuld aan de tenlasteleggingen B.1, B.2, B.3 en B.4, de straf en de burgerlijke rechtsvordering, waarbij wordt verwezen naar de beslissing van de rechtbank om de zelfstandige vordering van de Belgische Staat ontvankelijk en gegrond werd verklaard en de geldigheid van de uitvoerbare titels werd bevestigd en voor zover nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende kosten (interesten, kosten) werd gelast voor de uitvoerbare titels in de vorm van inkohiering met kohiernummers 715.241.251, 715.241.070, 715.241.173, 715.241.023, 715.241.441 en 715.241.913.
4. Het hoger beroep van beklaagde X3 BV tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 27 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is ontvankelijk.
Het hof stelt vast dat, zoals op de zitting van 2 oktober 2025 vermeld, de benaming van X3 BV thans gewijzigd is naar 'X3 BV'. De verwijzingen in dit arrest naar X3 BV' en naar `X3 BV' hebben dan ook betrekking op dezelfde rechtspersoon en beklaagde.
Bij regelmatig verzoekschrift van 23 november 2023, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, voert beklaagde gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot :
de procedure, waarbij wordt verwezen naar de onontvankelijkheid van de strafvordering, de schuld aan de tenlasteleggingen A.1 tot A.6, C.1 tot C.6 en D.1 tot D.6;
de straf waarbij wordt verwezen naar de gevraagde vrijspraak, ondergeschikt naar een opschorting of lagere boete;
de burgerlijke rechtsvordering, waarbij wordt verwezen naar de onontvankelijkheid van de zelfstandige vordering van de Belgische Staat.
5. Het hoger beroep van beklaagde X2 tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 27 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 23 november 2023, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, voert beklaagde gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot
de procedure, waarbij wordt verwezen naar de onontvankelijkheid van de strafvordering en de rechten van verdediging,
de schuldigverklaring aan alle tenlasteleggingen;
de straf waarbij wordt verwezen naar de opgelegde gevangenisstraf en geldboete
en de fiscaal administratieve sancties van strafrechtelijke aard;
de burgerlijke rechtsvordering, waarbij wordt verwezen naar de toelaatbaarheid, ontvankelijkheid en gegrondheid van de zelfstandige burgerlijke vordering van de Belgische Staat.
6.Het hoger beroep van het openbaar ministerie ten opzichte van beklaagden X1, X2 en X3 BV, tegen alle beschikkingen op strafgebied van het bestreden vonnis van 27 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 27 november 2023, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, voert het openbaar ministerie een gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrief aan, namelijk met betrekking tot de straf die onvoldoende beteugelend zou zijn.
7.Het hoger beroep van de vrijwillig tussenkomende partij, Belgische Staat, FOD Financiën tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 27 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, is ontvankelijk in de mate dat het hoger beroep betrekking heeft op de zelfstandige fiscale vordering van de Belgische Staat en niet ontvankelijk voor het overige.
Bij regelmatig verzoekschrift van 5 december 2023, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, voert de vrijwillig tussenkomende partij een gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrief aan, namelijk met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding. De grief betreffende de straf waarbij het opleggen van een bestuurdersverbod wordt aangehaald, heeft geen betrekking op een beschikking van het vonnis waarvoor de vrijwillig tussenkomende partij bevoegd is of een vordering heeft gesteld in de procedure in eerste aanleg.
4.2. Beoordeling ten gronde
4.2.1 Omvang van de beoordeling ten gronde
8.Het beoordelen van de ontvankelijkheid van de strafvordering, beroepsgrief van beklaagden, het eventueel bepalen van de schuld van beklaagde X1 aan de ten laste gelegde feiten Bl, B2, B3 en B4, van beklaagde X2 aan de ten laste gelegde feiten Al, A2, A3, A4, A5, A6, B5, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1,
D2, D3, D4, D5 en D6 en van X3 BV aan de ten laste gelegde feiten Al, A2, A3, A4, A5, A6, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6, beroepsgrief van deze beklaagden, het bepalen van de (eventuele) straf in hoofde van beklaagden X1, X2 en X3 BV, beroepsgrief van deze beklaagden en van het openbaar ministerie en het beoordelen van de zelfstandige fiscale vordering, liggen aan de beoordeling van het hof voor.
Onder voorbehoud van de beoordeling door het hof van de procedurele grief van de beklaagden inzake de niet ontvankelijkheid van de strafvordering, staat ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep in samenhang met de effecten van het vigerend grievenstelsel, de schuld van beklaagde X1 aan de bewezenverklaarde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, A5, A6, Cl, C2, C3, C4, C5, C6, D1, D2, D3, D4, D5 en D6 vast zoals door de eerste rechter beslist evenals de veroordeling van X1 tot betaling van de forfaitaire vergoeding in de beheerkosten van de strafrechtsbedeling van 58,24 EUR.
9.Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
4.2.2. Beoordeling ten gronde op strafrechtelijk gebied
4.2.2.0. Voorafgaand : omschrijving tenlastelegging A
10.Het hof verbetert de omschrijving van het ten laste gelegde feit A in al zijn onderdelen door de vermelding van 'handelsactiviteit' to vervangen door 'activiteit' aangezien de activiteiten van een advocatenkantoor niet als handelsactiviteiten kunnen worden beschouwd.
Deze verbetering werd op de zitting van 2 oktober 2025 door het hof in het debat gebracht zodat partijen hierover standpunt hebben kunnen innemen.
4.2.2.1. Voorafgaand : beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering
11.Beklaagde X1 voert een schending aan van de redelijke termijn. Bijgevolg zou, gelet op het beweerdelijk zeer zware karakter van de schending, moeten worden vastgesteld dat de strafvordering onontvankelijk is bij toepassing van art. 27 VT Sv.
12.Volgens artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14.3.c van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Die bepaling strekt ertoe te vermijden dat een gedaagde te lang in onzekerheid leeft over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging. Aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van 'een beschuldiging', dit is vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen 'de beschuldiging'. De eerbiediging van de redelijke termijn moet verder op concrete en gedetailleerde wijze worden beoordeeld met inachtneming van de volgende criteria: (1) de aard en de complexiteit van de zaak, (2) de houding van de beklaagde, (3) de houding van de met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties en (4) het belang van de zaak voor de gedaagde. De beoordeling gebeurt, in de regel, naar de loop van het ganse proces.
13.Het hof stelt vast dat beklaagde X1 in de namens hem neergelegde syntheseberoepsconclusie louter verwijst naar de tijd die verstreken is sinds de ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op de periode tussen 31 december 2013 en 1 januari 2021. Daarnaast verwijst hij naar zijn arrestatie op 17 juni 2020 als moment waarop hij voor het eerst verontrust werd, en de tijdsspanne van meer dan 5 jaar die verstreken is sinds deze verontrusting. Hij voegt daaraan toe dat geen verwijt van vertraging kan gemaakt worden naar hem toe.
Aldus voert beklaagde X1 niet concreet aan waarom de redelijke termijn zou overschreden zijn, anders dan door het loutere tijdsverloop sinds de feiten en sinds de verontrusting van beklaagde. Op basis van het loutere tijdsverloop kan evenwel geen overschrijding van de redelijke termijn worden vastgesteld. De andere beklaagden voeren geen schending van de redelijke termijn aan.
14.Het hof stelt vast dat beklaagde X1 voor het eerst werd verontrust op 17 juni 2020. Na de eerste beschikking tot mededeling door de onderzoeksrechter van 23 september 2021 werd nog een proces-verbaal betreffende onderzoekshandelingen opgesteld op 26 oktober 2021 en werd op 27 december 2021 bijkomend onderzoek gevorderd door het openbaar ministerie. Daarna werd op
31 januari 2022 een proces-verbaal opgesteld betreffende de aangiften in de inkomstenbelastingen van beklaagden. Op 5 mei 2022 werd een vordering tot verbeurdverklaring opgesteld door het openbaar ministerie gevolgd door een eindvordering van het openbaar ministerie gedateerd op 31 mei 2022. Na een verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen bij toepassing van artikel 6lquinquies Wetboek Strafvordering neergelegd op 5 juni 2022 door de raadsman van X2 werd op 17 juni 2022 door de raadkamer vastgesteld dat de behandeling van de zaak geschorst was door dit verzoek. Op 19 september 2022 vond het door X2 gevraagde confrontatieverhoor plaats, gevolgd door de derde beschikking tot mededeling op 23 september 2022. Het hof stelt vast dat geen van beklaagden aanvoert dat dit verzoek van de verdediging van X2 niet redelijk verantwoord was, en evenmin dat bij de beslissing over dit verzoek en de uitvoering van het gevraagde verhoor enige niet verantwoorde vertraging voorlag.
Bij beschikking van de raadkamer van 2 december 2022 werden beklaagden verwezen naar de correctionele rechtbank waar de zaak werd ingeleid op 24 februari 2023 en op vraag van de partijen conclusietermijnen werden bepaald, waarna de zaak werd behandeld op de zitting van 29 september 2023. Het onderzoek en de behandeling van de zaak hebben een voortgang gekend in overeenstemming met onder meer de aard en complexiteit van de zaak en het belang voor de beklaagden. Het onderzoek en behandeling van de zaak hebben dan ook geen onverantwoorde periodes van stilstand gekend.
Het hof kan geen overschrijding van de redelijke termijn vaststellen.
4.2.2.2. Artikel 14 EVRM en artikel 1 Eerste Protocol EVRM- Vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie
15. Beklaagde X2 voert een schending aan van artikel 14 EVRM in combinatie met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, eveneens met verwijzing naar het strafrechtelijk beleid bij toepassing van artikel 143bis e.v. Ger.W.
Beklaagde voert concreet aan dat het rechtsherstel zou moeten bestaan in het aanbieden van een minnelijke schikking ten aanzien van de beklaagden. Bij gebrek aan dergelijk aanbod zou de strafvordering onontvankelijk zou zijn.
16.Beklaagde X2 stelt de vraag waarom het Openbaar Ministerie heeft beslist om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan en niet heeft geopteerd om deze zaak administratief te laten afhandelen door de Bijzondere Belastinginspectie.
Het hof stelt vast dat initieel naar aanleiding van een melding door de Cel voor Financiele Informatieverwerking een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, dat zijn normale verloop kende, zonder dat de wetgeving terzake een overleg zoals bedoeld in artikel 29,§3 van het Wetboek van strafvordering (ook aangeduid als 'una via' overleg) voorziet.
17.Daarnaast werpt beklaagde op dat de vraag moet worden gesteld waarom het Openbaar Ministerie in casu heeft geweigerd aan beklaagden een minnelijke schikking toe te kennen conform artikel 216bis Sv.
18.Het hof stelt vast dat, zoals vermeld in het bestreden vonnis, het openbaar ministerie reeds in de procedure voor de eerste rechter heeft toegelicht dat deze keuze werd gemaakt omdat het openbaar ministerie een bestuursverbod voor beklaagden noodzakelijk achtte. De bepaling omtrent de minnelijke schikking vermeld in artikel 216bis, § 2, lid 6 Sv. die het opleggen van een bestuursverbod mogelijk maakt, trad pas in werking op 2 mei 2024, dus niet voorafgaand aan het vonnis in eerste aanleg. Minstens ten tijde van verwijzing door de raadkamer en de dagstelling lag dus klaarblijkelijk in hoofde van het openbaar ministerie een reden voor om voorafgaand aan het aanhangig maken van de strafvordering geen minnelijke schikking aan te bieden.
