Amende fiscale proportionnelle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2017/AR/266 2 octobre 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Amende fiscale proportionnelle

https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnelle-obligation-motiver-cour-appel-anvers-2018-10-02-a51e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Numéro de rôle
2017/AR/266
Date
2 octobre 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

114 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 02.10.2018 (2017/AR/266)

WF 713-15-15/033903

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Amende fiscale proportionnelle – Obligation de motiver l’infliction d’une amende fiscale – Principe général d’égalité – Sursis à l’exécution d’une amende fiscale

Dispositions légales

Article 70 du Code de la TVA

Arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987

Article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831

Article 109 de la loi du 4 août 1986

Résumé

1) Les faits de la cause et les antécédents de procédure

L’assujettie est identifiée à la TVA pour une activité dans le secteur immobilier et la fourniture de services en management. La TVA exigible pour le quatrième trimestre de l’année 2013 a été acquittée tardivement. En raison de ce retard, l’administration a créé un compte spécial conformément à l’article 18 de l’arrêté royal n° 24 du 29 décembre 1992 qui a été porté à la connaissance de l’assujettie et en vertu duquel la TVA due, les intérêts moratoires et une amende proportionnelle réduite étaient exigibles. Sur la base de l’article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831, l’assujettie a introduit une requête en réduction ou éventuellement en remise de l’amende infligée. Cette requête a été rejetée par l’administration.

Par le biais d’une requête contradictoire datée du 22 juin 2015 introduite auprès du greffe du tribunal de première instance, l’assujettie a engagé une procédure contre l’Etat belge. Le tribunal de première instance a toutefois rejeté la demande de l’assujettie.

2) L’arrêt

L’assujettie a introduit un recours en degré d’appel contre le jugement rendu en première instance. A titre principal l’assujettie demande l’annulation de l’amende fiscale en raison d’un défaut de motivation de l’infliction de l’amende fiscale et d’une violation du principe général d’égalité. A titre accessoire, elle demande la remise ou une réduction conséquente de l’amende fiscale en raison de la violation du principe de proportionnalité. A titre plus accessoire, elle demande le sursis à l’exécution de l’amende fiscale

Selon la Cour, contrairement à ce que soutient l’assujettie, la motivation de l’infliction de l’amende fiscale satisfait parfaitement aux dispositions prévues à l’article 109 de la loi du 4 août 1986. En effet, le compte courant expose de manière satisfaisante les faits, les dispositions légales et la motivation de l’infliction de l’amende fiscale.

Le fait que le montant de l’amende fiscale a été exclusivement fixé en fonction du montant de la TVA exigible sans tenir compte des faits concrets de cette affaire dont en particulier les causes du paiement tardif ne constituent pas selon la Cour une violation du principe général d’égalité. L’amende proportionnelle, qui peut atteindre une somme importante lorsqu’elle est calculée sur une base élevée, est conforme au principe de la proportionnalité de la sanction et n’a pas pour conséquence que des situations non similaires soient traitées de la même manière.

Selon la Cour, l’affirmation que l’amende fiscale est disproportionnée à l’infraction perpétrée est pour le moins non fondée. Les éléments invoqués par l’assujettie dont notamment l’acquittement d’intérêts moratoires, la faute qui peut être imputée à un membre du personnel de la société, le fait que l’administration fiscale n’a subi aucun dommage et la bonne foi de l’assujettie ne justifient en aucun cas une remise ou une réduction de l’amende fiscale infligée.

La Cour constate que l’amende a déjà été réduite à 15%. De plus, l’assujettie ne fournit pas de motif raisonnable expliquant le paiement tardif de la taxe. La société est responsable des actes commis par les personnes qu’elle a désignées à ces fonctions. Il n’est pas adéquat d’invoquer que l’acquittement tardif de la taxe n’aurait pas occasionné un dommage à l’administration fiscale car l’article 70, § 1er, du Code de la TVA traite de sanctions et non d’indemnité due suite à un dommage. Enfin, ce n’est pas la première fois que l’assujettie a acquitté tardivement la TVA exigible.

