Het geding (01.09.2021) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

5 mei 2022

Zoeken

Het geding (01.09.2021)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/geding-47e1

Datum
5 mei 2022

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

865 paragrafen

Btw-Commentaar - Het geding (01.09.2021)

BOEKWERK VIII: Het geding

Hoofdstuk 22: Het geding

Bijwerking 01.09.2021 (1) – Vorige versies: [01.09.2017] [01.07.2018]

(1) Het deel « Rechtsplegingsvergoeding » updated tot 01.04.2022

Inhoud · 91 onderdelen

Afdeling 1 – Wettelijk kader

1. Administratieve geschillen

A. Uittreksel uit het Btw-Wetboek

B. Procedure

2. Gerechtelijke geschillen

A. Uittreksel uit het Btw-Wetboek

B. Algemeenheden

C. Procedure

Afdeling 2 – Inleiding en onderzoek van de rechtsvordering door de rechtbank

1. De rechtsvordering

A. Definitie en algemeenheden

B. Ontvankelijkheidsvoorwaarden van een rechtsvordering (bekwaamheid, hoedanigheid en belang)

a. Principe

b. Belang

c. Hoedanigheid

d. Bekwaamheid

C. Bijzonderheden van de procedure inzake btw

2. Bevoegdheid

A. Begrippen

B. Materiële bevoegdheid: de rechtbank van eerste aanleg

C. Territoriale bevoegdheid

3. De rechtsvordering

A. Algemeenheden

a. Bestanddelen

b. Soorten vorderingen

c. Inleiding van de rechtsvordering

d. Termijn

e. Geadresseerde

B. Vormvereisten van de vordering

a. Het verzoekschrift op tegenspraak

b. De dagvaarding

C. Gebruik der talen

D. Inschrijving op de algemene rol

4. Inleidende zitting

A. Datum van de inleidende zitting

B. Verschijning van de partijen

a. Verschijning van de schuldenaar van de belasting (eiser)

b. Verschijning van de FOD Financiën (verweerder)

C. Verzoek tot verwijzing van de zaak naar een kamer met drie rechters

D. Verstek

E. Nietigheid van de proceshandelingen

F. Opschortende excepties

G. Aanhangigheid en samenhang

5. Behandeling van de vordering

A. Indeling van de gedingen in twee categorieën

B. Procedure met korte debatten

a. Begrip

b. Toepassingsvoorwaarden

c. Vermoeden van korte debatten

d. Verloop van de procedure

C. Lange procedure (voor complexe gedingen)

a. Begrip

b. Mededeling van de stukken aan de tegenpartij

c. Kalender van instaatstelling of verwijzing naar de rol

d. Uitwisseling van conclusies

e. Schriftelijke behandeling

Afdeling 3 – Rechtszitting, sluiting der debatten en beraadslaging

1. Rechtszitting

A. Openbaarheid

B. Overlegging van de stukken aan de rechter

C. Pleidooien

D. Interactief debat

E. Voortzetting

2. Sluiting van de debatten en beraad

A. Sluiting van de debatten

B. Beraad

C. Bijzonder geval: Heropening van de debatten

Afdeling 4 – Gerechtelijke uitspraak

1. Uitspraak

A. Openbaarheid

B. Inhoud

a. Algemeenheden

b. Verplichte vermeldingen

c. Motiverend gedeelte

d. Burgerrechtelijke boete

e. Beschikkend gedeelte

2. Gerechtskosten

A. Algemeenheden

B. Rechtsplegingsvergoeding

a. Principes

b. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek

3. Origineel, afschrift, uitgifte en betekening

4. Fiscale geldboeten met een strafrechtelijk karakter – Volle rechtsmacht – Draagwijdte

Afdeling 5 – Gewone en buitengewone rechtsmiddelen in geschillen inzake btw

1. Algemeenheden

2. Verzet

3. Beroep

4. Cassatie

5. Consignatie (tekst van artikel 92 van toepassing vóór 01.01.2020)

6. Aansprakelijkheidsvordering en herstel van de schade (tekst van artikel 92 van toepassing vanaf 01.01.2020)

[Top]

Afdeling 1 – Wettelijk kader

1. Administratieve geschillen

A. Uittreksel uit het Btw-Wetboek

Artikel 84

Artikel 84quater

B. Procedure

Inzake btw is het administratief geschil, strikt genomen, niet geregeld in de wet. Enkel artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek, voorziet in de mogelijkheid voor de minister van Financiën om moeilijkheden die zich kunnen voordoen inzake de heffing van de belasting, op te lossen.

Overeenkomstig artikel 84 van het Btw-wetboek, behoort het oplossen van moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan toe aan de minister van Financiën. De minister van Financiën treft met de belastingplichtigen dadingen, voor zover deze niet tot vrijstelling of vermindering van belasting leiden. Binnen de grenzen voorzien door de wet wordt het bedrag van de door het Btw-Wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten voorziene proportionele fiscale geldboeten vastgesteld volgens een schaal waarvan de schaalverdelingen bepaald zijn door de Koning.

Evenwel biedt de administratie aan de schuldenaar van de belasting de mogelijkheid om, gelet op de omslachtigheid waarmee een procedure voor de minister van Financiën gepaard gaat, de oorspronkelijke regularisatie voor een nieuw onderzoek aan de administratie voor te leggen. De schuldenaar van de belasting heeft aldus de mogelijkheid om een administratief beroep in te dienen die een bezwaarschrift inzake btw bevat. Dit administratief verzoek is niet onderworpen aan wettelijke vorm- of termijnvereisten.

Het verzoek wordt schriftelijk of per e-mail ingediend. Het administratief beroep van de Teams Beheer en Controle worden behandeld door het bevoegde Team Expertise binnen het betrokken Belastingcentrum.

Deze procedure van administratief beroep blijft facultatief. De schuldenaar van de belasting behoudt het recht om de regularisatie of de toepassing van de belasting onmiddellijk in rechte aan te vechten. Dit administratief beroep is ‘niet door of krachtens de wet georganiseerd’ in de zin van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat artikel 84 van het Btw-Wetboek geen administratief beroep organiseert dat voorafgaat aan de inleiding van een rechtsgeding (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.09.0056.F van 13.04.2012).

De asymmetrie tussen een noodzakelijk voorafgaand en verplicht administratief beroep op het gebied van de inkomstenbelasting en de roerende voorheffing en een facultatief administratief inzake btw werd verenigbaar en evenredig geacht met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie in arrest nr. 71/2020 van het Grondwettelijk Hof van 28.05.2020, waarbij de prejudiciële vragen met betrekking tot artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 366 tot en met 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg van Luik, afdeling Luik, werden beantwoord.

Overeenkomstig het huidige artikel 19, §2, lid 1 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019 heeft de indiening van een dergelijk informeel willig beroep geen schorsende werking op de uitvoering op grond van een administratieve uitvoerende titel. De ontvanger zet dus zonder enige juridische belemmering de procedure die gericht is op de minnelijke invordering van de belastingschuld door middel van een administratieve uitvoerende titel voort. Bij ontstentenis daarvan gebruikt hij de middelen van tenuitvoerlegging waarover hij beschikt tegen de belastingschuldige. De tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering (voor alle bestaande btw-schulden waarvoor op 01.04.2019 nog geen dwangbevel is betekend of medegedeeld en voor alle nieuwe btw-schulden vormt de inschrijving in een innings- en invorderingsregister de uitvoerbare titel in geval van niet-betaling).

Na afloop van deze procedure van administratief beroep beslist de administratie over het verzoek van de schuldenaar van de belasting.

Inzake geldboeten, kan de schuldenaar van de belasting, alvorens een vordering in rechte in te stellen, in een gemotiveerd verzoekschrift aan de minister van Financiën of aan zijn gedelegeerde vragen om vermindering of kwijtschelding van een administratieve geldboete inzake btw. Dit willig beroep is gebaseerd op artikel 9 van het Besluit van de Regent nr. 78 van 18.03.1831.

Ter herinnering, de vrijstelling voor verschuldigde nalatigheidsintresten of een deel ervan die niet tot de bevoegdheid van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit behoren, mag, in bijzondere gevallen, aan de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de inning en invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen of zijn gemachtigde ambtenaar gevraagd worden (zie artikel 70, Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019. De tekst van artikel 84bis van het Btw-Wetboek is vanaf 01.01.2020, op grond van artikel 6 van de wet van 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, p. 41412) opgeheven.

Soms wordt in het verzoek om kwijtschelding of vermindering van de geldboete die is opgelegd in een regularisatieopgave of een proces-verbaal eveneens gevraagd om kwijtschelding van de intresten. Dit verzoek inzake de intresten behoort tot de bevoegdheid van het regionaal Inningscentrum van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering en moet voor behandeling aan hen worden overgemaakt. Het gedeelte van de aanvraag tot vermindering of kwijtschelding van boeten moet door de bevoegde directeur van de algemene Administratie van de Fiscaliteit worden behandeld.

Overeenkomstig artikel 84quater van het Btw-Wetboek heeft, ingeval van een blijvend meningsverschil over de taxatie, de schuldenaar van de belasting nog de mogelijkheid om een aanvraag tot bemiddeling in te dienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25.04.2007 houdende diverse bepalingen (IV). De tussenkomst van deze dienst is gericht op het terugdringen van de gerechtelijke geschillen en het bijdragen aan de inning van de fiscale schulden door de Schatkist.

De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk:

• Wanneer de schuldenaar van de belasting vooraf een vordering in rechte zoals bedoeld in artikel 89, § 2 van het Btw-Wetboek , heeft ingesteld; (Opmerking: bedoeld wordt de betwisting van de fiscale schuld die opgenomen is in het innings- en invorderingsregister. Vanaf 01.04.2019 werd de tekst van artikel 89 vervangen door de tekst van artikel 13 van de wet van 26.11.2018, BS, 04.12.2018, p. 93842. De tekst van het vóór 01.01.2020 van toepassing zijnde artikel, blijft van toepassing voor de uitvoerbare titel die werd betekend of medegedeeld vóór 01.01.2020; zie ook artikel 19 van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019);

• Wanneer een deskundige schatting werd gevorderd bij toepassing van artikel 59 § 2 van het Btw-Wetboek;

• Of wanneer er reeds een uitspraak werd gedaan over de betwisting.

Wanneer de schuldenaar van de belasting een rechtsvordering instelt, wanneer een deskundige schatting zoals bedoeld in artikel 59, § 2 wordt gevorderd of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over de betwisting vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de bemiddelingsdienst ontheven van haar bevoegdheid

Ingevolge het bemiddelingsverslag kan de administratieve beslissing de fiscale schuld wijzigen voor zover evenwel deze aanpassing geen vrijstelling of vermindering van belasting inhoudt. Daarentegen is het niet toegestaan om een bijkomende belasting te heffen.

2. Gerechtelijke geschillen

A. Uittreksel uit het Btw-Wetboek

Artikel 89

Artikel 90

Artikel 92

Artikel 92bis

Artikel 93

B. Algemeenheden

Dit onderdeel heeft tot doel de bijzonderheden te beschrijven van de gerechtelijke procedure, van toepassing voor geschillen inzake btw.

In verschillende stadia van de btw-belastingprocedure kunnen juridische geschillen ontstaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om de betwisting van een beslissing in de fase van de regularisatie van een aangifte en de vaststelling van de belastingschuld, beslissingen inzake geldboeten, beslissingen over de aanvang of de berekening van interesten, beslissingen over het beheer van de rekening -courant of van de bijzondere rekening, betwisting van onderzoeksmaatregelen of de juistheid van bewijsmethoden. Geschillen kunnen ook ontstaan in het stadium van de inning van de belasting, boeten en intresten. De uiteenzetting is toegespitst op geschillen in het stadium van de belastingheffing zelf.

Het zijn voornamelijk de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die van toepassing zijn op het fiscaal geschil inzake btw, zelfs indien sommige bepalingen van het Btw-Wetboek verwijzen naar het geschil (zie Hoofdstuk XIV “Inning en gedingen”).

Zo kan de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister slechts worden gestuit door een rechtsvordering.

Artikel 90 van het Btw-Wetboek voorziet dat inzake geschillen van een belastingwet, de verschijning in persoon in naam van de Staat kan worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.

Op grond van artikel 92bis van het Btw-Wetboek schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie, de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.

Wat artikel 93 van het Btw-Wetboek betreft, bepaalt dit artikel dat het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening in cassatie door een advocaat mag worden ondertekend en neergelegd.

C. Procedure

De gerechtelijke procedure wordt voornamelijk beheerst door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Deze procedure werd hervormd door de wet van 15.03.1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen (Belgisch Staatsblad van 27.03.1999) en door de wet van 23.03.1999 betreffende de gerechtelijke inrichting in fiscale zaken (Belgisch Staatsblad van 27.03.1999).

Er wordt eveneens verwezen naar:

• de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (Belgisch Staatsblad van 31.05.2007)

• de wet van 26.04.2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand (Belgisch Staatsblad van 12.06.2007)

• de wet van 19.10.2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Belgisch Staatsblad van 22.10.2015), waarvan het merendeel van de artikelen in voege zijn getreden op 01.11.2015 (zijnde de 10e dag volgende op de publicatie in het Belgisch Staatsblad) en zijn onmiddellijk van toepassing op alle hangende rechtsplegingen

• en tenslotte, de wet van 06.07.2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Belgisch Staatsblad van 06.07.2017), genaamd wet ‘Potpourri V’, die aan het Gerechtelijk Wetboek substantiële wijzigingen aanbrengt en inwerking is getreden op 03.08.2017

• de wet van 14.10.2018 tot wijziging van het Wetboek van de registratierechten, de hypotheekrechten en de griffierechten met het oog op de hervorming van de griffierechten (B.S. 20.12.2018). Deze wet volgt op arrest nr. 13/2017 van het Grondwettelijk Hof van 09.02.2017

• de wet van 21.12.2018 houdende diverse bepalingen inzake justitie, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31.12.2018, waarvan artikel 199 een wijziging aanbrengt in artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze wijziging van het Gerechtelijk Wetboek treedt in werking op 10.01.2019

• de wet van 17.02.2021 houdende diverse bepalingen inzake justitie, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24.02.2021, die in werking treedt op de dag van haar bekendmaking en die artikel 792, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 25.05.2018, zelf in werking getreden op 01.03.2021, betreffende de mededeling langs elektronische weg van vonnissen en arresten, vervangt.

Inzake btw staat de toegang tot de rechtbank van eerste aanleg open voor de schuldenaar van de belasting (in casu is de schuldenaar van de belasting meestal en in de regel de belastingplichtige zelf: hierna ‘schuldenaar van de belasting’ genoemd) en is aan geen enkele voorafgaande voorwaarde van enig administratie beroep onderworpen.

[Top]

Afdeling 2 – Inleiding en onderzoek van de rechtsvordering door de rechtbank

1. De rechtsvordering

A. Definitie en algemeenheden

De procedure in burgerlijke zaken wordt ingeleid door de eiser. De tegenpartij in de procedure wordt de verweerder genoemd.

Enerzijds is deze rechtsvordering de wettelijke mogelijkheid om een vordering aan de rechter te onderwerpen zodat hij kan vaststellen of deze vordering al dan niet rechtens gegrond is.

Anderzijds is de vordering het procedurestuk waarmee een rechtssubject, met name de eiser, zijn bevoegdheid om in rechte op te treden daadwerkelijk uitoefent.

B. Ontvankelijkheidsvoorwaarden van een rechtsvordering (bekwaamheid, hoedanigheid en belang)

a. Principe

Overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen: Het belang moet aanwezig zijn: de gevraagde beslissing moet concrete invloed hebben op de toestand van de partijen. Het belang moet persoonlijk zijn

Krachtens artikel 18 van datzelfde Wetboek, moet het belang een reeds verkregen en effectief belang zijn, maar kan de rechtsvordering worden toegelaten, indien zij, zelfs ten declaratieve titel, is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

Artikel 17, tweede lid van het Gerechtelijk wetboek (ingevoegd door de wet van 21.12.2018 betreffende diverse bepalingen inzake justitie) bepaalt evenwel dat de rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, is eveneens ontvankelijk onder de volgende voorwaarden:

1° het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is van bijzondere aard, onderscheiden van het nastreven van het algemeen belang;

2° de rechtspersoon streeft op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel na;

3° de rechtspersoon treedt op in rechte in het kader van dat maatschappelijk doel, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel;

4° de rechtspersoon streeft met zijn rechtsvordering louter een collectief belang na.

b. Belang

Het belang is het resultaat, het voordeel, materieel of moreel, effectief en niet-theoretisch, dat degene die de vordering instelt en die de rechter verzoekt om de gegrondheid van zijn vordering te erkennen, verwacht.

Zo kan bijvoorbeeld de schuldenaar van de belasting vragen om hem een bedrag aan btw daadwerkelijk terug te betalen, dat een ambtshalve aanslag nietig wordt verklaard, dat een fiscale schuld die ingeschreven is in het innings- en invorderingsregister voor nietig wordt verklaard, enzovoort.

Uit het arrest van het Hof van Cassatie F.09.0056.F. van 13.04.2012 volgt dat, een btw-plichtige die de nietigverklaring van een proces-verbaal vordert zonder dat hij de betekening van een dwangbevel afwacht, een reeds verkregen en effectief belang heeft. Dit arrest blijft relevant ondanks de vervanging van individuele administratieve dwangbevelen inzake btw door een algemene executoriale titel - een "innings- en invorderingsregister" - die periodiek op geautomatiseerde wijze wordt opgesteld.