19.Bovendien voert het openbaar ministerie terecht aan dat niet werd voldaan aan de toepassingsvoorwaarden vervat in artikel 216bis, § 6 Sv, namelijk dat de minnelijke schikking pas mogelijk is nadat de dader van het misdrijf de door hem verschuldigde belastingen of sociale bijdragen, inclusief de intresten, heeft betaald, en de fiscale of de sociale administratie daarmee heeft ingestemd. De personenbelasting, vennootschapsbelasting, en BTW waarop de ten laste gelegde feiten betrekking hebben, werden tot op heden nog steeds niet betaald, laat staan dat er een akkoord is van de fiscale administratie met het voorstellen van een verruimde minnelijke schikking. Artikel 216bis, § 2 Sv. kon, ook na de aanpassing van artikel 216bis, § 2, lid 6 Sv. alleen al om die reden evenmin toepassing vinden.
Het hof stelt vast dat beklaagden niet voldoen aan de voorwaarden voor een minnelijke schikking, zodat uit het niet voorgesteld krijgen van dergelijke schikking geen schending van enige wettelijke bepaling en geen enkele vorm van discriminatie kan worden afgeleid. Evenmin kan de door beklaagde voorgehouden schending van artikel 14 EVRM in combinatie met artikel 1, Eerste protocol van het EVRM worden vastgesteld.
Ten overvloede stipt het hof nog aan dat op basis van de vigerende wetgeving geenszins een recht voor een verdachte of beklaagde bestaat om een minnelijke schikking voorgesteld to krijgen.
4.2.2.3. Non bis in idem — algemeen rechtsbeginsel artikel 4, §1 van het Zevende protocol bij het EVRM en artikel 14.7 IVBPR
20.Beklaagde X2 voert de onontvankelijkheid van de strafvordering aan omwille van een voorgehouden schending van het non bis in idem-beginsel zoals opgenomen in onder meer artikel 4 van het Zevende protocol bij het EVRM. Beklaagde X1 sluit zich aan bij de argumentatie van beklaagde X2.
Artikel 4, §1 van het Zevende protocol bij het EVRM luidt als volgt "Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat".
Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte als de artikelen 14.7 IVBPR, en 4, §1, Protocol nr. 7, EVRM.
21.Beklaagde X2 verwijst voor het aanvoeren van een schending van het non bis in idem beginsel in de eerste plaats naar de fiscaal administratieve sancties opgenomen in de ter beoordeling voorgelegde titels.
22.De aanslagen in de personenbelasting in hoofde van beklaagden X1 en X2 en de aanslag in de vennootschapsbelasting in hoofde van X3 BV (ondertussen X3 BV) die ter beoordeling worden voorgelegd door de Belgische Staat, gaan telkens gepaard met het opleggen van belastingverhogingen van 50%.
De vereiste dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing moet afgesloten zijn met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is, houdt wat betreft door de belastingautoriteiten inzake personenbelasting opgelegde sancties in dat die sancties niet meer met een bezwaar bij de belastingautoriteiten kunnen worden betwist en niet meer met een gewoon rechtsmiddel voor de rechter kunnen worden aangevochten.
Het hof stelt evenwel vast dat de betreffende aanslagen effectief het voorwerp uitmaken van een betwisting die aanhangig gemaakt is voor de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt evenals dat aanslagen door de Belgische Staat als vrijwillig tussenkomende partij aan het hof ter beoordeling worden voorgelegd. De betreffende aanslagen en de daarin vooropgestelde belastingverhogingen zijn dan ook geenszins afgesloten door een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht definitief is op het ogenblik van de huidige berechting of bestraffing.
Alle administratieve belastingverhogingen en proportionele geldboetes (in hoofde van X3 Bv) die ter beoordeling aan het hof worden voorgelegd evenals de gevangenisstraffen, geldboetes en verbeurdverklaringen hebben geenszins een definitief karakter zoals hierboven nader omschreven, dat de vaststelling van een schending van het non bis in idem beginsel en de voormelde artikelen van EVRM en/of EVBPR zou toelaten.
23. Beklaagde X2 verwijst eveneens naar beklaagde X3 BV en de vordering inzake btw met een proportionele boete van 200% en de aanslagen in de vennootschapsbelasting met belastingverhogingen van 50%.
Het hof stelt vast dat deze proportionele boete en belastingverhoging van 50% door de tussenkomende partij worden gevorderd om te worden opgelegd aan X3 Bv, ondertussen X3 Bv en niet aan beklaagden X2 en/of X1. Bijgevolg kan geen sprake zijn van een schending van het non bis in idem beginsel in hoofde van de beklaagden X2 en/of X1 die deze schending aanvoeren.
Volledigheidshalve stelt het hof vast dat de combinatie van administratieve sancties in hoofde van de natuurlijke personen X1 en X2 in de personenbelasting en van de vennootschap X3 Bv in de vennootschapsbelasting geen dubbele sanctie vormen voor dezelfde feiten. De verplichting een aangifte in te dienen in de vennootschapsbelasting rust op de belastingplichtige en op de natuurlijke personen door wie deze handelt. Die verplichting is te onderscheiden van de verplichting welke op de bestuurders natuurlijke personen van een dergelijke belastingplichtige rust om een correcte aangifte in te dienen in de personenbelasting. De te respecteren formaliteiten, tijdstip van indiening en op te geven informatie zijn voor beide aangiften verschillend.
Bovendien stipt het hof reeds aan dat ook de vordering inzake Btw enerzijds en de aanslagen in de vennootschapsbelasting door de Belgische Staat en daarbij horende respectievelijke proportionele boetes en belastingverhogingen geen betrekking hebben op dezelfde feiten aangezien zij betrekking hebben op verschillende belastingen met de daaraan gekoppelde aangifteverplichtingen.
Het hof stipt aan dat alle overwegingen inzake non bis in idem, bij de onderstaande beoordeling van de fiscale vordering als hernomen dienen te worden beschouwd.
24.Voor wat betreft de verwijzing door beklaagde X2 naar de vraag of de procedure voor de fiscale rechtbank te Hasselt slechts geschorst zou zijn of definitief beeindigd, stelt het hof vast dat beklaagde aanvoert dat indien de fiscale vordering van de Belgische Staat door het hof onontvankelijk of ontoelaatbaar zou worden verklaard, de (burgerlijke) betwisting door beklaagde niet zou kunnen worden verdergezet. Deze hypothese doet zich evenwel niet voor, zoals ook nader uiteengezet inzake de beoordeling van de fiscale vordering, zodat in voorliggend geval door het hof geen rekening dient te worden gehouden met de gebeurlijke gevolgen van degelijke beslissing tot onontvankelijkheid of niet toelaatbaarheid van de fiscale vordering.
Ook de door beklaagde vooropgestelde prejudiciele vraag is slechts relevant indien de fiscale vordering van de Belgische Staat door het hof onontvankelijk of ontoelaatbaar zou worden verklaard, wat niet aan de orde is.
25.Beklaagden X2 en X1 verwijzen eveneens naar de beslissing van de Nederlandse Tuchtraad van Beroep voor Advocaten van 9 januari 2025 waarbij beide beklaagden werden veroordeeld tot de schrapping van het tableau van de Orde van Advocaten.
Krachtens artikel 456, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt bij de zetel van ieder hof van beroep een tuchtraad ingesteld, die tot taak heeft de inbreuken op de eer van de Orde en op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, alsook de inbreuken op de reglementen te bestraffen, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat.
Krachtens artikel 460, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de tuchtraad bij een met redenen omklede beslissing, naar gelang van het geval, waarschuwen, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste een jaar, schrappen van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere Lid-Staat van de Europese Unie of van de lijst van de stagiairs.
Het tuchtrecht is ten aanzien van het strafrecht naar zijn aard en zijn doel autonoom, en wordt internrechtelijk niet geacht strafrechtelijk van aard te zijn.
De strafvordering heeft tot doel inbreuken op de maatschappelijke orde te doen bestraffen en wordt uitgeoefend in het belang van de hele maatschappij. Zij behoort tot de bevoegdheid van de strafgerechten. Zij kan enkel betrekking hebben op feiten die door de wet als misdrijf zijn omschreven en zij geeft, in geval van veroordeling, aanleiding tot de door of krachtens de wet voorgeschreven straffen.
De tuchtvordering heeft tot doel te onderzoeken of de titularis van een openbaar ambt of van een beroep de deontologische of disciplinaire regels heeft overschreden of afbreuk heeft gedaan aan de eer of de waardigheid van zijn ambt of beroep. Zij wordt uitgeoefend in het belang van een beroep of een openbare dienst. Zij heeft betrekking op tekortkomingen die niet noodzakelijk het voorwerp uitmaken van een precieze definitie. Ze kan aanleiding geven tot sancties die de betrokkene raken in de uitoefening van zijn ambt of beroep en die uitgesproken worden door een orgaan dat eigen is aan elk betrokken beroep, door een administratieve overheid of door een rechtscollege.
De schrapping van het tableau van de advocaten is dan ook een tuchtrechtelijke sanctie die naar intern recht niet wordt gekwalificeerd als een strafrechtelijke sanctie, enkel geldt voor advocaten en ertoe strekt de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven. Deze schrapping is bijgevolg geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. De tuchtrechtelijke vervolging van beklaagden X1 en X2 vormde geen strafvervolging in de zin van onder meer artikel 6.1 EVRM.
26.Gelet op het geheel van bovenstaande overwegingen kan geenszins een schending voorliggen van algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, van artikel 4.1 Protocol nr.7 EVRM, of van artikel 14.7 BUPO.
4.2.3. Beoordeling van de schuld
4.2.3.1. Tenlasteleggingen A, C en D
27.Beklaagde X2 maakt in de namens haar neergelegde syntheseconclusie voorbehoud omtrent de tenlasteleggingen en behoudt zich het recht voor om de betwisting van de tenlasteleggingen lopende de huidige procedure verder uit to werken. Het hof stelt evenwel vast dat dit enkel effectief gebeurd is voor de tenlastelegging D. In hoofde van beklaagde X1 staat de schuld aan de tenlasteleggingen A, C en D, zoals voormeld, vast. Beklaagde X3 BV betwist dan weer enkel de morele en materiele toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten.
28.De materialiteit van de feiten wordt, uitgezonderd voor tenlastelegging D zoals hierna vermeld, niet betwist door beklaagden. De bedragen vermeld in de verschillende tenlasteleggingen worden evenmin betwist.
29.Bij de huiszoeking in het advocatenkantoor van X3 BV werden handgeschreven overzichten aangetroffen van de dagelijkse ontvangsten. Daarnaast werden door M•••••• F•••••, werknemer van het advocatenkantoor en broer van beklaagde X2, mappen met gelijkaardige stukken overhandigd.
Op basis van deze documenten werden de werkelijke dagelijkse ontvangsten van het advocatenkantoor, zowel in contanten, als per overschrijving, vastgesteld. Voor de jaren 2014 tot en met 2019 ontving X3 BV een totaalbedrag aan ontvangsten van 5.421.929,24 EUR, zowel onder de vorm van contante gelden als van overschrijvingen.
Deze ontvangsten werden vergeleken met de bedragen aan omzet opgenomen in de interne jaarrekeningen van X3 BV. Op basis van deze vergelijking en van de onderliggende stukken werd vastgesteld dat voor wat betreft de jaren 2014 tot en met 2019 inkomsten voor de bedragen vermeld in de tenlasteleggingen A en C voor een totaalbedrag van 3.146.021,85 euro niet werden vermeld in de boekhouding van X3 BV. Op basis van nazicht van de aangiftes ingediend door X3 BV evenals van de aangiften personenbelasting van X1 en X2, die gehuwd waren in de betreffende inkomstenjaren en een gezamenlijke aangifte indienden, werd vastgesteld dat voormelde bedragen, voor een totaalbedrag van 3.146.021,85 euro niet werden opgenomen in deze aangiftes in de vennootschapsbelasting en personenbelasting. De maatstaf van heffing die telkens deel uitmaakte van de niet in de boekhouding opgenomen inkomsten (zwarte omzet) werd bovendien niet vermeld in de periodieke Btw-aangiftes ingediend door X3 BV voor de kwartalen van de betreffende jaren 2014 tot en met 2019.