La Cour rejette également la requête déposée afin d’obtenir le sursis à l’exécution de l’amende fiscale. En effet, la Cour a déjà jugé que l’amende infligée avait été légalement appliquée et qu’elle n’était pas disproportionnée à l’infraction commise. De plus, des pièces du dossier, il ne ressort aucune raison qui justifierait d’accorder le sursis même si la loi avait prévu d’accorder cette mesure.

Dès lors, la Cour déclare la demande de l’assujettie non fondée et confirme le jugement entrepris dans toutes ses dispositions.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 17.10.2018

Rol: 16/6739/A

C. BVBA, vennootschap naar Belgisch recht, ondernemingsnummer 0830…., met maatschappelijke zetel te … eiseres in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 30 november 2016, aldaar gekend onder rolnummer 15/3801/A

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur van het Team Invorderingen Rechtspersonen …, waarvan de kantoren gevestigd zijn te … en van de Centrum directeur van het KMO Centrum …, waarvan de kantoren gevestigd zijn te … verweerster in hoger beroep vertegenwoordigd door de heer …, attaché bij een fiscaal bestuur

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen van 30 november 2016, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 8 februari 2017, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft de vraag of terecht een BTW-boete van 71.060,00 EUR werd opgelegd aan BVBA C. BVBA C. is een BTW-belastingplichtige voor haar activiteiten van immobiliën en managementsdiensten en is geregistreerd onder nummer BE 0830.....

1.2. Administratieve procedure

De BTW, verschuldigd voor het vierde kwartaal van 2013 werd betaald op 14 februari 2014.

Er werd overeenkomstig artikel 8 van KB nr.24 van 29 december 1992 een bijzondere rekening opgemaakt, die aan de belastingplichtige ter kennis werd gesteld bij aangetekende brief van 18 februari 2014 (stuk 1 Belgische Staat).

Volgens deze rekening waren de volgende bedragen verschuldigd:

-Als BTW:473.734,35 EUR

-Als interesten:4.084,93 EUR

-Als boetes:71.060,00 EUR

De BTW-boete betrof volgens het bericht een verminderde proportionele geldboete wegens niet-betaling, gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde BTW, verminderd tot 15% van de verschuldigde belasting, afgerond tot de lagere euro of het lagere veelvoud van 10 euro, al naargelang zijn bedrag lager of hoger is dan 250 EUR. Er werd verwezen naar de toepasselijke artikelen uit het W.BTW en KB nr.41.

Er werd voor het resterende verschuldigde bedrag van 90.328,51 EUR op 26 juni 2014 een dwangbevel uitgevaardigd, op 30 juni 2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij aangetekende brief van 16 oktober 2014 ter kennis gebracht aan de belastingplichtige (stuk 4 Belgische Staat).

Bij brief van 11 september 2014 verzocht de belastingplichtige op gemotiveerde wijze om vermindering of eventueel kwijtschelding van deze geldboete te bekomen in toepassing van het milderingsrecht van artikel 9 van het regentsbesluit van 18 maart 1831 (stuk 2 Belgische Staat).

Bij aangetekende brief van 13 oktober 2014 liet de administratie aan de vennootschap weten waarom niet kon worden ingegaan op het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelopen boete (stuk 3 Belgische Staat).

1.3. Procedure voor de eerste rechter

BVBA C. legde op 22 juni 2015 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen. De vennootschap vorderde om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en om de geldboete van 71.060,00 EUR te vernietigen, minstens kwijt te schelden of gevoelig te verminderen, al dan niet door het verlenen van uitstel. Ze vorderde om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle reeds betaalde of geïnde bedragen, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten en de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 990 EUR.

De eerste rechter stelde vast dat niet betwist werd dat een bedrag van 473.734,35 EUR aan BTW niet tijdig werd betaald.

Louter uit de proportionaliteit van de geldboete kon volgens de eerste rechter geen schending van het gelijkheidsbeginsel worden afgeleid, vermits de hoogte van de niet tijdig betaalde BTW een relevant criterium is voor het bepalen van de geldboete wegens niet­ tijdige betaling van BTW.

De eerste rechter stelde verder dat getoetst diende te worden of de opgelegde geldboete in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel en oordeelde dat er, gelet op deze interpretatie, geen schendig voorlag van het gelijkheidsbeginsel.

