Fiscale boete, Strafrechtelijk karakter · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 25 mei 1999

Zoeken

Fiscale boete, Strafrechtelijk karakterBTW,Fiscale boete,Strafrechtelijk karakter

https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-fiscale-boete-strafrechtelijk-karakter-cassatie-brussel-1999-05-25-2a82

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
25 mei 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

76 paragrafen

Tekst van de beslissing

ARREST C 99/21

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.05.1999

FJF 99/126

BTW - Fiscale boete - Strafrechtelijk karakter

Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten moet nagegaan worden of ze zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is en of ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen.

De aard en de omvang van de begane overtredingen kunnen door de strafrechter in aanmerking genomen worden om uit te maken of een opgelegde administratieve sanctie inzake BTW een strafsanctie is in de zin van de artikelen 6 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

De verwijzing naar de correctionele rechtbank zonder voeging van het administratief dossier van de Bijzondere Belastinginspectie laat de bevoegdheid van deze rechtbank om te oordelen over het eerlijk karakter van het proces in zijn geheel en bijaldien ook het recht van verdediging onverkort.

C.99.0517.N

HET HOF,

Gelet op het bestreden arrest, op 26 februari 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling;

I. Op de voorziening van A.L.:

Over het eerste middel, gesteld als volgt: schending van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende en bij wet van 13 mei 1955 goedgekeurde Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna aangeduid als EVRM, van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, hierna aangeduid als IVBPR, van artikel 149 van de Grondwet en tenslotte van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (miskenning van de bewijskracht van een akte),

Doordat het bestreden arrest de middelen omtrent de onontvankelijkheid van de strafvordering verwierp op grond van de volgende motieven: "Overwegende dat de inverdenkinggestelden - verwijzend naar het EVRM en het Bupo-Verdrag (art. 14,7°) - de exceptie 'non bis in idem' opwerpen om te stellen dat de strafvordering niet zou ontvankelijk zijn; dat zij dienaangaande wijzen op het feit dat er reeds een bedrag van 15.000.000 frank werd betaald, welke som volgens hen als een strafsanctie dient beschouwd, zodat zij geen tweede keer kunnen vervolgd worden voor feiten, waarvoor ze reeds gesanctioneerd werden; overwegende dat de fiscale administratieve sancties niet vallen onder de veroordelingen, bedoeld in het EVRM en het BUPO-Verdrag; dat daarenboven dient opgemerkt te worden dat aanvankelijk een bedrag van 59.090.120 frank werd gevorderd, wat na een verzoek van de betrokkenen om terzake een dading aan te gaan, werd herleid naar 15.000.000 frank; dat een dadingsovereenkomst van civielrechtelijke aard is en niet als een strafsanctie kan voorgesteld worden om een strafvervolging te ontlopen; dat dergelijke dading tussen de administratie en de betrokkene niet tegenstelbaar is aan het Openbaar Ministerie, dat de strafvordering uitoefent; dat de grootte van het bedrag: 15.000.000 frank, op zich evenmin een aanwijzing vormt dat het om een strafsanctie zou gaan, gelet op de aard en de omvang van de inbreuken, waarvan sprake in het proces-verbaal van de BBI dd. 7/3/1996 (stuk lb, neergelegd door L.A.), op basis waarvan er aanvankelijk zelfs sprake was van 59.090.120 frank; dat tenslotte dient opgemerkt dat de dading voor een bedrag van 15.000.000 frank werd aangegaan met de BVBA A-V, terwijl het thans fysieke personen zijn, die het voorwerp uitmaken van de strafvervolging",