30.Beklaagde X1 verklaarde bij zijn verhoor op 17 juni 2020 dat hij dagelijks een kasblad met kwijtingen maakte met de bedragen die de cliënten van die dag betaald hadden, vaak volledig in contanten, soms deels in contanten. Bij zijn verhoor op 18 juni 2020 verklaarde hij dat de dagontvangsten werden bijgehouden maar dat het kasboek al twee jaar niet meer werd bijgehouden. Beklaagde X2 verklaarde bij verhoren meermaals dat (minstens deels) in het zwart werd gewerkt.
M•••••• F••••• verklaarde bij zijn verhoor op 19 juni 2020 dat geld van betalingen van cliënten in de schuif in de keuken werd gelegd doorheen de dag. Op het einde van de dag werd die schuif leeggemaakt en namen M••• en M••• (verwijzend naar beklaagden X2 en X1) het geld mee naar huis.
31.Een vergelijking tussen de aangegeven inkomsten van beklaagden X1 en X2 en hun (nog onvolledige) uitgaven toonde nog aan dat de maandelijkse uitgaven van deze beklaagden gemiddeld meer dan 5.500 euro hoger waren dan hun aangegeven inkomsten.
32.Bijgevolg staan de bedragen aan zwarte inkomsten vast voor de inkomstenjaren 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019. Deze inkomsten werden niet de in de boekhouding en de op basis daarvan opgestelde jaarrekening van X3 BV opgenomen, om te vermijden dat de fraude inzake inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting in hoofde van X3 BV en personenbelasting in hoofde van X1 en X2, bij eenvoudig nazicht van de boekhouding zou kunnen worden ontdekt door de fiscale administratie en dus met het oogmerk om deze belastingen te ontduiken.
33.Het staat bijgevolg vast dat beklaagden, zoals omschreven in tenlastelegging A met bedrieglijk opzet om de bepalingen van het WIB92 of de uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, omzet/inkomsten van X3 Bv, met het bedrieglijk opzet om via deze activiteit werkelijk verwezenlijkte belastbare inkomsten te verdoezelen voor de aanslagjaren 2015 tot en met 2020 en alzo minder belastingen te moeten betalen (zoals nader omschreven onder de tenlasteleggingen C1, C2, C3, C4, C5 en C6), en met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt van deze vervalste boekhouding als grondslag voor de jaarrekeningen van X3 BV en/of als onderliggende stukken in de belastingaangiften.
De inkomsten zoals vermeld in de tenlastelegging A voor de daar vermelde inkomsten- en aanslagjaren, werden door beklaagden bewust en met bedrieglijk opzet niet opgenomen in de boekhouding van X3 BV en werden bijgevolg ook niet vermeld in de jaarrekeningen en in de aangiftes personenbelasting van beklaagden X1 en X2 en in de aangiftes in de vennootschapsbelasting van X3 BV om zo de in tenlastelegging C omschreven belastingfraude te kunnen plegen.
34.Het hof merkt volledigheidshalve op dat beklaagde X2, weliswaar inzake de straftoemeting, onder meer verwijst naar een situatie waarbij zij (louter) nalatig is geweest en daarom inkomsten niet zou hebben aangegeven.
Het hof oordeelt evenwel dat beklaagden gelet op het jarenlange, systematische en omvangrijke karakter van het niet opnemen van omzet in de boekhouding en niet-aangifte van inkomsten/omzet in vennootschapsbelasting, personenbelasting en btw, geenszins uit onachtzaamheid maar met bedrieglijk opzet hebben gehandeld voor de hen ten laste gelegde feiten A, C en D. Het hof stipt terzake aan dat voor alle betrokken inkomstenjaren de niet aangegeven inkomsten groter waren dan de aangegeven inkomsten, dat gedetailleerde documenten werden bijgehouden betreffende de zwarte omzet en dat deze omzet onder de vorm van cash gelden bij de natuurlijke personen terechtkwam zodat het bedrieglijk opzet waarmee de inbreuken werden gepleegd, vaststaat en dat loutere onachtzaamheid volledig uitgesloten is in hoofde van beklaagden.
Met het bedrieglijk opzet belastingen te ontduiken, werden dan ook door beklaagden onjuiste aangiftes in de inkomstenbelastingen ingediend, in de vennootschapsbelasting voor X3 BV en in de personenbelasting voor X1 en X2, waarin de zwarte inkomsten niet werden vermeld.
35.Specifiek inzake de tenlastelegging D, ontduiking en niet-aangifte van Btw, benadrukt X2 dat X3 BV als advocatenvennootschap (hoofzakelijk) bijstand leverde aan vreemdelingen. Het gros van het cliënteel waren beweerdelijk vreemdelingen die geen vaste vestiging of gebruikelijke verblijfplaats in België hadden.
Voor wat betreft diensten verricht door o.m. advocaten wordt op basis van artikel 21bis, §2, 10°, c) Btw-Wetboek als plaats van de dienst aangemerkt, de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aldaar zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.
36.Het hof stelt in de eerste plaats vast dat beklaagde X2 verwijst naar cliënten die geen vaste vestiging of gebruikelijke verblijfplaats in België zouden gehad hebben.
Voor de toepassing van artikel 21bis, §2, 10°, c) Btw-Wetboek is vereist dat vaststaat dat de ontvanger van de dienst een woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats had buiten de Gemeenschap. Vreemdelingen die naar de Europese Unie zijn gereisd en in de Gemeenschap verblijven om hier een verblijfsstatuut te bekomen met het oog op het bekomen van een verblijfstitel voor lange termijn, zullen daarvoor redelijkerwijze hun woonplaats of vaste verblijfplaats buiten de Gemeenschap verlaten hebben. Het hof merkt op dat op de zitting van 2 oktober 2025 werd bevestigd door de raadsman van beklaagde X1 dat vaak lange rijen cliënten stonden te wachten aan het kantoor te Hasselt, wat veeleer wijst op een aanwezigheid in België in afwachting van verdere procedures met het oog op het bekomen van een verblijfstitel, dan het op dat ogenblik nog effectief beschikken door de cliënten over een woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats buiten de Gemeenschap.
Het bestreden vonnis stelt terzake bovendien terecht vast dat beklaagden naar geen enkel concreet voorbeeld verwijzen van een dienst, waarvan de maatstaf van heffing opgenomen is in de ten laste gelegde feiten (en fiscale vordering inzake Btw) en die zou geleverd zijn aan een client met woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats buiten de Gemeenschap.
Beklaagden verwijzen terzake evenmin naar de ingediende periodieke btw-aangiften waarop in de jaren 2014 tot en met 2019, voor de omzet die dus wet werd aangegeven, voor dergelijke afnemers (naast de vermeldingen op facturen), de betreffende beweerdelijke omzet in yak 47 had moeten worden aangegeven, of minstens in een ander yak op basis waarvan geen Belgische btw verschuldigd werd.
Het hof merkt op dat voor 24 btw-aangiftes ingediend voor de periode waarop de ten laste gelegde feiten betrekking hebben, slechts in een btw-aangifte (voor het eerste kwartaal 2019) sprake is van vrijgestelde handelingen, voor een bedrag van slechts 723,44 euro aan omzet, waarvan de interne jaarrekening voor 2019 bovendien nog vermeldt dat daarvan in yak 47 slechts 118,44 euro werd opgenomen.
Gelet op de totale aan de btw onderworpen aangegeven omzet van 2.237.155,91 euro voor de periode van 2014 tot en met 2019 wijst dit, in verhouding daarmee minieme, bedrag van 118,44 euro geenszins op een mogelijke systematische toepassing van artikel 21bis, §2, 10°, c) Btw-Wetboek betreffende een substantieel deel van de omzet, zoals door beklaagde X2 nochtans wordt voorgehouden.
De stelling dat een substantieel deel van de omzet, laat staan zelfs de erelonen betaald door 'het gros' van het cliënteel zou vrijgesteld zijn van de Btw, vindt dan ook geenszins steun in de objectieve elementen van het strafdossier en in de door de vrijwillig tussenkomende partij aangehaalde elementen uit de eigen Btw-aangiftes van X3 Bv.
37.Het hof merkt nog op dat beklaagde X2 verwijst naar een beweerdelijk gebrek aan onderzoek naar de woon- of verblijfplaats van de cliënten. In het Iicht van voormelde overwegingen kan niet worden vastgesteld dat bijkomend onderzoek nodig of redelijkerwijze nuttig was om de aan beklaagden ten lastegelegde feiten of de fiscale vordering te kunnen beoordelen. Beklaagde verwijst bovendien ook niet naar enig verzoek om concreet bijkomend onderzoek dat terzake voorheen door beklaagde zou zijn geformuleerd in de loop van het gerechtelijk onderzoek.
Beklaagden maken dan ook geenszins aannemelijk dat voor een deel van hun niet aangegeven omzet, laat staan voor de omzet betreffende het gros van het cliënteel, geen Btw verschuldigd was over de erelonen die niet in de boekhouding werden opgenomen.
Eveneens met het bedrieglijk opzet belastingen te ontduiken werd de maatstaf van heffing die telkens in de zwarte inkomsten begrepen was, niet opgenomen in de periodieke btw-aangiftes van X3 BV voor de jaren 2014 tot en met 2019 en werd de daarop verschuldigde Btw niet afgedragen.
38.Alle constitutieve bestanddelen van de misdrijven onder de tenlasteleggingen A.1 (zoals verbeterd), A.2 (zoals verbeterd), A.3 (zoals verbeterd), A.4 (zoals verbeterd), A.5 (zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd), C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6 zijn in hoofde van beklaagde X2 verenigd. Zij dient derhalve als dader van deze feiten te worden aanzien.
X3 BV — toerekening feiten A (zoals verbeterd), C en D
39.Specifiek voor wat betreft beklaagde X3 BV vult het hof nog aan als volgt.
Het hof stelt onder meer bijkomend vast dat beklaagde X3 BV zelf de aangiftes inzake vennootschapsbelasting en Btw correct moest indienen en deze belastingen verschuldigd was en allerminst correcte en volledige aangiftes heeft ingediend en de betreffende belastingen heeft ontdoken. De valsheden in de boekhouding van beklaagde werden gepleegd om dit mogelijk te maken.
In het kader van de materiele toerekening oordeelt het hof dat de aan beklaagde X3 BV ten laste gelegde feiten van tenlasteleggingen A, C en D voor rekening van X3 BV werden gepleegd, waarbij de vennootschap de ontdoken belastingen waarvoor een fiscale vordering wordt gesteld inzake vennootschapsbelasting en Btw, ten onrechte niet heeft betaald. In de mate dat de tenlastelegging C betrekking heeft op de personenbelasting heeft beklaagde X3 BV minstens noodzakelijke hulp verleend in de zin van artikel 66 Strafwetboek.
Dat de zaakvoerders van X3 BV de zwarte omzet naar zichzelf hebben doorgestort onder vorm van contante gelden doet geen afbreuk aan de vaststelling dat deze gelden eerst wel degelijk aan de vennootschap toekwamen, waardoor zij uiteraard ook in de boekhouding en zoals voormeld in de aangiften vennootschapsbelasting en btw hadden moeten worden opgenomen en hun fiscaal regime hadden moeten ondergaan en waarbij X3 BV de verschuldigde belastingen had moeten betalen, wat ten onrechte niet gebeurd is, wat aan de bewezen verklaarde feiten A, C en D ten grondslag ligt. Beklaagden X1 en X2 worden zoals de eerste rechter terecht opmerkte ook niet vervolgd voor een vorm van illegale onttrekking van middelen uit de vennootschap.