Hij oordeelde verder dat er geen schending was van het evenredigheidsbeginsel: de boete was reeds aanzienlijk verminderd bij toepassing van artikel 1 juncto tabel G, 1.2.a) van KB nr.41, zodat reeds op afdoende wijze rekening gehouden was met de afwezigheid van het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Ook het feit dat eveneens nalatigheidsinteresten verschuldigd waren, had volgens de eerste rechter niet de onevenredigheid van de opgelegde boete tot gevolg. De verwijzing door de vennootschap naar de nalatigheid van een werknemer werd niet nader toegelicht en persoonlijke omstandigheden in hoofde van de zaakvoerder waren voor de vennootschap geen omstandigheid die zou rechtvaardigen dat ze haar fiscale verplichting niet nakomt.

Het betrof bovendien een derde opnulzetting van de rekening-courant sinds de aanvang van de activiteiten en er werd niet betwist dat de BTW niet steeds tijdig werd voldaan.

Rekening houdend met de concrete elementen oordeelde de rechter dan ook dat er geen schending was van het evenredigheidsbeginsel en werd de vordering van de vennootschap afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond, met veroordeling van de vennootschap tot de kosten van het geding, begroot op nihil.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

BVBA C., thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen. Ze vordert om, opnieuw wijzende, de geldboete van 71.060,00 EUR te vernietigen, in ondergeschikte orde kwijt te schelden of gevoelig te verminderen, al dan niet door het verlenen van uitstel. Ze vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle reeds betaalde of geïnde bedragen, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 3.600,00 EUR.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om het bestreden vonnis te bevestigen en te zeggen voor recht dat er geen reden is om de boete te verminderen of kwijt te schelden, noch om uitstel te verlenen. De Belgisc;he Staat vordert om de vennootschap te veroordelen tot de kosten van het geding.

2. Bespreking

2.1. In hoofdorde vernietiging van de geldboete

2.1.1. Motivering van de geldboete

Volgens de vennootschap voldeed de motivering van de geldboete niet aan artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986. De Belgische Staat daarentegen meent dat uit de bijzondere rekening en de voorafgaande kennisgeving duidelijk bleek waarom de boete werd opgelegd.

In de bijzondere rekening (stuk 1 Belgische Staat) wordt melding gemaakt van de trimestriële aangifte van 20 januari 2014, ingediend op 5 februari 2014 voor een bedrag van 464.503,73 EUR. Er wordt melding gemaakt van de interesten van 3.789,84 EUR en de boete van 71.060,00 EUR, verschuldigd voor de aangifte van 20 januari 2014.

In Deel Il van de bijzondere rekening ('Verklarende nota') wordt de volgende motivering gegeven:

1.Indieningsverplichting.

De aangifte moet maandelijks ingediend worden uiterlijk op de twintigste van de maand die volgt op de maand waarop de aangifte betrekking heeft (Btw-Wetboek, artikel 53, §1, 2°, koninklijk besluit nr.1 van 29 december 1992, artikel 18, §1). In sommige gevallen is hierop een afwijking die toelaat om de aangifte per kwartaal in te dienen, uiterlijk op de 2a5te van de maand die volgt op het kwartaal waarop de aangifte betrekking heeft (koninklijk besluit nr.1 van 29 december 1992, artikel 18, §2).

Als belastingplichtige kwartaalaangever bent u gehouden uw aangifte in te dienen uiterlijk op de 2a5te van de maand die volgt op het kwartaal waarop de aangifte betrekking heeft.

2. Verminderde proportionele geldboete wegens niet betaling: 71.060,00 €

De BTW moet worden voldaan binnen vastgelegde termijn voor indiening van de aangifte, vermeld onder punt 1 11/ndieningsverplichting11 (Btw-Wetboek, artikel 53, §1, 3°).De geldboete voor niet betaling is gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting (BTW-Wetboek, artikel 70, §1). Deze wettelijke geldboete is verminderd tot 15% van de verschuldigde belasting 473. 734,35 EUR, afgerond tot de lagere euro of het lagere veelvoud van 10 euro, naargelang zijn bedrag Jager of hoger is dan 250 EUR (koninklijk besluit n°41 van 30 januari 1987, artikel 1, alinea 1° en de bijlage, tabel G, eerste afdeling,/, 2°, A).