De schuldenaar kan zich dus tot de rechter wenden na het ontvangen van, onder meer, een beslissing tot regularisatie, een proces-verbaal tot regularisatie, een proces-verbaal tot vaststelling, een regularisatieopgave, een bijzondere rekening, een uitnodiging tot betaling, een schriftelijk standpunt van een taxatie-ambtenaar (bijvoorbeeld inzake de toepassing van het verlaagd tarief, het recht op aftrek, enzovoort), een beslissing van een centrale dienst, de betekening van een beslissing van de gewestelijke directeur waarin de vraag om kwijtschelding of vermindering van intresten en/of boeten wordt verworpen, de betekening van een ambtshalve aanslag, enzovoort.

Het gebrek aan belang of hoedanigheid leidt tot onontvankelijkheid. Het belang om te handelen wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend. Indien een partij echter in de loop van de procedure haar belang om op te treden verliest, heeft de vordering geen voorwerp meer.

c. Hoedanigheid

Hoedanigheid wordt meestal omschreven als de rechtstitel krachtens dewelke een persoon in rechte optreedt. Gebrek aan hoedanigheid leidt tot onontvankelijkheid.

Rechtspersonen kunnen alleen optreden of zich in rechte verdedigen via hun bevoegde organen. Regelmatig opgerichte handelsvennootschappen moeten ook in rechte optreden via hun organen. Alleen een rechtspersoon met rechtspersoonlijkheid kan optreden. De feitelijke verenigingen kunnen niet in rechte optreden.

Indien een feitelijke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid een rechtsvordering wil instellen, moet dit door al haar leden worden uitgevoerd. De leden kunnen zich niettemin door een mandataris laten vertegenwoordigen. De regel "niemand procedeert bij volmacht", verwoord in artikel 702 van het Gerechtelijk Wetboek, houdt in dat de partijen verplicht zijn in de processtukken die hen betreffen, hun identiteit naast die van de mandataris te vermelden en, in voorkomend geval, het mandaat vast te stellen. De mandataris “ad litem’ moet de naam van zijn opdrachtgever en, in voorkomend geval, van al zijn opdrachtgevers opgeven.

d. Bekwaamheid

De rechtsleer buigt zich over de vraag of de bekwaamheid al dan niet een afzonderlijke voorwaarde van ontvankelijkheid van een rechtsvordering is. We beperken ons hier dan ook tot de stelling dat de bekwaamheid de regel is en dat in de gevallen van onbekwaamheid, er doorgaans een vertegenwoordigingsregeling bestaat.

De bevoegdheidsregels zijn in wezen regels van burgerlijk recht die niet onder het gerechtelijk recht vallen. Het ontbreken van handelingsbekwaamheid leidt tot een verdagende exceptie die dwingt tot regularisatie van de procedure door tussenkomst van de persoon die is belast met de vertegenwoordiging van de handelingsonbekwame persoon. De exceptie moet door de verweerder in limine litis worden opgeworpen. Zij kan dus niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen.

C. Bijzonderheden van de procedure inzake btw

De administratie die belast is met de btw maakt, als onderdeel van de openbare macht, gebruik van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling (‘privilège du préalable’). Zij kan zichzelf een uitvoerbare titel (voorheen, de individuele administratieve dwangbevelen inzake btw, heden een, op grond van de wet van 26.11.2018, inwerking getreden op 01.04.2019 (BS van 04.12.2018) ingevoerde algemene uitvoerbare titel - een "innings- en invorderingsregister" - die periodiek op geautomatiseerde wijze wordt opgesteld, naar het voorbeeld van de inkohiering inzake inkomstenbelasting). Elke btw-schuld waarvoor vanaf 01.04.2019 een uitvoerbare titel tegen een belastingplichtige moet worden uitgevaardigd, moet worden opgenomen in een uitvoerbaar innings- en invorderingsregister en niet langer het voorwerp uitmaken van een administratief dwangbevel inzake btw.

Deze bijzonderheid vertaalt zich in een ‘omkering’ van de posities van de partijen bij de inleiding van de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg, in die zin dat de vordering meestal ingeleid wordt door de schuldenaar van de belasting (de belastingplichtige) en dus niet, zoals gewoonlijk, door de schuldeiser (de administratie).

In het btw-geding, heeft de schuldenaar van de fiscale schuld, in principe de hoedanigheid van eiser, en de administratie, schuldeiser van de fiscale schuld, deze van verweerster.

2. Bevoegdheid

A. Begrippen

Onder ‘bevoegdheid’ wordt verstaan: de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een voor hem aanhangig gemaakte vordering.

Een onderscheid moet gemaakt worden tussen de materiële bevoegdheid en de territoriale bevoegdheid.

De materiële bevoegdheid duidt aan welke rechter bevoegd is wat betreft de inhoud van een welbepaald geschil.

De territoriale bevoegdheid bepaalt welke (materieel bevoegde) rechter bevoegd is voor een welbepaald rechtsgebied.

In fiscale zaken raken zowel de materiële bevoegdheid als de territoriale bevoegdheid de openbare orde zodat het niet mogelijk is af te wijken van de voor deze procedure toepasbare regels. (voor een toepassing hiervan, z. het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant dd. 30.03.2020, gepubliceerd op Fisconetplus).

Overeenkomstig artikel 854 van het Gerechtelijk Wetboek mag door de verweerster (in principe de administratie) de onbevoegdheid van de rechter in elke fase van de procedure worden opgeworpen. De rechter moet ambtshalve ook nagaan of de regels inzake bevoegdheid (materieel en territoriaal) juist zijn toegepast.

De oplossing van bevoegdheidsgeschillen zal gebeuren volgens de procedure die daarvoor specifiek is voorzien in het Gerechtelijk Wetboek (artikelen 639 tot 644 van het Gerechtelijk wetboek).

Wanneer de bevoegdheid van de aangezochte rechtbank wordt betwist, kan de eiser vóór de sluiting van de debatten verzoeken om de zaak door te verwijzen naar de arrondissements-rechtbank zodat deze een uitspraak kan doen over het middel.

Bij gebreke van een verzoek tot verwijzing door de eiser, beslist de geadieerde rechter over de exceptie van onbevoegdheid door verweerder. Wanneer een rechter ambtshalve een middel dient aan te voeren dat uit zijn onbevoegdheid voortkomt, gelast hij de verwijzing van de zaak naar de arrondissementsrechtbank zodat over het middel kan beslist worden.

De arrondissementsrechtbank doet een definitieve uitspraak over de bevoegdheidskwestie en tegen haar beslissing is geen hoger beroep mogelijk (behoudens cassatieberoep ingesteld door het kabinet van de procureur -generaal .

B. Materiële bevoegdheid: de rechtbank van eerste aanleg

De materiële bevoegdheid (in eerste aanleg) voor geschillen in verband met de toepassing van een belastingwet komt, overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, uitsluitend toe aan een rechtbank van eerste aanleg, ongeacht de waarde van de vordering.

De rechtbank van eerste aanleg is als enige bevoegd om te oordelen over de wettigheid van elke individuele toepassing van de btw-wet.

Evenwel moet, onder meer, de bevoegdheid gerespecteerd worden van:

• de vrederechter voor wat betreft de procedure voor deskundige schatting (koninklijk besluit nr. 15 van 03.06.1970, tot regeling van de schattingsprocedure waarin artikel 59, § 2 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet);

• van de beslagrechter

• van de correctionele rechter

• de residuaire bevoegdheid van de Raad van State (bijvoorbeeld geschillen betreffende het inzagerecht van het administratief dossier behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de Raad van State)

• de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof (prejudiciële vraag waarin de schuldenaar van de belasting voor de rechtbank opwerpt dat de toepassing van een fiscale wet het legaliteitsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel inzake fiscaliteit schendt)

• de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (prejudiciële vraag wanneer de schuldenaar van de belasting voor de rechtbank opwerpt dat de fiscale wet in kwestie in strijd is met de Europese wetgeving).

De exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg geldt niet enkel voor geschillen met betrekking tot de belasting zelf, maar is, bijvoorbeeld, ook van toepassing op geschillen betreffende administratieve boetes of nalatigheidsintresten.

Gelet op de complexiteit van de fiscale materie, zijn sedert de hervorming van de fiscale procedure ingevolge de wetten van 15.03.1999 en 23.03.1999 gespecialiseerde fiscale rechters aangeduid om binnen de burgerlijke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg zogenaamde fiscale kamers te vormen. Deze fiscale kamers bestaan, in principe, uit één in fiscaal recht gespecialiseerde rechter.

C. Territoriale bevoegdheid

Sinds de wet van 01.12.2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, kent ons land 12 gerechtelijke arrondissementen die grotendeels samenvallen met de provinciegrenzen.

In elk van de 12 gerechtelijke arrondissementen van ons land is er, overeenkomstig artikel 73 van het Gerechtelijk wetboek, een rechtbank van eerste aanleg.

Het gerechtelijk arrondissement Brussel werd bovendien gesplitst (opsplitsing van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel in een Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en een Franstalige rechtbank van eerste aanleg die eveneens bevoegd zijn voor sommige delen van de provincie Vlaams-Brabant, met uitsluiting van de kantons die behoren het gerechtelijk arrondissement Leuven), wat het totaal op 13 rechtbanken van eerste aanleg brengt.

Inzake geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet geldt echter dat er slechts bij 13 afdelingen van rechtbanken van eerste aanleg fiscale kamers zijn ingericht (zie artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, samen gelezen met het koninklijk besluit van 25.03.1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23.03.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, zoals gewijzigd door koninklijk besluit van 26.03.2014 en het koninklijk besluit van 16.02.2017). Het gaat om:

• de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen voor het arrondissement Antwerpen

• de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent voor het arrondissement Oost-Vlaanderen

• de rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik voor het arrondissement Luik

• de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen voor het arrondissement Henegouwen,

• de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel voor het arrondissement Brussel

• de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel voor het arrondissement

Brussel

• de rechtbank van eerste aanleg Eupen voor het arrondissement Eupen

• de rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Aarlen voor het arrondissement

Luxemburg

• de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge voor het

arrondissement West-Vlaanderen

• de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt voor de provincie Limburg

• de rechtbank van eerste aanleg Leuven voor het gerechtelijk arrondissement Leuven

• de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen voor de provincie Namen

• de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant voor de provincie Waals-Brabant.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de kwestie van de territoriale bevoegdheid van de rechtbank en de kwestie van de verdeling van de zaken tussen de afdelingen en kamers van het gerecht (voor een toepassing hiervan, z. vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen, afdeling Bergen, nr. RG 16/3263/A dd. 24.04.2018 -gepubliceerd op Fisconetplus): Aanvankelijk had belastingplichtige de Staat gedagvaard om te verschijnen voor een burgerlijke kamer van de afdeling Charleroi van de rechtbank van eerste aanleg.

Deze kamer heeft de zaak verwezen naar de arrondissementsrechtbank omdat de administratie een exceptie van onbevoegdheid had opgeworpen. Deze rechtbank verklaarde de verwijzing onontvankelijk en verwees de zaak op haar beurt door naar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de afdeling Charleroi heeft uiteindelijk de zaak verwezen naar de fiscale kamer van de afdeling Bergen van de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen.

Deze beslissing is mutatis mutandis van toepassing in alle rechtbanken.).

In geval van een verdeling tussen de afdelingen, secties, kamers of rechters van eenzelfde rechtbank van eenzelfde arrondissement wordt artikel 88, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek toegepast.

Indien een zodanig incident vóór ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve wordt uitgelokt, legt de afdeling, sectie, kamer of rechter het dossier voor aan de voorzitter van de rechtbank, die oordeelt of de zaak anders moet worden toegewezen en het openbaar ministerie wordt tezelfdertijd hiervan op de hoogte gebracht. De partijen die hierom verzoeken, beschikken over een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de zitting om conclusies in te dienen. Het openbaar ministerie kan binnen dezelfde termijn een advies uitbrengen.

De voorzitter doet binnen acht dagen volgend op de zitting uitspraak bij beschikking. Hij kan de zaak onmiddellijk toekennen aan een afdeling, sectie, kamer of rechter en een datum vaststellen voor verdere behandeling. Tegen deze beschikking staat, buiten de voorziening van de procureur-generaal bij het hof van beroep, voor het Hof van Cassatie binnen de termijnen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 642, tweede en derde lid, geen rechtsmiddel open. De griffier van het Hof zendt een afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie aan de voorzitter van de rechtbank en aan de partijen.

De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.

Om te bepalen of de gevatte rechtbank wel degelijk territoriaal bevoegd is voor het fiscaal geding inzake btw (artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), neemt men als aanknopingspunt:

• de plaats waar het ontvangkantoor is gelegen waar de belasting is geïnd of moet worden geïnd wanneer het geschil verband houdt met de inning van de btw (bijvoorbeeld: het geschil omtrent het verzet tegen de uitvoering van een geautomatiseerde uitvoerbare titel, verzet tegen een beslissing tot regularisatie, een proces-verbaal tot regularisatie of tegen een regularisatieopgave).

• de plaats waar de dienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen of die de aanslag heeft gevestigd indien het geschil geen verband houdt met de inning van de btw (bijvoorbeeld: de betwisting van een administratieve beslissing die het verzoek om toepassing van een fiscale bepaling of maatregel verwerpt, de betwisting van een beslissing betreffende de aard van een handeling of de plaats van de dienst, de betwisting van een beslissing tot weigering van de toepassing van een tarief).

De uitzondering van artikel 632, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek moet restrictief uitgelegd worden: de gevallen waarin de bevoegdheid van de rechter van eerste aanleg zal worden bepaald op basis van de plaats waar het belastingkantoor, dat de bestreden beslissing heeft genomen, is gevestigd, zijn enkel de betwistingen die geen verband houden met de inning van een belasting.

Zoals het Hof van Cassatie in een arrest van 13.04.2012 (Cassatiehof nr. F.09.0056.F van 13.04. 2012) heeft vastgesteld, kunnen geschillen over de toepassing van een belastingwet ontstaan voordat de uitvoerbare titel is uitgevaardigd.

Wanneer een btw-plichtige een op grond van artikel 59, § 1, van het Btw-Wetboek door de belastingadministratie opgesteld proces-verbaal betwist (dus voor de opmaak van een uitvoerbare titel), ontstaat er tussen eerstgenoemde en die administratie een geschil over de toepassing van het Btw-Wetboek . De schuld ontstaat dus voordat de uitvoerbare titel wordt uitgevaardigd en geschillen over de toepassing van een belastingwetgeving kunnen bijgevolg ontstaan voordat de uitvoerbare titel wordt uitgevaardigd. In deze verschillende situaties is het het bevoegde Team Invordering dat zal bepalen welke rechtbank van eerste aanleg, rationae loci, het geschil zal moeten behandelen.

Op 01.07.2015 heeft de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering zijn diensten geherstructureerd (zie het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 22.06.2015, B.S. van 01.07.2015, p. 37788).

Elk Regionaal Inningscentrum bestaat uit een Team Inning en één of meerdere Teams Invordering, ter vervanging van de ontvangkantoren, met uitzondering van het Regionaal Invorderingscentrum Eupen - Sankt-Vith. Dat centrum bestaat uit twee polyvalente Teams en een Bijzonder Invorderingscentrum, dat niet beschikt over een Team Inning (zie het Besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 22.06.2015, Belgisch Staatsblad van 01.07.2017).

Overeenkomstig artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg sedert 01.07.2015 bepaald door de plaats waar het kantoor van het bevoegde Team Invordering is gevestigd, en niet door de plaats waar het Team Inning, de diensten btw-ontvangsten Mechelen of btw-ontvangsten Namen die deel uitmaken van het Inningscentrum zijn gevestigd.

De oprichting van de Teams Inning heeft, ondanks de bepalingen van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, hier geen invloed op. Krachtens artikel 7 van het voornoemd besluit van 22.06.2015 zijn de Teams Inning of de diensten Btw-Ontvangsten die deel uit maken van het Inningscentrum belast, voor rekening van de Teams Invordering, met de inning van de belastingen, de voorheffingen en andere bedoelde belastingen.

Om te bepalen welk Team Invordering bevoegd is, wordt verwezen naar de bijlagen 3 en 4 bij het Besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 22.06.2015, B.S. 01.07.2015, blz. 37805 en volgende).

Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.

3. De rechtsvordering

A. Algemeenheden

a. Bestanddelen

Het voorwerp van de vordering is dat wat gevraagd wordt door de eiser, wat hij eist of wat hij verlangt door de rechter beslist te zien.

De oorzaak van de vordering is het geheel van rechtsfeiten en rechtshandelingen waarop de vordering steunt.

Artikel 2 van de wet van 19.10.2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie bekrachtigt deze uitlegging en wijzigt artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek door de woorden ‘dat de vordering op dezelfde oorzaak berust’ te vervangen door de woorden ‘dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond’.

Dit wil zeggen dat eenzelfde vordering niet opnieuw ingediend kan worden op basis van een nieuwe rechtsgrond.

Artikel 199 van de wet van 21.12.2018 houdende diverse bepalingen inzake justitie wijzigt artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het gezag van het rechterlijk gewijsde. Dat artikel 23 wordt aangevuld met de volgende zin:

“Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt.".

Het gezag van gewijsde was onderworpen aan de drievoudige identiteitsvereisten van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek, te weten: " dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.”