terwijl, eerste onderdeel, waar eiser in conclusie (zie nr. 32) voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent het middel had ontwikkeld dat de hem opgelegde boete geen preparatoir karakter vertoonde daar ze werd opgelegd wegens beweerde medeplichtigheid aan de B.T.W.-fraude begaan door de cliënten van BVBA A.-V. en dat laatstgenoemde wel degelijk al de door haar verschuldigde B.T.W. had betaald en eiser bovendien (zie nr. 34) had gesteld dat de voorliggende zaak overigens precies daarin verschilde van de zaak waarin door het Hof (van Cassatie) arrest werd geveld op 11 oktober 1996 en het Hof (van Cassatie) had besloten tot het reparatoir karakter van een belastingverhoging; het hof van beroep niettemin alleen de hoogte van de boete (15.000.000 frank) in de beoordeling van de repressieve dan wel reparatoire aard van deze boete heeft betrokken, zonder te antwoorden op het middel dat de oplegging van een boete aan een leverancier (A-V.) die zélf de B.T.W. niet ontdoken had doch alleen een ander (de kleinhandelaars) daarbij behulpzaam was geweest, een element is dat van aard is om, benevens de hoogte van de sanctie, te doen besluiten tot de repressieve aard van de fiscale sanctie; dat immers de loutere vermelding door het hof van beroep dat "de aard en de omvang van de inbreuken" zou beletten dat de grootte van het bedrag (15.000.000 frank) op zich evenmin een aanwijzing zou vormen dat het om een strafsanctie zou gaan, zonder de motieven te vermelden waarom de "aard en de omvang", van de inbreuken tot dit besluit zouden leiden, geen antwoord op de voormelde argumentatie en het middel van eiser inhoudt;

zodat het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet schendt door niet te antwoorden op de regelmatig aan het hof van beroep voorgedragen middelen;

en terwijl, tweede onderdeel, de oplegging aan een vennootschap van een administratieve B.T.W.-boete ten belope van ca. 59 miljoen frank, weliswaar later verminderd tot het ronde bedrag van 15 miljoen frank, voornamelijk wegens foutieve vermeldingen van de namen van afnemers op uitgaande facturen, overtreding die de ontduiking van B.T.W. door de afnemers van de vennootschap mogelijk maakt, onder het begrip "strafvervolging" van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR valt;

zodat het bestreden arrest, door te beslissen dat het opleggen van de betrokken fiscale administratieve boete geen strafvervolging uitmaakt in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 van het IVBPR, deze beide verdragsartikelen schendt;

en terwijl, derde onderdeel, de "aard en de omvang van de begane overtredingen" geen omstandigheden kunnen uitmaken die, in principe en in hun algemeenheid, van aard zouden zijn om aan een zeer hoge administratieve boete, die de hoogte ervan beschouwend, een punitief karakter heeft, dit karakter in de zin van de genoemde verdragsartikelen te ontnemen; dat bovendien het feit dat de begane overtredingen een aard en omvang vertonen zodat er noodzakelijk veel schade wordt berokkend aan de Schatkist, geen omstandigheid is die op zichzelf aan de opgelegde boete haar punitief karakter kan ontnemen; integendeel is mogelijk het tegenovergestelde waar aangezien de grootte van de schade van de Schatkist eveneens bepalend is voor het afkeurenswaardig karakter van de overtreding en dus het repressief en preventief effect van een sanctie kan verhogen, noodzaken of tot gevolg hebben; en tenslotte dat de algemeenheden en de vaagheid van de stelling dat de aard en de omvang van de overtredingen het reparatoir karakter van de boete zouden meebrengen, overigens het Hof (van Cassatie) mogelijk belet zijn wettigheidscontrole uit te oefenen aangezien minstens niet éénder wélke aard of omvang van de overtredingen, in gelijk welke omstandigheid, tot het door het hof van beroep getrokken besluit leidt;

zodat het bestreden arrest artikel 6 EVRM en artikel 14 van het IVBPR schendt ofwel minstens een dubbelzinnige of onduidelijke redengeving bevat die het Hof (van Cassatie) belet zijn wettigheidtoezicht uit te oefenen en aldus niet regelmatig gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de Grondwet);

