Amendes fiscales, Sursis · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 29 octobre 2015

Rechercher
Texte en néerlandais

Amendes fiscales, Sursis

https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-sursis-tribunal-hasselt-2015-10-29-27d3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
29 octobre 2015

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

97 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d’Hasselt dd. 29.10.2015 (AR 14/2281/A)

TVA – Amendes fiscales - Sursis

Législation

Article 70, § 1er, du code de la TVA

Arrêté royal n° 41, annexe, tableau G

Résumé

L’assujetti a déposé tardivement des déclarations périodiques à la TVA et, suite à un paiement tardif, un compte spécial a été établi. En l’espèce, une action en justice, dans laquelle l’assujetti demande la remise ou du moins l’octroi du sursis de l’amende infligée, a été dirigée contre la contrainte.

Le juge estime que la sanction administrative infligée réprime une simple infraction et qu’elle n’a pas de caractère personnel. Le fait que différentes infractions à la loi soient sanctionnées de la même manière n’est pas une violation du principe d’égalité. Ce même principe n’est également pas violé parce qu’une amende fiscale proportionnelle est infligée. Le tribunal juge que l’amende infligée dans ce cas concret est toutefois une charge disproportionnée pour l’assujetti notamment par rapport à l’avantage que l’intérêt général peut en retirer.

Le juge estime qu’une sanction proportionnelle et équilibrée peut être obtenue par l’octroi du sursis couvrant une période probatoire de 3 ans. La demande de l’assujetti en ce qui concerne le sursis est également dans cette mesure fondée (arrêt n° 157/2008 de la Cour constitutionnelle du 6 novembre 2008).

Remarques

Dans son arrêt n°157/2008 du 6 novembre 2008, la Cour constitutionnelle énonce : « qu’il soit accordé par le tribunal correctionnel ou par une autre juridiction, telle que le tribunal de première instance, le sursis peut inciter le condamné à s’amender, par la menace d’exécuter, s’il venait à récidiver, la condamnation au paiement d’une amende ». Le sursis en matière pénale est réglementé par la loi du 29 juin 1964. Cette loi ne peut pas être appliquée dans les affaires civiles dans lesquelles des amendes fiscales ayant un caractère pénal sont infligées.

Le juge de fond ne peut pas combler une lacune de la loi constatée par la Cour constitutionnelle (comp. Cass., 14 octobre 2008, P.08.1329.N, Pas., 2008, n° 547, p. 2215). Le juge ne peut pas se substituer au législateur.

Position de l’administration

L’administration s’est portée en appel.

Texte intégral

La décision est publiée uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg LIMBURG -Afdeling Hasselt

dd. 29.10.2015

AR 14/2281/A

INZAKE

M. BVBA, te … , nr: … … … eiseres - Ter zitting vertegenwoordigd door mr.V.H., advocaat te … .

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon

vän de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, SECTOR BTW, in de persoon van de adviseur - gewestelijke directeur a.i. van de BTW-Directie te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40. - verweerder -

Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer V.R., adviseur - eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur verbonden aan de gewestelijke directie van de BTW te Hasselt.

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03.09.2014;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, §1 Ger.W. van 02.10.2014;

- de conclusies, tweede conclusies en stukken van verweerder;

- de nieuwe conclusies en de aangevulde nieuwe conclusies van eiseres.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

Eiseres was ingevolge de door haar uitgeoefende werkzaamheid van adviesbureau geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer… … …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Eiseres diende de periodieke BTW-aangifte m.b.t. het vierde kwartaal 2011 laattijdig in op-24 april 2012 in deze aangifte werd een bedrag van 39.876,65 euro als BTW verschuldigd verklaard in hoofde van eiseres (zie stuk 1, bundel verweerder).

De periodieke BTW-aangifte m.b.t. het eerste kwartaal2012 werd eveneens laattijdig ingediend op 11.06.2012. In deze aangifte werd een bedrag van 16.104,07.euro in hoofde van eiseres verschuldigd verklaard(zie stuk 2, bundel verweerder).

De sommen aangegeven in de periodieke aangiften werden door eiseres niet binnen de in artikel 53 § 1,3° WBTW bepaalde termijn betaald, zodat de e.a inspecteur van het BTWcontrolekantoor te Hasselt op 30.04.2012 een bijzondere rekening heeft opgesteld voor de periode van 31.01.2012 tot 30.04.2012.

De hierna volgende bedrage werden gevorderd:

- 53.719,68 euro BTW; .

- 5.620,00 euro geldboete;

- 1.651,36 euro als interesten;

- de wettelijke interesten over de rechten vanaf 21.05.2012

(zie stuk 3, bundel verweerder).

Bij brief van 18.07.2012 werd er door de raadsman van eiseres verzocht om kwijtschelding van de aangerekende boeten en interesten (zie stuk 5, bundel verweerder).

Bij brief van 30.07.2012 deelde de gewestelijke directeur van de BTW te Hasselt aan de raadsman van eiseres de beslissing mee waarbij er noch vermindering noch kwijtschelding van de opgelegde boete verleend werd (zie stuk 6, bundel verweerder).

Bij tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27.02.2013 verzocht eiseres om de boete nietig te verklaren en terugbetaling te bekomen van de reeds betaalde boete (zie stuk 1, bundel verweerder).

De zaak was gekend onder AR nr. 13/550/A.

De administratie stelde op dat ogenblik vast dat, op basis van de door tegenpartij aangehaalde argumenten, de motivatie van de geldboete niet voldeed aan alle wettelijke bepalingen.

De zaak werd dan ook na het neerleggen van eensluidende besluiten bij vonnis van 09.01.2014 doorgehaald (zie stuk 8, bundel verweerder).