Het bedrag van de verschuldigde BTW komt overeen met het beginsaldo van de bijzondere rekening vermeerderd met de aan de staat verschuldigde bedragen (bedrag van de roosters 71 van de periodieke aangiften opgenomen in de bijzondere rekening, het BTW-bedrag van de BTW-beslissingen, correcties van betaling), verminderd met de bedragen in het voordeel van de belastingplichtige (bedrag van de roosters van de van de periodieke aangiften opgenomen in de bijzondere rekening, het BTW-bedrag van de BTW-beslissingen, correcties van betaling). De bedragen ingeschreven op de bijzondere rekening worden eerst toegepast op de kosten, vervolgens op de interesten, vervolgens boetes en ten slotte op de verschuldigde belasting (koninklijk besluit nr.24 van 29 december 1992, artikel 6}.

3. Berekening van de interesten voor laattijdige betaling: 4.011,28 €. (...)"

Artikel 109 van de wet van 9 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen luidt als volgt: '7elkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste - wet- of verordeningsteksten, en geeft de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen".

Deze bepaling is ook van toepassing op de belastingverhoging (Cass., 10 maart 2016, F.14.0110.N) en legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op als de wet van 29 juli 1991, zodat deze laatste in deze niet van toepassing is.

Wanneer de administratie een geldboete oplegt naar aanleiding van het opmaken van een bijzondere rekening, moet zij niet alleen de belastingplichtige daarvan kennis geven. Zij moet ook de feiten meedelen, die de overtreding opleveren, verwijzen naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en de motieven geven, die gediend hebben om het bedrag van de geldboete vast te stellen (Cass., 8 april 2011, C.10.0202.N, www.cass.be).

In onderhavig geval blijkt dat de administratie in de twee delen van de hierboven geciteerde bijzondere rekening duidelijk heeft gesteld dat de geldboete werd opgelegd omwille van de laattijdige betaling van de BTW en melding heeft gemaakt van de toepasselijke wetsartikelen, zoals ze in dit geval moesten worden toegepast. Aldus werden de feiten, de wettelijke bepalingen en de motieven voor de geldboete op afdoende wijze uiteengezet.

Er is aldus geen sprake van een schending van de motiveringsverplichting van de opgelegde boete. Het arrest van 18 oktober 2016 van het hof van beroep te Antwerpen is in deze niet dienstig, vermits het een andere feitelijke toestand betreft.

Er wordt bovendien niet betwist dat de BTW voor het vierde kwartaal van 2013 pas werd betaald op 14 februari 2014 en dat er dus inderdaad sprake was van een laattijdige betaling.

2.1.2. Geliikheidsbeqinsel

Er is volgens de belastingplichtige sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat het bedrag van de boete uitsluitend vastgesteld wordt in functie van de omvang van de verschuldigde BTW, zonder rekening te houden met de concrete feiten van de zaak en met name de oorzaken van de laattijdige betaling.

Overeenkomstig artikel 26, §2, derde lid van de Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 is het hof niet verplicht om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, wanneer de wet een regel of een artikel van de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.

Het hof sluit zich aan bij de argumentatie van de eerste rechter en van de Belgische Staat en oordeelt dat er in deze klaarblijkelijk geen sprake is van enige schending. Dat een proportionele boete tot een hoger bedrag leidt, wanneer ze wordt toegepast op een hogere basis is eigen aan het principe van de proportionele sanctie en heeft niet tot gevolg dat ongelijke situaties op dezelfde manier worden behandeld.

De proportionaliteit van de sanctie heeft trouwens niet tot gevolg dat zij per definitie onevenredig zou zijn en dat geen rekening zou kunnen worden gehouden met de oorzaken van de laattijdige betaling. In geval van onevenredigheid is de rechter op basis van zijn volle rechtsmacht terzake in staat om een vermindering toe te passen.

Vermits er aldus klaarblijkelijk geen schending is van het gelijkheidsbeginsel, moet terzake geen prejudiciële vraag gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof.