De wijziging van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek in 2015 heeft betrekking op de identiteit van de zaak; daarin werd gespecificeerd dat deze identiteit voortaan werd vastgesteld "ongeacht de ingeroepen rechtsgrondslag". Het doel hiervan was te voorkomen dat dezelfde vordering na een ongunstige uitspraak opnieuw zou worden ingesteld, maar op een andere rechtsgrondslag.

Vervolgens heeft de wetgever rekening willen houden met het feit dat de eiser niet altijd alle rechtsgronden die aan zijn vordering ten grondslag liggen, in een procedure kan inroepen. Ingevolge de wet van 21.12.2018 strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt.

b. Soorten vorderingen

De inleidende vordering (of oorspronkelijke vordering) leidt het geding in (artikel 12, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Een tussenvordering is, iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld (artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek). Zij strekt ertoe, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen (de additionele vorderingen, de nieuwe vorderingen en de tegenvorderingen), hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken (de vordering tot tussenkomst).

De additionele vorderingen, de nieuwe vorderingen en de tegenvorderingen worden bij conclusies ingesteld. De vrijwillige tussenkomst gebeurt middels verzoekschrift, terwijl de gedwongen tussenkomst gebeurt middels dagvaarding.

Krachtens artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek is tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen.

Van vrijwillige tussenkomst is sprake wanneer een derde partij wordt in een geding om zijn belangen veilig te stellen of om het verzoek van een van de partijen te ondersteunen.

Er is sprake van gedwongen tussenkomst wanneer de derde door één of meer partijen in het geding, de partij die om gedwongen tussenkomst verzoekt, in de loop van het geding wordt gedagvaard om hem te laten veroordelen.

De vrijwillige tussenkomst gebeurt door middel van een verzoekschrift, dat op straffe van nietigheid de middelen en conclusies bevat. De gedwongen tussenkomst geschiedt bij dagvaarding.

In de rechtszaken inzake btw, zal de administratie een tussenvordering tot schadevergoeding indienen wegens tergend en roekeloos geding, wanneer de tegenpartij de zaak enkel aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank om de behandeling van het fiscaal dossier te vertragen.

Dat is met name het geval wanneer:

• een vordering ingesteld wordt tegen onderzoekhandelingen die uitgevoerd worden ingevolge fiscale bepalingen,

• een beroep ingesteld wordt louter om uitstel van betaling te bekomen van sommen die onbetwistbaar verschuldigd zijn aan de Schatkist (voorbeeld: arrest van het hof van beroep te Brussel nr. 2012/AR/1355, van 15.10.2015),

• een btw-geschil, zowel administratief als gerechtelijk, dat te wijten is aan het gebrek tot medewerking van de schuldenaar van de belasting.

De administratie zal een tegenvordering tot schadevergoeding wegens laster indienen wanneer de schuldenaar van de belasting in zijn conclusies insinuaties maakt die de waardigheid van de administratie of zijn ambtenaren aantasten en deze insinuaties manifest ongegrond zijn.

c. Inleiding van de rechtsvordering

Inzake geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet voorziet artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk dat de vordering tegen de belastingadministratie door de schuldenaar van de belasting ingesteld wordt bij verzoekschrift op tegenspraak.

Overeenkomstig artikel 706 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat tevens de mogelijkheid voor de partijen om, in onderling akkoord, vrijwillig te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg, waarbij ze dan vragen om over hun geschilpunten te oordelen. Sedert 01.01.2013 moet het gezamenlijk verzoekschrift door beide partijen ondertekend en gedagtekend zijn op straffe van nietigheid. Het verzoekschrift wordt bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.

Er moet worden vermeld dat:

• de schuldenaar van de belasting niet verplicht is om de vordering in te stellen door middel van een verzoekschrift op tegenspraak. Wanneer de schuldenaar van de belasting de vordering instelt met een dagvaarding, verdedigt de administratie de stelling dat de eiser de kosten van de betekening moet dragen. De eiser kiest immers zelf, zonder geldige reden voor deze duurdere wijze van instellen van een vordering terwijl de wet voorziet dat hij gebruik kan maken van een verzoekschrift op tegenspraak. Artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet immers uitdrukkelijk dat nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van datzelfde Wetboek, zelfs ambtshalve ten laste worden gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.

• de administratie kan geen gebruik maken van het verzoekschrift op tegenspraak: wanneer zij als eiseres optreedt in eerste aanleg (bijvoorbeeld ingeval van vordering tot schadevergoeding) moet zij haar vordering instellen door middel van een dagvaarding.

d. Termijn

Inzake btw kan de schuldenaar van de belasting het geschil aan het oordeel van de rechter onderwerpen in elk stadium van de administratieve procedure of in elk stadium tijdens de vervolging. Dit heeft tot gevolg dat er geen specifieke termijn is bepaald waarbinnen de schuldenaar van de belasting het rechtsgeding moet inleiden.

Soms wordt opgeworpen dat, bij toepassing van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, de schuldenaar van de belasting zijn rechtsvordering niet meer zou kunnen inleiden na het verstrijken van de in het gemeen recht voorziene termijn van 10 jaar. Er wordt evenwel verwezen naar het arrest van het hof van beroep te Brussel nr. 2012/AR/604, van 09.09.2014. Dit arrest verwerpt de stelling volgens dewelke het verzet tegen een dwangbevel onderworpen zou zijn aan de verjaringstermijn van 10 jaar.

De enige termijnen die in de praktijk van belang zijn, zijn die van de vordering tot voldoening van de belasting en die van de vordering tot teruggaaf van de belasting (artikelen 81 tot en met 83 van het Btw-Wetboek).

e. Geadresseerde

Inzake btw worden de dagvaardingen betekend aan het kabinet van de minister van Financiën of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar (artikel 42, 1° en artikel 705 van het Gerechtelijk Wetboek), te weten de directeur van de Stafdienst Logistiek overeenkomstig het ministerieel besluit van 25.10.2012, ‘houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan’ (Belgisch Staatsblad van 22.11.2012).

De Stafdienst Logistiek is evenwel niet de enige bestemmeling van de dagvaardingen. Volgens het arrest van het Hof van Cassatie nr. F.14.0173.F van 25.09.2015 dat verwijst naar artikel 42, 1° van het Gerechtelijk Wetboek, zijn ook de dagvaardingen aan de andere diensten niet onregelmatig.

Krachtens dat artikel worden de betekeningen aan de Staat gedaan op ‘het Kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar’. Deze wettelijke bepaling zegt niet dat de betekening moet gebeuren op het kantoor van de door de bevoegde minister aangeduide ambtenaar. Het Hof van Cassatie heeft derhalve het middel van niet-ontvankelijkheid ingeroepen door de administratie omdat het cassatieberoep was betekend op het Kabinet van de minister van Financiën, niet aangenomen.

Deze regel geldt eveneens voor de betekening van gerechtelijke stukken. Zelfs indien de vertegenwoordiging van de Staat verzekerd is op lokaal niveau, worden de betekeningen en kennisgevingen in de loop van de procedure soms ook gedaan bij het Kabinet van de minister of aan de overeenkomstig artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek door hem aangewezen ambtenaar.

Er moet echter rekening worden gehouden met het arrest van het Hof van Cassatie van 29.06.2018, F.17.0144.F, gewezen inzake IB (gepubliceerd op fisconetplus).

Het cassatieberoep werd niet betekend aan het kabinet van de minister van Financiën of aan de ambtenaar aangeduid in artikel 1 van het ministerieel besluit van 25.10.2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan, maar aan het kantoor van de directeur der directe belastingen te Luik.

De omstandigheid dat het arrest aan de eiser werd betekend op verzoek van de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de directe belastingen, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur der directe belastingen te Luik, heeft niet tot gevolg dat het verzoekschrift in cassatie dat gericht is tegen de Belgische Staat, aan die directeur kon worden betekend en ook niet dat die directeur in de zin van voornoemd artikel 705 zou zijn aangewezen door de minister van Financiën om de betekeningen te ontvangen die aan hem moeten worden gedaan.

Bijvoorbeeld:

• betekening van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

• kennisgeving van de beschikking tot bepalen van een rechtsdag op grond van artikel 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

De gerechtsbrieven houdende de verzoekschriften op tegenspraak worden door de meeste griffies toegestuurd aan de voornoemde Stafdienst Logistiek of aan het Kabinet van de minister van Financiën. Andere griffies verwittigen rechtstreeks de betrokken dienst invordering of taxatie.

B. Vormvereisten van de vordering

a. Het verzoekschrift op tegenspraak

Het verzoekschrift op tegenspraak is een eenzijdige proceshandeling waarbij de schuldenaar van de belasting zijn vordering tegen de administratie voor de rechter brengt per brief.

Het verzoekschrift met zijn bijlagen moet door de verzoeker (eiser) wordt, in zoveel exemplaren als er partijen zijn, gezonden worden aan de griffier van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg of wordt ter griffie neergelegd.

Vervolgens wordt de administratie door de griffie per gerechtsbrief uitgenodigd om te verschijnen op de inleidende zitting.

Het verzoekschrift moet, op straffe van nietigheid, de volgende vermeldingen opgesomd in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek vermelden:

• de dag, de maand en het jaar;

• de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer;

• de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;

• het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;

• de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;

• de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

Er moet opgemerkt worden dat ingevolge de wet van 14.10.2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen, de vermelding van het rijksregisternummer of het ondernemingsnummer van de aanvrager in de gedinginleidende akte verplicht wordt. Indien de gedinginleidende akte uitgaat van een administratie van de FOD Financiën, moet het ondernemingsnummer van de FOD Financiën (0308.357.159) op de akte worden vermeld (Circulaire 2019/C/16 betreffende de hervorming van de rolrechten van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering).

Bij het verzoekschrift wordt een afschrift van het betwiste besluit gevoegd (bv.de verantwoording van de btw-schuld die in het innings- en invorderingsregister is opgenomen, het proces-verbaal, het regularisatieopgave, een betekening van de bijzondere rekening, enz.).

Overeenkomstig artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek moet immers, op straffe van nietigheid, bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing worden gevoegd.

De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. Bij de oproeping wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. (zie artikel 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek).

b. De dagvaarding

De bevoegde rechtbank kan ook gevat worden door de betekening bij deurwaardersexploot van een dagvaarding om te verschijnen.

De betekening bestaat uit de afgifte van een kopie van het exploot van dagvaarding aan de verweerder, waarvan het origineel in handen blijft van de optredende gerechtsdeurwaarder. Het originele exploot wordt door de deurwaarder ter griffie van de gevatte rechtbank neergelegd waar dit het eerste stuk van de gerechtelijke procedure is.

Het dagvaardingsexploot moet, op straffe van nietigheid, opgemaakt worden volgens de voorschriften van de artikelen 43 en 702 van het Gerechtelijk Wetboek. Bij het exploot moet een kopie van de bestreden beslissing worden gevoegd (bijvoorbeeld: de kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld, de regularisatieopgave, het proces-verbaal, de betekening van de bijzondere rekening). De verplichte vermeldingen die op straffe van nietigheid van toepassing zijn op het verzoekschrift op tegenspraak gelden eveneens ook voor de dagvaarding.

Indien eiseres een vennootschap is, moet deze ingeschreven zijn bij de Kruispuntbank van Ondernemingen en moet het inschrijvingsnummer overeenkomstig artikel 43, 2° van het Gerechtelijk Wetboek vermeld worden in het exploot van betekening.

Op straffe van nietigheid moet een termijn van acht dagen verstrijken tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende terechtzitting (artikel 707 van het Gerechtelijk Wetboek). Deze periode vormt een wachttijd.

De regels bepaald in artikel 48 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek moeten worden gecombineerd. De termijn wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte (artikel 52). De vervaldag is in de termijn begrepen (artikel 53, lid 1).

Is de vervaldag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag (artikel 53, lid 2). De termijn van de dagvaarding moet vóór de dag van de verschijning zijn verstreken.

Voor de rechtspleging in kortgeding bedraagt de termijn van dagvaarding ten minste twee dagen (artikel 1035 van het Gerechtelijk Wetboek).

C. Gebruik der talen

Het verzoekschrift op tegenspraak en de dagvaarding moeten, op straffe van nietigheid, voldoen aan de vereisten die zijn opgelegd door de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Deze reglementering kan als volgt summier worden samengevat:

• voor de rechtbanken van eerste aanleg Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Limburg en Leuven moet het verzoekschrift in het Nederlands worden opgesteld (de rechtspleging wordt dan uiteraard in het Nederlands voortgezet)

• voor de rechtbanken van eerste aanleg van Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen moet het verzoekschrift in het Frans worden opgesteld (de rechtspleging wordt dan uiteraard in het Frans voortgezet)

• voor het arrondissement Brussel, mag het verzoekschrift naar keuze van de verzoeker worden opgemaakt in het Frans of in het Nederlands en kan de zaak respectievelijk worden ingesteld bij de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel of bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel (de schuldenaar van de belasting mag dus zijn verzoekschrift opstellen in een andere taal dan degene waarin de tot dan gevoerde procedure met de administratie is verlopen. De rechtspleging wordt dan in principe voortgezet in de taal van de gedinginleidende akte tenzij de verweerder (de administratie) aan de rechter zou vragen dat de rechtspleging, voor alle exceptie en verweer, in een andere taal wordt voortgezet (artikel 4, § 1, van de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd door artikel 47, 1°, van de wet van 19.07.2012)

• voor de rechtbank van eerste aanleg van Eupen, moet het verzoekschrift in het Duits worden opgesteld de rechtspleging wordt dan uiteraard in het Duits voortgezet.

Betreffende het gebruik der talen voor zaken die ingeleid worden voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat wanneer het aanknopingspunt van de territoriale bevoegdheid bepaald is door een Team invordering (vóór 01.07.2015: door een ontvangkantoor) of een belastingdienst die gevestigd is in een ééntalig gebied van de provincie Vlaams-Brabant dat niet behoort tot het gerechtelijk arrondissement Leuven (met name de gemeenten die behoren tot het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde).

Volgens de bepalingen van artikel 3, tweede lid, van de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, wordt de gerechtelijke procedure uitsluitend in het Nederlands gevoerd voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel omdat een zaak voor de rechtbank aanhangig wordt gemaakt op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats welke zich op het grondgebied van een Vlaamse gemeente bevindt die buiten de Brusselse agglomeratie gelegen is.

In dat geval moet het verzoekschrift opgemaakt worden in het Nederlands voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg.

De schuldenaar van de belasting (eiser) kan echter aan de rechtbank vragen dat de procedure in het Frans voor de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel wordt voortgezet. Deze vraag tot verwijzing moet gebeuren in het stuk dat het geding inleidt en moet ook door de tegenpartij (hier: de administratie), voor alle exceptie en verweer, ook die van de onbevoegdheid, goedgekeurd worden.

Bovendien voorziet de wet voortaan dat de aanvaarding gebeurt hetzij op de inleidende zitting, hetzij door middel van een geschrift aan de griffie van het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt, na ontvangst van de betekening of van de kennisgeving van de gedinginleidende akte, dit ten laatste acht dagen vóór de inleidende zitting (artikel 7, § 1, derde lid, van voornoemde wet van 15.06.1935, gewijzigd door artikel 50, 2°, van de wet van 19.07.2012). De rechter spreekt binnen een termijn van vijftien dagen na indiening van dit verzoek een beschikking uit. Bij gebrek aan beschikking binnen deze termijn geldt het gebrek aan beschikking als doorverwijzing (artikel 7, § 2, van voornoemde wet van 15.06.1935, gewijzigd door artikel 50, 3°, van de wet van 19.07.2012).

De regels met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Deze wordt ambtshalve door de rechter uitgesproken (artikel 40, eerste lid, van de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken).

D. Inschrijving op de algemene rol

Iedere rechtszaak wordt ingeschreven op de algemene rol die, overeenkomstig artikel 711 van het Gerechtelijk Wetboek, op de griffie van elk gerecht wordt bijgehouden. Op basis van deze inschrijving krijgt elke zaak een uniek volgnummer dat op alle procestukken (onder meer de conclusies en het vonnis) zal worden vermeld.

Wordt de rechtszaak ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak, hetgeen gebruikelijk is voor fiscale gedingen, dan gebeurt de inschrijving op de algemene rol op het ogenblik dat de griffier het verzoekschrift ontvangt.

Wordt de zaak ingeleid bij dagvaarding, dan geschiedt de inschrijving op de algemene rol in de regel op verzoek van de optredende gerechtsdeurwaarder, of op verzoek van de belanghebbende partijen, van hun advocaat of van hun gemachtigde.

De zaak wordt dus ingeschreven uiterlijk de dag vóór de zitting waarvoor de dagvaarding is gegeven. Indien de rechtszaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding, is deze van generlei waarde (artikelen 716 en 717 van het Gerechtelijk Wetboek).

In het oude stelsel waren de fiscale btw-geschillen volledig vrijgesteld van rolrecht (artikel 2791, 1°, samengelezen met artikel 162, 4°, van het Wetboek Registratierechten).