en terwijl, vierde onderdeel, het arrest de bewijskracht miskent van het proces-verbaal van de heer M. van de BBI dd. 7 maart 1996 bevattende de vermelding van de feiten waarvoor de kwestieuze boete was opgelegd, de motivering en het bedrag ervan, in samenlezing met de brief van de BBI dd. 7 juni 1996 waarin het bedrag werd gereduceerd tot het weliswaar nog zeer hoge bedrag van 15 miljoen frank, aangezien de bewoordingen van deze aktes ter zake van de erin vervatte feiten, de oorzaken voor de oplegging van de boete, en de hoogte van die boete, niet verzoenbaar zijn met de stelling dat een voor de bewuste feiten opgelegde boete van een dergelijke hoogte géén strafvervolging zou uitmaken in de zin van artikel 6 EVRM. of 14 IVBPR, tenzij het hof van beroep een onwettig oordeel zou hebben geveld;

zodat het bestreden arrest de bewijskracht miskent van de twee voornoemde akten (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (miskenning van de bewijskracht van een akte), ofwel van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, of tenslotte minstens de controle van de wettigheid van de interpretatie van deze verdragsartikelen niet toelaat en aldus het Hof (van Cassatie) verhindert zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en aldus niet regelmatig gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de Grondwet);

en terwijl, vijfde onderdeel, het niet principieel uit te sluiten valt, zoals het hof van beroep, minstens impliciet maar zeker, deed, dat het verbod van artikel 14, zevende lid IVBPR (eventueel ook neergelegd in artikel 6 EVRM) van toepassing zou zijn op de cumulatie van een strafvervolging in hoofde van een rechtspersoon enerzijds en in hoofde van haar strafrechtelijke verantwoordelijke anderzijds;

zodat het bestreden arrest artikel 14, zevende lid IVBPR en, voor zoveel als nodig, artikel 6 EVRM schendt:

Overwegende dat een administratieve sanctie inzake belasting een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR;

Overwegende dat om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belasting dergelijk karakter heeft moet nagegaan worden of ze 1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft 2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt 3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, 4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is, 5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan; dat, indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, de administratieve sanctie inzake belasting als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen moet worden beschouwd;

Wat het eerste onderdeel betreft:

Overwegende dat artikel 149 Grondwet niet toepasselijk is op de kamer van inbeschuldigingstelling die de rechtspleging regelt;

Overwegende dat de appèlrechters met de in het middel aangehaalde motivering eisers verweer dat de aan A-V BVBA opgelegde administratieve boete inzake BTW een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR met opgave van redenen verwerpen, hierdoor zijn conclusie beantwoorden, en de beslissing regelmatig met redenen omkleden;

Wat het tweede onderdeel betreft:

Overwegende dat eiser in zijn bij de appèlrechters genomen geschreven conclusie enkel heeft betoogd dat gelet op het bedrag van de aan A-V BVBA opgelegde administratieve boete deze een strafsanctie is in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR;

Overwegende dat de appèlrechters met de in het middel aangehaalde motivering dit verweer van eiser verwerpen;

Dat zij door eisers verweer in die context en op deze grond te verwerpen de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR niet schenden;

Wat het derde onderdeel betreft:

Overwegende dat de aard en de omvang van de begane overtredingen, anders dan het middel aanvoert, door de strafrechter in aanmerking kunnen worden genomen om uit te maken of een opgelegde administratieve boete inzake BTW een strafsanctie is in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR;

Dat de appèlrechters door hun beslissing deze verdragsbepalingen niet schenden;

Wat het vierde onderdeel betreft:

Overwegende dat de appèlrechters de brief van de Bijzondere Belastinginspectie van 7 juni 1996 aanhalen noch bespreken, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen;

Overwegende dat de appèlrechters door te considereren dat het bedrag van de aan A.-V BVBA opgelegde administratieve boete inzake BTW, gelet op de aard en de omvang van de inbreuken waarvan sprake in het proces-verbaal van de Bijzondere Belastinginspectie van 7 maart 1996, op zich geen aanwijzing vormt dat deze boete een strafsanctie is -in de zin van het EVRM en het IVBPR- van dit proces-verbaal geen interpretatie geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen;

Wat het vijfde onderdeel betreft:

Overwegende dat nu de appèlrechters wettig vermogen te beslissen dat de aan AV bvba opgelegde administratieve boete inzake BTW geen strafsanctie is in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, het onderdeel dat aanvoert dat deze verdragsbepalingen eventueel ook van toepassing zouden kunnen zijn op de cumulatie van strafvervolging in hoofde van, enerzijds, een rechtspersoon, anderzijds, de natuurlijke persoon die de strafrechtelijk verantwoordelijke voor die rechtspersoon is, niet tot cassatie kan leiden;

Dat het middel niet kan worden aangenomen; Over het tweede middel, gesteld als volgt;

schending van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende en bij wet van 13 mei 1955 goedgekeurde Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna aangeduid als EVRM, van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, hierna aangeduid als IVBPR, van de artikelen 127, 131, 135, 211, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, van de beginselen van behoorlijk bestuur, van het recht van verdediging, van de algemene beginselen van het strafprocesrecht, van de strafvorderlijke bewijsregels, het algemeen rechtsbeginsel volgens het welke elke bewijsvoering rechtmatig hoort te zijn, en tenslotte van artikel 149 van de Grondwet,

doordat het arrest beslist dat: "de inverdenkinggestelden hun bezwaren en grieven in verband met het gevoerde fiscaal-controle onderzoek wensen beoordeeld te zien door de strafrechter, die echter niet bevoegd is om hierover te oordelen; dat de beweringen omtrent inbreuken op de beginselen van behoorlijk bestuur vanwege de BBI niet relevant zijn in het kader van de strafprocedure en desgevallend via de daartoe geëigende procedures kunnen worden aangevoerd, doch niet voor de strafrechter; dat het Openbaar Ministerie dan ook terecht heeft geoordeeld dat het administratief dossier niet thuis hoort in het strafdossier; dat immers de fiscaal-administratieve afhandeling van de zaak volledig los staat van de uitoefening van de strafvordering wegens fiscaalrechtelijke inbreuken; dat er geen enkele reden of aanwijzing bestaat, van aard om een verhoor van de BBI-ambtenaren over het indienen van de strafklacht - zoals vooropgesteld door de inverdenkinggestelde L. - nodig te maken; dat enkel kan worden vastgesteld dat de ten laste gelegde strafrechtelijke inbreuken op regelmatige wijze, conform artikel 29, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, werden ter kennis gebracht aan het Openbaar Ministerie; dat er geen enkele reden is om in te gaan op de suggesties, hypothesen en beweringen van de inverdenkinggestelden, nu er dienaangaande geen enkele aanwijzing van enige onregelmatigheid, van aard om het gerechtelijk strafonderzoek te beïnvloeden, bestaat; dat het niet de taak is van de administratie, en het haar zelfs niet toekomt, om mogelijke verdachten van een misdrijf vooraf reeds in te lichten van een kennisgeving aan het parket of een op til zijnd gerechtelijk strafonderzoek, zodat de bewering, als zou er 'heimelijk' een strafklacht zijn ingediend, elke grond mist",

terwijl, eerste onderdeel, eiser in conclusies (zie met name nrs. 20, 26, 36, 37, 38 en 39) genomen voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent verschillende elementen had opgeworpen, waaruit de bedoelde onregelmatigheden bleken of waardoor ze waarschijnlijk konden worden gemaakt of waardoor er minstens waarschijnlijk werd gemaakt dat het niet uit te sluiten viel dat zich bepaalde onregelmatigheden zouden hebben voorgedaan; dat eiser in deze conclusie onder meer had verwezen naar de omstandigheden dat de BBI de gerechtelijke onderzoekers tijdens of nà de indiening van de strafklacht nooit had gewezen op de betaling van de B.T.W. of de betaling van de boete, en dat de strafklacht werd ingediend na bekentenis en na betaling van de boete, wat minstens ongebruikelijk voorkomt en een mogelijk onbehoorlijk bestuurlijk handelen uitmaakt; dat ook in de brief van de raadsman van eiser dd. 11 september 1998 (vermeld en hernomen in het nr. 20 van de conclusie voor de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent) werd gewezen op de redenen voor de relevantie van de stukken van het BBI-dossier voor de strafzaak; en dat de loutere tegenspraak door het hof (van beroep) van het "heimelijk" karakter van de acties van de BBI geen afdoende antwoord inhoudt op al deze middelen;