2.2. In ondergeschikte orde: kwijtschelding of gevoelige vermindering wegens schending van het evenredigheidsbeginsel

Er werd een boete opgelegd van 71.060,00 EUR wegens het te laat betalen van de BTW en dergelijke boete is volgens de belastingplichtige niet evenredig met de gepleegde inbreuk. De kwijtschelding of vermindering werkt volgens de belastingplichtige evenmin concurrentieverstorend, vermits nalatigheidsinteresten werden betaald.

Er zijn volgens de belastingplichtige trouwens feitelijke elementen die een kwijtschelding of vermindering verantwoorden:

- fouten, begaan door een personeelslid van de vennootschap;

- de fiscus leed geen schade;

- de goede trouw van de vennootschap.

Recent werd nogmaals door het Hof van Cassatie bevestigd (Cass., 18 januari 2018, F.16.0160.N; zie ook Cass., 8 april 2001, F.10.0033.N, www.cass.be) dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

In onderhavig geval stelt het hof vast dat niet wordt betwist dat de belasting pas op 14 februari 2014 werd betaald, daar waar de uiterste datum overeenkomstig artikel 53, §1 W.BTW 20 januari 2014 betrof. Er is aldus in elk geval een overtreding van de wet.

Bovendien stelt het hof vast dat deze overtreding overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW in principe bestraft wordt met een administratieve geldboete, gelijk aan het dubbel van de niet tijdig betaalde belasting. De boete werd overeenkomstig artikel 1 en afdeling I, punt 2.a van bijlage G van KB nr.41 van 30 januari 1987 reeds verminderd tot 15%.

Verder stelt het hof vast dat de belastingplichtige geen gegronde reden aanvoert voor de laattijdige betaling van de belasting. De vennootschap staat in voor de daden van de personen die zij zelf aanstelde. Bovendien betreft de stelling dat een bediende van de vennootschap een fout zou hebben begaan een loutere bewering, die door geen enkel objectief gegeven wordt ondersteund.

Dat de fiscale administratie geen schade zou geleden hebben door de laattijdigheid van de betaling is in deze niet relevant. De geldboete van artikel 70, §1 W.BTW betreft immers een sanctie, geen schadevergoeding.

Tot slot stelt de belastingplichtige zelf dat er reeds op 8 oktober 2012 een PV werd opgesteld wegens een achterstand in de betaling van de BTW en dat er in 2013 voor drie kwartalen niet of laattijdig werd betaald (brief van 11 september 2014, stuk 2 Belgische Staat). De laattijdige betaling voor het vierde kwartaal van 2013 betreft aldus geen toevallige of · eenmalige overtreding.

Het hof oordeelt dan ook dat niet aangetoond werd dat de hoogte van de opgelegde geldboete in onderhavig geval onevenredig zou zijn met de gepleegde inbreuk. Er is derhalve geen reden om tot verdere vermindering of kwijtschelding van de boete over te gaan.

2.3. Uiterst ondergeschikt: uitstel van tenuitvoerlegging

In uiterst ondergeschikte orde verzoekt de belastingplichtige om de geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel.

In zijn arrest van 21 februari 2013 (arrest nr.13/2013) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §2, eerste lid W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan overtreders van het W.BTW. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft volgens het Hof echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (overwegingen B.4.2 en B.4.3 van voormeld arrest).

Reeds in een eerder arrest van 6 november 2008 (arrest nr.157/2008) had het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §1, eerste lid WBTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM schendt, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel.

Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen.

In onderhavig geval werd hierboven reeds geoordeeld dat de opgelegde boete wettig werd opgelegd en niet onevenredig is met de gepleegde overtreding. Uit het dossier blijken geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien.

Gelet op het voorgaande kan de betrokken boete zonder uitstel behouden blijven.

2.4. Rechtsplegingsvergoeding

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat BVBA C. gehouden is tot betaling van de kosten van het geding.

Vermits de Belgische Staat zich niet liet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, maakt ze terecht geen aanspraak op de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA C. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt BVBA C. tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op 0,00 EUR.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 02 oktober 2018 door …

Ondertekeningen

Textes cités

4
CTVA art. 704 occurrences
AR no 1 art. 531 occurrence
AR no 24 art. 181 occurrence
AR no 24 art. 81 occurrence

Décisions similaires

8