De wet van 28.04.2015 (Belgisch Staatsblad van 26.05.2015) tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, die in werking is getreden op 01.06.2015 (zie circulaire nr. 2/2015 van 26.05.2015, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie), behoudt grotendeels deze vrijstelling voor fiscale geschillen, behalve wanneer de waarde van de vordering het bedrag van 250.000 euro overstijgt.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2017 van 09.02.2017, vernietigt de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de wet van 28.04.2015, zijnde de wijzigingen aangebracht aan de artikelen 2691, 2692, 2693 en 2791 van het Wetboek Registratierechten. Het Hof is van oordeel dat het door de wetgever nagestreefde doel om de rolrechten in overeenstemming te brengen met de vermoede inspanning en kosten van het gerechtelijk apparaat, het onderscheid dat ontstaat tussen de rechtzoekenden steunend op de waarde van de vordering niet rechtvaardigt, noch de belemmeringen die ontstaan inzake de toegang tot justitie (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet).

Het Hof heeft, tot het ogenblik van een tussenkomst door de wetgever en uiterlijk tot 31.08.2017, de gevolgen van de vernietigde bepalingen ten aanzien van de vorderingen die bij een rechtscollege zijn ingesteld tot die datum, gehandhaafd.

De wet van 14.10.2018 wijzigt de bepalingen inzake de rolrechten van het Wetboek der Registratierechten, overeenkomstig het bovenvermelde arrest van het Grondwettelijk Hof (M.B. 20.12.2018).

De vrijstelling inzake fiscale zaken wordt behouden (z. circulaire 2019/C/16 betreffende de hervorming van de rolrechten van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, gepubliceerd op Fisconetplus). Aldus blijven alle in fiscale zaken aanhangig gemaakte zaken volledig vrijgesteld van rolrechten (art. 2791, 1° en 162, 4°, W. Reg.)

4. Inleidende zitting

A. Datum van de inleidende zitting

De dag van de inleidende zitting gaat de griffier over tot de afroeping van de zaken in volgorde van hun inschrijving op de algemene rol.

Overeenkomstig artikel 728, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek moeten de partijen tijdens deze zitting hetzij persoonlijk verschijnen, hetzij zich laten vertegenwoordigen door een advocaat.

Wanneer beide partijen zich laten vertegenwoordigen door een advocaat, is schriftelijke verschijning mogelijk op de inleidende zitting.

De verklaring tot schriftelijke verschijning is enkel mogelijk wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden:

• de zaak is niet van die aard dat ze gepleit kan worden tijdens de inleidende zitting

• alle partijen moeten vertegenwoordigd zijn door een advocaat

• de advocaten hebben zich, in onderlinge overeenstemming, akkoord verklaard over de schriftelijke verschijning,

• de verklaring moet schriftelijk gebeuren

• de verklaring moet vooraf aan de griffie gericht worden.

Vanaf 01.05.2009, wordt de verdediging van de Staat voor de rechtbank van eerste aanleg inzake btw-geschillen, in principe, waargenomen door de taxatieambtenaren in plaats van door een departementsadvocaat. De verklaring tot schriftelijke verschijning zal bijgevolg in theorie niet meer toegelaten zijn.

Indien evenwel de schuldenaar van de belasting vertegenwoordigd is door een advocaat die ingeschreven is bij een Franstalige of Duitstalige balie, voorziet artikel 3 van het akkoordprotocol van 05.07.2003 tussen de FOD Financiën en de Ordre des barreaux francophones et germanofone, toch in de mogelijkheid van schriftelijke verschijning door de partijen.

Indien de schuldenaar van de belasting niet is vertegenwoordigd door een advocaat, is de verschijning in persoon door de administratie (door de ambtenaar of door de departementsadvocaat) vereist op de inleidende zitting.

B. Verschijning van de partijen

a. Verschijning van de schuldenaar van de belasting (eiser)

De schuldenaar van de belasting kan zich niet laten vertegenwoordigen door een familielid, een boekhouder, een accountant, een belastingconsulent, enzovoort.

Op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar van de belasting of zijn advocaat, kan, onder de voorwaarden bepaald in artikel 728, § 2bis van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter wel toestaan om een door de schuldenaar van de belasting gekozen accountant, boekhouder, of bedrijfsrevisor te horen. Dit verzoek geschiedt door middel van conclusies.

Het gaat dus niet om het even welke vertegenwoordiging, maar enkel om bijstand met betrekking tot de feiten of rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.

Het oproepen van een accountant, boekhouder of bedrijfsrevisor staat ter beoordeling van de rechter. Hij onderzoekt of het opportuun is om hen in deze zaak om bijstand te vragen. Het moet immers gaan om de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige, die de betwiste aangifte heeft opgesteld of die de belastingplichtige heeft bijgestaan tijdens de administratieve procedure.

b. Verschijning van de FOD Financiën (verweerder)

Op grond van de orgaantheorie, kon en kan de Staat inzake geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet steeds in persoon verschijnen door middel van elke ambtenaar van de belastingadministratie (artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek).

Alhoewel dat strikt genomen overbodig is, werd de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ambtenaar in fiscale geschillen nog eens uitdrukkelijk bevestigd in artikel 90 van het Btw-Wetboek.

Als algemene regel geldt voortaan dat voor de btw-geschillen die na 01.05.2009 zijn ontstaan, de verdediging in rechte voor de rechtbank van eerste aanleg in principe wordt waargenomen door de taxatieambtenaren. Evenwel kan, voor principekwesties of complexe zaken nog steeds een departementsadvocaat worden aangeduid.

De verdediging in rechte voor de hoven van beroep wordt eveneens waargenomen door een taxatieambtenaar of, indien nodig, door een departementsadvocaat.

C. Verzoek tot verwijzing van de zaak naar een kamer met drie rechters

Enkel de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan, wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie rechters toewijzen (artikel 92 § 1/1, Ger W).

D. Verstek

Een procedure bij verstek wordt gevoerd wanneer wordt vastgesteld dat één van de partijen, alhoewel regelmatig opgeroepen om te verschijnen, niet is verschenen en niet heeft geconcludeerd. Indien een van de partijen niet op de inleidende zitting verschijnt, kan op die zitting tegen haar verstek worden gevorderd.

De niet verschenen partij tegen wie op de inleidende zitting geen verstek is gevorderd, wordt op schriftelijk verzoek van de tegenpartij, door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen ter zitting waartoe de zaak is verdaagd of waarop zij achteraf is bepaald.

Wanneer op de inleidende zitting redelijke twijfel rijst of de gedinginleidende akte de niet verschenen verweerder in staat heeft gesteld zich te verdedigen, kan de rechter bevelen dat zij wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot (artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek).

Overeenkomstig artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek kan indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd. De rechtspleging is evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die conclusies heeft neergelegd (zonder dat ze noodzakelijkerwijs verschenen is overeenkomstig de artikelen 728 of 729 van het Gerechtelijk Wetboek).

Bovendien is, wanneer de zaak aanhangig is gemaakt met toepassing van artikel 747 of artikel 750 van het Gerechtelijk Wetboek, of wanneer artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek is toegepast, de procedure eveneens tegenstelbaar, zelfs indien een partij niet verschijnt op de rechtsdag, zelfs indien een partij geen conclusies heeft ingediend.

De niet verschenen partij heeft de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen dit verstekvonnis op voorwaarde dat het een vonnis in laatste aanleg betreft.

De wetten van 19.10.2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en van 06.07.2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie hebben de regeling inzake verstek gewijzigd. Het nieuwe artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet uitdrukkelijk dat in het verstekvonnis de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen.

In de toepassingscontext van artikel 806 Gerechtelijk Wetboek is het inwilligen van een kennelijk ongegronde vordering of een kennelijk ongegrond verweer strijdig met de openbare orde (Arrest van het Hof van Cassatie nr. P.16.0421.N van 13.12.2016). Daarenboven is de fiscale wet van openbare orde, derhalve dient de rechter de fiscale wet ambtshalve toe te passen.

Bovendien moest, vóór de inwerkingtreding van de wet van 19.10.2015, elk verstekvonnis binnen het jaar aan de niet verschenen partij door een gerechtsdeurwaarder betekend worden, op straffe van verval van dit vonnis. Deze bepaling in het oude artikel 806 van het Gerechtelijk wetboek is thans opgeheven. Een verstekvonnis moet niet meer binnen het jaar betekend worden.

De betekening van een verstekvonnis blijft echter noodzakelijk om de termijn van verzet bedoeld in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek te doen lopen.

Krachtens artikel 92bis van het Btw-Wetboek schorsen de termijnen van verzet de tenuitvoerlegging van de gerechtelijk beslissing.

E. Nietigheid van de proceshandelingen

Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, noch kan het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, worden gesanctioneerd, indien de wet de sanctie niet uitdrukkelijk heeft bevolen.

Dit is het “pas de nullité sans texte” (vrij vertaald: geen nietigheid zonder tekst”(artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek).

De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Dit is het beginsel “geen nietigheid zonder schade” (pas de nullité sans grief) (artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer hij vaststelt dat de bewezen belangenschade kan worden hersteld, maakt de rechter, op kosten van de opsteller van de onregelmatige akte, de verwerping van de exceptie van nietigheid afhankelijk van de uitvoering van de maatregelen waarvan hij de inhoud en de termijn waarna de nietigheid zal worden verkregen, bepaalt.

In alle gevallen waarin de ondertekening vereist is voor de geldigheid van een proceshandeling kan het gebrek van de handtekening worden geregulariseerd ter zitting of binnen een door de rechter vastgestelde termijn. (artikel 863 van het Gerechtelijk Wetboek).

De nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zijn gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen (artikel 864 van het Gerechtelijk Wetboek).

Uit artikel 700, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de akten, nietig verklaard wegens overtreding van het 1ste lid van deze bepaling, de verjaring stuiten alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval.

De nietigheid van de handeling heeft geen invloed op de grondslag van het recht.

Een nieuwe rechtshandeling is mogelijk voor zover de verjaringstermijn niet is verstreken en enkel in gevallen waarin de magistraat geen herstelmaatregelen heeft uitgevoerd of voorgesteld (artikel 861, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek).

F. Opschortende excepties

Opschortende excepties moeten gezamenlijk en vóór elk verweer ten gronde worden ingeroepen.

G. Aanhangigheid en samenhang

Aanhangigheid bestaat telkens wanneer vorderingen met hetzelfde voorwerp en wegens dezelfde oorzaak worden ingesteld tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanigheid optreden voor verschillende rechtbanken, bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen om in eerste aanleg uitspraak te doen.

In geval van aanhangigheid worden de vorderingen samengevoegd, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een der partijen. De verwijzing geschiedt met toepassing van de voorrangsregels van artikel 565 van het Gerechtelijk Wetboek.

Rechtsvorderingen kunnen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

In geval van samenhang kunnen samenhangende vorderingen voor dezelfde rechterlijke instantie worden gebracht, met inachtneming van de in artikel 565 van het Gerechtelijk Wetboek vermelde voorrangsregels.

In tegenstelling tot bij de aanhangigheid worden de voorwaarden voor de samenhang overgelaten aan de soevereine beoordeling van de rechter en moeten deze voorwaarden vervuld zijn op het tijdstip van de indiening van de verzoekschriften.

5. Behandeling van de vordering

A. Indeling van de gedingen in twee categorieën

Vanaf de inleidende zitting zijn de gedingen ingedeeld in twee categorieën:

• de gedingen die slechts korte debatten vereisen, wanneer de zaak behandeld wordt op de inleidende zitting of verdaagd worden naar een zeer nabije datum. Er moeten niet verplicht conclusies uitgewisseld worden tussen de partijen.

• de meer complexe gedingen (de zogenaamde lange procedure), wanneer de partijen hun middelen en argumenten uiteenzetten en overleggen door middel van conclusies. Een kalender met dwingende conclusietermijnen en een vastgestelde rechtsdag zijn hier de regel.

B. Procedure met korte debatten

a. Begrip

Een behandeling met korte debatten wijst niet zozeer op het dringende karakter van een zaak of op de geringe waarde ervan, maar op het feit dat het in principe niet vereist is om schriftelijk middelen aan te voeren of lang te pleiten. De procedure met korte debatten kan gevoerd worden op verzoek van de eiser, van de verweerder of van beide partijen. Daarnaast bestaan er een vijftal gevallen waarbij wordt aangenomen dat de procedure met korte debatten steeds zal worden toegepast (vermoeden van korte debatten).

b. Toepassingsvoorwaarden

Wanneer de eiser de toepassing wenst van de procedure met korte debatten (zeer zeldzaam inzake btw), dan dient hij overeenkomstig artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek zijn verzoek te kennen te geven in de inleidende akte (verzoekschrift op tegenspraak of dagvaarding)

Tijdens de inleidende zitting kan de verweerder:

• hetzij akkoord gaan met dit verzoek om toepassing van de procedure met korte debatten. In dit geval staat de rechter de korte debatten toe.

• hetzij de motieven die de eiser aanhaalt voor de toepassing van de procedure met korte debatten betwisten. In dit geval zal de rechter beslissen of hij al dan niet korte debatten toestaat. De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.

Ook de verweerder heeft de mogelijkheid om schriftelijk of zelfs mondeling tijdens de inleidende zitting, een dergelijk verzoek te formuleren.

Zo zal inzake btw, bijvoorbeeld, meestal slechts een procedure met korte debatten nodig zijn wanneer de schuldenaar van de belasting voor de rechter enkel de bedragen uit een bijzondere rekening betwist.

Beide partijen kunnen ook gezamenlijk verzoeken (zeldzaam inzake btw) om de procedure met korte debatten toe te passen. Een gewoon mondeling verzoek tijdens de inleidende zitting volstaat. In dat geval moet de rechter deze procedure toestaan, zelfs zonder dat het verzoek gemotiveerd is.

c. Vermoeden van korte debatten

Voor een aantal zaken, opgesomd in artikel 735, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bestaat er een wettelijk vermoeden dat ze steeds met korte debatten zullen worden behandeld.

Het gaat om:

• de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen

• de vorderingen tot het bekomen van voorlopige maatregelen

• de taalwijzigingen

• de regeling van geschillen van bevoegdheid

• de vorderingen om uitstel van betaling.

In de praktijk zijn het vooral de regelingen van geschillen van bevoegdheid en de verzoeken tot taalwijziging die het voorwerp zijn van een procedure met korte debatten.

d. Verloop van de procedure

Indien de zaak mondeling behandeld wordt tijdens de inleidende zitting moeten de partijen alle stukken die ze willen aanwenden aan elkaar meedelen vóór of uiterlijk op de inleidende zitting. Er worden geen conclusies uitgewisseld.

Indien de rol een onmiddellijke behandeling tijdens de inleidende zitting niet toelaat, wordt de zaak door de rechter verdaagd naar een nabije datum.

De partijen kunnen dan wel conclusies opstellen. Zij kunnen zelf een kalender met korte conclusietermijnen bepalen.

Doen zij dit niet, dan kan de rechter zelf een kalender opleggen die aangepast is aan de korte debatten. De stukken moeten uiterlijk vóór het sluiten van de debatten worden overgemaakt.

De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.

C. Lange procedure (voor complexe gedingen)

a. Begrip

Wanneer de zaak niet met een ‘korte debatten procedure’’ behandeld kan worden, moet de ‘lange’ procedure gevolgd worden waarbij conclusies worden uitgewisseld.

Er wordt dan door de rechter een procedurekalender opgesteld waarin dwingende termijnen voor de uitwisseling van conclusies en stavingstukken en een rechtsdag worden vastgelegd. De meeste rechtszaken inzake fiscaliteit volgen deze ‘lange’ procedure.

b. Mededeling van de stukken aan de tegenpartij

Overeenkomstig het beginsel van tegenspraak moeten de partijen hun stukken, die ze in het kader van het geding aan de rechter willen overmaken, aan elkaar mededelen (artikel 736 van het Gerechtelijk Wetboek). De term ‘stukken’ moet ruim geïnterpreteerd worden Het gaat om alle bewijsmiddelen waarvan een partij gebruik zal maken.

De gestelde termijnen voor het overhandigen van stukken luiden als volgt:

• voor de eiser: binnen de acht dagen na de inleidende zitting. Deze termijn is aan geen enkele sanctie verbonden. Het is een louter formele termijn.

• voor de verweerder: de stukken moeten meegedeeld worden aan de eiser samen met de conclusies.

Indien de schuldenaar van de belasting niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, dan geschiedt, overeenkomstig artikel 737 van het Gerechtelijk Wetboek, de mededeling door het neerleggen van de stukken ter griffie, waar de partijen er ter plaatse inzage van nemen. De stukken worden vooraf door de administratie gebundeld en opgenomen in een inventaris. Dit is een gedetailleerde en beschrijvende opsomming van alle neergelegde stukken. Bij elke mededeling van stukken door neerlegging ter griffie wordt een inventaris ter griffie neergelegd.

Indien de schuldenaar van de belasting wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is het gebruikelijk dat de mededeling van de stukken onder de partijen in der minne en zonder formaliteiten geschiedt. Een kopie van de stukken (met inventaris) wordt aan de andere partij toegezonden. Aan de griffie wordt een afschrift overgemaakt van de brief waarbij de toezending van de stukken wordt vermeld. In dit geval worden de stukken (met inventaris), onverminderd afwijkingen of andere regelingen omschreven in de beschikking van in staat stellen van de zaak, in de beschikking van bepaling van de rechtsdag, in het bericht van verdaging of in het bericht van bepaling van de rechtsdag, tenminste vijftien dagen voor de rechtsdag bepaald voor de pleidooien neergelegd ter griffie (artikel 756 van het Gerechtelijk Wetboek).

In ieder geval worden, zoals bepaald in artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek, alle stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overlegd (behoudens de toepassing van artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek: nieuw stuk of feit dat nieuwe conclusies rechtvaardigt, ontdekt door een partij die reeds conclusie heeft genomen) ambtshalve geweerd uit de debatten.