zodat het bestreden arrest daarop niet antwoordde en aldus tekortschoot aan de motiveringsverplichting van artikel 149 van de Grondwet;

en terwijl, tweede onderdeel, de strafrechter mede tot taak heeft erop toe te zien dat de strafprocedure in de zin van artikel 6 EVRM verloopt met inachtneming van de in die bepaling vervatte waarborgen; deze bepaling er primordiaal op is gericht na te gaan of de persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld, een eerlijk proces heeft gehad; dat zulks echter veronderstelt dat de vonnisrechter het verloop van de ganse procedure kan overschouwen; het eerlijk karakter van een strafprocedure immers in zijn totaliteit moet worden beoordeeld; het beginpunt van een strafvervolging dient te worden gesitueerd op het ogenblik waarop de betrokkene zich in een toestand bevond waarin het optreden van de overheid zijn situatie beïnvloedde; dat dit in casu reeds het geval was vanaf het tijdstip waarop de betrokkene geconfronteerd werd met het onderzoek van de BBI, nl. midden 1995;

zodat het bestreden arrest, door te oordelen dat de strafrechter niet bevoegd is om te oordelen over het fiscaal-administratief onderzoek en dat dit laatste volledig losstaat van de strafprocedure, de vonnisrechter in de onmogelijkheid stelt te oordelen over het respect voor de eerlijke procedure, artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, in samenhang met de artikelen 127, 131, 135, 211, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering schendt of minstens het recht van verdediging van eiser in het gedrang brengt;

en terwijl, derde onderdeel, de strafrechter wel degelijk bevoegd is om te oordelen over bezwaren en grieven in verband met een fiscaal controle-onderzoek, aangezien deze de regelmatigheid en zelfs de ontvankelijkheid van de strafvordering kunnen beïnvloeden;

zodat de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent op onwettige wijze tot zijn besluit kwam (schending van de artikelen 127, 131, 135, 211, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, van de strafvorderlijke bewijsregels, van de algemene beginselen van het strafprocesrecht en het algemeen rechtsbeginsel volgens het welke elke bewijsvoering rechtmatig hoort te zijn);

en terwijl, vierde onderdeel, inbreuken op de beginselen van behoorlijk bestuur door de BBI in het kader van een fiscaal controle-onderzoek, wel degelijk relevant kunnen zijn in het kader van een daarop volgende strafprocedure, aangezien deze inbreuken de regelmatigheid van de door de BBI ingediende strafklacht kunnen beïnvloeden; dat inbreuken op beginselen van behoorlijk bestuur en onregelmatigheden in het algemeen in het kader van een administratief onderzoek, de regelmatigheid en zelfs de ontvankelijkheid van de strafvordering kunnen beïnvloeden, alsmede een invloed kunnen hebben op de regelmatigheid van het bewijs dat wordt aangevoerd in de strafprocedure;

zodat de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent op onwettige wijze tot zijn besluit kwam (schending van de artikelen 127, 131, 135, 211, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de algemene beginselen die de strafvordering beheersen, van de strafvorderlijke bewijsregels en tenslotte van het algemeen rechtsbeginsel volgens het welke elke bewijsvoering rechtmatig hoort te zijn);

en terwijl, vijfde onderdeel, noch de verwijzingsrechter, noch de strafrechter, zonder kennis te nemen van het administratief dossier ( BBI-dossier) dat de essentiële gegevens bevat met betrekking tot de eerder reeds opgelegde administratief-punitieve sancties en de door