40.Tevens is de inbreuk moreel toerekenbaar aan beklaagde X3 BV wegens de verwevenheid tussen de beslissingen van beklaagden om de inbreuken te plegen en het corporatief handelen van de vennootschap. Anders dan X3 BV aanvoert kan de vennootschap geenszins als onwetend worden beschouwd voor wat betreft het feit dat de zwarte inkomsten door de vennootschap werden gerealiseerd. Het hof stipt nog aan dat bij de huiszoeking in de kantoren van de vennootschap de uitgebreide en gedetailleerde overzichten van de zwarte omzet werden aangetroffen die door de zaakvoerders van X3 BV en een of meerdere personeelsleden van beklaagde X3 BV werden bijgehouden.
Het gedrag van beklaagden X1 en X2 als zaakvoerders was bovendien zoals ook de eerste rechter oordeelde, determinerend voor X3 BV. Zij beheersten het gedrag van beklaagde X3 BV als rechtspersoon volledig.
De betroken misdrijven kunnen materieel en moreel worden toegerekend aan beklaagde X3 BV.
41.Nu de vennootschap uitsluitend verantwoordelijk wordt gesteld wegens het optreden van geïdentificeerd natuurlijke personen, die de bewezen verklaarde feiten wetens en willens hebben gepleegd, dient in casu te worden besloten tot een veroordeling van de natuurlijke persoon samen met de rechtspersoon, ook voor de
feiten gepleegd voorafgaand aan 30 juli 2018 (inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2018 waarbij artikel 5 Strafwetboek werd gewijzigd).
Beklaagde X3 BV verwijst nog naar een schulduitsluitingsgrond van dwang onder verwijzing naar art. 71 van het Strafwetboek. De vennootschap had volgens beklaagde geen andere keuze dan het misdrijf te plegen, mocht men haar willen vereenzelvigen met haar bestuurders, en werd derhalve gedwongen door een macht die zij niet heeft kunnen weerstaan.
De eerste rechter oordeelde evenwel terecht dat de omstandigheid dat de rechtspersoon het voor zijn rekening gepleegde misdrijf slechts heeft kunnen plegen door tussenkomst van de natuurlijke personen die zijn zaakvoerder zijn, geen schulduitsluitingsgrond vormt zoals bedoeld in artikel 71 Sw, die de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon zou kunnen uitsluiten (vergelijk bijv. Cass 28 april 2021, P.21.0253.F, R.D.C.-T.B.H., 2024/8, p. 1018-1019).
42.Alle constitutieve bestanddelen van A.1 (zoals verbeterd), A.2 (zoals verbeterd), A.3 (zoals verbeterd), A.4 (zoals verbeterd), A.5 (zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd), C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6 zijn in hoofde van beklaagde X3 BV verenigd. Deze beklaagde dient derhalve als dader van deze feiten te worden aanzien.
- Tenlasteleggingen B.1 tot en met B.5 - Witwassen
43.Onder de verschillende onderdelen van tenlastelegging B worden beklaagden X1 en X2 vervolgd voor witwassen bij inbreuk op artikel 505 eerste lid, 3° en/of 4° Sw.
Beklaagde X1 wordt vervolgd voor de tenlasteleggingen B.1, B.2, B.3 en B.4., beklaagde X2 voor de tenlastelegging B.5.
44.Beklaagde X1 betwist zijn schuld aan de tenlasteleggingen B.1, B.2, B.3 en B.4. Ondergeschikt verzoekt hij om de witgewassen bedragen te beperken zoals de eerste rechter heeft gedaan.
Voor wat betreft beklaagde X2 stelt het hof vast dat zij inzake de tenlastelegging B.5 geen betwisting voert inzake de schuld, wel over de door het openbaar ministerie gevorderde verbeurdverklaring.
45.Artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek vereisen enkel dat de vermogensvoordelen waarop de daarin omschreven gedragingen betrekking hebben, zaken zijn bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek.
Ontdoken inkomstenbelastingen kunnen, als vermogensvoordeel uit het misdrijf belastingontduiking, het voorwerp uitmaken van een witwasmisdrijf. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de eventuele vermenging van die ontdoken belastingen met legaal inkomen, dat kan bestaan uit het saldo van het belastbare inkomen van de betrokken persoon boven de vermelde belasting. Geen enkele wetsbepaling vereist dat die zaken, om het voorwerp van de bedoelde witwasmisdrijven te kunnen uitmaken, bovendien identificeerbaar zijn in het vermogen van de beklaagde.
Wanneer de vervolgde witwashandeling bestaat uit een betaling of bankoverschrijving met geld afkomstig van een dergelijk vermengd vermogen, derwijze dat de ontdoken belastingen slechts een niet nader te bepalen breukdeel betreffen van de overgeschreven geldsom die voor het overige bestaat uit legate inkomsten, oordeelt de rechter onaantastbaar in feite hoe groot het illegale breukdeel is. Het illegale gedeelte moet niet, maar mag wel overeenstemmen met het percentage van de in het totaal ontdoken belastingen op het totale belastbare inkomen van de betrokkene.
46.Het hof oordeelt dat het illegale breukdeel dient te worden bepaald rekening houdend met de door het openbaar ministerie terecht aangehaalde vaststelling dat het overgrote deel van de inkomsten van beklaagden X1 en X2 uit hun activiteiten bij X3 BV niet werd aangegeven in de personenbelasting, wat vaststaat op basis van de vergelijking van de zwarte inkomsten met de door beklaagden X1 en X2 in de personenbelasting wel aangegeven inkomsten. Het hof stipt aan dat de aangegeven inkomsten in de personenbelasting een lager gedeelte vormden dan de verhouding van 3.146.021,85 euro zwarte inkomsten ten opzichte van 2.237.155,91 euro door de vennootschap aangegeven inkomsten / omzet.
In het voordeel van beklaagden X1 en X2 wordt ervan uitgegaan dat slechts 80% van de inkomsten van beklaagden afkomstig waren van zwarte omzet ten tijde van de tenlasteleggingen B.1 tot en met B.5. Daarnaast wordt rekening gehouden met de aanslagen in de personenbelasting die afgerond op 50% van de inkomsten wordt bepaald. Bijgevolg wordt het illegale breukdeel van de afrekeningen en overschrijvingen bedoeld in alle tenlasteleggingen B.1 tot en met B.5. bepaald op 40% (50% van 80%).
Het hof oordeelt dat gelet op de vermenging van de cash gelden in het volledige vermogen van de respectievelijke beklaagden, de specifieke verhouding van de gestorte cash gelden enerzijds tot de gelden van legale oorsprong die werden overgeschreven naar de rekening anderzijds, niet in aanmerking moet worden genomen per rekening voor de bepaling van het illegale breukdeel.
47.De zeer aanzienlijke cashstortingen rechtstreeks naar de rekeningen •••• •••• •••• •••• en •••• •••• •••• •••• op naam van X1, ook deels via cashstortingen op de spaarrekening van X1, en naar de rekening •••• •••• •••• •••• van beklaagde X2 zoals vermeld in de processen-verbaal (nummers 5906/2020 , 1516/2020 817/2021), waarvan het hof aanneemt dat deze afkomstig zijn van zwarte omzet van X3 BV in combinatie met hun zeer beperkte officiële (aangegeven) inkomsten, tonen anderzijds wel aan dat beklaagden de aard en herkomst van deze gelden dienden te verhelen of verhullen om deze te kunnen aanwenden en dat ook gedaan hebben.
Beklaagden hebben bewust deze gelden omgezet door middel van de overschrijving of afrekeningen van kredietkaarten om de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van deze cash stortingen die ten belope van het illegale breukdeel in artikel 42,3° Strafwetboek bedoelde zaken waren, te verhelen of verhullen, met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen. Het hof stipt nog aan dat beklaagden X1 en X2 zonder meer wisten dat deze cash gelden afkomstig waren van zwarte omzet van X3 BV, zoals vermeld onder de beoordeling van tenlasteleggingen A (zoals verbeterd), C en D.
48.Tenlastelegging B.1 heeft betrekking op afrekeningen/betalingen van een MASTERCARD verbonden aan de rekening •••• •••• •••• •••• op naam van X1 voor een totaalbedrag van 63.522,96 euro. Tenlasteleggingen B.2 en B.3 hebben betrekking op overschrijvingen van dezelfde rekening •••• •••• •••• •••• ten bedrage van 5.465,00 euro naar reizen ... voor de betaling van een reis naar Mexico (B.2) en van 4.854,70 euro voor de betaling van een factuur uitgaande van Aston Martin ... (B.3).
Tenlastelegging B.4 heeft betrekking op een overschrijving van 75.535,00 euro vanuit de rekening •••• •••• •••• •••• van beklaagde X1 (voor betaling van de aankoop van een voertuig). Beklaagde verwijst terzake naar een storting op deze rekening van 76.000,00 euro op 3 januari 2018. Deze overschrijving was afkomstig van de verkoop door beklaagde X1 van een beleggingsproduct (Bevek). Zoals de eerste rechter vaststelde, blijkt niet dat dit beleggingsproduct op zijn beurt gefinancierd werd met ontdoken belasting en evenmin dat dit bedrag een andere illegale oorsprong heeft. Het bedrag aangetroffen op deze rekening •••• •••• •••• •••• werd evenwel deels gefinancierd met aanzienlijke cash stortingen ten bedrage van 507.545,00 euro waarvan het hof aanneemt dat deze afkomstig zijn van zwarte omzet van X3 Bv die beklaagde bewust heeft omgezet door middel van de overschrijving om de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van deze cash stortingen die ten belope van het illegale breukdeel in artikel 42,3° Strafwetboek bedoelde zaken waren, to hebben verheeld of verhuld. Het hof wijst daarbij naar de vermenging op de rekening •••• •••• •••• •••• van gelden van legale en illegale oorsprong evenals naar de vermenging in het gehele vermogen van X1 waardoor de overschrijving naar de betreffende rekening van 76.000,00 euro gelden van legale oorsprong, kort daarop gevolgd door de overschrijving van 75.535,00 euro geen afbreuk doet aan de voormelde vaststelling dat beklaagde bewust zwarte omzet van X3 BV heeft omgezet door middel van de overschrijving ten belope van het eveneens reeds voormelde deel van 40% van het bedrag.
49. Gelet op voorgaande elementen worden de tenlasteleggingen in de hierna vermelde mate bewezen verklaard :
Tenlastelegging B.1 wordt in hoofde van beklaagde X1 bewezen verklaard voor een bedrag van 25.409,18 euro (63.522,96 euro x 40%) dat werd witgewassen.
Tenlastelegging B.2 wordt in hoofde van beklaagde X1 bewezen verklaard voor een bedrag van 2.186,00 euro (5.465,00 euro x 40%) dat werd witgewassen.
Tenlastelegging B.3 wordt in hoofde van beklaagde X1 bewezen verklaard voor een bedrag van 1.941,88 euro (4.854,70 euro x 40%) dat werd witgewassen.
Tenlastelegging B.4 wordt in hoofde van beklaagde X1 bewezen verklaard voor een bedrag van 30.214,00 euro (75.535,00 euro x 40%) dat werd witgewassen.
Tenlastelegging B.5 wordt in hoofde van beklaagde X2 bewezen verklaard voor een bedrag van 121.966,36 euro (304.915,90 euro x 40%) dat werd witgewassen.
50.Alle constitutieve bestanddelen van de witwasmisdrijven van de tenlasteleggingen B.1 ten bedrage van 25.409,18 euro, B.2 ten bedrage van 2.186,00 euro, B.3 ten bedrage van 1.941,88 euro en B.4, ten bedrage van 30.214,00 euro zijn in hoofde van beklaagde X1 verenigd. Hij dient derhalve als dader van deze witwasfeiten te worden aanzien.
Alle constitutieve bestanddelen van het witwasmisdrijf van de tenlastelegging B.5 ten bedrage van 121.966,36 euro zijn in hoofde van beklaagde X2 verenigd. Zij dient derhalve als dader van deze witwasfeiten te worden aanzien.