Tevens is het belangrijk om te kunnen bewijzen dat de stukken werden medegedeeld en neergelegd. Zolang er conclusies uitgewisseld kunnen worden, kunnen er dus in de praktijk nieuwe stukken in de procedure neergelegd worden.

Het systeem e-Deposit maakt het elektronisch neerleggen (uploaden) van stukken (conclusies, stukkenbundels, enzovoort) mogelijk. Via een applicatie kunnen stukken uit een bepaald dossier binnen een respectievelijke instantie worden neergelegd, waarbij meteen een ontvangstbewijs wordt afgeleverd. E-Deposit werkt met een authenticatie op basis van een eID (elektronische identiteitskaart).

c. Kalender van instaatstelling of verwijzing naar de rol

De zaak kan op drie verschillende manieren in staat worden gesteld (artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek):

• bij minnelijke overeenkomst tussen de partijen (minnelijke in staatstelling)

• bij kalenderregeling opgelegd door de rechter ( gerechtelijke in staatstelling wanneer de partijen geen akkoord bereiken)

• bij verwijzing naar de bijzondere rol (gevolgd door een vrije in staatstelling).

Tijdens de inleidende hoorzitting maakt de zaak het voorwerp uit van een minnelijke of gerechtelijke in staatstelling behalve wanneer de partijen samen overeenkomen om de zaak naar de rol te verwijzen (artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek).

De opmerkingen van partijen over de in staatstelling van de zaak kunnen afzonderlijk (in welk geval zij ook aan de wederpartij worden toegezonden, zonder dat deze ze kan beantwoorden) of gezamenlijk ter kennis van de rechter worden gebracht. Zij kunnen worden ingediend vóór (schriftelijke memorie van eis), tijdens of na de inleidende hoorzitting, maar uiterlijk binnen een maand na de inleidende zitting. In dat geval moet de zaak worden opgeschort tot het verstrijken van de termijn.

Wanneer de partijen onderling conclusietermijnen afspreken (de conclusietermijnen kunnen op de inleidingszitting en op elke latere zitting worden afgesproken), licht de rechter hen in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald. De rechter neemt akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaald de rechtsdag voor de pleidooien (artikel 747, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer de partijen onderling geen akkoord bereiken omtrent de in staatstelling, moet de rechter zelf, nadat de partijen aan de rechter hun opmerkingen hebben bezorgd, de kalender voor de conclusietermijnen en de pleitzitting bepalen (artikel 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek). In dit geval bepaalt artikel 747, § 2, van het gerechtelijk Wetboek, dat de datum van de pleitzitting uiterlijk drie maanden na de toezending en de neerlegging van de laatste conclusies plaatsvindt.

Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen. In de beschikking van in staat stellen vermeldt de rechter niet enkel de datum en het uur van de pleitzitting maar ook de duur van de pleidooien.

Tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open.

De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving in de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag, deze beschikking ambtshalve dan wel op, zelfs mondeling, verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen.

De partijen kunnen eveneens in onderlinge overeenstemming afwijken van deze in staatstelling van de zaak en om de verwijzing ervan naar de rol verzoeken en, als de omstandigheden het toelaten, om verdaging tot een bepaalde datum. Nadat de zaak naar de rol werd verwezen gebeurt de uitwisseling van de conclusies en de stukken in der minne tussen de partijen.

Bovendien, wanneer de zaak naar de rol is verwezen, of werd verdaagd naar een latere datum, kan iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de in staatstelling van de zaak verzoeken (de rechter bepaalt dan de conclusiekalender en de datum van de rechtszitting).

In kortgedingprocedures of in procedures behandeld zoals in kort geding bedraagt de termijn waarbinnen partijen hun opmerkingen kunnen indienen, niet meer dan vijf dagen en de termijn waarbinnen de rechter de termijn vaststelt of de instemming van partijen ter zake vaststelt, niet meer dan acht dagen. De rechter kan deze termijnen verkorten of ervan afzien, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen.

d. Uitwisseling van conclusies

De conclusies zijn de schriftelijke standpunten, ondertekend door de partijen of hun advocaat (artikel 743 van het Gerechtelijk Wetboek). Zij worden voorgelegd aan de rechter en aan de tegenpartij bezorgd in de loop van de debatten. De conclusies bevatten de uiteenzetting van de eisen en van de verdediging, alsook de rechtsmiddelen en de feiten waarop een partij of haar advocaat haar vordering heeft gesteund.

Krachtens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert (Onverminderd artikel 8.4, lid 5, Boek 8: Bewijs, van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek, dat de regels inzake de bewijslast bepaald).

Overeenkomstig artikel 742 van het Gerechtelijk Wetboek leggen de partijen hun conclusies neer ter griffie samen met een inventaris van de medegedeelde stukken. Zij ontvangen van deze neerlegging een ontvangstbewijs.

Artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door de wet van 19.10.2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, voorziet voortaan dat de conclusies tevens, achtereenvolgens en uitdrukkelijk het volgende bevatten:

1° de uiteenzetting van de voor de beslechting van het geschil pertinente feiten

2° de aanspraken van de concluderende partij

3° de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer, waarbij in voorkomend geval verschillende middelen genummerd worden en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld

4° het gevraagde beschikkende gedeelte van het vonnis, waarbij in voorkomend geval de hoofdorde of ondergeschikte orde van de verschillende onderdelen wordt vermeld.

Ingevolge deze wetswijziging, zijn de partijen verplicht om de feiten of hun aanspraken (voor de eiser is dat ‘de gevorderde zaak’ in de zin van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek of het ‘voorwerp van de vordering’ in de zin van artikel 702 van hetzelfde wetboek), hun middelen en het gewenste dispositief van het vonnis afzonderlijk uiteen te zetten. Bovendien is het verplicht de middelen te nummeren en in voorkomend geval, in afnemende volgorde van belang voorgedragen te worden (‘in hoofdorde’, ‘in eerste ondergeschikte orde’, in tweede ondergeschikte orde’, enzovoort). De nummering is enkel vereist wanneer verschillende middelen worden voorgedragen (Parlementaire stukken, Kamer, 54/1219/001, p. 10).

Uit de parlementaire stukken blijkt dat aan de miskenning van de nieuwe vormvoorschriften een sanctie is verbonden, meer bepaald dat de rechter niet meer hoeft te antwoorden op de middelen die niet op die wijze zijn voorgedragen (artikel 780, eerste lid, 3°, nieuw, van het Gerechtelijk Wetboek).

Dit beperkt uiteraard de grondwettelijke motiveringsplicht van de rechter niet en belet niet dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregel (Parlementaire stukken, Kamer, 54/1219/001, p.10).

Verwijzingen of referenties naar conclusies genomen in een andere rechtszaken of in een andere aanleg, worden niet beschouwd als conclusies waarop de rechter overeenkomstig artikel 780, eerste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek moet antwoorden. Hij hoeft er geen rekening mee te houden.

Overeenkomstig de voornoemde wet van 19.10.2015 tot wijziging van artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek nemen, behoudens in de gevallen waarin conclusie mag worden genomen buiten de in artikel 747 bedoelde termijnen, de laatste conclusies van een partij de vorm aan van syntheseconclusies.

Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt (artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek).

Dus nemen de laatste conclusies thans de vorm aan van syntheseconclusies behalve in een aantal door de wet opgesomde gevallen. Deze uitzonderingen (heropening van de debatten en het advies van het openbaar ministerie) waren in de oude versie van artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek niet voorzien. Het ‘nieuwe’ artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek heeft deze situatie rechtgezet.

Het Gerechtelijk Wetboek heeft geen regeling voorzien met betrekking tot het aantal conclusies, de termijnen voor neerlegging ter griffie en toezending aan de tegenpartij. Alles hangt af van de kalenderregeling zoals deze door de partijen onderling werd overeengekomen of zoals deze door de rechter aan de partijen werd opgelegd. De datum van neerlegging van de conclusie is de datum van ontvangst door de griffie.

Overeenkomstig artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek worden alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden terzelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd. Het bewijs van de gelijktijdige verzending van de conclusies, binnen de bepaalde termijn, aan de tegenpartij is van cruciaal belang.

Behoudens de toepassing van de uitzonderingen voorzien in artikel 748, § 1, en § 2, van het Gerechtelijk Wetboek (bijvoorbeeld, een nieuw of ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe conclusies rechtvaardigt) of de mogelijkheid van de partijen om in onderling akkoord, de in der minne afgesproken kalenderregeling of deze opgelegd door de rechter, te wijzigen, worden laattijdige besluiten ambtshalve uit de debatten geweerd.

Het gaat om een autonome sanctie die derhalve niet onder het toepassingsgebied van de regeling inzake nietigheden valt (de tegenpartij hoeft geen schade of grief te vorderen).

Op de rechtsdag kan de meest gerede partij, overeenkomstig artikel 747, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak gewezen is.

In het geval dat een partij heeft nagelaten om conclusies ten gronde in te dienen, behoudt zij de mogelijkheid om binnen een vastgestelde termijn toch nog conclusies in te dienen tenzij dit leidt tot een schending van het recht op verdediging van de tegenpartij. Behalve wanneer er sprake is van deloyaal gedrag of een schending van de rechten van de verdediging, kan de partij die geen conclusies heeft ingediend, nog aanvullende conclusies of syntheseconclusies indienen.

Burgers, bedrijven en advocaten dienen via het webportaal E-Deposit inleidende processtukken (verzoekschriften), dossiers, conclusies en begeleidende brieven in bij een rechtbank.

Bij het uploaden wordt onmiddellijk een ontvangstbevestiging verkregen. Bij het uploaden van documenten worden, indien het een bestaande zaak betreft, de documenten verzonden onder het reeds toegekende rolnummer. Voor een nieuwe zaak wordt de inleidende akte tijdelijk toegezonden in de vorm van een "brief" en het specifieke rolnummer van het gerecht waar het stuk moet worden neergelegd.

In het geval dat de zaak verwezen wordt naar de rol, is er geen enkele termijn die gerespecteerd moet worden voor het neerleggen van conclusies. De zaak wordt niet geacht gepleit te worden vooraleer alle partijen geconcludeerd hebben. Wanneer de partijen van oordeel zijn dat de zaak gepleit kan worden, richten zij zich gezamenlijk tot de rechtbank waaraan de zaak werd toegewezen om een datum voor de pleitzitting te bepalen (artikel 750 van het Gerechtelijk Wetboek).

Een partij die geconfronteerd wordt met de slechte wil of het stilzwijgen van de tegenpartij, kan op elk moment aan de rechter vragen om (naast de termijnen om te concluderen) een datum vast te bepalen voor de pleitzitting (artikel 747, § 2, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Een partij die conclusie heeft genomen, mag ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.

Het verzoek wordt gericht aan de rechter door middel van een verzoekschrift waarin het nieuw stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven.

Het verzoekschrift wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. De griffier brengt het bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, aan hun advocaat, en bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij.

Deze partijen kunnen, binnen vijftien dagen (na deze verzending) van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.

Binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in het voorgaande lid, doet de rechter uitspraak op stukken door middel van een beschikking. Indien hij de aanvraag inwilligt, bepaalt hij de termijnen om conclusie te nemen (, of een syntheseconclusie moet worden genomen) en wijzigt zo nodig de rechtsdag. Tegen deze beschikkingen staat geen enkel rechtsmiddel open (artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk wetboek).

e. Schriftelijke behandeling

De schriftelijke procedure of schriftelijke rechtspleging is voorzien in artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze procedure wordt in fiscale zaken zelden gebruikt.

[Top]

Afdeling 3 – Rechtszitting, sluiting der debatten en beraadslaging

1. Rechtszitting

Na de in staatstelling volgt in principe de pleitzitting. Op de dag van de rechtszitting wordt de zaak mondeling behandeld, tenzij de partijen gekozen hebben voor een schriftelijke behandeling van de zaak.

De hoorzitting begint in principe met de oproeping van de zaken die op de rol staan. De zaken worden in een willekeurige volgorde behandeld volgens gebruiken van de kamer waar de zaak wordt behandeld. De eiser staat plaats links voor de rechter, de verweerder staat rechts. De eiser pleit eerst, vervolgens de verweerder. De partijen kunnen antwoorden. De rechter leidt de debatten.

A. Openbaarheid

De rechtszitting is in principe openbaar, behalve in de gevallen voorzien in artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek.

De openbaarheid van de zittingen van hoven en rechtbanken is een grondwettelijk beginsel (artikel 148 van de Grondwet). Bovendien wordt de openbaarheid van de zittingen gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

B. Overlegging van de stukken aan de rechter

De stukken worden ter griffie neergelegd ten minste vijftien dagen voor de rechtsdag bepaald voor de pleidooien (artikel 756 van het Gerechtelijk Wetboek).

De rechter kan van deze termijn afwijken en een andersluidende instructies geven in de beschikking ter bepaling van de procedurekalender of in het bericht waarmee de rechtsdag ter kennis wordt gebracht. Hij kan eveneens eisen dat de stukken vroeger worden neergelegd of dat een voorafgaande neerlegging van de stukken niet noodzakelijk is.

C. Pleidooien

Een pleidooi is een mondelinge uiteenzetting op de rechtszitting door een van de partijen van de middelen in feite en in rechte die in de regelmatig genomen conclusies werden opgenomen teneinde de rechter te overtuigen hoe hij volgens haar zou moeten oordelen.

De partijen vernemen in de beschikking van de in staatstelling op voorhand over hoeveel tijd ze beschikken om te pleiten.

Een partij die niet tijdig conclusies heeft neergelegd (en deze ambtshalve geweerd worden uit de debatten) mag pleiten. Dat pleidooi geldt evenwel niet als conclusie (artikel 756bis van het Gerechtelijk Wetboek). Tijdens het pleidooi kan bij de rechtbank geen tussenvordering ingediend worden.

De rechter moet geen rekening houden met middelen die een partij enkel naar voren brengt tijdens het pleidooi. Hij mag er evenwel wel rekening mee houden. Artikel 756bis, tweed lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet de mogelijkheid om schriftelijk te antwoorden op het pleidooi van de tegenpartij (zogenaamde antwoordconclusies).

D. Interactief debat

Tijdens dan wel vóór de pleitzitting kan de rechter voorstellen om de pleidooien te vervangen door een interactief debat.

Indien de partijen daarmee instemmen, leidt de rechter het debat, waarbij hij de mogelijkheid heeft de partijen te bevragen over aangelegenheden die hij relevant vindt en die van aard zijn hem opheldering te verschaffen met het oog op de beslechting van het geschil. Indien een partij er zich tegen verzet dat de pleidooien door een interactief debat worden vervangen, kan het debat desondanks na de pleidooien plaatsvinden (artikel 756ter van het Gerechtelijk Wetboek).

In veel gevallen wordt gepleit door de partijen en zal de rechter bijkomende vragen stellen of de partijen tijdens de pleidooien naar de essentie leiden. Wanneer er nog onduidelijkheid blijft kan de rechter na de pleidooien nog een aantal pertinente vragen stellen en het debat verderzetten.

E. Voortzetting

Wanneer een zaak niet volledig kan behandeld worden tijdens de pleitzitting, kan ze worden uitgesteld in voortzetting voor verdere behandeling op een nader te bepalen datum. De rechtbank moet tijdens deze zitting, op straffe van nietigheid, zetelen in dezelfde samenstelling (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek).

2. Sluiting van de debatten en beraad

A. Sluiting van de debatten

Na de pleidooien (of het interactief debat) beveelt de rechter de sluiting van de debatten (artikel 769, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en stelt hij de datum vast waarop het vonnis zal worden geveld. De conclusies of stukken neergelegd na de sluiting van de debatten worden ambtshalve geweerd uit de debatten (artikel 771 van het Gerechtelijk Wetboek). Er bestaat evenwel de mogelijkheid tot heropening van de debatten (artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek).

B. Beraad

Het beraad is de periode tussen de sluiting van de debatten en de uitspraak van het vonnis door de rechter. In principe bedraagt de periode van beraad één maand. Het is de tijdspanne waarin de rechter of rechters die de partijen gehoord hebben zich terugtrekken het vonnis of arrest uit te spreken.

Overeenkomstig artikel 770 van het Gerechtelijk Wetboek beschikt de rechter dus, in principe, over maximum één maand na het sluiten van de debatten om het vonnis uit te spreken. Deze termijn wordt echter verlengd met één maand wanneer de debatten worden gesloten gedurende de maand voor de gerechtelijke vakantie

C. Bijzonder geval: Heropening van de debatten

Niettegenstaande het verbod om na de sluiting van de debatten nog conclusies of stukken neer te leggen (artikel 771 van het Gerechtelijk Wetboek), kunnen de debatten toch opnieuw heropend worden.

Op deze manier kan, onder bepaalde voorwaarden, alsnog een bijkomend stuk of feit dat van belang is, in het debat worden betrokken.

De heropening van de debatten kan worden bevolen:

• op verzoek van de partijen door middel van een gehandtekend verzoekschrift met een nauwkeurige opgave van de nieuwe stukken of feiten

• ofwel van ambtswege door de rechter.

Indien de heropening van de debatten bevolen wordt, verzoekt de rechter de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun conclusies over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen.

In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord. De partijen worden bij gerechtsbrief verwittigd en, in voorkomend geval, hun advocaten bij gewone brief.