De e.a inspecteur van het BTW-controlekantoor Hasselt 1 hermotiveerde op 14.01.2014 de bijzondere rekening voor de periode van 31.01. 2012 tot 30.04. 2012 (zie stuk 9, bundel verweerder).

Op 19.02.2014 heeft de e.a. inspecteur van het Iste BTW-ontvangkantoor te Hasselt op basis van de hergemotiveerde bijzondere rekening een dwangbevel uitgevaardigd lastens eiseres teneinde de hiernavolgende boetes in te vorderen:

- proportionele geldboete ten bedrage van 5.370,00 euro;

- niet-proportionele geldboete ten bedrage van 250,00 euro.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder B. Heines te Hasselt werd op 14.08.2014 het

dwangbevel betekend aan eiseres teneinde de hiernavolgende sommen in te vorderen:

- saldo geldboeten: 4.595,00 euro;

- inningsrecht: 67,70 euro;

- explootkosten: 192,15 euro.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter zitting van deze rechtbank op 03.09.2014, heeft eiseres een vordering in rechte ingeleid.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde:

Eiseres streeft de kwijtschelding, minstens het verlenen van een uitstel, van de opgelegde geldboete na.

2.1. M.b.t. de vorige boete.:

Eiseres houdt voor dat er in een vorig geding reeds dezelfde boete werd opgelegd als in casu en dat de administratie niet opnieuw dezelfde boete kan opleggen.

Uit de overlegde stukken blijkt dat eiseres geen nieuwe of andere geldboete heeft opgelegd doch dat zij enkel een verbeterende motivering heeft gegeven voor de geldboete opgenomen in de bijzondere rekening voor de periode voorafgaand aan 30.04.20012.

Deze grief is dan ook ongegrond.

2.2. Schending van het gelijkheidsbeginsel:

1. De door eiseres betwiste boete is de geldboete die werd opgelegd wegens laattijdige betaling van de verschuldigde BTW.

Dergelijke boete wordt berekend op een percentage van de verschuldigde BTW en in casu betaalde BTW nl. 10% (KB nr. 41 tabel G) en is gesteund op art. 70,§ 1 WBTW.

De tarieven ter zake zijn dezelfde in het geval iemand geen handelingen aangeeft en de administratie een naheffing (controle) moet doen als in het geval men wel aangeeft maar te laat betaalt.

Eiseres houdt voor dat dit in casu een schending van het gelijkheidsbeginsel zou zijn "nl. wie zich niet in dezelfde toestand bevindt, mag niet op dezelfde manier bestraft worden"

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voorbij gaat aan de principiële draagwijdte van het gelijkheidsbeginsel dat stelt dat een bepaalde categorie van personen anders mag behandeld worden voor zover er een redelijke en objectieve verantwoording bestaat

De opgelegde administratieve sanctie beteugelt de loutere overtreding van de regelgeving en heeft geen persoonlijk karakter.

Het feit dat verschillende overtredingen van de wet op dezelfde manier gestraft worden, kan dan ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaken.

De rechtbank oordeelt ook dat er geen reden is om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

2. Verder houdt eiseres voor dat dat het gelijkheidsbeginsel zou geschonden zijn doordat de opgelegde geldboete een percentage uitmaakt van het bedrag van niet- of laattijdig betaalde BTW en dat varieert naargelang het BTW tarief dat van toepassing is.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar redenering.

Het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden louter en alleen omdat een geldboete proportioneel wordt opgelegd.

De rechtbank oordeelt ook dat er geen reden is om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof,

2.3. Boete met uitstel:

Eiseres verzoekt de rechtbank om de geldboete minstens gepaard te laten gaan met een uitstel.

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boeten evenwel in functie van het nagestreefde doel in het concreet geval enigszins disproportioneel belastend te zijn voor de belastingplichtige en dit vergeleken met het voordeel dat het algemeen belang eruit kan halen. Een proportionele en evenwichtige sanctionering kan worden bereikt door het verlenen van uitstel van de helft van de geldboete gedurende een termijn van drie jaar (vgl. GwH 6 november 2008, nr. 157/2008 (prejudiciële vraag), Arr.GwH 2008, afl. 5, 2495, BS 23 januari 2009 (uittreksel), 4201, Fisc.Act. 2009 (samenvatting), afl. 4, 11, JLMB 2009, afl. 36, 1688, RGCF 2010 (samenvatting), afl. 1. 73, RGCF 2010, afl. 2, 118, noot F. Koning, «Le pouvoir d'appréciation et d'individualisation du juge fiscal sur les amendes administratives», (RGCF 2010, afl. 2, 123-131), RW 2008-2009 (samenvatting), afl. 13,559, TBP 2010 (weergave F. Debaedts), afl. 1,47).

De vordering van eiseres wat betreft het te verlenen uitstel is dan ook in die mate gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

De vordering is in geld waardeerbaar.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN:.

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond]

Bevestigt de bij toepassing van artikel 70 WBTW opgelegde geldboete ten bedrage van 5.370]00 euro met dien verstande dat uitstel wordt verleend voor de helft van deze geldboete voor een termijn van drie jaar;

Beveelt de teruggave van de bedragen die door eiseres gebeurlijk boven de helft van deze geldboete reeds zouden zijn betaald en/of ingehouden] bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding.

Veroordeélt verweerder tot de helft kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiseres op 990,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het Gerechtshof te Hasselt op 29.10.2015, alwaar zetelden:

Mevrouw M. .C. rechter, enige rechter, en

De heer L. .P., griffier.

Textes cités

2
CTVA art. 703 occurrences
CTVA art. 531 occurrence

Décisions similaires

8