4.2.2.2. Beoordeling van de strafmaat
49.De in hoofde van de beklaagden X1, X2 en X3 BV respectievelijk bewezen verklaarde feiten zijn telkens de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet, zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65, eerste lid Sw. slechts een straf moet worden opgelegd, de zwaarste.
50.De bewezen verklaarde feiten getuigen van totaal gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving en een frauduleuze ingesteldheid met een streven naar oneerlijk winstbejag ten nadele van de eerlijke belastingbetaler en van een criminele ingesteldheid met een gebrek aan respect voor belangen van de burgers om de verschuldigde belastingen betaald te zien en zijn van aard om de normale concurrentieverhoudingen te verstoren.
51.Bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, heeft het hof telkens de volgende doelstellingen nagestreefd:
1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de
overtreding van de strafwet;
2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het
herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;
3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de
dader;
4° het beschermen van de maatschappij.
Binnen de grenzen van de wet moet het hof naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken. Alvorens een straf uit te spreken, heeft het hof deze doelstellingen in overweging genomen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.
Het hof heeft bij de straftoemeting in hoofde van alle respectievelijke beklaagden eveneens telkens rekening gehouden met de door hen verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen om te vermijden dat de beklaagden aan een onredelijk zware straf zouden worden onderworpen, onder meer bij toepassing van artikel 450bis, eerste lid WIB92 en artikel 73bis/1 van het Btw-Wetboek.
Beklaagde X1
52.Beklaagde X1 werd voorheen reeds vier maal veroordeeld door de politierechtbank, en heeft dus een relatief ongunstig strafrechtelijk verleden.
Het hof gaat niet in op de vraag van beklaagde X1 tot het toekennen van opschorting of het toekennen van een ruimer uitstel voor de hierna opgelegde bestraffing, omdat dit bij beklaagde niet zou leiden tot een voldoende bewustwording van de ernst van de door hem gepleegde feiten en onvoldoende zou bijdragen aan het vermijden van recidive bij beklaagde, wat bij uitstek past binnen het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van beklaagde.
51.De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete zijn noodzakelijk rekening houdende met de nagestreefde doeleinden van de bestraffing, de ernst van de feiten, het uitgebreid en langdurig karakter van de feiten en de omstandigheden
waarin deze werden gepleegd, de persoon van de beklaagde en zijn relatief ongunstig strafrechtelijk verleden.
Het hof stelt vast dat de feiten werden gepleegd zowel voor als na 1 januari 2017.
56. De geldboete heeft tot doel beklaagde te raken in zijn vermogen en dient beklaagde te doen inzien dat crimineel gedrag nooit lonend mag zijn. De duur van de vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete.
Mede gelet op de verbeurdverklaring en de fiscale belastingverhogingen (WIB92) is de opgelegde geldboete afdoende punitief om de doeleinden van de straftoemeting te realiseren. Het hof maakt toepassing van artikel 450bis, eerste lid WIB. Op deze wijze geeft het hof invulling aan de wil van de wetgever om onder de gestroomlijnde vervolging waarbij de fiscus voor de strafrechter een autonome fiscale vordering stelt, maximaal rekening te houden met het geheel van de opgelegde straffen, zowel deze voorzien door het Strafwetboek als de fiscale belastingverhogingen en boetes met een penaal karakter. Het hof verleent voor deze geldboete geen uitstel, waarbij in overweging wordt genomen dat de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk.
Beklaagde X1 werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99 bis van het strafwetboek. Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar, uitgezonderd de reeds ondergane hechtenis. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten de beklaagde aanzetten tot gedragsverbetering.
Het is aangewezen om aan beklaagde X1, gelet op de aard en de ernst van de voorheen bewezenverklaarde feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 5 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te worden nageleefd.
57.Beklaagde blijft overigens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de totale in dit arrest opgelegde bestraffing zijn toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
- Beklaagde X2
58.Beklaagde X2 werd voorheen reeds twee maal veroordeeld door de politierechtbank, en heeft dus een relatief ongunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde verwijst in de namens haar neergelegde syntheseconclusie naar verzachtende omstandigheden bedoeld in artikel 85 Sw. Het hof stelt niet het bestaan vast van omstandigheden die zouden toelaten om een straf op te leggen beneden de minimumstraf.
59.De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete zijn noodzakelijk rekening houdende met de nagestreefde doeleinden van de bestraffing, de ernst van de feiten, het uitgebreid en langdurig karakter van de feiten en de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoon van de beklaagde en haar relatief ongunstig strafrechtelijk verleden.
De geldboete heeft tot doel beklaagde te raken in haar vermogen en dient beklaagde te doen inzien dat crimineel gedrag nooit lonend mag zijn. De duur van de vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete.
Het hof stelt vast dat de feiten werden gepleegd zowel voor als na 1 januari 2017.
Mede gelet op de verbeurdverklaring en de belastingverhogingen (WIB92) is de opgelegde geldboete afdoende punitief om de doeleinden van de straftoemeting te realiseren zonder een onredelijke zware straf op te leggen. Het hof maakt toepassing van artikel 450bis, eerste lid WIB 92. Op deze wijze geeft het hof invulling aan de wil van de wetgever om onder de gestroomlijnde vervolging waarbij de fiscus voor de strafrechter een autonome fiscale vordering stelt, maximaal rekening te houden met het geheel van de opgelegde straffen, zowel deze voorzien door het Strafwetboek als de fiscale belastingverhogingen en boetes met een penaal karakter. Het hof verleent voor deze geldboete geen uitstel, waarbij in overweging wordt genomen dat de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk.
Beklaagde X2 werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99 bis van het strafwetboek. Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar, uitgezonderd de reeds ondergane hechtenis. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten de beklaagde aanzetten tot gedragsverbetering.
Het hof verleent geen ruimer uitstel, omdat dit bij beklaagde niet zou leiden tot een voldoende bewustwording van de ernst van de door haar gepleegde feiten en onvoldoende zou bijdragen aan het vermijden van recidive bij beklaagde, wat bij uitstek past binnen het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van beklaagde. Het hof stipt nog aan dat beklaagde eveneens verwijst naar uitstelt gekoppeld aan probatievoorwaarden. Het hof oordeelt evenwel dat geen in hoofde van beklaagde geen specifieke werkpunten voorliggen waaraan zou kunnen worden gewerkt door het opleggen van voorwaarden in kader van probatie-uitstel. Beklaagde vermeldt ook geen voldoende concrete werkpunten en stelt zelf geen voorwaarden voor.
60. Het is aangewezen om aan beklaagde X2, gelet op de aard en de ernst van de voorheen bewezenverklaarde feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een cooperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in Belgie, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoordineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 5 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te werden nageleefd.
Beklaagde blijft overigens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de totale in dit arrest opgelegde bestraffing haar toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
- Beklaagde X3 BV
61. Beklaagde X3 BV heeft een blanco en dus gunstig strafrechtelijk verleden
62.. De hierna bepaalde geldboete is gepast rekening houdende met de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de maatschappelijke toestand en het gunstig strafrechtelijk verleden van beklaagde.
Het hof stelt vast dat de feiten werden gepleegd zowel voor als na 1 januari 2017.
63. Mede gelet op de verbeurdverklaringen, de belastingverhogingen inzake inkomstenbelastingen en de proportionele administratieve boete inzake Btw opgelegd aan beklaagde, is de opgelegde geldboete afdoende punitief om de doeleinden van de straftoemeting te realiseren zonder een onredelijke zware straf op te leggen. Het hof maakt toepassing van artikel 450bis, eerste lid WIB 92 en 73bis/1 BTW-wetboek. Op deze wijze geeft het hof invulling aan de wil van de wetgever om onder de gestroomlijnde vervolging waarbij de fiscus voor de strafrechter een autonome fiscale vordering stelt, maximaal rekening te houden met het geheel van de opgelegde straffen, zowel deze voorzien door het Strafwetboek als de fiscale belastingverhogingen en boetes met een penaal karakter. Het hof verleent voor deze geldboete geen uitstel, waarbij in overweging wordt genomen dat de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk, zelfs al werden de zwarte gelden naar de zaakvoerders doorgesluisd.
Verbeurdverklaringen
64.Het openbaar ministerie legde een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring neer gedateerd op 5 mei 2022. Daarin worden volgende verplichte verbeurdverklaringen gevorderd op basis van artikel 505 Sw:
lastens X1 een geldsom van 149.377,66 EUR op basis van tenlasteleggingen B.1 tot en met B.4.
lastens X2 een geldsom van 304.915,90 EUR op basis van tenlastelegging B.5.
65.Zo die zaken, zoals in voorliggend geval, niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag. Deze verbeurdverklaring is verplicht uit te spreken ook al geschiedt deze, zoals in voorliggend geval, bij equivalent.
Artikel 505, zesde lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter het bedrag van de verbeurdverklaring per equivalent van het voorwerp van het witwasmisdrijf kan verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt.
66.Gelet op de aard en de ernst van de feiten B.1 ten bedrage van 25.409,18 euro, B.2 ten bedrage van 2.186,00 euro, B.3 ten bedrage van 1.941,88 euro, B.4, ten bedrage van 30.214,00 euro in hoofde van beklaagde X1 en van het feit B.5, ten bedrage van 121.966,36 euro in hoofde van beklaagde X2, die ertoe strekten de opbrengsten van een systematische en jarenlange belastingontduiking waarbij meer dan 3 miljoen euro aan zwarte inkomsten werden verborgen gehouden, de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd, de belangrijke rol van beklaagden en het financieel oogmerk waarmee beklaagden
X1 en X2 handelden, is de verbeurdverklaring van de volledige bedragen waarvoor de tenlasteleggingen bewezen worden verklaard niet onredelijk zwaar, eveneens rekening houdend met onder meer het geheel van de andere aan deze beklaagden opgelegde gevangenisstraffen, geldboetes en administratieve geldboetes. De verbeurdverklaring bij toepassing van artikel 505, zesde lid Sw, dient niet te worden gemilderd. Deze bestraffing is proportioneel aan de gepleegde feiten.
67.Daarnaast wordt door het openbaar ministerie de verbeurdverklaring gevorderd lastens alle beklaagden op basis van artikel 42, 3e en 43bis Sw. van de ontdoken personen- en vennootschapsbelastingen, en de niet-afgedragen Btw, desgevallend te verminderen met de verplichte verbeurdverklaring wegens witwas, begroot op volgende bedragen :
Personenbelasting: 1.586.866,13 euro
- Vennootschapsbelasting : 993.933,70 euro
- BTW : 546.003,97 euro.
Het hof verklaart de vermogensvoordelen voortvloeiende uit de misdrijven van tenlastelegging C en D evenwel niet verbeurd. De tussenkomende partij stelt immers eveneens een autonome fiscale vordering voor dezelfde ontdoken inkomstenbelasting en btw. Om geen onredelijk zware bestraffing op te leggen worden deze vermogensvoordelen niet tegelijk ook nog strafrechtelijk verbeurd verklaard.
4.2.3. Beoordeling op fiscaal gebied
4.2.3.1. Toelaatbaarheid van de vordering van de tussenkomende partij.
68.Artikel 4 bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering (VT Sv) bepaalt dat in geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3 en 29bis van het Wetboek van strafvordering (Sv), de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis neemt van de burgerlijke vordering tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren. Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak.
Zodra de burgerlijke vordering aanhangig is bij de strafrechter, worden de procedures voor de burgerlijke rechtbanken, die betrekking hebben op dezelfde vordering, beeindigd en verder gezet voor de strafrechter.