In ieder geval is de beslissing gewezen na de heropening van de debatten op tegenspraak gewezen indien de beslissing van heropening zelf op tegenspraak gewezen is (artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tegen de beslissing van de rechter over de aanvraag tot heropening van de debatten staat, overeenkomstig artikel 776 van het Gerechtelijk Wetboek, geen hoger beroep open.

[Top]

Afdeling 4 – Gerechtelijke uitspraak

1. Uitspraak

De gerechtelijke beslissingen worden al naargelang het geval vonnissen, arresten of beschikkingen genoemd.

A. Openbaarheid

Bij toepassing van artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet, worden de uitspraken gedaan in openbare terechtzitting. In de praktijk evenwel wordt een vonnis of arrest inzake fiscaliteit normaal gezien niet ter zitting voorgelezen.

B. Inhoud

a. Algemeenheden

Elke gerechtelijke beslissing vonnis bevat:

• een aantal verplichte vermeldingen

• een motiverend gedeelte

• een beschikkend gedeelte.

b. Verplichte vermeldingen

De gerechtelijke beslissing bevat, op straffe van nietigheid (overeenkomstig artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen deze alleen vernietigd worden door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald of in voorkomend geval, verbeterd door de procedures), behalve de gronden en het beschikkende gedeelte:

• de vermelding van de bevoegde rechtbank die het heeft gewezen, de namen van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies heeft gegeven en van de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest.

• de naam, de voornaam en de woonplaats die de partijen bij hun verschijning en hun conclusies hebben opgegeven en, in voorkomend geval, hun rijksregisternummer of ondernemingsnummer,

• het onderwerp van de vordering en het antwoord op de overeenkomstig artikel 744, eerste lid van het Gerechtelijk wetboek uiteengezette middelen van de partijen.

• de vermelding van het advies van het openbaar ministerie.

• de vermelding en de datum van de uitspraak in openbare zitting.

De aanduiding van de naam der advocaten is, overeenkomstig artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek, geen voorschrift op straffe van nietigheid.

c. Motiverend gedeelte

Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet en artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek moet elk vonnis met redenen omkleed worden. Deze motiveringsplicht is echter niet van toepassing op beslissingen of maatregelen van inwendige aard, meer bepaald de bestuurshandelingen die niet van gerechtelijke aard zijn.

De motivatie van het vonnis bevat de feitelijke en juridische motieven waarop de rechter zich baseert om tot zijn beslissing te komen. Tegenstrijdigheden in de motivering of ontbreken van motivering kan leiden tot vernietiging van het vonnis.

Evenwel moet benadrukt worden dat de motivering een vormvereiste is, wat wil zeggen dat zij wordt nageleefd zodra het vonnis een motivering bevat, zelfs indien deze rechtens of feitelijk onjuist is.

De niet-naleving van de motiveringsverplichting wordt gesanctioneerd met de nietigheid van de beslissing. Deze nietigheid raakt de openbare orde.

d. Burgerrechtelijke boete

Procesrechtsmisbruik wordt gewoonlijk gecompenseerd met een schadevergoeding en intresten ten gunste van de partij die herstelbare schade heeft opgelopen ingevolge een fout begaan door de tegenpartij.

Artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden.

In dat geval, wordt in dezelfde beslissing daarover uitspraak gedaan voor zover schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding wordt gevorderd en toegekend.

Indien zulks niet het geval is, worden de partijen verzocht toelichting te geven door middel van de heropening van de debatten.

e. Beschikkend gedeelte

Het beschikkend gedeelte bevat de beslissing van de rechter. Het wordt voorafgegaan door de woorden ‘Om die redenen’. Het bevat de beslissing die aan de partijen wordt opgelegd. Het moet steunen op de motieven die de rechter heeft weerhouden om zijn beslissing te verantwoorden.

Met betrekking tot de beslissing van de rechter, zijn er verschillende hypotheses mogelijk:

• de vordering ontvankelijk en gegrond is

• de vordering ontvankelijk maar gedeeltelijk gegrond is

• de vordering wordt afgewezen omdat zij onontvankelijk is

• de vordering wordt afgewezen omdat zij ontvankelijk is maar ongegrond.

De uitspraak beëindigt de aanleg en ontslaat de rechter binnen de grenzen van wat werd beslist. Dit heeft als gevolg dat een rechter, nadat hij heeft gevonnist, niet terug kan komen op zijn eigen beslissing. Het gezag van gewijsde heeft zowel betrekking op het beschikkend gedeelte als op motieven die de uitspraak noodzakelijk dragen.

Het gezag van gewijsde is de eigenschap van de gerechtelijke uitspraak op grond waarvan deze beslissing, zodra uitgesproken, onbetwistbaar is en niet meer ter discussie kan worden gesteld, behalve bij uitoefening van de beroepsmogelijkheden.

Overeenkomstig artikel 23 van het Gerechtelijk wetboek (gewijzigd door de wet van 21.12.2018) strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.

Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt.

Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek verhindert aldus de indiening van een nieuwe rechtsvordering voor dezelfde feiten, zelfs indien de juridische kwalificatie ingeroepen door de eiser verschilt van degene die weerhouden werd door de rechter.

2. Gerechtskosten

A. Algemeenheden

Volgens artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek verstaat men onder gerechtskosten de uitgaven die nodig zijn om een procedure te voeren en die als zodanig door de wet erkend zijn.

Zij omvatten enerzijds de kosten opgelopen vóór de uitspraak (de zogenaamde voorkosten) en de kosten van tenuitvoerlegging van het vonnis (de zogenaamde nakosten). Maken eveneens deel uit van de kosten, de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 19.03.2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.

In burgerlijke zaken kunnen, onder meer, als voorkosten worden aangemerkt:

• de kosten van de gerechtsdeurwaarders tijdens het geding

• uitgaven betreffende de onderzoeksmaatregelen

• de rechtsplegingsvergoeding.

De voorkosten worden tijdens het geding voorgeschoten door de meest gerede partij.

In ieder geding verwijst de rechter, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in deze kosten.

Overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten.

Wanneer er in het geding verschillende verliezende partijen zijn worden de kosten, overeenkomstig artikel 1020 van het Gerechtelijk Wetboek van rechtswege verdeeld per hoofd, tenzij het vonnis anders beschikt. Zo kan ook worden beslist dat (in geval van een akkoord of bijvoorbeeld ingeval van een gedeeltelijk gunstig vonnis) dat de kosten worden gedeeld (elke partij draagt de helft van de kosten) of dat de kosten gecompenseerd worden (elke partij draagt zijn eigen kosten en uitgaven).

Wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, of wanneer alle in het ongelijk gestelde partijen op de inleidende zitting zijn verschenen maar de rechtsvordering niet hebben betwist, of wanneer zij uitsluitend uitstel van betaling vragen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding (artikel 1022 Gerechtelijk wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 18.03.2018 tot wijziging van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht).

Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk wetboek, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.

De nakosten van het vonnis of de kosten van tenuitvoerlegging van het vonnis (bijvoorbeeld, de kosten van betekening) zijn ingevolge artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

Het Hof van Cassatie heeft de gerechtskosten reeds gekoppeld aan de kosten van de uitvoering (z. Cass., 14.06.1984: “gezien verweerder werd veroordeeld tot de gerechtskosten, impliceert deze beslissing dat ook de kosten van de uitvoering te zijner laste zijn” (vrije vertaling)

De veroordeling in de kosten heeft niet tot doel of tot gevolg dat de regels inzake de verschuldigdheid van de btw worden gewijzigd of daarvan wordt afgeweken.

Het arrest nr. 88/2018 van het Grondwettelijk Hof van 05.07.2018 beslist (overweging B.17.2.) dat " Wanneer de btw op de deurwaarderskosten met betrekking tot de betekening van een gedinginleidende dagvaarding wordt gefactureerd aan een eisende partij die btw-plichtig is, en in zoverre het geschil waarin zij werd betrokken, verband houdt met haar als belastingplichtige uitgeoefende werkzaamheid, is die laatste ertoe gemachtigd die belasting over de toegevoegde waarde af te trekken. In die hypothese dient die belasting te worden afgetrokken van de kosten die ten laste zijn gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, waarbij de rechter het bedrag van de kosten dient te begroten op de werkelijke kosten (Cass.,15 juni 2007, Arr. Cass., 2007, nr. 330).”

B. Rechtsplegingsvergoeding

a. Principes

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in gelijk gestelde partij.

In het Koninklijk besluit van 26.10.2007 (Belgisch Staatsblad van 09.11.2007) worden de bedragen van de in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding bepaald.

De bedragen van de rechtsplegingsvergoeding van in geld waardeerbare vorderingen hangt af van de becijferde waarde van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot en met 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Inzake btw moet men de betwiste bedragen op het ogenblik van het inleiden van het geding door de belastingplichtige in rekening nemen welke in voorkomend geval bevatten:

• het bedrag van de gevorderde of betaalde belasting

• de boeten zoals deze opgelegd zijn door de administratie

• de door de administratie opgelegde moratoire interesten en gerekend tot de datum van het inleiden van het geding.

Deze oplossing vloeit voort uit de lezing a contrario van het artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik nr. RG/07/5921/A, van 16.10.2008, Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik nr. RG/07/3246/A, van 18.10.2008, Arrest van het hof van beroep te Bergen, nr. 2007/RG/898, van 11.12.2008, Arrest van het hof van beroep te Brussel, nr. 2011/AR/2149, van 07.02.2014; Arrest van het hof van beroep te Brussel nr.2010/AR/2922, van 18.10.2014).

De barema’s bepaald in het voormelde koninklijk besluit van 26.10.2007 bevatten een basisbedrag, een minimumbedrag en een maximumbedrag. Deze bedragen werden voor het eerst geïndexeerd op 01.03.2011 en nogmaals op 01.06.2016. Deze bedragen werden nogmaals geïndexeerd op 01.06.2021. Sinds 01.04.2022 zijn de bedragen van de rechtsplegingsvergoedingen opnieuw met 10% geïndexeerd overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 26.10.2007. Deze vierde indexering is onmiddellijk van toepassing voor de lopende zaken.

De bedragen die gelden vanaf 01.04.2022 zijn opgenomen in onderstaande tabel:

Waarde van de vordering(in euro)Basisbedrag(in euro)Minimumbedrag(in euro)Maximumbedrag(in euro)
Tot en met 250,00210,00105,00420,00
250,01 – 750,00280,00175,00700,00
750,01 – 2.500,00560,00280,001.400,00
2.500,01 – 5.000,00910,00525,002.100,00
5.000,01 – 10.000,001.260,00700,002.800,00
10.000,01 – 20.000,001.540,00875,003.500,00
20.000,01 – 40.000,002.800,001.400,005.600,00
40.000,01 – 60.000,003.500,001.400,007.000,00
60.000,01 – 100.000,004.200,001.400,008.400,00
100.000,01 – 250.000,007.000,001.400,0014.000,00
250.000,01 – 500.000,009.800,001.400,0019.600,00
500.000,01 – 1.000.000,0014.000,001.400,0028.000,00
Vanaf 1.000.000,0121.000,001.400,0042.000,00

Als de partijen in hun conclusies geen enkel standpunt innemen omtrent de rechtsplegingsvergoeding, dan moet het basisbedrag worden toegepast (de beslissing over de kosten moet niet gemotiveerd worden, gezien dit een beslissing van inwendige orde betreft).

De partijen kunnen evenwel in hun conclusies vragen om dit basisbedrag te verhogen of te verlagen. Rekening houden met de bovengenoemde minimum en maximumbedragen kan de rechter hierop ingaan.

Bij zijn beoordeling, die gemotiveerd moet worden, moet hij rekening houden met de volgende omstandigheden:

• de financiële draagkracht van de verliezende partij

• de complexiteit van de zaak

• het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Voor de geschillen met betrekking tot niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag (geïndexeerd) 1.680 euro, het minimumbedrag 105,00 euro en het maximumbedrag 14.000 euro.

De bedragen worden vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld.

Geen vergoeding is verschuldigd wegens handelingen verricht voor een gerecht waaraan de zaak bij beslissing van de arrondissementsrechtbank is onttrokken of indien een gerecht zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de bevoegde rechter (artikel 1 van het koninklijk beluit van 26.10.2007, gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 29.03.2019).

De rechtsplegingsvergoeding is niet verschuldigd wanneer de verweerder (inzake btw, de administratie), vooraleer de zaak is ingeschreven op de algemene rol, akkoord gaat met alle aanspraken van de eiser (inzake btw, meestal de belastingplichtige) en al zijn verbintenissen volledig nakomt in hoofdsom, interesten en kosten (bijvoorbeeld, de administratie willigt de vraag van teruggaaf van de belastingplichtige in vooraleer de zaak is ingeschreven op de rol).

Indien de verweerder (administratie), na inschrijving van de zaak op de rol, akkoord gaat met alle aanspraken van de eiser (belastingplichtige) en al zijn verplichtingen nakomt in hoofdsom, intresten en kosten, is de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1/4e van het basisbedrag, met een maximum van 1.400 euro. Deze vermindering met 3/4e kan door de verweerder worden gevraagd wanneer hij zich onmiddellijk (dat wil zeggen, in zijn eerste conclusies) neerlegt bij het standpunt van de eiser.

Ingeval een geding wordt afgesloten met een bij een verstek gewezen vonnis en geen van de partijen ooit is verschenen, is de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan de minimale vergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding wordt enkel toegekend aan de winnende partij die wordt bijgestaan door een advocaat.

Wanneer bijgevolg, in het kader van een fiscaal geding, de belastingplichtige (eiser) niet bijgestaan wordt door een advocaat maar in persoon verschijnt en in het gelijkgesteld wordt, geeft dat geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Evenzo kan de Belgische Staat geen rechtsplegingsvergoeding eisen wanneer de verdediging in rechte niet wordt waargenomen door een departementsadvocaat maar door een controleambtenaar.

b. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek

De wet van 25.04.2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet voorzag (in artikel 17) in een wijziging van artikel 1022, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en bepaalde dat geen enkele vergoeding ten laste van de Staat is verschuldigd: ‘3° wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding.’. De datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet blijft tot op heden onbepaald.

Het artikel 17 van de voornoemde wet van 25.04.2014 dat aan artikel 1022, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek een ‘3°’ toevoegde, was het voorwerp van een verzoek tot nietigverklaring voor het Grondwettelijk Hof.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2016 van 03.03.2016 oordeelt dat het bestreden artikel 17 van de wet van 25.04.2014 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Bijgevolg dient die bepaling te worden vernietigd.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 70/2015 van 21.05.2015 heeft reeds voor recht gezegd dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet vereist dat de belastingadministratie, verwerende partij in het kader van geschillen op grond van artikel 569, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, op dezelfde wijze moet worden behandeld als het openbaar ministerie dat optreedt in strafzaken.

3. Origineel, afschrift, uitgifte en betekening

Het origineel van het vonnis wordt minuut genoemd. De minuut wordt steeds bewaard op de griffie.

Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk wetboek, geeft de griffier binnen vijf dagen te rekenen van de uitspraak van de beslissing, zowel in burgerlijke als in strafzaken, kennis van een niet ondertekend afschrift van de beslissing aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. Die kennisgeving doet de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet lopen. Zij gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij betreft die zonder advocaat is verschenen, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij, of, bij gebreke daaraan, aan het laatst elektronisch adres dat die partij heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, gebeurt de kennisgeving bij gewone brief.

Daarnaast kan iedere partij die er om verzoekt een door de griffier ondertekend en voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis bekomen. Dit noemt men de expeditie, de grosse of de uitgifte van de uitspraak. Overeenkomstig artikel 790 van het Gerechtelijk Wetboek bevat de uitgifte een integraal afschrift van het vonnis, voorafgegaan door het opschrift en gevolgd door het formulier van tenuitvoerlegging.

De aflevering van het eerste uitvoerbare afschrift van een vonnis of arrest anders dan krachtens een beschikking van de voorzitter van de rechtbank, zoals bedoeld in artikel 1379 van het Gerechtelijk Wetboek, dat wordt verstrekt aan elke partij die er om verzoekt, is voortaan vrijgesteld van expeditierechten. (Het recht blijft verschuldigd bij de afgifte van een tweede uitvoerbaar afschrift van het vonnis. Zie artikel 280, 9°, nieuw, Wetboek Registratierechten. zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 14.10.2018 tot hervorming van de griffierechten. Zie eveneens circulaire 2019/C/29 met commentaar op de wet van 14.10.2018 teneinde de griffierechten te hervormen en het koninklijk besluit van 28.01.2019 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten).

In fiscale zaken zijn de partijen altijd vrijgesteld van de betaling van expeditierechten (artikel 280, 1°, samengelezen met artikel 162, 4° van het Wetboek Registratierechten.

Men bekomt de uitgifte van een vonnis ofwel door het zelf te gaan ophalen ter griffie ofwel door deze per brief aan te vragen aan de griffie. In dat laatste geval stuurt de griffie de uitgifte per post op.

In de praktijk zal de gerechtsdeurwaarder dikwijls zelf de uitgifte bij de griffie opvragen om zo tot de betekening van het vonnis te kunnen overgaan. De uitgifte laat de gerechtsdeurwaarder toe om over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging.

Een vonnis kan pas ten uitvoer worden gelegd na de betekening van de uitgifte. De betekening van het vonnis houdt in dat de uitgifte van de uitspraak bij deurwaardersexploot aan te tegenpartij kenbaar wordt gemaakt.