dezelfde diensten ingediende aangifte van strafbare feiten, zal hebben kunnen oordelen of de betrokkene heeft genoten van een eerlijk proces en over de vraag of de strafvordering met betrekking tot bepaalde feiten die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een administratieve sanctionering met punitief gehalte, door laatstgenoemde sanctionering beïnvloed wordt en tenslotte over de regelmatigheid van de door de BBI-ambtenaren ingediende strafklacht en bijgevolg over de daarmee samenhangende regelmatigheid en ontvankelijkheid van de strafvordering, dat zulks onvermijdelijk, mede gelet op het artikel 235bis, § 5, Sv., zal indruisen tegen het recht op een eerlijk proces en de waarborg tegen dubbele vervolging zoals met name vervat in artikel 14, zevende lid, van het IVBPR en ook tegen het recht van verdediging;

zodat het bestreden arrest de in het middel aangehaalde internationale verdragsartikelen en het recht van verdediging, in samenlezing met de in het middel aangehaalde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, schendt, doordat noch de verwijzingsrechter, noch de rechter ten gronde in de mogelijkheid zal zijn om de reeds eerder, voor dezelfde feiten opgelegde administratieve sancties in zijn oordeel te betrekken:

Overwegende dat de rechter in strafzaken, wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, onaantastbaar in feite de bewijswaarde beoordeelt van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren;

Dat de rechter bovendien onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van een bijkomende onderzoeksmaatregel beoordeelt, voor zover hij het recht van verdediging van de beklaagde eerbiedigt;

Wat het eerste onderdeel betreft;

Overwegende dat artikel 149 Grondwet niet toepasselijk is op de kamer van inbeschuldigingstelling die de rechtspleging regelt;

Overwegende dat de appèlrechters met de in het middel aangehaalde motivering eisers verweer betreffende de aangevoerde inbreuken op de beginselen van behoorlijk bestuur door de Bijzondere Belastinginspectie als irrelevant verwerpen, hierdoor zijn conclusie beantwoorden, en de beslissing regelmatig met redenen omkleden;

Wat het tweede en het vijfde onderdeel betreft:

Overwegende dat de onderdelen uitgaan van de onderstelling dat ingevolge de verwijzing van eiser naar de correctionele rechtbank zonder voeging van het administratief dossier van de Bijzondere Belastinginspectie, de correctionele rechtbank niet in staat zou zijn te oordelen over het eerlijk karakter van het proces ten zijne laste in zijn geheel;

Overwegende dat de verwijzing van eiser naar de correctionele rechtbank de bevoegdheid van deze rechtbank om hierover te oordelen en bijaldien ook eisers recht van verdediging onverkort laat;

Wat het derde onderdeel betreft:

Overwegende dat artikel 74, § 1, BTW-wetboek bepaalt dat de strafvordering inzake BTW-misdrijven wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie;

Dat eventuele onregelmatigheden bij het fiscaal controle-onderzoek op zich de regelmatigheid, noch de ontvankelijkheid van de strafvordering aantasten;

Wat het vierde onderdeel betreft:

Overwegende dat eiser in zijn bij de appèlrechters genomen geschreven conclusie heeft betoogd dat het feit dat de Bijzondere Belastinginspectie, buiten weten van de verdachten, nadat alle feiten waren toegegeven, de volledige medewerking aan het onderzoek was verleend en alle belastingen waren betaald, een aangifte of klacht bij de procureur des Konings heeft gedaan, terwijl hierbij niet werd vermeld dat van de BVBA A-V de betaling van een boete van 15.000.000 frank werd gevorderd en evenmin de onderzoeksrechter hiervan geïnformeerd was, schending oplevert van de beginselen van behoorlijk bestuur;

Overwegende dat de appèlrechters door de in het middel aangehaalde motivering dit verweer van eiser verwerpen;

Dat de appèlrechters door eisers verweer in die context en op deze grond te verwerpen de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR niet schenden;

Dat het middel niet kan worden aangenomen;

En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen;

II. Op de voorzieningen van F.D., J.V., R.B., E. D. V., D.D.W.en J.B.:

Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

Verwerpt de voorzieningen;

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 741 voorkomen

Rechtspraak

21

België

21

Hof van beroep te Brussel02.12.2010

Strafbepaling, administratieve geldboete

Bekijk alle 21

Administratieve doctrine

3

Bekijk de 24 documenten

Vergelijkbare beslissingen

6