69.Beklaagde X2 voert aan dat de burgerlijke fiscale vordering van de vrijwillig tussenkomende partij voor de strafrechter in casu ontoelaatbaar is wegens een gebrek aan belang omdat voor de namens haar en beklaagde X1 gevorderde personenbelasting voor de verschillende aanslagenjaren 2015 tot en met 2020 aanslagen werden ingekohierd, waardoor de vrijwillig tussenkomende partij reeds over een uitvoerbare titel beschikt.
70.Het hof stelt vast dat de vrijwillig tussenkomende partij, ook ten tijde van het instellen van haar vordering ten opzichte van de beklaagden X1 en X2 slechts over een titel beschikte die nog het voorwerp uitmaakte van een bij de burgerlijke rechter aanhangige betwisting voor wat betreft alle aanslagen in de personenbelasting in hoofde van deze beklaagden waarop de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij ten aanzien van hen betrekking heeft. Beklaagden X1 en X2 hebben bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 1385undecies Ger.W. een voorziening in rechte ingeleid tegen de aan dit hof voorgelegde aanslagen personenbelasting bij de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt. De vrijwillig tussenkomende partij had er minstens nog belang bij om een definitieve beslissing met kracht van gewijsde na te streven ter bevestiging van de in hoofde van beklaagden ingekohierde belastingen. Het hof stipt aan dat ook de vorderingen ten opzichte van X3 BV nog konden worden betwist en niet het voorwerp uitmaakten van enige definitieve beslissing met kracht van gewijsde.
De vrijwillig tussenkomende partij maakt louter gebruik van een door artikel 4bis VT Sv duidelijk voorziene mogelijkheid om een vordering in te stellen voor de strafrechter en daardoor procedures voor de burgerlijke rechtbanken, die betrekking hebben op dezelfde vordering, verder te zetten voor de strafrechter. Dat de vordering bij toepassing van artikel 4bis VT Sv ook betrekking kan hebben op belastingen die reeds werden ingekohierd, wordt geenszins uitgesloten door de tekst of strekking van deze bepaling. In de uiteenzetting door een van de sprekers die heeft meegewerkt aan de voorbereiding van het wetsvoorstel in de voorbereidende werken werd bijvoorbeeld nog uitdrukkelijk bevestigd inzake de toepassing van artikel 4bis VT Sv dat ingeval er voor de einduitspraak al een inkohiering is gebeurd, het rechterlijk vonnis in de plaats komt van deze beslissing (Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 54-3515/00, 92).
De vordering van de vrijwillig tussenkomende partij is toelaatbaar.
71.Beklaagde X2 verwijst naar de vermelding in artikel 4bis V.T. Sv. van de "betaling van de belasting", wat betrekking zou hebben op de invordering van belastingen.
Met "betaling van de belasting" zou immers verwezen worden naar TITEL II, HOOFDSTUK 2 van het Wetboek van de Minnelijke en Gedwongen Invordering van Fiscale en Niet Fiscale Schuldvorderingen (WMGI), dat handelt over "De betalingen" van fiscale schuldvorderingen. Bijgevolg zou de bevoegdheid van de strafrechter op grond van artikel 4bis VTSv beperkt blijven tot vorderingen met betrekking tot de artikelen 15 tem 18 WMGI.
72.Het hof oordeelt evenwel dat de strafrechter op basis van artikel 4bis VTSv dient te oordelen over de verschuldigde bedragen inzake belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren, en dus over de verplichting tot betaling daarvan.
Artikel 4bis VTSv verwijst geenszins naar de artikelen 15, 16, 17 en 18 WMGI. De loutere verwijzing in artikel 4bis VTSv. naar de term 'betaling' die eveneens wordt gebruikt in het WMGI, doet daaraan geen afbreuk. De bedoeling van bij de invoering van artikel 4bis VTSv was om een vordering te voorzien voor de fiscale administratie om de betaling te bekomen van de belastingen, opcentiemen en opdeciemen de erop betrekking hebbende verhogingen, boetes, en toebehoren. Dit werd in het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van dit artikel als volgt bevestigd (Wetsvoorstel houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 54-3515/001, 110):
"Het artikel 81 van [het] voorliggende wetsvoorstel voegt een artikel 4bis toe aan de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Als het Openbaar Ministerie beslist de feiten die hem op basis van artikel 29, §§ 2 [en] 3, van het Wetboek van Strafvordering werden ter kennis gebracht, te vervolgen moet de fiscale administratie voor dezelfde rechter een burgerlijke vordering kunnen instellen om de betaling te bekomen van de belastingen, opcentiemen en opdeciemen de erop betrekking hebbende verhogingen, boetes, en toebehoren."
en
"Dit zal toelaten dat te alien tijde, dus ook bij vrijspraak van de fiscale misdrijven, voor dezelfde rechter een volwaardig fiscaal debat over het verschuldigde bedrag kan worden gevoerd [...]."
Het hof heeft dan ook, anders dan beklaagde aanvoert, de rechtsmacht om te oordelen over argumenten die het bestaan zelf van de belasting en de totstandkoming van de belasting aanbelangen, waarbij beklaagden middelen en argumenten ter beoordeling hebben kunnen voorleggen in het kader van een "volwaardig fiscaal debat over het verschuldigde bedrag".
4.2.3.2. Beoordeling van de vordering van de tussenkomende partij.
73. Beklaagden voeren een schending aan van artikel 333, derde lid WIB 92. Zij voeren aan dat artikel 333, tweede lid WIB92 bepaalt dat de administratie haar fiscale onderzoeksbevoegdheden mag uitoefenen tijdens het belastbaar tijdperk en gedurende een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar, en slechts indien zij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die in zijn/haar hoofde bestaan voor het bedoeld tijdperk, binnen de aanvullende termijn van 4 jaar.
Beklaagden verwijzen naar de kennisgeving met de aanwijzingen van belastingontduiking van 15 april 2021, terwijl toen reeds vier maal inzage was genomen door de administratie in het strafdossier, meer bepaald op 14 september 2020, 27 januari 2021 en tweemaal op 15 april 2021. Voor zover de eerste inzage in het strafdossier niet zou kwalificeren als een onderzoeksdaad zou dat minstens gelden voor de volgende inzages.
De inzage in het strafdossier zou dan ook telkens kwalificeren als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB92, en werd niet voorafgegaan door een kennisgeving bedoeld in artikel 333, derde lid WIB92.
Artikel 333 WIB 92 zoals in casu van toepassing voor de betreffende aanslagjaren , luidt als volgt :
"Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte
ald.
Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid en in de termijn bedoeld in artikel 354, vijfde lid.
Zij mogen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede en derde lid, bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. 1....1"
74.De aanvraag tot inzage en de inzage van een gerechtsdossier door de administratie, met toepassing van artikel 327 WIB92, is evenwel geen onderzoeking in de zin van artikel 333 WIB92, daar die inzage het mogelijk maakt over de noodzaak van een nieuw onderzoek te beslissen, ongeacht of het om herhaaldelijk nemen van inzage gaat en of de betreffende inzage telkens al dan niet betrekking heeft op een bepaalde belastingplichtige. De elementen waar beklaagden nog naar verwijzen, waaronder het overmaken op 27 november 2019 van documenten aan de Federale Gerechtelijke Politie, afdeling witwas en de berichten in de media na de huiszoeking van 17 juni 2020 waarvan de administratie kennis had kunnen nemen, doen daaraan geen afbreuk. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar het "gevaar voor de rechten van de schatkist" vermeld door de administratie in haar verzoek tot inzage van 19 augustus 2020.
75.Alle door beklaagden aangehaalde elementen brengen niet met zich dat enige inzage door de fiscale administratie niet zou gebeurd zijn om het voor de administratie mogelijk te maken over de noodzaak van een nieuw onderzoek te beslissen.
Het hof stelt dan ook geen inbreuk op artikel 333 WIB92 vast.
4.2.3.3. Beoordeling ten gronde
76.Het hof stelt vast dat de cijfermatige begroting van de belastbare inkomsten en maatstaf van heffing niet worden betwist door beklaagden behoudens voor wat betreft de mogelijke vrijstelling inzake Btw. Deze bedragen zijn gebaseerd op de
zwarte omzet gegenereerd door X3 Bv, zoals deze blijken uit de in dit arrest bewezen verklaarde feiten en werden door de vrijwillig tussenkomende partij correct begroot.
Het hof oordeelt dat de zwarte omzet verkregen van X3 BV door X1 en X2, die zij als bedrijfsleiders van deze vennootschap naar zichzelf in cash hebben doorgesluisd, in hun hoofde kwalificeert als een vorm van bedrijfsleidersbezoldiging bedoeld in artikel 32 WIB92 en als zodanig dient te worden belast.
Deze omzet die niet in de boekhouding werd opgenomen, dient zoals ook hierna verder uiteengezet, in hoofde van beklaagde X3 BV te worden belast als een verdoken meerwinst en dient als verworpen uitgave te worden belast in de vennootschapsbelasting.
- Dubbele belasting
77.Beklaagden X1 en X2 voeren een schending aan van het fiscaal non bis in idem beginsel, op basis waarvan eenzelfde inkomen slechts een keer zou kunnen worden belast. Indien dit inkomen wordt belast in de vennootschapsbelasting, dan zou een ontheffing dienen te volgen in de personenbelasting en omgekeerd.
De combinatie van de aanslagen waarvan de bevestiging wordt gevraagd door de vrijwillig tussenkomende partij, in hoofde van X3 BV enerzijds en in hoofde van de natuurlijke personen X1 en X2 anderzijds, zou een schending vormen van dit beginsel.
Hierbij kan volgens X2 verwezen worden naar artikel 1 WIB92 dat stelt dat inkomstenbelastingen worden geheven op het totale inkomen van rijksinwoners in de personenbelasting en op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen in de vennootschapsbelasting.
78.Beklaagde X1 voert nog aan dat zolang de inkomsten die hij ontvangen heeft uit de 'verdoken meerwinsten', niet fiscaal als beroepskosten worden aanschouwd waardoor de aanslag in de vennootschapsbelasting met deze 'kost' van bestuurdersbezoldiging wordt verminderd, er sprake is van dubbele belasting.
79.Beklaagde X3 BV verwijst naar de argumentatie die door beide andere beklaagden werd ontwikkeld, en dewelke mutatis mutandis ook voor de vennootschap zou gelden. Beklaagde verwijst specifiek naar het argument betreffende de dubbele belasting dat beklaagden X1 en X2 aanhalen. Zolang de inkomsten die de vennootschap ontvangen heeft uit de verdoken meerwinsten, niet fiscaal als beroepskosten worden beschouwd, is sprake van dubbele belasting, namelijk volledige belasting in de personenbelasting en volledige belasting in de vennootschapsbelasting.
80.Het hof stelt vast dat geen algemeen fiscaal non bis in idem beginsel bestaat waarvan beklaagden, in het bijzonder X2, het bestaan voorhouden zonder andere onderbouwing dan een verwijzing naar artikel 1 WIB92. Het bestaan van dergelijk beginsel of een daarmee overeenstemmende wettelijke bepaling kan ook niet worden afgeleid uit de tekst van artikel 1 WIB92, waar enkel de verschillende inkomstenbelastingen in zeer algemene termen worden vermeld, zonder verwijzing naar een verbod om hetzelfde inkomen dubbel to belasten.
Het bestaan van een economische dubbele belasting door de combinatie van een aanslag in de vennootschapsbelasting en een aanslag in de personenbelasting zoals in casu ter beoordeling voorgelegd door de tussenkomende partij, verhindert het vestigen van de aanslag in de personenbelasting niet, vermits de beide aanslagen geenszins elkaar wettelijk uitsluiten.
81.Beklaagde X2 verwijst eveneens naar de uitzonderingsbepaling van artikel 219 WIB92 die conform de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 26 september 2019 wel degelijk zou kunnen worden toegepast en een bijkomend argument zou vormen tegen de dubbele taxatie die de administratie heeft doorgevoerd.