De betekening is ook van belang voor de aanvang van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel (verzet of hoger beroep).

4. Fiscale geldboeten met een strafrechtelijk karakter – Volle rechtsmacht – Draagwijdte

Wanneer een controleambtenaar een administratieve geldboete inzake btw (wat artikel 72 van het Btw-Wetboek bedoeld met administratieve boete, in tegenstelling tot de boeten bedoeld in de artikelen 73, 73bis en 73quater van het Btw-Wetboek) oplegt, oefent hij een gebonden bevoegdheid uit zonder te beschikken over een beoordelingsvrijheid.

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 25.05.1999 (Cass., nr. C.99.0517.N van 25.05.1999) geoordeeld dat een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is wanneer ze:

• zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft,

• een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt,

• niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen,

• stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is

• en ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Het arrest bepaalt dat “indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen”.

Het arrest verwijst hier naar artikel 6 van het Europees Verdrag van tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en naar artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 15.05.1981.

Het Hof van Cassatie heeft in dezelfde zin geoordeeld in een arrest van 26.06.2000 (Cass. Nr. F.99.0142.F, 26.06.2000, www.juridat.be)

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 08.04.2011 (arrest van het Hof van Cassatie, C.10.0202.N, 08.04.2011) er duidelijk aan herinnerd dat de ‘gebonden bevoegdheid’ verplicht de belastingadministratie op grond van het fiscale legaliteitsbeginsel een geldboete op te leggen zodra de voorwaarden voorzien in de overtreden fiscale bepaling en in de artikelen 70, 72 en 84 Btw-Wetboek zijn vervuld.

De bevoegdheden van de rechter zijn beperkt door de beoordelingsbevoegdheid waarvan de administratie daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt binnen het wettelijk kader waarover ze beschikte op het ogenblik dat de boete werd opgelegd.

Het toezicht met volle rechtsmacht inzake fiscale geldboeten met een strafrechtelijk karakter laat de aangezochte rechtbank toe om de wettelijkheid en de evenredigheid van de opgelegde boete te beoordelen ten aanzien van de ernst van de inbreuk en de mate van de toerekenbaarheid.

De rechter blijft gebonden – evenals de administratie – door de wettelijkheid van de sanctie. Het komt de rechterlijk macht niet toe om, in het kader van een evenredigheidsbeoordeling, verder te gaan dan de wettelijke voorschriften.

Voor de behandeling van een verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete op grond van artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 van 18.03.1831, beschikt de minister van Financiën over een opportuniteitscontrole.

Zodra de rechter moet oordelen over een betwisting van een beslissing genomen op grond van artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 van 18.03.1831, moet de rechtbank beschikken over dezelfde bevoegdheid als deze welke uitgeoefend door de administratie om deze beslissing te nemen.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 79/2008 van 15.05.2008 beperkt haar beoordeling tot de situatie van de rechter die de beslissing van de minister van Financiën of van zijn gedelegeerde, genomen bij de aanvang van een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de opgelegde boete en ingeleid door de overtreder of zijn lasthebber op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18.03.1831, onderzoekt.

Het Grondwettelijk Hof overweegt in dit arrest dat wanneer hij ertoe gebracht wordt zich uit te spreken over een administratieve beslissing tot verwerping van een vraag om vermindering of kwijtschelding van geldboeten, de rechter, net als de minister van Financiën of zijn gedelegeerde, de opgelegde geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (overweging B.6.3 van dit arrest).

Het Hof van Cassatie heeft de volgende principes inzake de proportionele geldboeten (zie inzonderheid de arresten van het Hof van Cassatie nr. F.05.0086.F en F.05.0102.F van 30.11.2006, nr. C.04.0390.N van 16.02.2007, nr. F.05.0015.N van 16.02.2007, nr. C.07.0507.N van 13.02.2009, nr. F.06.0106.N van 13.02.2009, nr. F.10.0033.N van 08.04.2011) verduidelijkt:

• de controle met volle rechtsmacht door de rechter van proportionele fiscale geldboeten inzake btw omvat ook de bevoegdheden van de administratie bij de vaststelling van de geldboete.

• de controle geldt niet voor de bevoegdheid toegekend aan de minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18.03.1831 om gratie te verlenen op verzoek van de schuldenaar in het kader van een genaderecht en niet in de geschillenfase. De rechter mag de proportionele geldboete niet verminderen tot een bedrag dat lager is dan de reeds verminderde minimum geldboete ingevolge de toepassing van koninklijk besluit nr. 41 van.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

• tot slot, als het vaststaat dat de toetsing met volle rechtsmacht door de rechter van de opgelegde boete moet betrekking hebben op de evenredigheidstoetsing tussen de begane inbreuk en de sanctie, moet een onderscheid gemaakt worden tussen de evenredigheidstoetsing – die de rechter mag en moet uitvoeren – en de bevoegdheid om de boete te verminderen of kwijt te schelden, om loutere motieven van opportuniteit of billijkheid die aan de controle door de rechter ontsnapt ingevolge het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten.

Het Hof van Cassatie is in het arrest nr. F.11.0142. F van 18.04.2013 van oordeel dat: luidens artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 van 18.03.1831 beslist de minister van Financiën over de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter.

Uit die bepaling volgt niet dat, wanneer de minister van Financiën of zijn gemachtigde niet van een rechtsmiddel hebben kennisgenomen, de rechter zijn bevoegdheden kan uitoefenen door louter naar opportuniteit uitspraak te doen.

In haar arrest van 17.01.2019 (F.16.0130.F), stelt het Hof van Cassatie dat:

“Hoewel, luidens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, de minister van Financiën beschikt op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter, volgt daaruit niet dat de rechter, bij ontstentenis van een dergelijk beroep, dergelijke bevoegdheden mag uitoefenen door de proportionele geldboete wegens belastingfraude op een bedrag onder het wettelijk tarief vast te stellen.”

Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter verleent de rechter geen bevoegdheid daartoe.

Artikel 9 van bovengenoemd Regentbesluit kent de bevoegdheid tot kwijtschelding van fiscale geldboeten uitsluitend toe aan de Minister van Financiën. De uit deze wettelijke bepaling voortvloeiende discretionaire bevoegdheid met betrekking tot fiscale geldboeten inzake BTW bestaat niet in het stadium van de oplegging van de fiscale geldboete.

Alleen in het geval van een beroep ex gratia kan de rechter het bedrag van de geldboete verlagen in het kader van een evenredigheidstoetsing.

De vraag inzake toekenning van uitstel tot betaling van de fiscale geldboeten inzake btw werd eveneens besproken.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 157/2008 van 06.11.2008 oordeelt dat artikel 70, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel.

Het uitstel wordt geregeld door de wet van 29.06.1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.

Een maatregel tot uitstel van betaling van een administratieve fiscale geldboete wordt niet bedoeld in de bepalingen van de artikelen 8 en 24 van voornoemde wet van 29.06.1964.

Bij gebrek aan een wetgeving betreffende uitstel inzake btw-boeten, mogen de fiscale rechters in hun uitspraak met betrekking tot de geldboeten, geen uitstel voorzien.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 van 21.02.2013 oordeelt dat de rechtbank van eerste aanleg slechts uitstel kan toekennen, gezien de voornoemde wet van 29.06.1964 niet van toepassing is, indien dat door een strafgerecht kan worden bevolen. Zij oordeelt dat artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Evenwel beslist het Hof dat deze vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid echter niet tot gevolg heeft dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Deze verduidelijking door het Hof biedt een oplossing aan de bodemrechter die zich moet uitspreken over de vraag of de geldboeten nog mogen worden uitgesproken, gelet op het gebrek aan wetgevend initiatief.

Het Hof van Cassatie herneemt in haar arrest nr. F.11.0007.F van 20.06.2013 de zienswijze van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 13/2013 van 21.02.2013 en is van mening dat de bodemrechter moet nagaan of, in de hypothese dat de fiscale wet had voorzien in dergelijk uitstel, er aanleiding zou zijn geweest uitstel te verlenen.

Wanneer hij, in die hypothese, vaststelt dat er geen aanleiding zou zijn geweest om het uitstel te verlenen mag de rechter de bedoelde wettelijke bepalingen toepassen.

Inzake de mogelijkheid van een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling betreffende de betaling van de geldboete is het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 13/2013 van 21.02.2013 van oordeel dat, de maatregel tot opschorting niet verzoenbaar is met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd.

De door de rechtbank van eerste aanleg gewezen beslissing bestaat immers niet erin een veroordeling tot een geldboete uit te spreken, maar de administratieve beslissing waarbij de geldboete wordt opgelegd te controleren.

Het Hof van Cassatie heeft onlangs geoordeeld dat de bepalingen van de wet van 29.06.1964 niet van toepassing zijn op de fiscale boete bedoeld in artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek. Het hof van beroep was dus niet verplicht zijn beslissing dat aan de belastingplichtige geen uitstel mocht worden verleend, te motiveren door te verwijzen naar de voorwaarden van de wet van 29.06.1964, ook al was een dergelijke maatregel voorzien voor fiscale boeten.

Onder verwijzing naar het arrest 13/2013 van het Grondwettelijk Hof van 21.02.2013 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat wanneer de fiscale rechter oordeelt dat er uitstel moest zijn verleend indien de wet in die maatregel had voorzien, verleent hij de eiser het passende herstel door de toepassing van voornoemd artikel 70, § 2, eerste lid, te weigeren.

Het feit dat de fiscale rechter bij zijn beslissing of uitstel al dan niet moest zijn verleend niet gebonden is door de aan de strafrechter opgelegde beperkingen op het uitstel, impliceert op zich niet dat de tot een geldboete veroordeelde persoon geen daadwerkelijk rechtsmiddel voor de fiscale rechter in de zin van artikel 13 van het EVRM geniet (arrest van het Hof van Cassatie nr. F16.0127.F van 12.01.2018).

In zijn arrest nr. 32/2020 van 20.02.2020 heeft het Grondwettelijk Hof zijn rechtspraak bevestigd en de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de in artikel 70, §1 bis van het Btw-Wetboek bedoelde geldboete bevestigd, zonder evenwel het referentiekader verder te verduidelijken.

Uit de analyse van de arresten van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de oplossing die voor het eerst werd aangehaald voor de toepassing van artikel 70, § 1 van het Btw-Wetboek in arrest nr. 157/2008 en werd bevestigd in arrest nr. 13/2013 betreffende de toepassing van artikel 70, § 2 van het Btw-Wetboek, dat methodologische verduidelijkingen bevat over de gevolgen van de vaststelling van de gedeeltelijke ongrondwettigheid, een algemene draagwijdte heeft op het vlak van administratieve fiscale geldboeten (zie Grondw. Hof, arrest nr. 55/2014 van 27.03.2014 betreffende de belastingverhogingen voorzien bij artikel 444 van de WIB 1992, en nr. 138/2018 van 11.10.2018 met betrekking tot de retributies voorzien bij artikel 18 van de wet van 13.07.1987 betreffende het kijk- en luistergeld).

Uit het arrest van het Hof van Cassatie van 12.01.2018 volgt dat de wet van 29.06.1964 in geen geval van toepassing is op een fiscale betwisting die niet voor een strafrechter plaatsvindt en die betrekking heeft op een geldboete als bedoeld in artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 13.03.2020 (F19.0008.F) verfijnt deze jurisprudentie en geeft aanvullende richtsnoeren met betrekking tot de gevolgen van de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de bepalingen inzake fiscale geldboetes.

Het Hof van Cassatie is van oordeel dat, motiverend met de voorwaarde "3." uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 -volgens welke "er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien"- gemotiveerd aan de hand van de feiten in het dossier (in het bijzonder de herhaalde en opzettelijke aard van de inbreuken), de rechter niet, in het algemeen, de voorwaarden vaststelt waaronder aan een tot betaling van een fiscale geldboete veroordeelde partij uitstel kan worden verleend, en dat hij derhalve het algemene beginsel van de scheiding der machten niet schendt.

Er is dus geen sprake van inmenging in de bevoegdheden van de wetgevende macht.

Het Hof van Cassatie oordeelt ook dat het onderzoek van deze voorwaarde "3.” door de belastingrechter, noch de bepalingen van het EVRM, noch de grondwettelijke bepalingen en beginsels waarnaar in het pleidooi wordt verwezen, schendt.

[Top]

Afdeling 5 – Gewone en buitengewone rechtsmiddelen in geschillen inzake btw

1. Algemeenheden

De rechtsmiddelen zijn de middelen die toegekend worden aan de partijen of aan derden tot het verkrijgen van een nieuwe beslissing in een geschil waarin reeds een rechter een uitspraak heeft gedaan.

Artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek onderscheidt twee categorieën rechtsmiddelen:

• de gewone rechtsmiddelen zijn:

o het verzet

o het hoger beroep

• de buitengewone rechtsmiddelen zijn:

o de voorziening in cassatie

o het derdenverzet

o het verzoek tot herroeping van gewijsde

o het verhaal op de rechter.

Hieraan moet nog worden toegevoegd: de intrekking van een vonnis van een burgerlijke rechtbank dat in kracht van gewijsde is gegaan, op basis van op een door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepaling.

In burgerlijke zaken bepaalt artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen.

Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, schorsen verzet of hoger beroep van de versteklatende partij tegen eindvonnissen die bij verstek zijn gewezen daarvan de tenuitvoerlegging.

Evenwel mag de feitenrechter in burgerlijke procedures betreffende Btw het vonnis nooit uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Artikel 92bis van het Btw-Wetboek bepaalt immers dat de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing schorsen.

Krachtens artikel 1046 van het Gerechtelijk wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

De termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden zijn evenwel voorgeschreven op straffe van verval.

De andere termijnen voorzien in het Gerechtelijk wetboek, worden slechts dan op straffe van verval bepaald wanneer de wet het voorschrijft (artikel 860 Gerechtelijk wetboek).

Verval is een sanctie die ambtshalve door de rechter moet worden uitgesproken, zonder dat de partijen een grief hoeven aan te voeren om de sanctie te kunnen uitspreken (artikel 865 van het Gerechtelijk Wetboek).

2. Verzet

Ingevolge de wijziging van artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek door de wet van 06.07.2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, leidt het verzet ertoe dat de zaak opnieuw wordt voorgelegd aan de rechter die het vonnis of arrest in laatste aanleg bij verstek heeft uitgesproken. De versteklatende partij heeft niet langer de keuze tussen verzet of beroep.

Tegen ieder verstekvonnis dat in laatste aanleg is gewezen kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

De rechtbank die het vonnis bij verstek heeft gewezen is als enige bevoegd om kennis te nemen van het verzet. Het verzet mag enkel ingeroepen worden door de versteklatende partij. Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet overeenkomstig artikel 1049 van het Gerechtelijk Wetboek niet meer ontvankelijk.

Overeenkomstig artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door voornoemde wet van 06.07.2017, wordt het verzet betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen.

Met instemming van de partijen kan hun vrijwillige verschijning die formaliteiten vervangen. De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.

Overeenkomstig artikel 1048, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om verzet aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan.

Een in maanden bepaalde termijn wordt gerekend vanaf de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste (artikel 54 van het Gerechtelijk wetboek).

De termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan, en omvat alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke feestdagen (artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek).

De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag (artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer de versteklatende partij in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, wordt de termijn overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek verlengd.

Tenzij dit langs elektronische weg geschiedt, kan een stuk slechts geldig ter griffie worden ingevuld op de dagen en uren waarop de griffie voor het publiek toegankelijk moet zijn.

Indien een stuk niet binnen de gestelde termijnen ter griffie kon worden aangevuld, zelfs niet op straffe van nietigheid of verval, wegens een storing van het in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde informaticasysteem van Justitie of wegens een storing van het computersysteem verbonden met het informaticasysteem van Justitie dat voor de indiening van het gerechtelijk stuk wordt gebruikt, moet het stuk uiterlijk op de eerste werkdag na de laatste dag van de termijn hetzij op papier, hetzij langs elektronische weg worden aangevuld, indien het informaticasysteem opnieuw kan worden gebruikt. De verlenging van de termijn geldt in ieder geval indien de storing zich op de laatste dag van de termijn voordoet.

Indien de termijn van verzet binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar (artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek).

Krachtens artikel 334 van het Gerechtelijk Wetboek begint het gerechtelijk jaar op 1 september en eindigt op 30 juni.

3. Beroep

Beroep is het gewone rechtsmiddel waarmee de partij die zich geschaad voelt, een hervorming of vernietiging van dat vonnis in eerste aanleg tracht te bekomen voor een hogere rechtbank. Inzake fiscaliteit

Het hoger beroep wordt, overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk wetboek, ingesteld:

• bij akte van een gerechtsdeurwaarder die aan de tegenpartij wordt betekend.

• bij een verzoekschrift dat, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, ingediend wordt op de griffie van het gerecht in hoger beroep en door de griffier aan de gedaagde partij en, in voorkomend geval, aan haar advocaat bij gerechtsbrief ter kennis gebracht uiterlijk de eerste werkdag nadat het is ingediend.

• bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

Het principaal beroep gaat uit van iemand anders dan een geïntimeerde of is gericht tegen een partij die nog niet bij de zaak betrokken is in hoger beroep. Het incidenteel beroep is het beroep dat aangetekend wordt door een geïntimeerde tegen een andere betrokken partij in de zaak in hoger beroep.

Het principaal of hoofdberoep wordt, in het algemeen, ingesteld bij verzoekschrift.