82.Verdoken meerwinsten zijn de door de administratie vastgestelde, verzwegen of verborgen gehouden winsten die niet begrepen zijn in het boekhoudkundig resultaat van de vennootschap en derhalve evenmin onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap kunnen worden teruggevonden (vergelijk bijv. Cass. 20 februari 2014, F.12.0132.N, Arr.Cass. 2014, nr. 132, p. 466).
Op basis van de stukken van het strafdossier staat vast dat inkomsten werden gegenereerd door X3 Bv die weliswaar op systematische wijze werd bijgehouden op documenten buiten de boekhouding maar waarbij deze inkomsten geenszins werden opgenomen in de boekhouding van deze vennootschap. Bijgevolg staat het bestaan vast van winsten die niet begrepen zijn in het boekhoudkundig resultaat van de vennootschap X3 Bv (nu X3 Bv) en derhalve evenmin onder de bestanddelen van het vermogen van deze vennootschap kunnen worden teruggevonden. Dergelijke verdoken meerwinsten zijn onderworpen aan de aanslag voorzien in artikel 219 WIB92. De uitzonderingen op de toepassing van de aanslag voorzien in artikel 219 WIB92, hebben geenszins betrekking op verboden meerwinsten, wel op onder meer, onder de in artikel 219 lid 7 WIB 92 zoals van toepassing op het geschil (lid 6 in de huidige versie) bepaalde voorwaarden, niet-verantwoorde kosten en voordelen van alle aard.
Wanneer zowel een aanslag in hoofde van de vennootschap, als een aanslag in hoofde van de verkrijger wordt gevestigd, kan de verkrijger de aanslag in zijnen hoofde bovendien in geen enkel geval betwisten onder verwijzing naar enige bepaling van artikel 219 WIB92. Artikel 219 lid 6 en lid 7 WIB92 zoals van toepassing (in de huidige versie lid 5 en 6) verwijzen enkel naar gevallen waarin de aanslag op basis van artikel 219 WIB92 niet kan worden toegepast, dus in hoofde van de vennootschap en niet van de verkrijger. Het hof stipt nog aan dat de verwijzingen door beklaagde X1 naar het beweerdelijk recht op aftrek in hoofde van de vennootschap X3 BV, geen betrekking hebben op de in zijn hoofde gevestigde aanslag in de personenbelasting.
Geen uitzonderingsbepaling voorzien in artikel 219 WIB92 kan dan ook worden toegepast. Het hof stipt volledigheidshalve aan dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 september 2019 geenszins volgt dat de uitzonderingsbepalingen van artikel 219 WIB92 van toepassing zouden zijn op verdoken meerwinsten. Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 4 oktober 2018, (nr. 123/2018) kan in elk geval niet worden afgeleid dat de uitzonderingsbepalingen van artikel 219 WIB92 ook zouden moeten worden toegepast op verdoken meerwinsten. Beklaagden voeren ook niet aan dat deze op verdoken meerwinsten zouden moeten worden toegepast, al dan niet gelet op de combinatie met belasting als verworpen uitgaven minstens niet op eenduidige wijze, en stellen terzake minstens geen prejudiciele vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof voor. Het hof kan ook niet vaststellen dat terzake het Grondwettelijk Hof zou moeten worden bevraagd.
83.De verdoken meerwinsten die niet worden teruggevonden onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap moeten ten aanzien van de vennootschap die ze heeft gerealiseerd, in aanmerking worden genomen in het licht van de regels die van toepassing zijn op de gewone aanslag in de vennootschapsbelasting. Krachtens artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.
Aangezien de verdoken meerwinsten niet worden teruggevonden onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap, zijn deze specifieke en werkelijke uitgaven waarvan de aftrekbaarheid bijgevolg onderworpen is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 92. Het hof stipt nog aan dat artikel 197, eerste lid WIB92, ook in de versie zoals vervangen bij wet van 19 december 2014 en voor de wijziging ervan bij wet van 20 november 2022, geen afwijking inhoudt van de regel dat verdoken meerwinsten moeten worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven, tenzij de belastingplichtige aantoont dat de gedane uitgaven beantwoorden aan artikel 49 WIB92 (vergelijk bijv. Cass. 29 november 2024, F.23.0046.N).
84.Het hof stelt terzake vast dat beklaagde X3 BV louter verwijst naar de voorgehouden economische dubbele belasting door het belasten als verworpen uitgaven van de zwarte omzet bij de vennootschap en het belasten bij de natuurlijke personen van de zwarte omzet als bedrijfsleidersbezoldiging. Beklaagde X3 BV voert evenwel niet aan dat effectief aftrekbare kosten zouden voorliggen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 92, laat staan dat dit zou worden aangetoond. Het bestaan van een economische dubbele belasting door de combinatie van een aanslag in de vennootschapsbelasting (met aanslag geheime commissielonen en verworpen uitgaven) en een aanslag in de personenbelasting zoals in casu ter beoordeling voorgelegd door de tussenkomende partij, verhindert het vestigen van de aanslag in de personenbelasting niet, vermits de beide aanslagen geenszins elkaar wettelijk uitsluiten.
De vaststelling dat in hoofde van de bedrijfsleiders bedragen worden belast als bedrijfsleidersbezoldiging, brengt niet met zich dat deze bedragen daarom meteen ook op basis van artikel 195 W1B92, waar beklaagde X1 nog kort naar verwijst, als aftrekbaar zouden kunnen worden beschouwd.
Evenredigheid - recht op eigendom artikel 1 eerste protocol EVRM
- In hoofde van beklaagden X1 en X2
85.Beklaagde X2 voert aan dat het opleggen van een belastingverhoging van 50% in de personenbelasting dermate afbreuk zou doen aan haar financiële situatie, dat ze een onevenredige maatregel vormt ten aanzien van het ermee nagestreefde wettig doel. Beklaagde X2 voert terzake een schending aan van het evenredigheidsbeginsel en van het eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1, Eerste protocol EVRM.
Het hof stelt vast dat beklaagden X1 en X2 blijk hebben gegeven van een bewust volgehouden poging om jarenlang inkomsten aan de inkomstenbelasting te onttrekken zodat zij met bedrieglijk opzet inbreuken hebben gepleegd op het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of van ter uitvoering ervan genomen besluiten. Zij hebben doelbewust zeer omvangrijke bedragen aan inkomsten proberen verborgen te houden voor de belastingadministratie, waarbij de inkomsten die door hen niet werden aangegeven in de personenbelasting aanzienlijk hoger waren dan de bedragen die door hen wel werden aangegeven. Gelet op alle relevante factoren waaronder de bijzondere zwaarte van de inbreuken is de aan beklaagden opgelegde bestraffing, waarvan de belastingverhoging van 50% voor de aanslag in de personenbelasting een onderdeel vormt, geenszins disproportioneel, zelfs rekening houdend met de zeer aanzienlijke impact op de financiële situatie van beklaagden X1 en X2.
Daarbij ligt geen schending voor van het evenredigheidsbeginsel en/of van het eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1, Eerste protocol EVRM.
- In hoofde van X3 BV
86.Het hof onderkent dat de in de tabellen A tot J van de bijlage bij het KB nr. 41 opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De belastingadministratie is hierdoor zelf gebonden door de sanctie van het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting voorzien in artikel 70, §1 BTW-Wetboek.
Het hof is echter ertoe gehouden, ingevolge het verweer van X3 BV, waarbij wordt verwezen naar de argumenten van de andere beklaagden, om na te gaan of de administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1 BTW-Wetboek verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginseien. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de (straf)rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter kan daarbij evenwel geen vermindering of kwijtschelding toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene — zonder daarbij uit het oog te verliezen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie (in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid in acht moet nemen). De rechter ontleent dit toetsingsrecht aan het vereiste van toetsing met voile rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM.
Door de invoering van artikel 4bis VTSv. wou de wetgever bovendien voorzien in een gestroomlijnd, geïntegreerd, samenhangend systeem, waarbij de strafrechter die moet oordelen over een fiscale vordering gesteld door de fiscus als tussenkomende partij, onafhankelijk en onpartijdig oordeelt met voile rechtsmacht, zowel over de strafrechtelijke als de administratieve sancties.
De vrijwillig tussenkomende partij legt in hoofde van beklaagde X3 Bv niet alleen kohieren in de vennootschapsbelasting ter beoordeling voor, maar ook een titel voor de ontdoken BTW — waarbij de fiscus telkens een administratieve sanctie in de vorm van een belastingverhoging van 50% vordert en inzake BTW een proportionele administratieve boete van 200%. Het hof oordeelt dat beide sancties naast elkaar mogen worden opgelegd, maar waarbij toch rekening moet worden gehouden met het geheel aan sancties dat aan beklaagde wordt opgelegd.
Een boete van 50% als administratieve sanctie inzake de BTW is noodzakelijk, passend en niet disproportioneel, rekening houdende met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van alle in onderhavig arrest tegelijk opgelegde sancties, rekening houdend met de weerslag van (het geheel van) de in onderhavig arrest tegelijk opgelegde administratieve en strafrechtelijke sancties.
Het hof legt aan X3 BV derhalve inzake de BTW slechts een boete op ten belope van 50%, zodat de ter beoordeling voorgelegde titel inzake Btw voor wat betreft de proportionele boete slechts wordt bevestigd door het hof in de mate dat een proportionele geldboete van 50% wordt opgelegd.
Gelet op de beperking van de proportionele geldboete ligt geen schending meer voor van het evenredigheidsbeginsel en/of van het eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1, Eerste protocol EVRM door het opleggen van de belastingverhoging en proportionele geldboete.
87.Het hof stelt nog vast dat voor geen van de aan beklaagden X1, M•••••• en X3 BV opgelegde administratieve belastingverhogingen en geldboetes in de door de vrijwillig tussenkomende partij ter beoordeling voorgelegde kohieren en titels, aanleiding bestaat om uitstel te verlenen, ook al heeft de wetgever niet in die maatregel voorzien. Het hof wijst terzake op de financiële drijfveren en de aanzienlijke omvang en het jarenlang volgehouden karakter van de fraude inzake inkomstenbelastingen en Btw.
4.2.4 Kosten en rechtsplegingsvergoeding
4.2.4.1 Ambtshalve beoordelingen
88.De bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders moet worden opgelegd bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf. De huidige veroordeling door het hof komt in de plaats van deze door de eerste rechter. Beklaagden dienen thans elk verplicht te worden tot betaling van een bijdrage van 200,00 euro.
89.De forfaitaire vergoeding in de beheerskosten van de rechtsbedeling veroorzaakt door het misdrijf waaraan beklaagde schuldig is bevonden, is slechts eenmaal op te leggen in dezelfde zaak, namelijk bij de beslissing waarbij het aan een beklaagde ten laste gelegde feit bewezen worden verklaard.
Gezien dit reeds deels het geval was voor beklaagde X1 in het bestreden vonnis, wordt hij thans niet verplicht tot het betalen van de forfaitaire vergoeding.
90.De bijdrage voor de financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand moet worden opgelegd bij iedere veroordeling van een beklaagde door een strafgerecht. De huidige veroordeling door het hof komt in de plaats van deze door de eerste rechter.
Beklaagden dienen thans elk verplicht te worden tot betaling van een bijdrage voor de financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 26,00 euro.
91.Mr. T.O., lasthebber ad hoc van X3 BV legde een kostennota neer ter griffie waarin hij verzocht om de erelonen betreffende zijn prestaties voor de procedure in hoger beroep als gerechtskosten te begroten.
Beklaagden dienen hoofdelijk te worden veroordeeld tot de gerechtskosten, waaronder deze opgenomen in de kostennota van de voorlopig bewindvoerder te bedrage van 2.842 euro. De begroting van de erelonen en kosten in deze kostennota komt niet onredelijk voor en wordt door beklaagden niet betwist.