De inhoud en de vereiste gegevens voor de geldigheid van de akte van hoger beroep worden, op straffe van nietigheid, gespecificeerd in artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 25.05.2018.

Artikel 1059 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de zaak wordt ingeschreven op de algemene rol, zoals bepaald is in artikel 716, d.w.z. uiterlijk de dag vóór de inleidende zitting.

Indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding, wordt de rechtspleging ambtshalve geschorst (artikel 717 Gerechtelijk wetboek).

Wanneer het geschil onsplitsbaar is (artikel 31, Gerechtelijk wetboek), moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Deze moet bovendien de andere niet in het beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken. (artikel 1053, 1ste en 2de lid Gerechtelijk wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 25.05.2018, voorheen moesten de betrokken partijen binnen de gewone beroepstermijn worden ondervraagd: deze vereiste is afgeschaft).

Overeenkomstig artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan.

Evenwel, wanneer het hoger beroep slechts tegen bepaalde partijen is gericht, beschikken die partijen over een nieuwe termijn van dezelfde duur om hoger beroep aan te tekenen tegen de andere partijen. Die nieuwe termijn begint te lopen vanaf de dag van de betekening of, naargelang het geval, de kennisgeving van de eerste akte van hoger beroep (voornoemd artikel 1051, zoals gewijzigd door de wet van 25.05.2018).

Deze termijn loopt eveneens vanaf de datum van deze betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft laten betekenen.

Een in maanden of in jaren bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste (artikel 54 van het Gerechtelijk wetboek).

De termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan, en omvat alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke feestdagen (artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek).

De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag (artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer de versteklatende partij in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, wordt de termijn overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek verlengd.

Tenzij dit op elektronische wijze geschiedt, kan een stuk slechts geldig ter griffie worden ingevuld op de dagen en uren waarop de griffie voor het publiek toegankelijk moet zijn.

Indien een stuk niet binnen de gestelde termijnen ter griffie kon worden aangevuld, zelfs niet op straffe van nietigheid of verval, ingevolge een storing van het in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde informaticasysteem van Justitie of wegens een storing van het op het informaticasysteem van Justitie aangesloten computersysteem dat voor de indiening van het gerechtelijk stuk wordt gebruikt, moet het stuk uiterlijk op de eerste werkdag na de laatste dag van de termijn hetzij op papier, hetzij langs elektronische weg worden aangevuld, indien het informaticasysteem opnieuw kan worden gebruikt. De verlenging van de termijn geldt in ieder geval indien de storing zich op de laatste dag van de termijn voordoet.

Indien de termijn binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar (artikel 50 Gerechtelijk wetboek).

Krachtens artikel 334 van het Gerechtelijk Wetboek begint het gerechtelijk jaar op 1 september en eindigt op 30 juni.

Artikel 90 van het btw-wetboek bepaalt dat inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.

De administratie stelt dat deze bepaling aldus moet worden geïnterpreteerd en in die zin moet worden uitgelegd dat de reikwijdte hiervan bijgevolg niet beperkt is tot de loutere verschijning ter zitting, maar de machtiging inhoudt om de staat te vertegenwoordigen in elke fase van een gerechtelijke procedure over de betwisting van de toepassing van een belastingwet. Dit houdt de bevoegdheid in om de Staat te verbinden en verschillende akten te ondertekenen, met inbegrip van de ondertekening en indiening van een verzoekschrift tot hoger beroep.

Deze uitlegging van artikel 90 van het Btw-Wetboek wordt bijgetreden door de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 10.12.2001 tot wijziging van diverse belastingwetten, wat het cassatieberoep en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken betreft, waaruit blijkt dat de wetgever de bevoegdheid van de belastingambtenaren in geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet niet heeft willen beperken tot het optreden in enge zin.

Er is geoordeeld dat een verzoekschrift tot hoger beroep kan worden ondertekend en ingediend door elke ambtenaar van een belastingadministratie, zonder dat een uitdrukkelijke delegatie wordt opgelegd (zie Luik, (9e kamer) van 13.10.2017 (2014/RG/980), gepubliceerd op Fisconetplus met een nota van opmerkingen. Een tweede arrest, gewezen op 13.10.2017 door het Hof van Beroep te Luik in een gelijkaardige zaak onder rolnummer 2014/RG/982, gaat in dezelfde richting; zie ook het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 07.10.2020, 2019/RG/644 gewezen inzake btw, gepubliceerd op Fisconetplus,).

Artikel 1050 van het Gerechtelijk wetboek voorziet dat in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis. De versteklatende partij hoeft de betekening van het verstekvonnis dus niet af te wachten indien hij beroep wil aantekenen.

Ingevolge de wijziging van voornoemd artikel 1050 door de wetten van 19.10.2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en 06.07.2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, kan tegen een tussenvonnis of, tenzij de rechter anders bepaalt, tegen een beslissing alvorens recht te doen, slechts beroep worden ingesteld samen met het beroep tegen het eindvonnis.

Tegen een beslissing inzake bevoegdheid kan eveneens pas beroep worden ingesteld samen met het beroep tegen het eindvonnis.

Volgens artikel 1055 van het Gerechtelijk Wetboek, kan tegen ieder vonnis alvorens recht te doen (of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid,) zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis.

Krachtens artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep: dit is de devolutieve werking van het hoger beroep krachtens dewelke het hele geschil, binnen de perken van het hoger beroep van de partijen, aanhangig maakt bij de appelrechter, met inbegrip van de feiten die zich tijdens de rechtspleging in hoger beroep hebben voorgedaan.

De devolutieve werking beperkt de gevolgen van de vernietiging van een vonnis. De nietigverklaring heeft een beperkt effect, aangezien de zaak in elk geval ten gronde wordt onderzocht door de rechter in hoger beroep.

Hoger beroep maakt het hele geschil dat beslecht werd voor de eerste rechter aanhangig voor de appelrechter, met inbegrip van de middelen die voor hoger beroep maar niet voor de eerste rechter werden aangevoerd (bv. indien hij alleen over een ontvankelijkheidskwestie heeft beslist). Dit is de zogenoemde verruimde devolutieve werking, waardoor een deel van het geschil misschien niet in twee instanties kan worden voorgelegd.

De verruimde devolutieve werking doet geen afbreuk aan de relatieve werking van hoger beroep, in die zin dat indien het hoofdberoep zich beperkt tot het aanvechten van slechts bepaalde onderdelen van het door de rechter op het eerste niveau gewezen vonnis en er geen incidenteel hoger beroep is, de bevoegdheid van de appelrechter beperkt is tot de onderdelen van het vonnis waartegen een ontvankelijk beroep is gericht.

Er is voorzien in een uitzondering in geval van bevestiging van een onderzoeksmaatregel: volgens artikel 1068, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.

De wet van 19.10.2015, die een beroep tegen een prejudiciële beslissing pas mogelijk maakt bij het eindvonnis, heeft het aantal gevallen waarin deze bepaling van toepassing is, echter aanzienlijk beperkt.

In hoger beroep worden de zaken, overeenkomstig artikel 109bis, 3° van het Gerechtelijk wetboek toegewezen aan kamers met één raadsheer in het hof. Wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de eerste voorzitter zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen.

De rechter in hoger beroep kan bevelen dat het aan de niet verschenen gedaagde partij wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersakte (artikel 1058 Gerechtelijk wetboek). De regels betreffende verstekvonnis en verzet zijn in hoger beroep van toepassing (artikel 1067 Gerechtelijk wetboek).

Volgens artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek zijn, voor zover daarvan niet door bijzondere bepalingen is afgeweken, de regels van het geding van toepassing op de beroepsprocedures. Artikel 1066 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in bijzondere regels voor zaken in hoger beroep met korte debatten.

Een nieuwe vordering kan voor het eerst worden ingesteld voor het hof van beroep overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen een tegenvordering in hoger beroep en een incidenteel beroep. Het Hof van Cassatie is zeer restrictief ten aanzien van de toelating van een tegenvordering in de fase van het beroep, aangezien het van oordeel is dat deze vordering moet voldoen aan de specifieke voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek die op de nieuwe vordering van toepassing zijn.

Het incidenteel beroep biedt verweerder de mogelijkheid om onderdelen van het dictum van het bestreden vonnis aan te vechten waartegen het hoofdberoep niet is opgekomen. Met een incidenteel beroep verzoekt verweerder om hervorming van het dictum van het bestreden vonnis waartegen rekwirant in het hoofdberoep niet was opgekomen.

Aldus kan, door omzeiling van de relatieve werking van het beroep, het geschil volledig opnieuw worden beslecht door een tweede aanleg.

Het incidenteel beroep wordt in het algemeen ingesteld bij conclusies (artikel 1056, 4° van het Gerechtelijk Wetboek).

Verweerder kan alle bepalingen van het bestreden vonnis aanvechten, zelfs die welke geen voorwerp uitmaken van het hoofdberoep.

De gedaagde in hoger beroep kan incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er voor de betekening in berust heeft. Het incidenteel beroep wordt alleen toegelaten indien het wordt ingesteld in de eerste conclusie van de gedaagde in hoger beroep na het hoofdberoep of incidenteel beroep dat tegen hem is ingesteld. Het incidenteel beroep kan echter niet worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard (artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 25.05.2018).

Bovendien kan steeds een nieuw middel worden aangevoerd, met inbegrip van een nieuwe kwalificatie van de feiten.

Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.(artikel 812, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek). Anderzijds zijn bewarende tussenkomsten ontvankelijk.

4. Cassatie

Het Hof van Cassatie oordeelt over de wettigheid van rechterlijke beslissingen in laatste aanleg. Cassatie wordt ingesteld door een verzoekschrift. Cassatie spreekt zich niet uit over feiten, deze werden soeverein beoordeeld door de feitenrechters (artikel 147 van de Grondwet).

Het cassatieverzoek en de daarin ontwikkelde middelen zijn onderworpen aan strenge technische regels, zowel van juridische als van jurisprudentiële aard, waarvan de niet-inachtneming leidt tot onontvankelijkheid van het cassatieverzoek of van de middelen.

De wettelijke bepalingen waarvoor de schending wordt ingeroepen, moeten door de eiser in zijn voorziening tot cassatie worden vermeld. Een voorziening kan worden ingesteld door de administratie, door de belastingplichtige, maar ook door beiden, indien elk van hen op één van de gronden is benadeeld.

Het cassatieberoep en de termijn voor de instelling ervan schorsen de tenuitvoerlegging van de bestreden rechterlijke beslissing.

De voorziening in cassatie wordt overeenkomstig de artikelen 1079, eerste lid, en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door op de griffie van het Hof van Cassatie een verzoekschrift in te dienen, dat in voorkomend geval vooraf wordt betekend aan de partij tegen wie de voorziening is gericht.

Artikel 1081 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het exploot waarbij de voorziening is betekend, op straffe van nietigheid, bij het verzoekschrift wordt gevoegd.

Het is door de neerlegging van het verzoekschrift dat het Hof van Cassatie wordt gevat, niet door de betekening. De voorafgaande betekening van het verzoekschrift tot cassatie is evenwel een substantiële vormvereiste en de niet naleving ervan brengt de niet- toelaatbaarheid van de voorziening met zich mee (Arrest van het Hof van Cassatie van 07.04.1997, Pas. I, nr. 173, blz. 418).

Overeenkomstig artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan.

Het verzoekschrift bevat, zoals bepaalt in artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, de uiteenzetting van de middelen van de eiser, zijn conclusie en de vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, een en ander op straffe van nietigheid. Inzake btw moet, in tegenstelling tot wat is voorzien in voornoemd artikel 1080, het verzoekschrift niet worden ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie. Artikel 93 van het Btw-Wetboek bepaalt immers dat het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.

De Belgische Staat doet haar rechten voor de rechter gelden via haar organen. Daarom kan de voorziening, net als inzake directe belastingen (Cass. van 9.10.1962, Bull. 400, blz. 1719, Pas. 1963, I, 172), regelmatig worden ingesteld door de bevoegde ambtenaar.

Deze bevoegdheid van de bevoegde ambtenaar om zelf een voorziening in cassatie te ondertekenen en neer te leggen, strekt zich uit tot de memories van antwoord, wanneer de Staat optreedt als verweerder. Wanneer de administratie cassatieberoep instelt, is er geen tussenkomst van een advocaat nodig (Cass., 16.11.2006, F.05.0068.F, Fisconetplus).

In de praktijk wijst de administratie evenwel meestal een advocaat bij het Hof van Cassatie aan om de voorziening cassatie neer te leggen of om in btw-zaken een memorie van antwoord in te dienen.

De tussenkomst van een advocaat, die niet noodzakelijk een advocaat van het Hof van Cassatie hoeft te zijn, is wel verplicht voor de belastingplichtige.

In haar arrest van 09.02.2018 heeft het Hof van Cassatie beslist dat de afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 93 van het Btw-Wetboek, dat bepaalt dat het verzoekschrift houdende het cassatieberoep door een advocaat mag worden ondertekend, enkel van toepassing is op het cassatieberoep tegen een beslissing over vervolgingen en gedingen die zijn ingeleid in de vorm van een gedinginleidende vordering en niet van een tussenvordering of van een vordering tot tussenkomst.

Het cassatieberoep wordt beantwoord door ter griffie van het Hof van Cassatie een memorie in te dienen. De memorie van antwoord wordt aan de advocaat van de eiser of, indien hij geen advocaat heeft, naar de eiser zelf gezonden uiterlijk op de dag van de neerlegging ervan ter griffie (artikel 1092 Gerechtelijk wetboek).

Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet de memorie van antwoord evenwel voorafgaand aan de indiening ter griffie worden betekend aan de advocaat van de eiser of, indien hij geen advocaat heeft, aan de eiser zelf, wanneer in de memorie van antwoord een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wordt opgeworpen.

De termijn waarover de verweerder beschikt om zijn antwoord ter griffie in te dienen, bedraagt, op straffe van verval, drie maanden, te rekenen van de dag waarop het inleidende verzoekschrift of de memorie van toelichting is betekend (artikel 1093 Gerechtelijk wetboek).

Indien de verweerder tegen het cassatieberoep een middel van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, kan de eiser hierop antwoorden door op de griffie van het Hof van Cassatie een memorie van wederantwoord in te dienen.

De termijn waarover de eiser beschikt om zijn memorie van wederantwoord ter griffie in te dienen bedraagt, op straffe van verval, een maand, te rekenen van de dag waarop de memorie van antwoord is betekend.

De memorie van wederantwoord wordt aan de advocaat van de verweerder of, indien hij geen advocaat heeft, naar de verweerder zelf gezonden uiterlijk op de dag van de neerlegging ervan ter griffie (artikel 1094 Gerechtelijk wetboek).

Wanneer de conclusies van het openbaar ministerie schriftelijk worden neergelegd, kunnen de partijen uiterlijk ter terechtzitting en uitsluitend in antwoord op de conclusies van het openbaar ministerie een nota indienen waarin zij geen nieuwe middelen mogen aanvoeren. Daartoe wordt een afschrift van de conclusies gevoegd bij het door de griffier verzonden kennisgeving van de rechtsdag, in principe, ten minste vijftien dagen voor de zitting.

Zoals bepaald in het door de wet van 06.07.2017 gewijzigde artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst het Hof van Cassatie, in geval van vernietiging, indien daartoe aanleiding bestaat, de zaak, hetzij naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld. Dat gerecht voegt zich naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt. Tegen de beslissing van dat gerecht wordt geen voorziening in cassatie toegelaten in zoverre deze beslissing overeenstemt met het vernietigingsarrest.

Arresten tot afwijzing van de hogere voorziening zijn niet vatbaar voor beroep. De bestreden beslissing wordt dus definitief en uitvoerbaar.

5. Consignatie (tekst van artikel 92 van toepassing vóór 01.01.2020)

De tekst van het artikel dat vóór 1.1.2020 van toepassing is, blijft van toepassing op het administratief dwangbevel inzake de belasting over de toegevoegde waarde dat vóór 1.1.2020 is ter kennis werd gebracht of betekend.

De wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019 is niet van toepassing

• op het administratieve dwangbevel inzake de belasting over de toegevoegde waarde die ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 1°);

• op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 5°);

• op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21.02. 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding (art.138, 6°).

Overeenkomstig artikel 92, eerste lid, van het Btw-Wetboek kan de ontvanger, in geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.

Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet- ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is.

6. Aansprakelijkheidsvordering en herstel van de schade (tekst van artikel 92 van toepassing vanaf 01.01.2020)

Overeenkomstig artikel 92 van het Btw-Wetboek doen de bepalingen van dit Wetboek geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen, interesten, administratieve geldboeten en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering (De tekst van artikel 92 werd vervangen vanaf 01.01.2020 (artikel 24, wet van 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, p. 41412)).

Deze wijziging is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake de belasting over de toegevoegde waarde die ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 1°, wet van 13.04.2019).

[Top]

Aangehaalde teksten

17
WBTW art. 708 voorkomens
WBTW art. 844 voorkomens
WBTW art. 904 voorkomens
WBTW art. 593 voorkomens
WBTW art. 92bis3 voorkomens
WBTW art. 933 voorkomens
WBTW art. 722 voorkomens
WBTW art. 922 voorkomens
WBTW art. 191 voorkomen
WBTW art. 731 voorkomen
WBTW art. 73bis1 voorkomen
WBTW art. 811 voorkomen
WBTW art. 831 voorkomen
WBTW art. 84bis1 voorkomen
WBTW art. 891 voorkomen