4.2.4.2 Rechtsplegingsvergoeding
92.De vorderingen van de vrijwillig tussenkomende partij betreft in totaliteit een bedrag boven 1.000.000,01 euro, zodat inzake rechtsplegingsvergoeding de desbetreffende tarieven van toepassing zijn. Er bestaat geen aanleiding om of te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
93.Uit artikel 162bis Wetboek van Strafvordering in samenhang gelezen met artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek volgt dat wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van een burgerlijke partij, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij.
94. Er dient aan de vrijwillig tussenkomende partij derhalve een rechtsplegingsvergoeding van 22.500 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 23.546,51 euro voor de procedure in graad van beroep to worden toegekend.
5. Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen:
11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935,
162, 162bis, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 201, 202, 203, 203bis, 204, 210, 211 en 211bis van het Wetboek van Strafvordering,
1, 2, 3, 5, 7, Ibis, 25, 38, 40, 41bis, 42,3°, 43bis, 44, 45, 50, 65, 66, 100, 505, eerste lid, 3° en 4°, 505, zesde lid van het Strafwetboek,
305 t/m 310, 449 en 450 lid 1, 450bis, eerste lid W.I.B.,
-53 §1, 2° en 3°, 73, 73bis/1 Wetboek van de BTW,
- 1 van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934,
1 en 8 van de wet van 29 juni 1964,
1382, 1383 oud BW,
3 en 4 van de wet van 17 april 1878,
1022 Ger.W; wet van 21 april 2007 en K.B. van 26 oktober 2007,
1 van de wet van 5 maart 1952,
36 van de wet van 7 februari 2003,
28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985,
58 van het K.B. van 18 december 1986,
91 van het K.B. van 28 december 1950,
6 van het K.B. van 26 april 2017,
- 4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017,
6. Beslissing
Het hof,
Beslist op grond van de hogervermelde redenen, binnen de perken van de hoger beroepen en de grieven, op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep van beklaagde X1 ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van beklaagde X3 BV ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van beklaagde X2 ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten opzichte van beklaagden X1, X2 en X3 BV ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van de vrijwillig tussenkomende partij Belgische Staat, FOD Financiën ontvankelijk in de mate dat het hoger beroep betrekking heeft op de zelfstandige fiscale vordering van de Belgische Staat en niet ontvankelijk voor het overige.
Opnieuw recht doende binnen de begrensde omvang van de hoger beroepen zoals bepaald onder randnummer 4.2.1. van dit arrest.
6.1. Op strafrechtelijk gebied
Recht doende met eenparigheid van stemmen.
Verbetert de aanhef van tenlastelegging A:
"A. Bij inbreuk op de artikelen 449 en 450 eerste lid van het wetboek van de inkomstenbelastingen, met het oogmerk om, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd en/of met hetzelfde oogmerk van een zodanig vals geschrift gebruikt te hebben gemaakt, namelijk :
(art. 449 en 450 lid 1 WIB)
door de boekhouding van X3 BV, ondernemingsnummer ..., systematisch te hebben vervalst en/of te hebben laten vervalsen, zodat deze nimmer de ware toestand van activa en passiva weergaf, en met name door het niet opnemen/laten opnemen in de boekhouding van bepaalde omzet/inkomsten betrekking hebbende op de activiteit van deze vennootschap, met het bedrieglijk opzet om via deze activiteit werkelijk verwezenlijkte belastbare inkomsten te verdoezelen voor de aanslagjaren 2015 tot en met 2020 teneinde alzo minder belastingen te moeten betalen (zoals nader omschreven onder de tenlasteleggingen C1, C2, C3, C4, C5 en C6) en met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt van deze vervaiste boekhouding als grondslag voor de jaarrekeningen van X3 BV en/of als onderliggende stukken in de belastingaangiften, namelijk het niet-boeken of niet geheel boeken van de volgende ontvangen inkomsten :"
- Betreffende X1
Verklaart beklaagde X1 schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten onder de tenlasteleggingen :
B.1 ten bedrage van 25.409,18 euro,
B.2 ten bedrage van 2.186,00 euro
B.3 ten bedrage van 1.941,88 euro
B.4, ten bedrage van 30.214,00 euro
Veroordeelt beklaagde X1 hoofdens de bewezen verklaarde feiten sub A.1 (zoals verbeterd), A.2(zoals verbeterd), A.3(zoals verbeterd), A.4(zoals verbeterd), A.5(zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd), B.1 ten bedrage van 25.409,18 euro, B.2 ten bedrage van 2.186,00 euro, B.3 ten bedrage van 1.941,88 euro, B.4, ten bedrage van 30.214,00 euro, C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6 tot een hoofdgevangenisstraf van 12 MAANDEN en tot een geldboete van 8.000,00 EURO, zijnde 1.000,00 EURO vermeerderd met 70 opdeciemen (feiten voor en na 1 januari 2017) of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 van het Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 DAGEN.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf, uitgezonderd de reeds ondergane hechtenis, dit voor een periode van 3 jaar.
Verklaart verbeurd, lastens beklaagde X1, als equivalent van het voorwerp van de feiten onder tenlastelegging B.1 het bedrag van 25.409,18 euro.
Verklaart verbeurd, lastens beklaagde X1, als equivalent van het voorwerp van de feiten onder tenlastelegging B.2 het bedrag van 2.186,00 euro.
Verklaart verbeurd, lastens beklaagde X1, als equivalent van het voorwerp van de feiten onder tenlastelegging B.3 het bedrag van 1.941,88 euro.
Verklaart verbeurd, lastens beklaagde X1, als equivalent van het voorwerp van de feiten onder tenlastelegging B.4 het bedrag van 30.214,00 euro.
Legt aan beklaagde X1 overeenkomstig art.1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een cooperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in Belgie, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoordineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 5 JAAR.
Verplicht beklaagde X1 tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 70 opdeciemen en aldus gebracht op 200 euro.
Veroordeelt beklaagde X1 tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
- Betreffende X2
Verklaart beklaagde X2 schuldig aan de haar ten laste gelegde feiten
onder de tenlasteleggingen :
- A.1 (zoals verbeterd), A.2 (zoals verbeterd), A.3 (zoals verbeterd), A.4 (zoals
verbeterd), A.5(zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd)
B.5, ten bedrage van 121.966,36 euro
C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6
D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6.
Veroordeelt beklaagde X2 hoofdens de bewezen verklaarde feiten sub A.1 (zoals verbeterd), A.2 (zoals verbeterd), A.3(zoals verbeterd), A.4 (zoals verbeterd), A.5 (zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd), B.5 ten bedrage van 121.966,36 euro, C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6 tot een hoofdgevangenisstraf van 12 MAANDEN en tot een geldboete van 8.000,00 EURO, zijnde 1.000,00 EURO vermeerderd met 70 opdeciemen (feiten voor en na 1 januari 2017) of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 van het Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 DAGEN.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf, uitezonderd de reeds ondergane hechtenis, dit voor een periode van 3 jaar.
Verklaart verbeurd, lastens beklaagde X2, als equivalent van het voorwerp van de feiten onder tenlastelegging B.5 het bedrag van 121.966,36 euro.
Legt aan beklaagde X2 overeenkomstig art.1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 5 JAAR.
Verplicht beklaagde X2 tot betaling van een vergoeding van 61,01 euro.
Verplicht beklaagde X2 tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 70 opdeciemen en aldus gebracht op 200 euro.
Veroordeelt beklaagde X2 tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Betreffende X3 BV
Verklaart beklaagde X3 BV schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten
onder de tenlasteleggingen :
A.1 (zoals verbeterd), A.2 (zoals verbeterd), A.3 (zoals verbeterd), A.4 (zoals
verbeterd), A.5 (zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd)
C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6
D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6.
Veroordeelt beklaagde X3 BV hoofdens de bewezen verklaarde feiten sub A.1 (zoals verbeterd), A.2(zoals verbeterd), A.3(zoals verbeterd), A.4(zoals verbeterd), A.5(zoals verbeterd), A.6 (zoals verbeterd), C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, D.1, D.2, D.3, D.4, D.5 en D6 tot een geldboete van 16.000,00 EURO, zijnde 2.000,00 EURO vermeerderd met 70 opdeciemen (feiten voor en na 1 januari 2017).
Verplicht beklaagde X3 BV tot betaling van een vergoeding van 61,01 euro.
Verplicht beklaagde X3 BV tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 70 opdeciemen en aldus gebracht op 200 euro.
Veroordeelt beklaagde X3 BV tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Veroordeelt beklaagden X1, X2 en X3 BV solidair tot de kosten van de strafvordering in beide aanleggen, begroot in eerste aanleg op 1.175,43 euro en in hoger beroep begroot op 331,10 euro, al deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de thans bewezen verklaarde feiten.
6.2. Op fiscaal gebied
Verklaart de vordering van de tussenkomende partij toelaatbaar en ontvankelijk.
Verklaart de vordering van de Belgische Staat, vrijwillig tussenkomende partij, ontvankelijk en als gegrond in de hierna bepaalde mate.
Vordering van de Belgische Staat inzake personenbelasting
Het hof bevestigt de geldigheid van de uitvoerbare titels op gebied van personenbelasting ingekohierd op naam van beklaagden X1 en X2 en gelast voor zover als nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende accessoires (interesten, kosten):
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.251
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.070;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.173;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.241.023;
- de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.239.441;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 715.234.913.
Vordering van de Belgische Staat inzake vennootschapsbelasting
Het hof bevestigt de geldigheid van de uitvoerbare titels op gebied van vennootschapsbelasting ingekohierd op naam van beklaagde X3 BV (na naamswijziging X3 BV) en gelast voor zover als nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende accessoires (interesten, kosten):
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.801;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.804;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.809;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.501.814;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 811.651.633;
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een inkohiering met het nummer 815.699.953;
- Vordering van de Belgische Staat inzake Btw
51. Het hof bevestigt de geldigheid van de uitvoerbare titel op gebied van Btw in de vorm van een invorderingsorder op naam van beklaagde X3 BV (na naamswijziging X3 BV) en gelast voor zover als nodig de betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen, administratieve en fiscale boetes en bijhorende accessoires (interesten, kosten):
de uitvoerbare titel gesteld in de vorm van een invorderingsorder 500245883252 van 8 september 2021, tenzij in de mate dat deze titel een proportionele geldboete van meer dan 50% oplegt.
Veroordeelt beklaagde X1 om aan de vrijwillig tussenkomende partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 22.500 euro voor de procedure in eerste aanleg en 23.546,51 euro voor de procedure in hoger beroep.
Veroordeelt beklaagde X2 om aan de vrijwillig tussenkomende partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 22.500 euro voor de procedure in eerste aanleg en 23.546,51 euro voor de procedure in hoger beroep.
Veroordeelt beklaagde X3 BV om aan de vrijwillig tussenkomende partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 22.500 euro voor de procedure in eerste aanleg en 23.546,51 euro voor de procedure in hoger beroep.
Veroordeelt beklaagden X1, X2 en X3 BV solidair tot de kosten van het hoger beroep van de vrijwillig tussenkomende partij, voorgeschoten door de openbare partij en begroot op 76,06 euro.
De rechtspleging verliep uitsluitend in het Nederlands.
Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, kamer C6, samengesteld uit :
C. N., Raadsheer d.d. Kamervoorzitter,
V. R., Raadsheer,
F. V. Raadsheer,
die aan de beraadslaging hebben deelgenomen
en in openbare terechtzitting van
DERTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJFENTWINTIG
uitgesproken door Raadsheer d.d. Kamervoorzitter C. N.
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie zoals vermeld op het proces-verbaal van de terechtzitting met bijstand van griffier C. V.
Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro de compte bancaire) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.